← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071024.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071024.11 Rolnummer: 150 p 06 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-12-20 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-02 16:12 Fiche Artikel 246,1° SW werd gewijzigd bij wet van 10 februari 1999 (B.S. 23 maart 1999), in voege getreden op 2 april

  1. Voor de strafbaarstelling van ambtelijke passieve corruptie ten tijde van de feiten (17 juli 2000) volstaat het bewijs van een eenzijdige handeling gesteld met het door de wet beoogde doel. Bij passieve omkoping gaat het om het feit „rechtstreeks of door tussenpersoon, voor zichzelf of voor een derde, een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook vragen of aannemen' (art. 246, § I). Zowel onder de oude als onder de nieuwe wet is vereist dat de corruptiemiddelen de beoogde gedraging van de ambtenaar voorafgaan. De aanneming van geschenken a posteriori is slechts strafbaar indien de giften de uitvoering van een vroegere vraag (belofte) betreffen, of bedoeld waren om de stelselmatige inschikkelijkheid van een ambtenaar te bekomen voor toekomstige handelingen. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare orde door ambtenaren - Omkoping Vrije woorden: Omkoping (passief) Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 246 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende Te Antwerpen, 10de kamer, (...)
  2. Toepasselijke wetgeving a. Voor de strafbaarstelling van ambtelijke corruptie ten tijde van de feiten vervolgd onder de tenlasteleggingen AI-AII-AIII en AIV was het bewijs noodzakelijk van het bestaan van een corruptiepact tussen de omgekochte ambtenaar en de omkoper, d.w.z. het bestaan van een wilsovereenstemming tussen de twee partijen dat de persoon die een openbaar ambt uitoefent een bepaald gedrag aanneemt in ruil voor een bepaald voordeel. b. Artikel 246,1° SW werd gewijzigd bij wet van 10 februari 1999 (B.S. 23 maart 1999), in voege getreden op 2 april
  3. Voor de strafbaarstelling van ambtelijke passieve corruptie ten tijde van de feiten vervolgd onder tenlasteleggingen BI, BII, BIII en C volstaat het bewijs van een eenzijdige handeling gesteld met het door de wet beoogde doel; bij passieve omkoping gaat het om het feit „rechtstreeks of door tussenpersoon, voor zichzelf of voor een derde, een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard dan ook vragen of aannemen" (art. 246, § I). Zowel onder de oude als onder de nieuwe wet is vereist dat de corruptiemiddelen de beoogde gedraging van de ambtenaar vooraf te gaan. De aanneming van geschenken a posteriori is slechts strafbaar indien de giften de uitvoering van een vroegere vraag (belofte) betreffen, of bedoeld waren om de stelselmatige inschikkelijkheid van een ambtenaar te bekomen voor toekomstige handelingen. c. De laatste wetswijziging bij wet van 11 mei 2007 tot aanpassing van de wetgeving inzake de bestrijding van omkoping, (B.S. 8 augustus 2007) heeft geen betrekking op de in casu toepasselijke wetsbepalingen. (...) Tenlastelegging BI Beklaagde wordt vervolgd om zich schuldig te hebben gemaakt aan passieve omkoping, nl. als een persoon die een openbaar ambt uitoefent, in casu als Directeur bij de Directe Belastingen te A., rechtstreeks of door tussenpersonen voor zichzelf of een derde, een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard ook te hebben gevraagd of aangenomen tot het verrichten van een onrechtmatige handeling naar aanleiding van zijn ambt, met name door op 17 juli 2000 voor het aanslagjaar 1999 akkoorden betreffende de kosten eigen aan de werkgever te hebben afgesloten ten gunste van de nv Primex, terwijl deze bevoegdheid in casu toekwam aan inspecteur A. a. Beklaagde bezat op 17 juli 2000 de door de wet vereiste hoedanigheid van openbaar ambtenaar; hij bezat met name sinds 1 mei 1998 ( tot 30 juli 2002) de hoedanigheid van directeur district B binnen de directie A. I van de Directe Belastingen. b. Beklaagde ondertekende op 17 juli 2000 een akkoord betreffende de forfaitaire kosten eigen aan de werkgever nv Primex als volgt :" Op verzoek van uw raadgever in fiscale zaken, dhr. G. C., bevestig ik U dat de forfaitaire vergoedingen voor het boekjaar 1999 en vorige buiten de fiscale sfeer vallen omdat zij in principe een terugbetaling dekken van kosten door de arbeiders gemaakt op de diverse werven en tijdens de verplaatsing van en naar die werven. Voor u is deze terugbetaling behandeld als een aftrekbare kost, voor de werknemers is zij niet belastbaar. Voor de boekjaren 2000, 2001-2002 zal het vorige akkoord met de Administratie herbesproken worden". Dit akkoord maakt een onrechtmatige ambtshandeling uit om volgende redenen:
  4. Beklaagde had geen bevoegdheid tot het afsluiten van dit akkoord. De bevoegdheid kwam toe aan de Inspecteur A - te dien tijde Dhr. D.M.- die op advies van de controleur zijn instemming met de forfaitaire kosten moest geven en beslissingsbevoegdheid had. De nv Primex had immers zowel ten tijde van het boekjaar 1998, aanslagjaar 1999, als ten tijde van het akkoord minder dan 100 werknemers in dienst en de kosten bedroegen meer dan 5000 Bef per jaar per werknemer.
  5. Beklaagde heeft de terzake bevoegde controleur S. en Inspecteur A D.M. buiten spel gezet. De vergadering van 31 mei 2000 tussen controleur S. en C. - die de nv Primex vertegenwoordigde - werd door beklaagde buiten weten van controleur S. geannuleerd en de controleur werd niet betrokken bij de besprekingen over het akkoord tussen beklaagde en C. De Inspecteur A werd achteraf door beklaagde ontboden louter om het akkoord te ondertekenen waarbij hij de Inspecteur A bevestigde dat hij het dossier had onderzocht en alles in orde was. De Inspecteur A verklaarde in het onderzoek na kennis van de toedracht, dat hij zich gebruikt voelt.
  6. Het akkoord van 17 juli 2000 hield een onwettige bevoordeling in van de nv Primex vermits het werd genomen voor " het boekjaar 1999 en vorige " terwijl akkoorden voor het verleden onwettig zijn.
  7. De inhoud van het vervolgde akkoord was bovendien strijdig met het kort voordien op 27 april 2000 (st.108) afgesloten akkoord tussen de Sociale Inspectie en de nv Primex waarbij de forfaitaire kosten van het I° kwartaal 1997 tot en met I° kwartaal 2000 na ontdekte sociale fraude werden geregulariseerd door aanneming van slechts 100 Bef per dag per werknemer en verwerping van 400 Bef als zwarte lonen. Alle stukken desbetreffend waren aanwezig in het fiscaal controledossier en controleur S. maakte beklaagde erop attent, zodat beklaagde hiervan kennis had. De uitleg van beklaagde dat hij zich voor de inhoud van het akkoord steunde op het bestaan van " stilzwijgende akkoorden" betreffende de voorgaande jaren tussen de Administratie en de nv Primex kan niet, vermits eventuele akkoorden juist achterhaald waren ingevolge de ontdekte fraude en gelet op de verklaring van controleur S. dat hij zich bij beklaagde om die reden had verzet tegen het door de nv Primex voorgesteld akkoord, dat door beklaagde werd toegestaan. De uitleg van beklaagde dat hij per vergissing dacht bevoegd te zijn is onaanvaardbaar vermits een nauwkeurige lezing van het dossier alleen kan leren dat de nv Primex een 50-tal werknemers had, hetgeen geen randgeval met 100 werknemers uitmaakt. Beklaagde wist integendeel goed dat de Inspecteur D.M. terzake bevoegd was, vermits hij op slinkse wijze gebruik makend van zijn hiërarchisch hogere rang, ervoor zorgde dat deze bevoegde ambtenaar het akkoorddocument (voor de Administratie) ondertekende ( st. 185). Deze motivering wordt niet ontkracht door het enkel feit dat het akkoord van 17 juli 2000 door de Administratie niet zou zijn herzien, omwille van redenen die haar eigen zijn, en die niet noodzakelijkerwijze impliceren dat het akkoord inhoudelijk correct is en dat beklaagde ertoe bevoegdheid bezat. Een herziening kan trouwens de schuld van beklaagde niet wegnemen. c. Het onderzoek wees uit dat C., fiscaal raadgever van verscheidene vennootschappen, waaronder de nv Primex, tussen 29 maart 1998 en 10 december 1999 minstens, beklaagde meerdere dure diners in gerenommeerde restaurants in Antwerpen aanbood. Elk diner op zich is een voordeel in de zin van artikel 246,§1 SW, dat elk voordeel, van welke aard dan ook, viseert. Een goede verstandhouding tussen de belastingplichtige en de belastingsambtenaar is niet vereist, en kan dergelijk voordeel niet verantwoorden. Slechts een correcte verstandhouding is vereist, die de schijn van onomkoopbaarheid van de openbaar ambtenaar niet in het gedrang brengt en die de tegenstrijdige belangen van partijen onverkort laat. Beklaagde wist dat hij deze voordelen zonder zijn bevoegdheid als belastingsambtenaar, niet zou hebben gekregen, zodat hij bij ontvangst wist dat de voordelen tot doel hadden de door C. vertegenwoordigde klanten te bevoordelen. Het is hierbij niet vereist dat de diners werden aangeboden in het vervolgde dossier. De voordelen hadden immers tot gevolg "dat C. voor de akkoorden "betreffende kosten eigen aan de werkgever" steeds terecht kon bij J.; J. tekende altijd alles" zoals verklaard door L., zaakvoerder van de F.A., werkgever van C. vanaf minstens oktober 1994 ( st. 201). Blijkens L. vertelde C. haar dat de techniek erin bestond dat te hoge forfaitaire kosten werden aangerekend, waarna deze door J. werden verminderd; L. voegde eraan toe dat dergelijke akkoorden niet gemakkelijk te bekomen zijn vermits ze ‘normaal' gezien slechts te bekomen waren na onderzoek van het fiscaal dossier door de controlediensten. Het staat vast dat beklaagde aan deze techniek meewerkte, vermits hij wetens en willens de normaal bevoegde controleambtenaren buiten spel zette om een onwettig akkoord te geven over grotendeels valse forfaitaire kosten. Het is niet vereist dat de nv Primex kennis had van de omkoping. De omkoping gebeurde door C. die er belang bij had, vermits hij als fiscaal raadgever door nv Primex werd betaald. L. verklaarde immers dat C. klanten had die speciaal naar hem kwamen omdat hij goed was in het afsluiten van akkoorden betreffende kosten eigen aan de werkgever. d. Alle aangenomen voordelen situeren zich voorafgaand aan de beslissing van 17 juli
  8. Vermits beklaagde niet aangeeft andere voordelen te hebben bekomen van de belastingplichtige of van C., kan het niet anders dan dat deze op zich betrekkelijk kleine voordelen, hebben geleid tot de onrechtmatige handeling. Het staat vast dat C. ook wijnen offreerde aan belastingsambtenaren, doch het is niet bewezen dat beklaagde hiervan begunstigde was. e. De omstandigheid dat C. ook diners aanbood aan andere belastingsambtenaren, neemt niet weg dat beklaagde omwille van de voordelen een onrechtmatige handeling stelde. De schuld van beklaagde wordt evenmin weggenomen doordat hem eervol ontslag uit zijn Ambt werd verleend en een ereteken ontving, noch door het gegeven dat mogelijk andere belastingsambtenaren evenzeer schuldig zijn aan omkoping. C. zelf kon niet meer worden vervolgd, nu hij overleed tijdens het gerechtelijk onderzoek. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071024.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.