← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071016.13

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 16 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071016.13 Rolnummer: 2007RK50 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2008-03-19 Raadplegingen: 428 - laatst gezien 2026-07-03 20:48 Fiche Een echtgenoot stelde hoger beroep in tegen de verblijfsregeling waarmee hij zich uitdrukkelijk akkoord had verklaard ten overstaan van de voorzitter zetelend in kort geding. Het hoger beroep van een partij tegen een beslissing van de eerste rechter die volledig conform de eigen conclusie werd genomen, is ontoelaatbaar bij gebrek aan belang

(1). De aanspraak in hoger beroep geformuleerd, strekkende tot wijziging van een voorlopige maatregel waarmee men in eerste aanleg akkoord was gegaan, kan evenwel ook als nieuwe of uitgebreide eis gekwalificeerd worden. De door een kort gedingrechter in het kader van art. 1280 Ger.W. genomen maatregelen zijn 'voorlopig', in die zin dat ze steeds vatbaar zijn voor wijziging of herziening. De wijziging van een voorlopige maatregel, die in het kader van art. 1280, lid 9 Ger.W. kan worden gevorderd, is evenzeer mogelijk indien partijen het eerder eens waren over een bepaalde voorlopige maatregel, waarbij er evenwel rekening mee gehouden moet worden dat zulk een wijziging slechts mogelijk is indien er gewijzigde omstandigheden zijn. Bij voldoende belangrijke nieuwe omstandigheden, waarvan partijen of minstens de belanghebbende partijen ten tijde van hun akkoord geen kennis konden hebben, is een nieuwe beoordeling ten gronde van de verblijfsregeling en inschrijving, waarover eerder een akkoord bestond, mogelijk. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Echtscheiding (rechtspleging) - Andere Vrije woorden: Voorlopige maatregelen - incidenteel beroep tegen een in akkoord getroffen maatregel - vordering tot wijziging van een in akkoord getroffen maatregel Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1280 - 1967101004 Link Justel databank 19671010-1967101004 Nota:
(1)art. 17, 18 en 1042 Ger.W.; zie ook in die zin: Cass., 13.3.1997, Arr.Cass., 1997, 350. Tekst van de beslissing Nr. arrest: 2007/ Rep.nr.: 2007/ Zitting van: 16 oktober 2007 EINDARREST Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, ACHTSTE BIS KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2007/RK/50 mevrouw B. V. A., - appellante - tegen de beschikking gewezen door de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, zetelend in kort geding, de dato 30 oktober 2006, A.R. nr. 2006/99/C der kort gedingen - verschijnt in persoon, bijgestaan door Mr. DE BACKER Marc loco Mr. BEELEN Bert, advocaat te 3000 Leuven, Justus Lipsiusstraat 24, Residentie Binnenhof tegen: de heer P. R. G., - geïntimeerde - verschijnt in persoon, bijgestaan door Mr. LANSBERGEN Michaël, advocaat te 3000 Leuven, Frederik Lintsstraat 28 _________ De door de wet vereiste processtukken zijn in behoorlijke vorm overgelegd, ondermeer de bestreden beschikking van 30 oktober 2006, volgens verklaring van partijen niet betekend, en het verzoekschrift ter griffie neergelegd op 15 februari 2007, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd ingesteld. 1. Partijen zijn op 18.3.1994 gehuwd te Keerbergen. Zij hebben 2 kinderen: - E., geboren op 26.6.1995, en - L., geboren op 3.6.1998. Er ontstonden echtelijke moeilijkheden en op 25.4.2006 nam de heer P. het initiatief tot een echtscheidingsprocedure en een procedure om voorlopige maatregelen te bekomen. 2. Bij de bestreden beschikking van 30.10.2006 werden navolgende voorlopige maatregelen bevolen: - partijen werden gemachtigd afzonderlijk te verblijven op de door hen aangegeven adressen; - er werd bepaald dat het ouderlijk gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend; - er werd bepaald dat de kinderen bij hun moeder worden ingeschreven en er hun hoofdverblijf hebben, en dat zij bij hun vader verblijven de pare weken van woensdag 18.00 uur tot de daaropvolgende maandag 8.30 uur, waarbij de vader instaat voor het afhalen en terugbrengen; - er werd een gedetailleerde regeling voor de vakanties uitgewerkt, die evenwel afweek van de regeling waarover tussen partijen een consensus bestond; - de heer P. werd met ingang van 1.10.2006 veroordeeld tot betaling van een te indexeren onderhoudsgeld voor mevrouw B. persoonlijk ten bedrage van 500,- EUR per maand, dit voor een periode van 1 jaar; - de heer P. werd met ingang van 1.10.2006 veroordeeld tot betaling van een te indexeren onderhoudsbijdrage van 300,- EUR per maand en per kind; - er werd bepaald dat de kinderbijslagen en andere sociale uitkeringen toekomen aan mevrouw B.; - de heer P. werd bovendien veroordeeld om de helft van de daadwerkelijk bewezen netto medische kosten en bijzondere schoolkosten te betalen; - aan partijen werd het genot toegekend van de reeds in hun bezit zijnde goederen; - er werd een notaris aangesteld voor opmaak van een inventaris; - er werd bepaald dat partijen in hun onderlinge rechtsverhouding elk voor de helft instaan voor de afbetaling van de hypothecaire lening; - het meer- of andersgevorderde werd afgewezen. 3. Het beperkt hoger beroep van mevrouw B. strekt ertoe: - dat navolgende vakantieverblijfsregeling bepaald zou worden: o tijdens de zomervakantie, die aanvangt de laatste schooldag van juni om 19.00 uur en eindigt de laatste dag van augustus om 19.00 uur, verblijven de kinderen bij de heer P. tijdens de pare jaren van 1 juli om 9.00 uur tot en met 16 juli om 19.00 uur en van 1 augustus om 9.00 uur tot en met 16 augustus om 19.00 uur, en tijdens de onpare jaren van 16 juli om 19.00 uur tot en met 1 augustus om 9.00 uur en van 16 augustus om 19.00 uur tot 31 augustus om 19.00 uur, o tijdens de kerst- en paasvakantie, die telkens aanvang neemt de laatste schooldag om 19.00 uur en eindigt om 19.00 uur de dag die voorafgaat aan de eerstvolgende schooldag, verblijven de kinderen bij de heer P. tijdens de pare jaren de eerste helft en tijdens de onpare jaren de tweede helft, met als wisseldag de tweede zaterdag van de kerst- of paasvakantie om 19.00 uur, o tijdens de herfst- en krokusvakantie, die telkens aanvang neemt de laatste schooldag om 19.00 uur en eindigt om 19.00 uur de dag die voorafgaat aan de eerstvolgende schooldag, verblijven de kinderen bij de heer P. tijdens de onpare jaren vanaf de aanvang tot woensdagavond om 19.00 uur en tijdens de pare jaren vanaf woensdagavond om 19.00 uur tot het einde, o tijdens de andere periodes verblijven de kinderen bij hun moeder; - dat de heer P. veroordeeld zou worden tot een te indexeren onderhoudsgeld van 1.500,- EUR per maand, met ingang van 25.4.2006 en tot het definitief worden van de echtscheiding; - dat de heer P. veroordeeld zou worden om ¾ van navolgende buitengewone kosten voor de kinderen te betalen, mits voorlegging van de "nodige bewijsstukken van betaling": o geneeskundige, tandheelkundige en farmaceutische kosten en kosten van orthodontie, dit alles onder aftrek van hetgeen terugbetaald wordt door de mutualiteit en hospitalisatieverzekering, o alle schoolkosten en kosten van opleiding (zoals cursussen, abonnementen voor het openbaar vervoer, schoolreizen, huur studentenkamers, inschrijvingsgelden en aankoop van schoolboeken), o welzijnskosten zoals logopedie en medisch voorgeschreven therapieën, o alle kosten i.v.m. het beoefenen van de hobby's van de kinderen, en dit voor zover deze uitgaven geschieden na voorafgaandelijk overleg tussen partijen en mits voorlegging van de nodige bewijsstukken, o hospitalisatieverzekering; - dat aan haar een als "provisio ad litem" benoemd bedrag van 5.000,- EUR zou toegekend worden. Bovendien vordert zij de veroordeling van de heer P. tot de gerechtskosten. 4. De heer P. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en hij stelt incidenteel beroep in, met gedeeltelijke wijziging van zijn oorspronkelijke eis. Hij vordert: - dat de kinderen bij hem zouden worden ingeschreven; - dat een verblijfsco-ouderschap week om week bepaald zou worden, met wissel op zondagavond om 19.00 uur, en met uitzondering van de eerste 3 weken van juli, waarin de kinderen bij hem zullen verblijven en de drie daaropvolgende weken bij mevrouw B.; - dat bepaald zou worden dat elk van de partijen de gewone kosten van onderhoud en opvoeding van de kinderen voor zijn rekening neemt tijdens de periode dat ze bij deze partij verblijven, en ondergeschikt dat de onderhoudsbijdrage beperkt zou worden tot 200,- EUR per maand en per kind bij een ongelijkmatige verdeling van de huisvesting; - dat bepaald zou worden dat mevrouw B., gelet op de toebedeling van de kinderbijslag aan haar, in zou staan voor de aankoop van de kleding van de kinderen; - dat bepaald zou worden dat aan mevrouw B. geen persoonlijk onderhoudsgeld toekomt. Verblijfsregeling/inschrijving 5. Hoewel de eerste rechter m.b.t. het hoofdverblijf van de kinderen en hun inschrijving bij de moeder oordeelde overeenkomstig het akkoord van partijen daarover, maakt de heer P. thans aanspraak op een verblijfsco-ouderschap. Mevrouw B. gewaagt van een op dat punt ontoelaatbaar incidenteel beroep, waarbij zij twee argumenten inroept. 6. Ten eerste werpt mevrouw B. op dat een incidenteel beroep slechts kan worden ingesteld tegen de delen van een vonnis die worden aangevochten door het hoofdberoep. Het Hof kan die mening, die gebaseerd is op een onvoldoende accurate lezing van het arrest van het Hof van Cassatie van 20.9.2001 (R.W. 2003-04,1173) dat overweegt dat een incidenteel beroep "noodzakelijk beperkt blijft tot de beslissing die in het hoofdberoep wordt bestreden", niet bijtreden. Het Hof van Cassatie refereert met het begrip "beslissing" in dat arrest aan een vonnis of beschikking (en dus de hypothese waarbij bv. enkel hoofdberoep werd ingesteld tegen een eindvonnis en niet tegen een eerder tussenvonnis), en niet aan een concreet onderdeel van een vonnis of beschikking. Het Hof van Cassatie heeft reeds herhaaldelijk geoordeeld, ook na de hoger genoemde uitspraak van 20.9.2001, dat een gedaagde in hoger beroep, zelfs in geval van een beperkt hoofdberoep, incidenteel beroep kan instellen tegen alle beschikkingen van de aangevochten beslissing waardoor zij zich geschaad acht (zie bv. in die zin Cass. (1e k.) AR C.02.0188.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030410.11, 10 april 2003 (L.P. / A.G.), E.J. 2004, afl. 2, 18, noot MOSSELMANS, S.). 7. Voorts werpt mevrouw B. terecht op dat de heer P. volledig akkoord ging met dat aspect (inschrijving en hoofdverblijf bij de moeder), en dat de eerste rechter ook niets meer gedaan heeft dan het akkoord van de partijen op dat punt te homologeren (al werd die term niet gehanteerd), zodat hij geen toelaatbaar incidenteel beroep kan instellen tegen die beslissing: het hoger beroep van een partij tegen een beslissing van de eerste rechter die volledig conform de eigen conclusie werd genomen, is immers ontoelaatbaar bij gebrek aan belang (art. 17, 18 en 1042 Ger.W.; zie ook in die zin: Cass., 13.3.1997, Arr.Cass., 1997, 350). De eerste rechter heeft op correcte wijze toepassing gemaakt van art. 374 §2 B.W.: vermits het akkoord van beide ouders over de huisvesting van hun kinderen kennelijk niet in strijd was (en
  1. is)met de belangen van de kinderen, kon deze het akkoord slechts homologeren. Een hoger beroep tegen de homologatie van zulk een akkoord is ontoelaatbaar. 8. De heer P. omschrijft zijn huidige aanspraak op een verblijfsco-ouderschap (met inschrijving van de kinderen bij hem) evenwel niet alleen als een incidenteel beroep, maar ook als een nieuwe eis. De door een kort gedingrechter in het kader van art. 1280 Ger.W. genomen maatregelen zijn "voorlopig", in die zin dat ze steeds vatbaar zijn voor wijziging of herziening. De wijziging van een voorlopige maatregel, die in het kader van art. 1280, lid 9 Ger.W. kan worden gevorderd, is evenzeer mogelijk indien partijen het eerder eens waren over een bepaalde voorlopige maatregel, waarbij er evenwel rekening mee gehouden moet worden dat zulk een wijziging slechts mogelijk is indien er gewijzigde omstandigheden zijn. Bij voldoende belangrijke nieuwe omstandigheden, waarvan partijen of minstens de belanghebbende partijen ten tijde van hun akkoord geen kennis konden hebben, is een nieuwe beoordeling ten gronde van de verblijfsregeling en inschrijving, waarover eerder een akkoord bestond, mogelijk. 9. De heer P. verwijst naar de inmiddels gewijzigde feitelijke omstandigheid die erin bestaat dat hij thans in de mogelijkheid gesteld wordt om zijn werk dusdanig te organiseren dat dit verenigbaar wordt met een verblijfsco-ouderschap. De afwezigheid van enig bezwaar van de werkgever, de bereidheid van de grootouders om hun zoon te helpen met de opvang van de kinderen, en de bereidheid van de heer P. om zelfs een derde in te schakelen, kunnen niet worden aangemerkt als gewijzigde omstandigheden die een wijziging van het akkoord m.b.t. de "huisvesting" en de inschrijving kunnen verantwoorden. Het Hof ontwaart geen omstandigheden waarvan de heer P. geen kennis kon hebben in de loop van de procedure in eerste aanleg. Hij had zich reeds van al die mogelijkheden kunnen vergewissen ten tijde van het akkoord. Bovendien komen die omstandigheden niet als voldoende ingrijpend voor om een wijziging van de verblijfsregeling, waarover een akkoord bestond, te kunnen verantwoorden. Volledig ten overvloede merkt het Hof op dat de bestaande verblijfsregeling, met inschrijving van de kinderen op de plaats waar hun reële hoofdverblijf gesitueerd is, reeds in belangrijke mate neerkomt op een gelijkmatige verdeling van de "huisvesting" van de kinderen. Bijgevolg wordt de eis van de heer P. om thans een van het akkoord afwijkende verblijfsregeling te bekomen, afgewezen. Vakantieverblijfsregeling 10. Mevrouw B. verwijt de eerste rechter dat deze een vakantieverblijfsregeling heeft uitgewerkt, die afweek van de regeling waarover partijen akkoord waren. Een akkoord van partijen over de vraag bij welke ouder de kinderen in de vakanties verblijven, met inbegrip van hun akkoord om af te wijken van het Besluit van de Vlaamse Regering van 17.4.1991 waarbij het begin- en eindpunt van de schoolvakanties worden bepaald, behoort tot het door art. 374 §2 lid 1 B.W. bedoelde akkoord, dat de eerste rechter diende te homologeren vermits het kennelijk niet strijdig was (en
  2. is)met de belangen van de kinderen. Bijgevolg wordt dit onderdeel van het hoger beroep van mevrouw B. gegrond verklaard. Principes onderhoudsverplichting 11. Wat de onderhoudsbijdragen (voor de kinderen) betreft, dient te worden uitgegaan van het feit dat beide ouders naar evenredigheid van hun middelen en mogelijkheden dienen bij te dragen in de kosten van opvoeding, opleiding, huisvesting en onderhoud van hun kinderen. Bij de beoordeling van de hoegrootheid van de onderhoudsbijdragen voor de kinderen dient rekening te worden gehouden met de leeftijd van de kinderen, hun studie, hun eventuele bijzondere behoeften, de verblijfsregeling en met de toebedeling van de kinderbijslag. 12. Met betrekking tot de naleving van de wederzijdse hulpplicht van partijen, die blijft bestaan zolang het huwelijk niet ontbonden is, dient ter bepaling van de omvang van het eventueel aan de andere echtgenoot verschuldigd onderhoudsgeld onderzocht te worden welke hun respectieve inkomsten, middelen en behoeften zijn, waarbij uitgegaan wordt van de mogelijkheid voor de gerechtigde echtgenoot om de levensstandaard aan te houden die zij zou hebben gehad indien er geen scheiding was geweest. Evenwel dient rekening te worden gehouden met de nadelige invloed van de feitelijke scheiding op de levensstandaard van beide partijen ingevolge de hogere kosten verbonden aan de organisatie van twee afzonderlijke huishoudens. Wanneer een echtgenoot, ondanks het benutten van de eigen mogelijkheden en middelen, er niet in slaagt de hoger bedoelde levensstandaard aan te houden, kan deze aanspraak maken op een onderhoudsgeld. 13. De mate waarin met het foutbegrip wordt rekening gehouden bij de beoordeling van de wederzijdse hulpplicht, werd treffend uiteengezet in een arrest van het Hof van Cassatie van 22.12.2006, waarvan ook dit Hof de navolgende overwegingen tot de zijne maakt: "In geval de echtgenoten afzonderlijk wonen ingevolge een rechterlijke beslissing dan wel ingevolge een echtscheidingsprocedure die de voormelde samenwoningsverplichting automatisch opschort, moet de echtgenoot die een onderhoudsbijdrage vordert, niet bewijzen dat noch het ontstaan noch het voortduren van de scheiding aan hem te wijten is. Evenwel staat het in een dergelijk geval de andere echtgenoot vrij het bewijs te leveren dat het ontstaan dan wel het voortduren van de scheiding, al was het maar ten dele, te wijten is aan de echtgenoot die een onderhoudsbijdrage vordert. (...) Bij de beoordeling van dit bewijs mag niet worden vooruitgelopen op de in voorkomend geval hangende echtscheidingsprocedure en de hierbij door de echtscheidingsrechter te beoordelen fouten...". Als de schuld aan de echtscheiding nog niet in een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke uitspraak is vastgesteld, en het niet ten genoege van recht wordt aangetoond dat het ontstaan of het voortduren van de scheiding te wijten is aan de echtgenote die een onderhoudsgeld vordert, is de ingeroepen fout niet relevant bij de beoordeling van deze onderhoudsverplichting. 14. In de mate waarin die gegevens beschikbaar zijn, dient bij de berekening van de onderhoudsbijdrage voor de kinderen en van het onderhoudsgeld voor de echtgeno(o)t(e), rekening gehouden te worden met de netto belastbare inkomsten, nu de betaling ervan aanleiding geeft tot fiscaal voordeel door de aftrekbaarheid ervan ten belope van 80%. De reële draagkracht wordt in acht genomen. Bij discrepantie tussen de netto belastbare inkomsten en de reële inkomsten of de inkomsten die de echtgenoten normalerwijze zouden kunnen verwerven, wordt evenzeer rekening gehouden met de reële inkomsten en de verdienmogelijkheden van de partijen. Financiële situatie van partijen 15. Het recentste aanslagbiljet dat voorligt, heeft betrekking op aanslagjaar 2004. Het vermeldt een gezamenlijk belastbaar inkomen van 83.441,80 EUR. Het aandeel van de heer P. bedroeg 72.366,58 EUR (of 6.030,55 EUR per maand) en dat van mevrouw B., die enkel een ziekte- of invaliditeitsuitkering genoot, bedroeg 11.075,22 EUR (of 922,94 EUR per maand). De individuele rekening van 2005 van de heer P. geeft een belastbaar maandloon van gemiddeld 7.279,17 EUR weer. Het bruto maandloon vermeld op de recentste loonfiches die worden voorgebracht (namelijk van januari tot en met april 2006), is weerom iets hoger dan het "vast brutoloon" dat op de individuele rekening van 2005 vermeld stond voor december 2005. Het actuele maandelijkse netto loon wordt door de heer P. zelf geschat op 4.000,- EUR, met aftrek van de door de werkgever betaalde onkostenvergoedingen ca. 3.600,- EUR. Kennelijk bedoelt hij het netto maandloon zonder verrekening van het (dubbel) vakantiegeld en de dertiende maand. Mevrouw B. schat het actuele netto inkomen van de heer P. in op 4.000,- EUR per maand, met verrekening van het dubbel vakantiegeld en de dertiende maand ruim 4.940,- EUR per maand. 16. De huurlast van de heer P. bedraagt maandelijks 700,- EUR. Bovendien betaalt hij de helft van de hypothecaire lening, of 518,- EUR per maand. Verder maakt hij gewag van een bedrag van 500,- EUR aan maandelijkse vaste kosten. 17. De beweringen van partijen dat de andere partij kostendelend samenwoont, zijn in deze fase van het geding onvoldoende aangetoond. 18. In 2006 genoot mevrouw B. een ZIV-uitkering die varieerde van 1.463,28 EUR tot 1.646,19 EUR per maand "bruto". Zij beweert nog geen zicht te hebben op de fiscale druk waaraan zij zich dient te verwachten. 19. Mevrouw B. betaalt de helft van de hypothecaire lening, of 518,- EUR per maand. Verder beweert zij, evenwel zonder dit aan te tonen, dat zij een bedrag van 829,- EUR per maand aan vaste kosten zou hebben. Onderhoudsverplichting tegenover de kinderen 20. Er is geen betwisting over de toewijzing van de kinderbijslag, die volgens de heer P. ca. 250,- EUR per maand bedraagt, aan mevrouw B.. 21. De kinderen verblijven 5 dagen op 14 bij hun vader, de overige bij hun moeder. Zij zijn respectievelijk 12 en 9 jaar oud. De heer P. wenst (in ondergeschikte orde) hooguit een onderhoudsbijdrage van 200, - EUR per maand en per kind te betalen. Op p. 9 van zijn syntheseconclusie vraagt hij bovendien de bevestiging van de beslissing van de eerste rechter m.b.t. de bijdrage in de bijzondere kosten van de kinderen. De wijze waarop mevrouw B. de kosten omschrijft waarin buiten een onderhoudsbijdrage nog door de heer P. zou moeten worden tussengekomen, is dermate ruim dat zij op een uitholling van de forfaitaire onderhoudsbijdrage neerkomt, en dat zij een minimalisering van haar eigen bijdrageplicht impliceert. Bijgevolg beperkt het Hof zich voor wat de (bovenop een forfaitaire onderhoudsbijdrage verschuldigde) tussenkomst in de kosten betreft, tot een deelname in de door de eerste rechter omschreven bijzondere kosten, evenwel voor 2/3 door de heer P.. 22. Gelet op de hoger geschetste financiële situatie van partijen, werd de onderhoudsbijdrage door de eerste rechter zeer terecht bepaald op 300,- EUR per maand en per kind. De kinderen mogen immers niet het slachtoffer worden van de feitelijke scheiding van hun ouders, en er moet rekening gehouden worden met hun mogelijkheid tot behoud van hun eerdere levensstandaard die als ruim kan omschreven worden. Met die bijdrage en de voornoemde tussenkomst in de door de eerste rechter bedoelde bijzondere kosten, wordt door partijen naar evenredigheid van hun middelen en mogelijkheden bijgedragen in de kosten van opvoeding, opleiding, huisvesting en onderhoud van hun kinderen. Vanzelfsprekend kan mevrouw B. de kosten van de aankoop van kledij voor de kinderen niet bijkomend afwentelen op de heer P.. Daar dit ook nooit anders beslist werd door de eerste rechter, kan dit ook niet als een gegrond aspect van het incidenteel beroep worden aangemerkt. Onderhoudsverplichting tegenover mevrouw B. 23. De heer P. verwijst naar de manifeste overspelige relaties van mevrouw B., zoals ze blijken uit de talrijke bestanden met e-mailverkeer die hij terugvond op hun gemeenschappelijke computer. Bovendien verwijst hij naar het echtscheidingsvonnis en het lange talmen van mevrouw B. om er hoger beroep tegen in te stellen, enkel om zo lang mogelijk van een onderhoudsgeld te kunnen genieten. Mevrouw B. wenst de wering van de stukken die uitprints zijn van die computerbestanden, omdat zij voorhoudt dat deze onrechtmatig zouden zijn verkregen. Het Hof acht de onrechtmatige verkrijging ervan echter niet bewezen, en acht het geloofwaardig dat die bestanden gewoon afkomstig waren van de gemeenschappelijke computer en dat ze gewoon toegankelijk waren door het loutere gebruik van een niet afgeschermd en door beide partijen gekend paswoord. Bijgevolg is er geen reden om in te gaan op het verzoek tot wering van die stukken. Onder nr. 13 werd overwogen in welke mate het Hof bij de bepaling van het onderhoudsgeld rekening kan houden met het schuldcriterium. Het Hof kan niet vooruitlopen op de fouten die aan de echtscheidingsrechter in beroep ter beoordeling worden voorgelegd. Andere elementen dan de hiervoor bedoelde, die ter beoordeling zijn voorgelegd aan de echtscheidingsrechter in beroep, waaruit met de rechtens vereiste zekerheid kan worden afgeleid dat het ontstaan of het voortduren van de feitelijke scheiding te wijten is aan mevrouw B., worden onvoldoende aangetoond. Ten overvloede merkt het Hof op dat het bestaan van de hulpverplichting op zich niet eens ontkend wordt door de heer P., die zich bereid verklaart de helft van de hypothecaire lening te blijven betalen in functie van zijn hulpverplichting (syntheseconclusie P., p. 12, alinea 13). 24. Rekening houdend met de onder nrs. 12 en 14 vermelde criteria, de inkomsten en financiële lasten van de heer P. (o.m. huur, helft hypothecaire lening, onderhoudsbijdragen voor de kinderen, bijdrage in hun bijzondere kosten, verblijfskosten wanneer de kinderen bij hem verblijven, vaste kosten, fiscale druk), de kwalificatie van de betaling van de helft van de hypothecaire lening als een element van de hulp- en bijstandverplichting, het genot van mevrouw B. over de echtelijke woning, de hoogte van het vervangingsinkomen van mevrouw B. en de afwezigheid van indicaties dat mevrouw B. zou nalaten haar mogelijkheden te benutten, gaat het Hof ervan uit dat met de bepaling van het onderhoudsgeld op 750,- EUR per maand de levensstandaard kan aangehouden worden alsof er geen scheiding was geweest. Daar de hulpplicht in principe duurt tot aan de ontbinding van het huwelijk, en er geen bijzondere elementen worden aangehaald om de looptijd van de periode waarin op onderhoudsgeld aanspraak gemaakt kan worden, in te korten, is er onvoldoende reden om de beperking in tijd van maximaal 1 jaar aan te houden. De heer P. heeft in de actuele stand van het recht voldoende mogelijkheden om een definitieve uitspraak over de echtscheiding te benaarstigen. Wat het aanvangspunt betreft, merkt mevrouw B. terecht op dat er geen reden was om deze niet reeds sedert de inleiding der vordering toe te kennen. Provisie proceskosten 25. Het onderhoudsgeld en het inkomen van mevrouw B. worden geacht ruimschoots te volstaan om de proceskosten te dragen. De eerste rechter heeft terecht en op gronden die het Hof bijtreedt, de gevorderde provisie afgewezen. _________ OM DEZE REDENEN, HET HOF, na beraad Rechtsprekend op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; Gehoord Substituut-Procureur-generaal D. DE WAELE in zijn advies dat omwille van de omstandigheden der zaak aanstonds mondeling ter terechtzitting werd gegeven en waarop partijen hebben kunnen repliceren; Verklaart het hoofdberoep toelaatbaar en in de navolgende beperkte mate gegrond; Verklaart het incidenteel beroep toelaatbaar - behoudens in zoverre het betrekking heeft op de verblijfsregeling en de inschrijving van de kinderen - doch ongegrond; Wijst de nieuwe eis m.b.t. de verblijfsregeling en de inschrijving van de kinderen af; Bevestigt de bestreden beschikking met de wijzigingen dat: - volgende vakantieverblijfsregeling geldt: o tijdens de zomervakantie, die aanvangt de laatste schooldag van juni om 19.00 uur en eindigt de laatste dag van augustus om 19.00 uur, verblijven de kinderen bij de heer P. tijdens de pare jaren van 1 juli om 9.00 uur tot en met 16 juli om 19.00 uur en van 1 augustus om 9.00 uur tot en met 16 augustus om 19.00 uur, en tijdens de onpare jaren van 16 juli om 19.00 uur tot en met 1 augustus om 9.00 uur en van 16 augustus om 19.00 uur tot 31 augustus om 19.00 uur, o tijdens de kerst- en paasvakantie, die telkens aanvang neemt de laatste schooldag om 19.00 uur en eindigt om 19.00 uur de dag die voorafgaat aan de eerstvolgende schooldag, verblijven de kinderen bij de heer P. tijdens de pare jaren de eerste helft en tijdens de onpare jaren de tweede helft, met als wisseldag de tweede zaterdag van de kerst- of paasvakantie om 19.00 uur, o tijdens de herfst en krokusvakantie, die telkens aanvang neemt de laatste schooldag om 19.00 uur en eindigt om 19.00 uur de dag die voorafgaat aan de eerstvolgende schooldag, verblijven de kinderen bij de heer P. tijdens de onpare jaren vanaf de aanvang tot woensdagavond om 19.00 uur en tijdens de pare jaren vanaf woensdagavond om 19.00 uur tot het einde, o tijdens de andere periodes verblijven de kinderen bij hun moeder; - de heer P. voor 2/3 dient in te staan voor de betaling van de door de eerste rechter omschreven netto medische en bijzondere schoolkosten; - het basisbedrag van het onderhoudsgeld voor mevrouw B. persoonlijk bepaald wordt op 750,- EUR per maand, waarbij dit verschuldigd is met ingang van 25 april 2006 en verschuldigd zal zijn tot de ontbinding van het huwelijk; Verwijst de heer P. in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van mevrouw B. begroot op: - 139 EUR: rolrecht hoger beroep, - 242,94 EUR: rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 16 oktober 2007, waar aanwezig waren: B. BULLYNCK alleenzetelend Raadsheer D. HAES e.a. Adjunct-griffier D. HAES B. BULLYNCK PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071016.13 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030410.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.