← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071011.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 11 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071011.8 Rolnummer: 1034 p 2006 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-12-12 Raadplegingen: 242 - laatst gezien 2026-07-02 16:08 Fiche Uit het geheel van feitelijke objectieve vaststellingen zoals die blijken uit het dossier en uit de verklaringen van getuigen en niet in het minst van de beklaagde zelf, leidt het Hof met zekerheid af dat het pand waarin huiszoeking werd gehouden, een volstrekt verlaten gebouw was, waarin geen enkele handelsactiviteit plaats vond. Dergelijk pand kan geen bescherming genieten in de zin van artikel 15 van de Grondwet of artikel 8 EVRM. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (STRAFZAKEN) - Huiszoeking - Algemeen Vrije woorden: Huiszoeking - Woning - Verlaten gebouw Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, te Antwerpen, dertiende kamer (...) DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE STRAFVORDERING Door de beklaagden wordt in hoofdorde en in essentie opgeworpen dat : - aan de basis van het volledige onderzoek een nietige huiszoeking ligt; - zij menen dat met het volgens hen op onrechtmatige wijze bekomen bewijsmateriaal geen rekening kan worden gehouden. Ondergeschikt worden nog een aantal middelen opgeworpen, onder meer wordt gevraagd dat het Hof een aantal prejudiciële vragen zou stellen. Bij tussenarrest van 24 mei 2007 verzocht het Hof over te gaan tot bijkomend onderzoek omtrent het pand waarin de huiszoeking werd gehouden. DE HUISZOEKING standpunt beklaagden De beklaagden gaan ervan uit dat het pand waarin de huiszoeking werd uitgevoerd dient beschouwd te worden als een woning, minstens dat het pand dezelfde bescherming als een woning geniet, zoals die grondwettelijk gewaarborgd is en voorzien in artikel 8 EVRM. BEOORDELING

  1. Onder het woord "woning" in de zin van artikel 15 van de Grondwet moet worden verstaan de plaats, met inbegrip van de erdoor omsloten eigen aanhorigheden, die een persoon bewoont om er zijn verblijf of zijn werkelijke verblijfplaats te vestigen en waar hij uit dien hoofde recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, zijn rust en meer in het algemeen zijn privé-leven. Het recht op bescherming geldt eveneens voor bedrijfsruimten in de mate dat de daar ontwikkelde activiteiten een privé-karakter vertonen of er vertrouwelijke briefwisseling wordt bewaard. Het Hof van Cassatie oordeelde dat slechts onder die voorwaarde aan bedrijfsruimten eenzelfde bescherming toekomt. (Cass.,19 februari 2002, nr. P.00.1100.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020219.38) De beklaagden wijzen erop dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bij de toepassing van artikel 8 EVRM oordeelt dat een zelfde bescherming als voor de privé-woning geldt voor de hoofdzetel, filialen en bedrijfsgebouwen van een vennootschap. De voorwaarde van activiteiten met een privé-karakter of andere restricties worden door het Europees Hof in de evoluerende rechtspraak niet meer weerhouden althans volgens de beklaagden. Het pand waarin de cannabisplantage werd aangetroffen dient volgens de beklaagden beschouwd te worden als een woning of minstens dezelfde bescherming te genieten als een woning nu het, steeds volgens de beklaagden, om een bedrijfspand zou gaan. De initiële huiszoeking zou uitgevoerd zijn zonder mandaat van de onderzoeksrechter. Evenmin zou er sprake kunnen zijn van één van de gevallen waarin een dergelijk mandaat niet vereist zou zijn bij toepassing van de specifieke drugwetgeving of de heterdaadprocedure. De beklaagden besluiten tot volstrekte nietigheid van de uitgevoerde huiszoeking, van het verzamelde bewijsmateriaal en tot de onontvankelijkheid van de strafvordering. Volgens hen kan de zogenaamde Antigoonrechtspraak niet van toepassing zijn, dit gelet op de manifeste schending van de rechten van beklaagden.
  2. De feitelijke gegevens zijn de volgende. Op 28 april 2005 wordt de politie verwittigd van een brand. De verbalisanten noteren dat "de plaats der feiten een vroegere veilingzaal zou zijn " (stuk 5). Wanneer de politie ter plaatse komt, wordt al vlug duidelijk dat er geen sprake is van brand. Wel is er een opening in een sectionale poort. De politie kan door deze opening een grote lichtbron zien in een aangelegen kamer. Uit het gat in de poort kwam een warme luchtstroom. De politie laat de brandweer vertrekken en gaat tot grondige controle van de buitenzijde van het gebouw over. Uiteindelijk gaat men het gebouw betreden via het gat in de poort en dan wordt een professioneel uitgeruste cannabisplantage aangetroffen.
  3. Vooraleer na te gaan of het betreden van het pand al dan niet een huiszoeking kan uitmaken die kadert in de drugwetgeving of in de heterdaadprocedure - was er geen sprake van inbraak in het pand?; waren de gedane vaststellingen niet van aard om te doen veronderstellen dat er een cannabisplantage aanwezig was? - dient nagegaan of het pand al dan niet in aanmerking komt voor de bescherming voorzien in artikel 15 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM. 4.De relevante gegevens zijn de volgende: - bij het ter plaatse gaan maken de verbalisanten melding van "een vroegere veilingzaal"; - er is niemand in het gebouw; - er wordt geen melding gemaakt van enige activiteit, tenzij dan de drugplantage; - uit de verklaring van de eigenaar van het pand, K.V.H. blijkt dat het pand verlaten werd en volledig leeggemaakt in de periode september-oktober 2004, zijnde meer dan een half jaar voor de vaststellingen; (stuk 27) - de huurder van het pand, de beklaagde C. situeert het leegmaken van het pand in de periode november-december, zijnde nog steeds een viertal maand voor de vaststellingen; - C. verklaart dat "het de bedoeling was van de bovenverdieping uit te bouwen tot een zonnecenter of een stockverkoop van videobanden en toestanden" (stuk 36) - Voor de onderzoeksrechter bevestigt C. dat het de bedoeling was een zonnecenter op te starten, maar dat deze plannen op geen enkel ogenblik doorgang vonden; (stuk 56) - Uit de door de verbalisanten opgestelde schets en uit het fotodossier blijkt dat het gaat om een leegstaand handelspand, waar de enige activiteit de aangetroffen cannabisplantage is; (stuk 115) - De getuige N. B., verhoord na tussenarrest van het Hof, bevestigt dat er op het ogenblik van de vaststellingen sinds geruime tijd niemand meer verbleef; - De getuige bevestigt dat het pand er ten tijde van het aantreffen van de plantage hetzelfde uitzag als op het ogenblik van haar verhoor: niet onderhouden, her en der onkruid; - Het enige verschil is dat er ten tijde van het aantreffen van de plantage nog glasgordijnen aanwezig waren; - Het bijgevoegde fotodossier geeft een beeld van een volledig verlaten pand
  4. Uit het geheel van feitelijke objectieve vaststellingen zoals die blijken uit het dossier en uit de verklaringen van getuigen en niet in het minst van de beklaagde C. zelf, leidt het Hof met zekerheid af dat het pand waarin huiszoeking werd gehouden, een volstrekt verlaten gebouw was, waarin geen enkele handelsactiviteit plaats vond. Dergelijk pand kan geen bescherming genieten in de zin van artikel 15 van de Grondwet of artikel 8 EVRM. De huiszoeking is derhalve niet nietig, het ganse onderzoek verliep regelmatig en de strafvordering is bijgevolg ontvankelijk. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071011.8 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020219.38 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.