id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 17 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071017.5 Rolnummer: 2006RK451 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2007-11-15 Raadplegingen: 152 - laatst gezien 2026-07-02 16:10 Fiche Geschillen over burgerlijke rechten behoren bij uitsluiting tot de bevoegdheid (rechtsmacht) van de rechtbanken. De rechtsmacht wordt (evenals de materiële bevoegdheid) bepaald naar het voorwerp van de eis zoals dit uit de inleidende dagvaarding blijkt. Wanneer de eiser zich in de dagvaarding op een subjectief recht beroept om een concrete aanspraak te formuleren, kan de kort gedingrechter zijn rechtsmacht aannemen. Art. 17§1 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State doet geen afbreuk aan de exclusieve 'bevoegdheid' van de rechtbanken om te oordelen over rechten die door de eiser als subjectieve rechten omschreven zijn, zelfs wanneer ze afgeleid worden uit een beweerdelijk onwettige overheidshandeling. Artt. 17 en 18 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen aldus ook geen afbreuk doen aan de prerogatieven van de civiele kort gedingrechter. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING - Algemeen (kort geding) Vrije woorden: kort geding - rechtsmacht inzake het optreden van de overheid - voorwerp van de vordering - onrechtmatige aantasting subjectief recht voorkomen of vergoeden Wettelijke bepalingen: Grondwet 1831 - 17-02-1994 - 144 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Gecoordineerde Wetten - 12-01-1973 - 18 - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Gecoordineerde Wetten - 12-01-1973 - 17 - 02 ELI link Pub nr 1973011250 Nota:
(1)zie ook Laenens, J., Broeckx, K., Scheers, D., Handboek Gerechtelijk Recht, Intersentia, 2004, p. 204, nr. 368
(2)zie ook Cass. 15.10.1993, R.W. 1993-1994, 711; Cass. 14.1.1994, R.W. 1994-95, 90; Cass. 17.11.1994, R.W. 1994-95, 1278; en in het bijzonder Cass., 25.4.1996, R.W. 1996-97, 432 Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, ACHTSTE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: Inzake : 2006/RK/451 NV FLUXYS met maatschappelijke zetel gevestigd te 1040 Brussel, Kunstlaan 31, ondernemingsnummer 0402.954.628; APPELLANTE tegen de beschikking van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, zetelend in kort geding, d.d. 13 oktober 2006 vertegenwoordigd door mr. S. Boullart loco mr. X. Remy; advocaat te 1050 Brussel, Louizalaan 65 bus 2; TEGEN :
- GmbH WINGAS vennootschap naar Duits recht, met maatschappelijke zetel ge-vestigd te 34119 Kassel, Duitsland, Friedrich-Ebert-Strasse 160, ingeschreven in het handelsregister te Kassel onder nummer GRB 5857; GEÏNTIMEERDE vertegenwoordigd door mr. M. De Roeck, advocaat te 2018 Antwerpen, Generaal Lemanstraat 27A, en mr. T. Vermeir, advocaat te 1200 Brussel, Neerveldstraat 101-103;
- NV BASF ANTWERPEN met maatschappelijke zetel gevestigd te 2040 Antwerpen, Scheldelaan 600, ondernemingsnummer 0404.754.472; GEÏNTIMEERDE vertegenwoordigd door mr. L. Cornelis, advocaat te 1050 Brussel, Louizalaan 99, en mr. B. Schutyser, advocaat te 1050 Brussel, Louizalaan 106; ***** De bestreden beschikking werd volgens verklaring van partijen niet betekend. Met het verzoekschrift ingediend op 20.12.2006 werd een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep ingesteld.
- De nv Fluxys (hierna weergegeven als "Fluxys") is de beheerder van het gehele nationale aardgasvervoersnet in België (dat onder-scheiden moet worden van de lokale distributienetten die beheerd worden door de respectieve distributiebeheerders). Vanuit het door Fluxys beheerde vervoersnet worden industriële gebruikers, elektriciteitsproducenten en verschillende aardgasdistri-butienetten voorzien van aardgas.
- De vennootschap naar Duits recht GmbH Wingas (hierna weerge-geven als "Wingas") is tot stand gekomen door samenwerking van het Russische Gasprom met de vennootschap naar Duits recht GmbH Wintershall, die een dochter is van de vennootschap naar Duits recht BASF AG. Wingas levert aardgas aan de industrie, openbare nutsbedrijven en aardgasdistributeurs, en houdt zich ook bezig met de bouw van aardgasinfrastructuur (opslagplaatsen en leidingen). Door de liberalisering van de aardgasmarkt binnen de Europese Unie kon Wingas ook buiten Duitsland actief worden. Zo is Wingas sedert 2003 aardgasleverancier geworden van enkele grote klanten in België, waaronder de nv BASF Antwerpen, hierna aangeduid als "BASF Antwerpen" (die als grootste speler in de (petro-)chemische nijverheid in België 5% van de landelijke aardgas-consumptie zou vertegenwoordigen), Air Liquide, Campina, Zandvliet Power, ... Deze leveringen gebeurden via het Belgische aardgasvervoersnet dat beheerd wordt door Fluxys.
- Wingas nam initiatieven om een aardgasleiding te kunnen bouwen die het Nederlandse aardgasnetwerk zou verbinden met BASF Ant-werpen, die bezorgd was over het feit dat Fluxys niet de gewenste capaciteit kon garanderen. Op 19.12.2003 diende Wingas een stedenbouwkundige vergun-ningsaanvraag voor de bouw van zulk een aardgasleiding in. De stedenbouwkundige vergunning werd verleend op 24.3.
- In december 2003 vroeg Wingas ook een Ministeriële vervoersver-gunning aan. Die gevraagde vergunning werd geweigerd en tegen die weigerings-beslissing werd een procedure voor de Raad van State aanhangig gemaakt. Die procedure is nog hangende. Wingas contacteerde ook het Havenbedrijf Antwerpen om samen een aardgasdistributienet uit te bouwen in de Antwerpse Haven, maar IGAO die het monopolie had in dat gebied stemde daar niet mee in.
- Bij brief van 4.8.2006 meldde Wingas dat zij in uitvoering van de stedenbouwkundige vergunning de bouw van de vergunde aardgas-leiding zou aanvatten vanaf 21.8.2006, waarbij zij aangaf de geplan-de leiding te beschouwen als een "directe leiding" in de zin van het aardgasdecreet van 19.12.2002, en niet als een onder de federale wetgeving vallende aardgasvervoersleiding. Fluxys was het hier niet mee eens. Zij meende dat het de facto een vervoersleiding betreft die bestemd is voor een bevoorrading van afnemers van meer dan 1 miljoen m3/jaar, zodat de federale wet-geving van 1965 van toepassing zou zijn en niet het Vlaams aard-gasdecreet waaraan Wingas refereerde.
- Fluxys nam dan het initiatief tot een procedure in kort geding tegen Wingas. Deze procedure werd ingeleid bij dagvaarding betekend op 4.9.
- Doel van deze procedure was de stopzetting van de bouw van de kwestieuze aardgasleiding evenals het verbod om die leiding te ex-ploiteren, dit alles onder verbeurte van een dwangsom van 100 000 EUR per dag dat de werken zouden worden verder gezet en dit tot een (wettige) vervoersvergunning overeenkomstig art. 3 van de wet van 1965 zou zijn bekomen of tot een definitieve beslissing van een bevoegde instantie hierover zou zijn tussengekomen.
- BASF Antwerpen kwam op 21.9.2006 vrijwillig tussen in de proce-dure en vorderde dat de kort gedingrechter zich zonder rechtsmacht zou verklaren en dat de vordering van Fluxys onontvankelijk en min-stens ongegrond zou worden verklaard. In haar argumentatie verwees BASF Antwerpen o.m. naar capaci-teitsproblemen (ruimschoots onvoldoende capaciteitsgaranties van-wege Fluxys) en naar het feit dat Fluxys een zustervennootschap is van Distrigas (beide dochters van het Franse Suez dat in Belgie het grootste deel van de elektriciteitsmarkt controleert). Fluxys zou voor-al oog hebben voor de belangen van de vennootschappen van haar eigen groep en misbruik maken van haar economische machts-positie.
- In de bestreden beschikking van 13.10.2006 werd het volgende overwogen. De andere leveranciers dan Distrigas (met wie Fluxys een verticaal geïntegreerde onderneming vormt) worden belemmerd in hun toe-gang tot de markt omdat hun vraag naar vervoerscapaciteit veel groter is dan diegene die Fluxys kan garanderen. Aldus kan Wingas de door BASF gevraagde capaciteit niet leveren omdat Fluxys de vervoerscapaciteit niet kan garanderen, aldus de eerste rechter. In die omstandigheden kan de aanleg van een parallelle vervoers- en distributieleiding de wettelijke taken en verplichtingen van Fluxys volgens de eerste rechter niet in het gedrang brengen daar de vraag veel groter is dan de vervoerscapaciteit die door Fluxys aangeboden wordt. Een parallel vervoersnet zou aldus de kwaliteit van het bestaande vervoersnet niet in het gedrang kunnen brengen, zodat Fluxys hier volgens de eerste rechter geen belang uit kan putten. In scherpe bewoordingen oordeelde de eerste rechter dat Fluxys misbruik maakt van haar hoedanigheid van beheerder van het natio-nale vervoersnet om de nodige bijkomende vervoerscapaciteit tegen te houden. Aldus zou Fluxys nieuwe aardgasleveranciers belemme-ren om de markt te bevoorraden, om aldus haar eigen zuster Distri-gas te blijven bevoordelen. Het belang dat Fluxys met haar vordering in kort geding nastreeft werd aangemerkt als strijdig met haar wette-lijke verplichtingen. Aldus zou niet voldaan zijn aan de voorwaarden van art. 18 Ger.W., en werd de vordering ontoelaatbaar verklaard.
- Diezelfde dag, 13.10.2006, bekwam Wingas een federale vervoervergunning van Minister Verwilghen, die de weigeringsbeslissing van 10.9.2004 introk. Hiertegen heeft Fluxys een - in het Frans geformuleerde - vordering tot schorsing en tot vernietiging van die vergunning ingediend bij de Raad van State. De zaak werd door de Franstalige 13de kamer van de Raad van State verzonden naar de Nederlandstalige 12de kamer, dat bij arrest van 31.5.2007 de vordering tot schorsing en tot nietigverklaring ambtshalve verwierp in toepassing van art. 65 van de Gecoördineer-de Wetten op de Raad van State. Binnen de 60 dagen werd een Nederlandstalig verzoekschrift tot vernietiging van de vervoersvergunning ingediend, maar niet meer tot schorsing ervan.
- Wellicht ingevolge het feit dat op de dag van de bestreden beschik-king een federale vervoersvergunning werd verleend, werd pas hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 13.10.2006 bij ver-zoekschrift, ter griffie neergelegd op 20.12.
- Dit hoger beroep is zowel gericht tegen Wingas als tegen BASF Antwerpen en beoogt de toewijzing van de oorspronkelijke vordering in kort geding, evenals de veroordeling van Wingas en BASF Ant-werpen tot de kosten.
- Wingas en BASF Antwerpen werpen de onbevoegdheid, respectie-velijk het gebrek aan rechtsmacht van de kort gedingrechter op. Enkel de Raad van State zou de schorsing van de tenuitvoerlegging van de inmiddels op 13.10.2006 toegekende vervoersvergunning kunnen bevelen overeenkomstig art. 17§1 Gecoördineerde wetten op de Raad van State. Bovendien werpen zij op dat Fluxys geen enkel financieel nadeel zou lijden daar de wet van 1.6.2005 haar een verzekerd inkomen zou bezorgen, dat Fluxys geen rechtmatig belang of geen rechtmatige hoedanigheid zou hebben, dat niet voldaan zou zijn aan de wettelijke voorwaarden om maatregelen in kort geding te bekomen, en min-stens dat de vordering ongegrond zou zijn omdat Fluxys zelfs geen schijnbare rechten zou aantonen. Ondergeschikt formuleren zij op-merkingen m.b.t. de gevorderde dwangsom.
- Inmiddels is de bouw van de ca. 200 meter lange leiding al lang vol-tooid. Zij werd op 3.1.2007 in exploitatie genomen en is dus reeds ruim 9 maanden in dienst. AFSTAND VAN DE VORDERING TOT STOPZETTING VAN DE BOUW VAN DE LEIDING - OMSCHRIJVING VAN DE THANS NOG TE BEOORDELEN VORDERING
- Rekening houdend met dit gegeven werd ter terechtzitting van 18.9.2007 namens Fluxys gemeld dat zij afstand deed van haar oor-spronkelijke vordering tot stopzetting van de bouw van de genoemde leiding. Thans vordert zij enkel nog dat Wingas het verbod zou worden opge-legd om de genoemde aardgasleiding met een nominale diameter van 500 mm met aftakkingen met een nominale diameter van 300 mm en die aansluit op een aftakking van de GTS-leiding DN 600 voor hoogcalorisch gas aan de Belgisch-Nederlandse grens en die van daar naar de terreinen van BASF Antwerpen loopt, waarbij de Scheldelaan en een industriële spoorlijn wordt gekruist, te exploiteren onder verbeurte van een dwangsom van 100 000,- EUR per dag dat Wingas de exploitatie voortzet na betekening van het tussen te komen arrest en tot ofwel een "wettige" vervoersvergun-ning overeenkomstig art. 3 van de Wet van 1965 werd verkregen, ofwel een definitieve beslissing ten gronde is tussengekomen van een "hiertoe bevoegde autoriteit" of van een rechterlijke instantie in een binnen de 14 dagen na huidig arrest door Fluxys in te leiden procedure ten gronde. RECHTSMACHT
- Wingas en BASF Antwerpen werpen op dat de vordering zoals ze nu door Fluxys geformuleerd is, zou neerkomen op een vordering tot schorsing van de ministeriële vergunning, hetgeen een exclusieve bevoegdheid van de Raad van State uitmaakt overeenkomstig art. 17§1 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State. Bijgevolg zou de tot de rechterlijke orde behorende kort gedingrechter niet bevoegd zijn of niet de rechtsmacht hebben om de vordering van Fluxys te beoordelen.
- Overeenkomstig art. 144 van de Grondwet behoren geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de recht-banken. Wat de begrippen "bevoegdheid" en "rechtsmacht" betreft, wordt op-gemerkt dat hoewel de Grondwet het begrip bevoegdheid hanteert, eigenlijk aan het begrip rechtsmacht gerefereerd wordt. Het begrip rechtsmacht verwijst naar de vraag of de beslechting van een geschil werd toevertrouwd aan de rechterlijke macht waartoe de rechter be-hoort die door de eisende partij werd aangezocht om het geschil te beslechten.
- De rechtsmacht wordt (evenals de materiële bevoegdheid) bepaald naar het voorwerp van de eis zoals dit uit de inleidende dagvaarding blijkt (zie ook Laenens, J., Broeckx, K., Scheers, D., Handboek Ge-rechtelijk Recht, Intersentia, 2004, p. 204, nr. 368). Bijgevolg dient voor dit onderzoek m.b.t. de rechtsmacht te worden teruggegrepen naar het voorwerp van de eis zoals het door de eiser is omschreven. Fluxys beweerde in de dagvaarding, met verwijzing naar haar eigen wettelijke verplichtingen en de financiële implicaties ervan, aan-spraak te kunnen maken op een (per definitie subjectief) recht op handhaving van haar monopoliepositie als enig beheerder van het nationale gasvervoernet, en maakte aanspraak op een stopzetting van de bouw en de exploitatie van de hoger omschreven gasleiding, die niet per definitie uit een schorsing of vernietiging van de bouw- en vervoersvergunning door de Raad van State zou voortvloeien. Bij lezing van de dagvaarding blijkt alleszins dat Fluxys zich impliciet maar zeker op een subjectief recht beroept om een concrete aan-spraak te formuleren. In het kader van deze beoordeling van de rechtsmacht dient niet onderzocht te worden of het ingeroepen recht inderdaad bestaat. Zulks impliceert immers reeds een onderzoek ten gronde.
- Art. 17§1 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State doet geen afbreuk aan de exclusieve bevoegdheid van de rechtbanken om te oordelen over rechten die door de eiser als subjectieve rech-ten omschreven zijn, zelfs wanneer ze afgeleid worden uit een be-weerdelijk onwettige overheidshandeling (zie ook Cass. 15.10.1993, R.W. 1993-1994, 711; Cass. 14.1.1994, R.W. 1994-95, 90; Cass. 17.11.1994, R.W. 1994-95, 1278; en specifiek Cass., 25.4.1996, R.W. 1996-97, 432). Artt. 17 en 18 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen aldus ook geen afbreuk doen aan de prerogatieven van de civiele kort gedingrechter (zie ook De Leval, G., Lewalle, P. en Stor-me, M., editors, Het interdisciplinair geschil, Diegem, Kluwer, 1996, 322-371). Het hof beschikt over de rechtsmacht om het geschil te beoordelen. BEVOEGDHEID
- Wat de urgentie als bevoegdheidsvoorwaarde betreft, volstaat het dat de eisende partij in de inleidende dagvaarding voorhoudt dat de zaak dringend is. Dit staat los van het onderzoek of er daadwerkelijk sprake is van urgentie, wat naargelang het uitgangspunt een onderzoek naar de toelaatbaarheid of ontvankelijkheid van de vordering betreft (in die zin: P. Van Orshoven, Je n'aime pas mon sujet. De bevoegdheid van de hoven en rechtbanken in burgerlijke zaken. Stand van zaken en actuele ontwikkelingen, T.P.R., 2004, II, 1098-1099), dan wel naar de gegrondheid van de gevorderde maatregel. Zo staat de urgentie als element van het bevoegdheidsonderzoek ook volledig los van de vraag of de te nemen maatregelen ook op het ogenblik van de uitspraak in hoger beroep nog steeds door de urgentie verantwoord kunnen worden. Fluxys heeft in de dagvaarding zeer uitvoerig gemotiveerd waarom zij de zaak "absoluut spoedeisend" acht, zodat het hof ook de mate-riële bevoegdheid van de civiele kort gedingrechter aanneemt. BELANG
- Wingas en BASF Antwerpen werpen op dat de vordering onontvan-kelijk of ontoelaatbaar zou zijn omdat Fluxys niet over het rechtens vereiste belang beschikt. Minstens zou het door Fluxys ingeroepen belang onrechtmatig zijn.
- Het in art. 17 Ger.W. bedoelde belang is gelijk welk materieel of moreel voordeel dat de eisende partij op het ogenblik van de rechts-ingang mag verwachten en waardoor haar huidige rechtstoestand verbeterd kan worden. Het geringste belang volstaat. Voor het overige moet het belang reeds verkregen en dadelijk zijn (art. 18 Ger.W.), persoonlijk en rechtstreeks, rechtmatig en be-schermenswaardig zijn. De verwijzing naar wat als het algemeen belang wordt voorgesteld voldoet niet aan die voorwaarden.
- Wingas en BASF werpen terecht op dat Fluxys zelf geen rechtstreeks en persoonlijk financieel belang heeft bij de toewijzing van haar vordering. De exploitatie van de ca. 200 meter lange leiding waarop het geschil betrekking heeft, brengt kennelijk niet het geringste financieel nadeel toe aan Fluxys, die sinds de wet van 1.6.2005 geniet van een ge-garandeerd "totaal inkomen" en die bovendien BASF Antwerpen sinds 1.1.2007 zelfs eenzijdig een veel hoger tarief is gaan aanreke-nen voor haar afname van aardgas via het door Fluxys beheerde net. Het enig denkbare financiële belang dat Fluxys beweert na te streven is gebaseerd op een kennelijk foutieve interpretatie van art. 23 K.B. 15.4.2002 dat Fluxys een zuinigheidsverplichting oplegt om de vervoerskost zo laag mogelijk te houden.
- Evenwel kan worden aangenomen dat Fluxys er als monopolist (enig beheerder van het nationale aardgasvervoersnet) een louter moreel belang bij kan hebben dit monopolie waarvan zij beweert dat het op onwettige wijze aangetast zou zijn, gehandhaafd te zien.
- Het hof oordeelt dat de bewering van Wingas en BASF Antwerpen dat het door Fluxys ingeroepen belang als onrechtmatig dient te worden aangemerkt, in de concrete omstandigheden van het dossier niet kan worden beaamd zonder zich te begeven aan een diepgaander onderzoek dat slechts aan bod kan komen in het kader van het onderzoek naar de gegrondheid van de gevorderde maatregelen. Daar het hof in de fase van het toelaatbaarheidsonderzoek geen onderzoek "ten gronde" voert, (waarmee thans in het kader van dit kort geding een diepgaand onderzoek bedoeld wordt naar de juist-heid van de beweringen m.b.t. het beweerde misbruik dat Fluxys zou maken van haar machtspositie), wordt het bestaan van Fluxys' be-lang, dat op het eerste gezicht niet als kennelijk onrechtmatig voorkomt, aangenomen. HOEDANIGHEID
- Wingas en BASF Antwerpen werpen op dat Fluxys geen subjectief recht zou nastreven. Zij zou zich gewoon een toezichtsbevoegdheid toe-eigenen die enkel zou toekomen aan de CREG. Bijgevolg zou zij niet over de rechtens vereiste hoedanigheid beschikken om haar huidige aanspraken te formuleren. Het hof verwijst naar hetgeen hoger onder nr. 16 werd overwogen. De aanspraken zoals door Fluxys geformuleerd, zijn wel degelijk ge-baseerd op een beweerd subjectief recht op handhaving van haar monopoliepositie, zodat zij over de vereiste hoedanigheid beschikt. In het kader van het toelaatbaarheidsonderzoek dient niet verder te worden nagegaan of het ingeroepen subjectief recht ook daadwerke-lijk bestaat. URGENTIE - TOELAATBAARHEIDSASPECT
- Wingas en BASF Antwerpen houden voor dat niet voldaan zou zijn aan de urgentievoorwaarde. Wingas leidt daar - in navolging van de zienswijze van een deel van de rechtsleer en rechtspraak (zie o.m. Van Orshoven, P., Je n'aime pas mon sujet. De bevoegdheid van de hoven en rechtbanken in burgerlijke zaken. Stand van zaken en ac-tuele ontwikkelingen, T.P.R., 2004, II, 1098-1099) - de onontvanke-lijkheid (of ontoelaatbaarheid) van de vordering uit af . Hieronder wordt ingegaan op die aspecten van de urgentievereiste die reeds in het kader van een toelaatbaarheidsonderzoek aan bod kunnen komen.
- De voorzitter doet, krachtens artikel 584, eerste lid, van het Gerech-telijk Wetboek, in de gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt. De urgentie wordt doorgaans erkend telkens wanneer een onmiddel-lijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang, dan wel ernstige ongemakken te voorkomen; men kan zijn toevlucht nemen tot het kort geding wanneer de gewone rechtspleging niet bij machte is het geschil tijdig op te lossen (zie ook Cass., 11 mei 1990, RC905B4, R.W., 1990-1991, 987). De urgentie kan worden aangenomen wanneer de gevorderde maat-regelen objectief nuttig zijn voor de beslechting van het geschil en, wegens de omstandigheden eigen aan de zaak, spoedeisend zijn, wat wil zeggen dat wanneer ze uitgesteld worden ze ofwel geen nut meer hebben ofwel niet meer kunnen plaatsvinden (zie ook E. Krings, Het kort geding naar Belgisch recht, T.P.R., 1991, 1068).
- Aan deze eis van spoedeisendheid moet worden voldaan zowel op het tijdstip van de inleiding als op het ogenblik van de uitspraak.
- Er kan worden aangenomen dat Fluxys als monopolist die beweert dat Wingas op volkomen onrechtmatige wijze haar monopolie zou hebben aangetast, in principe aanspraak moet kunnen maken op een spoedige beëindiging van zulk een onrechtmatige exploitatie, die - rekening houdend met de vrij grote capaciteit van de voornoemde leiding - geacht wordt een wezenlijke invloed op haar eigen econo-mische machtspositie te hebben. De stopzetting van zulk een onrechtmatige exploitatie met een reële invloed op de eigen economische machtspositie kan als een objectief nuttige en door de spoedeisendheid te verantwoorden maatregel aangemerkt worden.
- Het hof acht het niet bewezen dat de urgentie door Fluxys zelf kunstmatig gecreëerd zou zijn, of dat de urgentie op zich vervallen zou zijn door het tijdsverloop tussen de datum waarop de bestreden beschikking werd geveld en de datum waarop het hoger beroep werd ingesteld: dat tijdsverloop was kennelijk enkel het gevolg van het feit dat op de dag van de bestreden beschikking een ministeriële vervoersvergunning werd bekomen en van de onduidelijkheid over de gevolgen daarvan voor de huidige procedure. De twee maanden die Fluxys voor dat onderzoek benodigd heeft zijn niet onverzoenbaar met een aanvaarding van de toelaatbaarheid van de vordering. Ook het feit dat Fluxys geen gebruik heeft gemaakt van een - op het eerste gezicht niet evident ogende - procedure zoals in kort geding overeenkomstig de wet op de handelspraktijken, waarbij slechts een beperkte benadering van de handelswijze van Wingas mogelijk zou zijn, volstaat niet om de urgentie te ontkennen. Zulks houdt in de concrete omstandigheden geen nalatigheid in die de toegang tot een gewoon kort geding uitsluit.
- De overige aspecten die Wingas en BASF Antwerpen aanhalen m.b.t. het gebrek aan urgentie zouden een diepgaander - en het toe-laatbaarheidsonderzoek overstijgend - onderzoek naar de gegrond-heid van de vordering vergen. UITSPRAAK BIJ VOORRAAD
- De rechter in kort geding doet uitspraak bij voorraad. De maatregel die thans nog gevorderd wordt is geformuleerd als een voorlopige maatregel, nl. de tijdelijke stopzetting van de exploitatie van de leiding tot ofwel een "wettige" vervoersvergunning overeen-komstig art. 3 van de Wet van 1965 werd verkregen, ofwel een definitieve beslissing ten gronde is tussengekomen van een "hiertoe bevoegde autoriteit" of van een rechterlijke instantie in een binnen de 14 dagen na huidig arrest door Fluxys in te leiden procedure ten gronde. Daar intussen een ministeriële vervoersvergunning werd verleend, lijkt enkel de laatst genoemde tijdsbeperking van belang. De beoogde tijdelijke maatregel kan de bodemrechter niet binden in zijn beoordeling van de grond van de zaak, zodat het hof niet aan-neemt dat de vordering meer dan een uitspraak bij voorraad inhoudt. GEGRONDHEID VAN DE VORDERING - SCHIJN VAN RECHT
- De gevorderde maatregel zou slechts kunnen toegekend worden, indien het door de eisende partij ingeroepen recht voldoende waar-schijnlijk is.
- De gasleiding waarop huidig geschil betrekking heeft is een leiding van ca. 200 meter die de site van BASF Antwerpen verbindt met de Nederlandse grens, om de gewenste aardgascapaciteit die Fluxys niet kan of wil garanderen veilig te stellen. De leiding is kennelijk enkel bedoeld ter beveiliging en aanvulling van de aardgasbevoor-rading van BASF Antwerpen, zonder de toevoer via het door Fluxys beheerde net te willen uitschakelen. In de dossiers van BASF Antwerpen en Wingas wordt op treffende wijze aangetoond dat de behoefte aan een directe leiding vanuit Nederland zijn aanleiding vindt in het manifeste onvermogen, en wellicht zelfs de onwil van Fluxys om de door BASF gevraagde capaci-teit te garanderen. Bovendien wordt daarbij zeer waarschijnlijk ge-maakt dat Fluxys haar capaciteitsbeleid in strijd met de bepalingen van de gaswet van 12.4.1965 laat leiden door de belangen van de met haar verbonden vennootschappen behorend tot de Suez-groep. Precies het capaciteitsprobleem waarvoor Fluxys zelf verantwoorde-lijk is heeft BASF Antwerpen genoodzaakt om zich een alternatieve capaciteitsgarantie te verschaffen. Of er een schijn van recht is voor Fluxys om zich hiertegen te verzetten door de stopzetting van de exploitatie van die leiding te vragen, wordt hieronder onderzocht.
- De eerste gasrichtlijn RL 1998/30/EG schreef de mogelijkheid voor om directe leidingen, leidingen die als aanvulling gelden van trans-missienetten of van distributienetten (soms ook bypass genoemd), te bouwen en te exploiteren. De tweede aardgaslijn RL 2003/55/EG van 26.6.2003, o.m. omgezet door de wet van 1.6.2005 tot wijziging van de gaswet van 12.4.1965, heeft die mogelijkheid tot het bouwen en exploiteren van een directe leiding behouden.
- De gewesten zijn bevoegd voor de aardgasdistributie en zij hebben bovendien de residuaire bevoegdheden inzake energie. De be-voegdheid van de federale overheid is beperkt tot het vervoer of de transmissie van aardgas. Transmissie duidt op het "transport van aardgas door een hogedrukpijpleidingnet anders dan een upstream-pijpleidingnet, met het oog op de belevering van aardgasafnemers". Distributie duidt op het "transport van aardgas langs lokale of regio-nale pijpleidingnetten met het oog op de belevering van afnemers". De mogelijkheid om een directe leiding aan te leggen op gewestelijk niveau wordt geregeld door het Vlaamse aardgasdecreet van 19.12.
- Voor de aanleg van een directe leiding van gewestelijk niveau is geen federale vervoervergunning vereist. Fluxys toont in het geheel niet aan dat de leiding, die bedoeld was als leiding ter aanvulling van de aardgasbelevering van één enkele afnemer, niet zou kunnen aangemerkt worden als een onder dit aardgasdecreet vallende directe leiding. Haar hele betoog is gebaseerd op het niet eens door haar waarschijnlijk gemaakte uit-gangspunt dat de leiding niet onder het gewestelijk niveau zou res-sorteren. Voor de bouw en exploitatie van een directe leiding zoals bedoeld door het Vlaamse aardgasdecreet werden alle vereiste toelatingen bekomen. Bijgevolg is de vordering tot stopzetting van de exploitatie van de genoemde leiding ongegrond.
- Onder druk van Fluxys hebben Wingas en BASF Antwerpen er zich toe laten leiden om veiligheidshalve ook een federale vervoersver-gunning aan te vragen. Deze werd uiteindelijk verleend op de datum waarop ook de bestreden beschikking werd uitgesproken. Ten overvloede wordt opgemerkt dat er geen kennelijk gegronde argumenten worden aangehaald waarom Wingas, dat duidelijk ook aanspraak lijkt te kunnen maken op een federale vergunning, geen recht op zulk een vergunning zou kunnen doen gelden. In het kader van de huidige procedure dient gelet op al het voorgaande niet verder ingegaan te worden op de concrete verwijten van Fluxys aan het adres van de vergunnende minister.
- In die omstandigheden hoeft het hof ook geen verdere overwegingen te wijden aan het onevenredig nadeel dat de toekenning van de ge-vorderde maatregel zou teweegbrengen bij BASF Antwerpen en Wingas.
- De vordering van Fluxys is derhalve toelaatbaar doch ongegrond. O M D I E R E D E N E N : H E T H O F, Rechtsprekend op tegenspraak; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; Verleent akte aan Fluxys van haar afstand van haar oorspronkelijke vordering tot stopzetting van de bouw van de genoemde leiding; Verklaart het hoger beroep, zoals het ingevolge de voornoemde afstand beperkt werd, toelaatbaar en slechts in de navolgende beperkte mate gegrond; Hervormt de bestreden beschikking in de mate dat het de vordering als niet toelaatbaar afwees, en opnieuw recht sprekend, verklaart de vordering ongegrond. Verwijst appellante in de kosten van het hoger beroep, deze tot op heden aan de zijde van geïntimeerden telkens begroot op 247,89 EUR (rechtsplegingsvergoeding). Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van ZEVENTIEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN waar aanwezig waren : de heer J. MERTENS DE WILMARS dd Voorzitter mevrouw M. DOM Raadsheer de heer B. BULLYNCK Raadsheer mevrouw G. VERSYPT Griffier G. VERSYPT B. BULLYNCK M. DOM J. MERTENS DE WILMARS PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071017.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div