← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071010.18

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 10 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071010.18 Rolnummer: 2006AR1837 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-07-30 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-02 16:08 Fiche Artikel 601 bis van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat de politierechtbank ongeacht het bedrag, kennis neemt van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek. Voor een vordering tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval is evenwel vereist dat de schade veroorzaakt is in het verkeer. Het begrip ongeval in het wegverkeer dient niet zo begrepen te worden, dat er steeds minstens een bewegend voertuig bij betrokken moet zijn. Immers op de voetganger was het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg van toepassing, dat krachtens zijn artikel 1 geldt voor het verkeer op de openbare weg en het gebruik ervan door voetgangers, voertuigen, trek- last- of rijdieren en vee. Dat in de bedoeling van de wetgever voetgangers ook verkeer uitmaken blijkt ten overvloede uit de bepaling van trottoir in artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 1 december

  1. Immers trottoir is het gedeelte van de openbare weg, al dan niet verhoogd aangelegd ten opzichte van de rijbaan, in het bijzonder ingericht voor het verkeer van voetgangers. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Politierechtbank GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Hof van beroep Vrije woorden: bevoegdheid politierechtbank - art. 601 bis Ger.W. - Verkeersongeval - begrip - val van voetganger op voetpad Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2006/AR/1837 G. L., appellant, vertegenwoordigd door Mr. Thomas MEIRELEIRE loco Mr. WUYTS Guido, advocaat te 2200 HERENTALS, Lierseweg 238 tegen het vonnis gewezen op 09 mei 2006 door de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen tegen
  2. ETHIAS VERZEKERINGSVERENIGING, met maatschappelijke zetel te 3500 HASSELT, Prins-Bisschopssingel 73, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. Saskia COLLARD BOVY loco Mr. DEVROE Dirk, advocaat te 2900 SCHOTEN, Grote Singel 1
  3. F. C., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. L. TOP loco Mr. VERWAEST Jef, advocaat te 2500 LIER, Vismarkt 37
  4. STAD LIER, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met burelen te 2500 LIER, Grote Markt 57, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. E. VERHAERT loco Mr. MOORS Willy, advocaat te 2500 LIER, Kruisbogenhofstraat 15 ***
  5. Wat voorafgaat. 1.
  6. Op 14 april 2005 heeft L. G. een dagvaarding laten betekenen aan NV Ethias Verzekeringsvereniging, aan C. F. en aan de stad Lier om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen. 1.
  7. Hij houdt in deze dagvaarding voor dat hij op 19 december 2002 om 18:00 uur te Lier, Kartuizersvest, nabij de hoek van de Vervlietstraat voor het recent opnieuw opgebouwde pand van de heer C. F., ten val is gekomen. Hij houdt voor een val te hebben gemaakt over een niet-gesignaliseerde elektriciteitskabel, die een lus vormde op/over het trottoir. Hij voert aan dat na het ongeval, onmiddellijk aansluitend op het ongeval, de kabel ondergronds verplaatst werd zoals het behoorde, door de werklieden van Electrabel, verzekerde van Ethias. Hij houdt voor dat Electrabel die de niet-gesignaleerde kabel aanbracht en/of de stad Lier als de bewaarder van een gebrekkige zaak dienen aansprakelijk gesteld worden. Het obstakel had volgens de heer G. immers gesignaliseerd dienen te zijn dan wel zichtbaar afgeschermd te worden. De stad Lier had, volgens de heer G., een veiligheidsverplichting. Zijn eis tegen Ethias, de verzekeraar aansprakelijkheid buiten overeenkomst van Electrabel, steunt op het eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar van de beweerde aansprakelijke en dit op grond van artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst. De heer F. liet verbouwingswerken aan zijn woning uitvoeren, waarbij de toevoerkabel van Electrabel diende verwerkt/verplaatst te worden. De heer F. had volgens de heer G. minstens een coördinatieplicht naar de aannemers toe en naar Electrabel toe, minstens diende hij deze gevaarlijke situatie ter plaatse te melden aan Electrabel dan wel aan de stad Lier. De heer G. voert aan door deze nalatigheden schade te hebben geleden. Het voorwerp van de eis is de veroordeling tot betaling, solidair en in solidum, de ene bij gebreke van de andere en ieder voor het geheel van de som van euro 12.500 te vermeerderen of te verminderen in de loop van het geding, waarop toe te kennen euro 1.250 provisioneel met aanstelling van een geneesheer-deskundige. Tevens is het voorwerp van de eis de veroordeling van de verweerders tot betaling van vergoedende interesten vanaf 19 december 2002, meer de gerechtelijke interesten en de kosten. 1.
  8. Ethias vroeg de afwijzing van de eis en ondergeschikt de aanstelling van een gerechtsdeskundige met de opdracht zich naar de plaats van het ongeval te begeven en daar na te gaan welk doel de betreffende kabel had, na te gaan op welke wijze de werken werden uitgevoerd ten aanzien van de ligging van de kabel, advies te geven over de technische verantwoordelijkheid over de ligging van de kabel. Ethias stelde een tusseneis tot vrijwaring in tegen de heer F. en tegen de stad Lier. 1.
  9. De eerste rechter verklaart de exceptie van materiële onbevoegdheid, opgeworpen door de stad Lier ongegrond. Deze exceptie steunde op artikel 601 bis van het Gerechtelijk Wetboek. De eerste rechter oordeelde dat het niet om een verkeersongeval gaat en verklaarde zich bevoegd. De eerste rechter oordeelde dat het aangewezen is om, alvorens te oordelen nopens de toelaatbaarheid en de gegrondheid van de eisen, en onder voorbehoud van alle rechten, een deskundige aan te stellen met de opdracht zich ter plaatse te begeven, kennis te nemen van de foto's, bouw-, aannemings-, en uitvoeringsdossiers van partijen, na te gaan en te beschrijven welke ligging en welk doel de betreffende kabel had op 19 december 2002, na te gaan of de betreffende kabel op 19 december 2002 voorzien was van signalisatie, na te gaan op welke wijze de werken worden uitgevoerd ten aanzien van de ligging van de kabel op 19 december 2002, na te gaan wie op 19 december 2002 de technische verantwoordelijkheid had over de ligging en signalisatie van de kabel, zijn advies te geven nopens de vraag of de werken werden uitgevoerd volgens de regels van de kunst in achtgenomen de ligging en (eventuele) signalisatie van de kabel op 19 december
  10. 1.
  11. Met een verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit Hof op 19 juni 2006, heeft L. G. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 9 mei 2006 van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, gericht tegen Ethias, tegen C. F. en tegen de stad Lier.
  12. De eisen in hoger beroep. 2.
  13. Appellant vraagt om de oorspronkelijke eis toelaatbaar en gegrond te verklaren en geïntimeerden solidair, in solidum, de ene bij gebreke van de andere te veroordelen om te betalen de som van euro 12.500 te vermeerderen of te verminderen in de loop van het geding, waarop toe te kennen euro 1.250 provisioneel met aanstelling van een geneesheer-deskundige met de gebruikelijke opdracht. Appellant vraagt om geïntimeerden te verwijzen in de kosten van het geding. 2.
  14. Eerste geïntimeerde, NV Ethias Verzekeringsvereniging, concludeert tot de toelaatbaarheid, doch ongegrondheid van het hoger beroep van appellant. Eerste geïntimeerde stelt incidenteel beroep in en vraagt bij hervorming van het beroepen vonnis de eis van appellant toelaatbaar, doch ongegrond te verklaren. Eerste geïntimeerde vraagt in ondergeschikte orde het vonnis a quo te bevestigen in alle beschikkingen met name daar waar voormeld vonnis de heer Patrick Godelie als gerechtsdeskundige heeft aangesteld. Eerste geïntimeerde concludeert in uiterst ondergeschikte orde tot het gegrond zijn van haar eis tot vrijwaring gericht tegen tweede en derde geïntimeerde. 2.
  15. Tweede geïntimeerde, de heer C. F., concludeert tot de toelaatbaarheid, doch ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt om appellant te verwijzen in de kosten van beide aanleggen. In ondergeschikte orde vraagt tweede geïntimeerde voorbehoud te verlenen om zijn aangestelden in gedwongen tussenkomst en vrijwaring te roepen en vraagt om in dat geval de beslissing over de kosten aan te houden. 2.
  16. Derde geïntimeerde stelt incidenteel beroep in en vraagt om bij wijziging van het bestreden vonnis in hoofdorde te zeggen voor recht dat de eerste rechter zich ratione materiae onbevoegd had moeten verklaren om van de oorspronkelijke eis kennis te nemen. Derde geïntimeerde vraagt de zaak te verzenden naar de politierechtbank te Mechelen, recht doende in burgerlijke zaken. Derde geïntimeerde vraagt in ondergeschikte orde om de oorspronkelijke eis van appellant af te wijzen als volledig ongegrond. Derde geïntimeerde, de stad Lier, vraagt om het hoger beroep van appellant af te wijzen als ongegrond. Derde geïntimeerde vraagt om de eis tot vrijwaring van eerste geïntimeerde opzichtens derde geïntimeerde af te wijzen als ongegrond.
  17. Nieuwe beoordeling van de exceptie van materiële onbevoegdheid van de eerste rechter. Artikel 9, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de volstrekte bevoegdheid de rechtsmacht is die bepaald wordt naar het onderwerp, de waarde en in voorkomend geval het spoedeisend karakter van de vordering of de hoedanigheid van de partijen. Ingevolge artikel 602, eerste lid,1° van het Gerechtelijk Wetboek neemt het Hof kennis van de beslissingen die in eerste aanleg gewezen zijn door de rechtbank van eerste aanleg en door de rechtbank van koophandel. De volstrekte materiële bevoegdheid van de rechtscolleges die bij het Gerechtelijk Wetboek zijn ingericht om kennis te nemen van de hogere beroepen die hun worden toegewezen, worden in beginsel niet bepaald door de aard van het rechtscollege dat de beroepen beslissing heeft gewezen, maar door de zaak die krachtens dit wetboek onder de bevoegdheid valt van de eerste rechter. De appelrechter moet, zelfs ambtshalve, zijn aldus vastgelegde volstrekte bevoegdheid nagaan. Derde geïntimeerde werpt op incidenteel beroep op dat de oorspronkelijke eis, die betekend is na de inwerkingtreding van artikel 601 bis van het Gerechtelijk Wetboek, verplicht moest worden voorgelegd aan de politierechter, die sinds 1 januari 1995 en met uitsluiting van ieder ander gerecht, als enige bevoegd is om uitspraak te doen over geschillen met betrekking tot de vergoeding van schade ten gevolge van een verkeersongeval. De eerste rechter oordeelde bevoegd te zijn op grond van de overweging dat het verkeersongeval in die zin dient te worden begrepen dat het gaat om een ongeval dat zich voordoet naar aanleiding van het zich bewegen op de openbare wegen te lande, waarbij minstens een bewegend voertuig betrokken is. De rechtbank oordeelde dat gezien in het feitenrelaas van appellant geen sprake is van een voertuig en bijgevolg niet bewezen is dat het om een verkeersongeval gaat. Derde geïntimeerde is daardoor gegriefd en stelt incidenteel beroep in tegen de beslissing van de eerste rechter om zich materieel bevoegd te verklaren. Ten overvloede dient het Hof de materiële bevoegdheid van de eerste rechter, zelfs ambtshalve, na te gaan. Artikel 601 bis van het Gerechtelijk Wetboek, dat bij artikel 36 van de wet van 11 juli 1994 in dat wetboek is gevoegd, bepaalt dat de politierechtbank ongeacht het bedrag, kennis neemt van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek. Uit die teksten en uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 11 juli 1994 blijkt dat, volgens de wil van de wetgever, de politierechtbank uitsluitend bevoegd is om uitspraak te doen over elke vordering die verband houdt met de vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval. Voor een vordering tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeersongeval is evenwel vereist dat de schade veroorzaakt is in het verkeer. Die wetsbepaling strekt ertoe de bevoegdheid van de politierechter te verruimen tot alle ongevallen in het wegverkeer waarbij middelen van vervoer, voetgangers of de in het wegverkeersreglement bedoelde dieren betrokken zijn. De materiële bevoegdheid wordt bepaald naar het onderwerp van de eis, zoals dit bij de dagvaarding blijkt. Het voorwerp van de eis is het reëel nagestreefd resultaat in de economische en sociale betekenis. Enkel uitgaand van de feiten en de eis zoals eiser die stelt in de gedinginleidende akte, is het onderwerp van de eis een verkeersongeval en is het voorwerp van de eis schadevergoeding uit een ongeval in het wegverkeer. Volgens de bewoordingen van de inleidende dagvaarding kwam appellant ten val te Lier, Kartuizersvest, nabij hoek Vervlietstraat op het voetpad (trottoir) over een niet gesignaliseerde elektriciteitskabel die een lus vormde op/over het voetpad. Het begrip ongeval in het wegverkeer dient niet zo begrepen te worden, dat er steeds minstens een bewegend voertuig bij betrokken moet zijn. Immers op appellant was het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg van toepassing, dat krachtens zijn artikel 1 geldt voor het verkeer op de openbare weg en het gebruik ervan door voetgangers, voertuigen, trek- last- of rijdieren en vee. Dat in de bedoeling van de wetgever voetgangers ook verkeer uitmaken blijkt ten overvloede uit de bepaling van trottoir in artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. Immers trottoir is het gedeelte van de openbare weg, al dan niet verhoogd aangelegd ten opzichte van de rijbaan, in het bijzonder ingericht voor het verkeer van voetgangers. De wetgever heeft het dus in het wegverkeersreglement over verkeer van voetgangers. Het Hof komt tot het besluit dat het voorwerp van de eis, zoals dit door eiser bepaald wordt in de inleidende dagvaarding strekt tot vergoeding van schade uit een verkeersongeval. Nu de eerste rechter zich, ten onrechte, bevoegd heeft verklaard, kan het door appellant ingestelde hoger beroep geen devolutieve werking hebben. Het Hof kan immers zelf enkel ten gronde uitspraak doen wanneer het ten gronde bevoegd is. Overeenkomstig artikel 643 van het Gerechtelijk Wetboek moet het Hof de rechter aanwijzen die bevoegd is om kennis te nemen van de zaak in hoger beroep. Het Hof verklaart zich onbevoegd en verwijst overeenkomstig artikelen 643 van het Gerechtelijk Wetboek de zaak naar de bevoegde appelrechter, zijnde de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, zitting houdende in burgerlijke zaken in hoger beroep. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het incidenteel beroep van derde geïntimeerde met betrekking tot de exceptie van materiële onbevoegdheid van de eerste rechter toelaatbaar en als volgt gegrond. Verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de bevoegde appelrechter, zijnde de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, zitting houdende in hoger beroep. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 10 oktober
  18. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer K. VAN HAELST Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS K. VAN HAELST K. ALLEGAERT F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071010.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.