id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071008.11 Rolnummer: 2006AR3289 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-03-08 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-02 16:06 Fiche Voor de beoordeling van de vraag wat partijen voor ogen hadden - een voorwaarde of een tijdsbepaling- dient de bedoeling van prtijen te worden nagegaan. Een betalingsverbintenis met tijdsbepaling leunt het beste aan bij de geest en de economie van het contract. Het is aannemelijk dat er enkel bereidheid was gedurende maanden vertaalwerk te verrichten zonder hiervoor onmiddellijk te worden betaald, indien men tenminste de zekerheid had dat betaling op een later tijdstip zou volgen. Niets laat toe te besluiten dat de vertaler de bedoeling zou hebben gehad een meer aleatoir contract af te sluiten, d.w.z. een contract waarbij de vergoeding voor de prestaties die hij gedurende maanden leverde afhankelijk zou zijn geweest van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, met name de inschrijving van studenten. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Modaliteiten - Voorwaardelijke verbintenis BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSENRECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Modaliteiten - Verbintenis met tijdsbepaling Vrije woorden: Overeenkomsten - draagwijdte clausule - bedoeling partijen - verbintenis onder voorwaarde - verbintenis met tijdsbepaling Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, 7e bis KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen : inzake : 2006/AR/3289 VZW FELE DIAM INTERNATIONAL ACADEMY OF MUSIC, met vennootschapszetel gevestigd te 3620 Lanaken, Louis Pasteurstraat 32 en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0866.223.856; A P P E L L A N T E tegen een vonnis gewezen door de 3e B kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren d.d. 20 oktober 2006, aldaar gekend onder nr. A.R. 06/319/A; vertegenwoordigd door Mr. Joost Peeters loco Mr. Hilde Palmers, advocaat, kantoor houdende te 1170 Brussel, Terhulpsesteenweg 181 bus 9; tegen : H. V., gepensioneerde (zelfstandige in bijberoep), ... G E I N T I M E E R D E verschenen in persoon en bijgestaan door Mr. Sofie Niesen, advocaat, kantoor houdende te 3510 Kermt, Diestersteenweg 146 (ref. : 14805/12/05MV); Het hoger beroep is gericht tegen een vonnis dat op 20 oktober 2006 werd gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren. Het dossier van de rechtspleging met een eensluidend verklaard af-schrift van het vonnis werd overgelegd. De vordering van geïntimeerde - oorspronkelijk eiser - strekte tot betaling van een bedrag van 2.041,00 EUR, bedrag te vermeerderen met moratoire interesten vanaf 2 januari
- De vordering was gesteund op een overeenkomst tussen partijen. Met het bestreden vonnis werd de vordering gedeeltelijk toegewe-zen. Appellante werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van 2.041,00 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten. Het hoger beroep beoogt de hervorming van het bestreden vonnis en de afwijzing van de vordering. Geïntimeerde stelt een tegenvordering die strekt tot betaling van een bedrag van 1.000,00 EUR als schadevergoeding wegens tergend of roekeloos hoger beroep. Beoordeling De ontvankelijkheid van het hoger beroep Geïntimeerde houdt voor dat de beroepsakte geen uiteenzetting ver-meldt van de grieven tegen het bestreden vonnis en derhalve nietig is. (art. 1057,7° Ger. W.) De beroepsakte is wel degelijk gemotiveerd. Uit de beroepsakte blijkt dat appellante de hervorming van het bestreden vonnis vraagt nu de eerste rechter de overeenkomst tussen partijen zou hebben miskend en ten onrechte zou hebben geoordeeld dat de factuur uit-gaande van geïntimeerde door appellante zou zijn aanvaard. Het feit dat deze argumenten ook reeds aan de eerste rechter wer-den voorgelegd, belet niet dat zij in beroep als grief worden in-geroepen. Het hof besluit dat de beroepsakte wel degelijk naar behoren werd gemotiveerd en aan geïntimeerde toelaat een ter zake dienend ver-weer op te bouwen. Het hoger beroep is ontvankelijk. De grond van het hoger beroep Het maatschappelijk doel van appellante is het verstrekken van mu-ziekonderricht. Partijen hebben op 1 december 2004 een overeenkomst gesloten in uitvoering waarvan geïntimeerde zich verbond tot vertaalwerk. De overeenkomst stipuleert m.b.t. de vergoeding waarop geïntimeer-de aanspraak kan maken : " ... The monthly salaries will be paid only from the moment as the stu-dent's payments are booked on the account of FD DIAM. ... " Vrij vertaald : " Het maandelijkse salaris zal enkel betaald worden van zodra de be-talingen van de studenten zullen zijn overgemaakt op de rekening van FD DIAM. " Partijen zijn het oneens over de juridische draagwijdte van voormeld beding. Appellante houdt voor dat haar verbintenis tot het betalen van een vergoeding was aangegaan op een ogenblik dat de school haar acti-viteiten opstartte en nog geen studenten had. De verbintenis tot het betalen van een vergoeding aan geïntimeerde zou - aldus appellan-te - zijn aangegaan onder een opschortende voorwaarde, met name dat aan de school studenten zouden worden ingeschreven die schoolgeld zouden betalen. Dit laatste zou door partijen als een toe-komstige en onzekere gebeurtenis zijn aanzien. Nu de school - aldus appellante - er nooit in geslaagd is ook maar één student aan te trekken, heeft de opschortende voorwaarde zich niet voldaan en is de vergoeding niet verschuldigd. Geïntimeerde van zijn zijde houdt voor dat de verbintenis van appel-lante om hem voor zijn prestaties te vergoeden, werd aangegaan - niet onder de voorwaarde van het zich voordoen van een toe-komstige en onzekere gebeurtenis - maar wel met een tijdsbepa- ling : van meet af stond voor iedereen vast dat de school studenten zou aantrekken en enkel het juiste tijdstip van ontvangst van de schoolgelden stond nog niet vast. Appellante kan zich in die omstandigheden - aldus geïntimeerde - niet bevrijden van haar betalingsverbintenis door enkel voor te hou-den dat de school er niet in slaagde studenten aan te trekken. Voor de boordeling van de vraag wat partijen voor ogen hadden - een voorwaarde of een tijdsbepaling - dient de bedoeling van partij-en te worden nagegaan. Op grond van de gegevens die voorliggen besluit het hof dat een be-talingsverbintenis met tijdsbepaling het beste aanleunt bij de geest en de economie van het contract. Het is aannemelijk dat geïntimeer-de enkel bereid was gedurende maanden vertaalwerk te verrichten zonder hiervoor onmiddellijk te worden betaald, indien hij tenminste de zekerheid had dat betaling op een later tijdstip zou volgen. Niets laat toe te besluiten dat geïntimeerde de bedoeling zou hebben ge-had een meer aleatoir contract af te sluiten, d.w.z. een contract waarbij de vergoeding voor de prestaties die hij gedurende maanden leverde afhankelijk zou zijn geweest van een toekomstige en on-zekere gebeurtenis, met name de inschrijving van studenten. De vriendschappelijke gevoelens die geïntimeerde mogelijk koesterde voor de oprichters van de school kunnen verklaren dat geïntimeerde bereid was genoegen te nemen met een uitgestelde betaling, maar verklaren niet waarom geïntimeerde bereid zou zijn geweest een contract met een aleatoir karakter af te sluiten. Kennelijk gingen partijen er vanuit dat studenten zich alleszins in de school zouden inschrijven. Dit werd ten tijde van het contracteren als een zeker toekomstig feit geaccepteerd. Op basis van dit gegeven zijn partijen tot een consensus gekomen. Het hof acht aangetoond dat de betalingsverbintenis met een tijds-bepaling werd aangegaan. Appellante houdt voor dat zij van haar betalingsverbintenis is bevrijd, nu zij er niet in is geslaagd studenten aan te trekken en zij derhalve ook geen inkomsten heeft. De debiteur wiens schuld eisbaar is van zodra een toekomstige maar zekere gebeurtenis zich zal voordoen, is niet bevrijd doordat de toekomstige gebeurtenis niettemin uitblijft. De debiteur dient bij-komend te bewijzen dat de toekomstige gebeurtenis door overmacht uitbleef. Dit bewijs wordt in casu niet geleverd. Appellante maakt op geen enkele wijze aannemelijk dat zij alles in het werk zou hebben gesteld om via het aanvragen van vergunningen, erkenningen, subsidies of wat ook, studenten aan te trekken. Noch de belasting-aangifte van appellante zelf, noch deze van haar oprichters zijn in het kader van deze bewijsvoering relevant. Het hof besluit dat appellante tot betaling gehouden is.
- Appellante houdt voor dat geïntimeerde niet het bewijs zou leveren van de prestaties die hij leverde en waarvoor hij betaling vraagt. Appellante heeft naar aanleiding van de factuur nooit betwist dat ge-intimeerde de aangerekende prestaties daadwerkelijk leverde. De afrekening is zeer gedetailleerd en werd opgesteld volgens de be-palingen van de overeenkomst. Hierop is van de zijde van appel-lante nooit protest gekomen. De weigering van appellante om de factuur te betalen had uitsluitend betrekking op de hogervemelde betwisting - er zijn geen studenten en derhalve is betaling niet ver-schuldigd - maar nooit op de prestaties zelf. Indien geïntimeerde van oordeel was dat wat geïntimeerde aanrekende niet in overeen-stemming was met de prestaties die hij leverde, dan had zij dienen te reageren naar aanleiding van de ontvangst van de afrekening en de ingebrekestellingen. Nu appellante nooit een opmerking maakte, wordt zij geacht het gevorderde bedrag te hebben aanvaard.
- Het hof acht niet aangetoond dat appellante foutief zou hebben ge-handeld door hoger beroep aan te tekenen. De vordering tot schadevergoeding wegens tergend of roekeloos ho-ger beroep wordt afgewezen. OM DEZE REDENEN : HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart de vordering wegens tergend of roekeloos hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verwijst appellante in de gerechtskosten in hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde vereffend op 485,88 EUR (rechtsplegings-vergoeding), volgens opgave in conclusie. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van ACHT OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN, waar aanwezig waren : G. BRESSELEERS, alleenzetelend raadsheer G. VELTMANS, griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071008.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div