← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071024.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071024.15 Rolnummer: 2007AR315 Rechtsgebied: Overige - Handelsrecht Invoerdatum: 2008-04-07 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 16:13 Fiche 1) De opzegging werd in casu ondertekend door de makelaar 'bij sterkmaking'. Nergens in artikel 29 WLVO wordt voorgeschreven dat de opzegging dient te worden ondertekend. De enige vereiste is dat de contractspartij ondubbelzinnig op de hoogte wordt gebracht van de wil van de andere contractspartij tot het beëindigen van het contract. In artikel 29 § 2 WLVO wordt weliswaar voorzien dat 'de termijn bedoeld in het eerste lid moet worden vermeld in de overeenkomst en herhaald in de opzegging', maar bepaalt niet dat dit specifiek betekent dat de aanvangsdatum van de opzeggingstermijn dient te worden vermeld. 2) In de dagvaarding werd betaling gevorderd van onbetaalde premies m.b.t. één verzekeringscontract, pas in de loop van het geding wordt deze vordering uitgebreid tot twee andere contracten. Deze uitgebreide vordering berust op een juridisch feit aangehaald in de dagvaarding, nl. de niet-betaling van achterstallige premies. De juridische grondslag van deze vordering is in casu - ook bij uitbreiding - de niet-betaling van achterstallige premies van verzekeringscontracten die door de verzekerde bij de betreffende verzekeraar werden afgesloten. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Tusseneis - Wijziging eis HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Landverzekeringscontract in het algemeen Vrije woorden: 1) Verzekeringscontract - geldigheid opzegging - art. 29 §2 WLVO geen ondertekening van opzegging door contractspartij vereist - geen vermelding van aanvangsdatum van opzeggingstermijn vereist2) Gerechtelijk recht - ontvankelijkheid van de vordering - eisuitbreiding voor onbetaalde premies van andere verzekeringscontracten - berust op juridisch feit aangehaald in de dagvaarding Wettelijke bepalingen: Wet - 25-06-1992 - 29 - 32 ELI link Pub nr 1992011257 Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE BIS KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2007/AR/315 FEDERALE VERZEKERINGEN GEM. KAS AO, Stoofstraat 12 te 1000 BRUSSEL, Ondernemingsnummer 0407.963.786, die voor huidig geschil woonstkeuze doet bij de gerechtsdeurwaarder die de dagvaarding heeft betekend, zijnde Mr. Jan De Sy, Harmoniestraat 14 B te 3580 BERINGEN, appellante, tegen het vonnis uitgesproken op 18 december 2006 door de 3de kamer van de Rechtbank van Koophandel te Hasselt, vertegenwoordigd door Mr. V. KAMSTEEG loco Mr. D. VAN MIEGHEM, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 156, tegen : NABO TECHNISCH BORSTELWERK N.V. gevestigd te 3930 HAMONT-ACHEL, Bedrijfsstraat 3, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. P. VAN DAMME loco Mr. P. VERACHTERT, advocaat te 3900 OVERPELT, Oude Markt 18/1; Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, gewezen door de rechtbank van Koophandel te Hasselt d.d. 18 december 2006, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof op 2 februari 2007, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld. Appellante streeft, bij hervorming van het bestreden vonnis, na dat haar vordering gegrond zou worden verklaard en dat dienvolgens geïntimeerde zou worden veroordeeld tot betaling aan haar van een bedrag van 16.060,89 EUR te verhogen met de gerechtelijke interesten vanaf de dag van de gedinginleidende dagvaarding op 27 oktober 2005, tot de dag der algehele betaling en te vermeerderen met de kosten van het geding. Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de bevestiging van het bestreden vonnis, behalve wat betreft de kosten en wat betreft de ontvankelijkheid voor de uitbreiding van de eis van appellante. °°°°°°°°°°°° I. FEITELIJKE GEGEVENS - VOORWERP VAN DE VORDERING - VOORGAANDE. De doelstellingen van de door appellante ingestelde vordering en de toedracht van de feiten die er aan ten grondslag liggen, alsmede de respectieve standpunten van partijen werden naar behoren toegelicht in het bestreden vonnis, zodat het Hof ernaar verwijst. Samengevat vordert appellante van geïntimeerde betaling van achterstallige premies van diverse verzekeringsovereenkomsten die zij als verzekeraar met geïntimeerde afsloot. Geïntimeerde meent niet gehouden zijn tot het betalen van de gevorderde premies, stellende dat de contracten in kwestie door haar geldig werden opgezegd. Appellante betwist evenwel dat deze contracten rechtsgeldig werden opgezegd: - de invordering van de onbetaalde premies hebben betrekking op drie verzekeringsovereenkomsten, doch er zou slechts één aangetekende opzegbrief d.d. 29 september 2004 zijn bijgebracht en bovendien is de datum op het afgiftebewijs van deze aangetekende zending onleesbaar - de aanvangsdatum van de opzegtermijn zou niet zijn vermeld in deze opzegbrief, enkel de vervaldag - de ondertekening gebeurde verkeerdelijk via de figuur van de sterkmaking door de verzekeringsmakelaar van geïntimeerde. De eerste rechter verklaarde de vordering van appellante evenwel ongegrond met de motivering: - dat uit de stukken blijkt dat de opzeggen wel degelijk tijdig en per aangetekend schrijven door geïntimeerde werden gedaan - dat geen bewijs voorlag dat de opzegtermijnen in de contracten zouden zijn opgenomen - dat, indien de overtreding van artikel 29 § 2 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten dient te worden gesanctioneerd met een nietigheid, deze nietigheid relatief is en alleszins door appellante diende te worden opgeworpen in limine litis, hetgeen niet is gebeurd - dat artikel 29 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten in het geheel niet vereist dat opzegbrieven ondertekend zouden dienen te zijn - dat uit het geheel van de stukken duidelijk de intentie bleek van geïntimeerde om de contracten op te zeggen. II. NIEUWE BEOORDELING IN RECHTE IN HOGER BEROEP. 1. Ontvankelijkheid van de uitbreiding van de vordering. Geïntimeerde wijst erop dat appellante bij dagvaarding enkel de betaling vorderde van onbetaalde premies m.b.t. één verzekeringscontract, nl. met polisnummer 64471 en pas in de loop van het geding voor de eerste rechter haar vordering heeft uitgebreid tot twee andere contracten. Volgens geïntimeerde is deze uitbreiding van de vordering onontvankelijk, nu deze niet berust op een akte of feit aangehaald in de dagvaarding. In tegenstelling tot wat geïntimeerde voorhoudt, berust deze uitgebreide vordering wel degelijk op een juridisch feit aangehaald in de dagvaarding, nl. de niet betaling van achterstallige premies. De juridische grondslag van de vordering van appellante is in casu - ook bij uitbreiding - de niet-betaling van achterstallige premies van verzekeringscontracten die door geïntimeerde bij appellante werden afgesloten. Er bestaat wel degelijk een verband tussen de oorspronkelijke vordering en de uitgebreide vordering - beiden gesteund op feiten aangevoerd in de dagvaarding tot het bekomen van de veroordeling. Overigens merkt het Hof op dat geïntimeerde weliswaar in haar beroepsconclusies de onontvankelijkheid opwerpt van de uitgebreide vordering van appellante, doch anderzijds in het beschikkend gedeelte van diezelfde beroepsconclusies uitdrukkelijk nastreeft "dat de vordering van oorspronkelijk aanlegster ontvankelijk, doch ongegrond zou worden verklaard". De vordering van appellante - zoals uitgebreid voor de eerste rechter - werd dan ook in het bestreden vonnis terecht ontvankelijk verklaard. Het bestreden vonnis dient dan ook, wat dit punt van betwisting door geïntimeerde betreft, te worden bevestigd. 2. Ten gronde. Appellante blijft in hoger beroep voorhouden dat de opzegging door geïntimeerde van de kwestieuze verzekeringsovereenkomsten niet rechtsgeldig zou zijn om reden dat de opzeg van 29 september 2004 haar niet aangetekend zou zijn toegezonden aangezien geen bewijs van aangetekende zending zou voorliggen, terwijl de aanvangsdatum van opzegging niet zou vermeld zijn in de bewuste brief, enkel en alleen de vervaldag, en tenslotte omdat de opzegbrief niet zou zijn ondertekend door de contractpartij, terwijl de figuur van de sterkmaking niet zou gelden en op heden nog steeds geen bewijs zou voorliggen dat er destijds een volmacht gegeven is aan de makelaar in kwestie die de opzeg deed. (

  1. i)Overeenkomstig artikel 29 §1 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten dient een verzekeringsovereenkomst te worden opgezegd bij een ter post aangetekende brief, bij deurwaardersexploot of door afgifte van de opzeggingsbrief tegen ontvangstbewijs. De opzegging heeft pas uitwerking na het verstrijken van een termijn van ten minste één maand te rekenen van de dag volgend op de betekening of de datum van het ontvangstbewijs of, in geval van een aangetekende brief, van de dag die volgt op zijn afgifte ter post. Die termijn moet worden vermeld in de overeenkomst en herhaald in de opzegging (artikel 29 §2 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten). Zoals de eerste rechter terecht opmerkte, zijn deze vormvoorschriften van dwingend recht. In casu blijkt uit de voorgebrachte stukken dat de opzegging van de kwestieuze verzekeringsovereenkomsten door geïntimeerde wel degelijk tijdig én aangetekend werd verstuurd, in tegenstelling tot wat appellante poogt voor te houden. De verzending per aangetekend schrijven is een louter feit dat met alle middelen rechtens kan worden bewezen, feitelijke vermoedens inbegrepen. Welnu, in casu worden weliswaar door geïntimeerde geen afgiftebewijzen van de aangetekende zendingen van de verzekeringsovereenkomsten ondernemingsrisico's nr 654044 en gewaarborgd loon nr 824591 voorgelegd, doch terecht nam de eerste rechter aan dat wel degelijk uit het schrijven van 27 oktober 2004 van geïntimeerde aan appellante en aan het antwoord daarop van appellante d.d. 29 november 2004 kan worden afgeleid dat deze opzegbrieven eveneens aangetekend en tijdig verstuurd werden, zoals deze m.b.t. de verzekeringspolis inzake arbeidsongevallen. Het schrijven van 27 oktober 2004 van geïntimeerde verwijst immers naar een opzeg voor de drie polissen en het antwoord van appellante vermeldt geenszins dat zij voor de twee andere polissen geen opzeg zou hebben ontvangen of dat deze niet aangetekend zou zijn verstuurd, doch enkel dat de handtekening op de opzegbrieven niet overeenstemt met deze op de getekende contracten en dat de opzegbrieven haar werden overgemaakt door het verzekeringskantoor Van Hoof en Schruers "bij sterkmaking". (
  2. ii)In tegenstelling tot wat appellante voorhoudt, is de datum op het stuk 4 bijgebracht door geïntimeerde wel degelijk goed leesbaar als zijnde 30 september 2004 en zoals de eerste rechter terecht opmerkte, verwees appellante trouwens ook zelf naar deze datum in haar antwoordschrijven d.d. 29 november 2004. Ook dit argument van appellante houdt geen steek. (iii) In artikel 29 § 2 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten wordt weliswaar voorzien dat "de termijn bedoeld in het eerste lid moet worden vermeld in de overeenkomst en herhaald in de opzegging", maar bepaalt niet dat dit specifiek betekent dat de aanvangsdatum van de opzeggingstermijn dient te worden vermeld. In casu werd in de opzegbrieven melding gemaakt van de vervaldag, meer bepaald tegen 1 januari 2005, zodat aan de voorwaarde van vermelding van de termijn, zoals voorzien in artikel 29 §2 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten wel degelijk voldaan werd. Overigens, zoals ook de eerste rechter terecht opmerkte, toont appellante niet aan dat zij zelf heeft voldaan aan de voorwaarde van vermelding van de termijn, zoals voorzien in artikel 29 §2 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten, met name dat de aanvangsdata van de wettelijk voorziene opzeggingstermijn, zoals voorgeschreven in artikel 29 § 2 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten, als zodanig in haar diverse polissen zijn opgenomen. Ook dit argument van appellante wordt bijgevolg niet aangenomen. (
  3. iv)Tenslotte blijft appellante ook uit het feit dat de opzegbrief niet ondertekend werd met de handtekening gelijk aan deze die op haar contracten voorkomt, een argument putten om te besluiten tot de ongeldigheid van de opzegging van de bewuste contracten. Terecht stelde de eerste rechter in dit verband dat nergens in artikel 29 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten wordt voorgeschreven dat de opzegging dient te worden ondertekend. De enige vereiste is dat de contractspartij ondubbelzinnig op de hoogte wordt gebracht van de wil van de andere contractspartij tot het beëindigen van het contract. De opzegging is bijgevolg rechtsgeldig wanneer zij gebeurt overeenkomstig de bepalingen van artikel 29 § 1 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten, meer bepaald zoals in casu bij aangetekend schrijven, onafhankelijk of deze nu al dan niet ondertekend werd. Enkel moet duidelijk zijn dat in deze één der partijen, te weten geïntimeerde, op duidelijke wijze uiting heeft gegeven aan haar wil om een einde te maken aan de verzekeringsovereenkomst. Welnu, in casu gebeurde de opzegging met het briefpapier en de hoofding van geïntimeerde. Ook de inhoud van de brief is duidelijk en laat geen twijfel omtrent de intentie van geïntimeerde om een einde aan de verzekeringsovereenkomsten te maken. Deze opzegging werd bovendien nog eens opnieuw bevestigd met schrijven d.d. 27 oktober 2004 door geïntimeerde. Bijgevolg was er voor appellante geen twijfel mogelijk omtrent de bedoeling van geïntimeerde, nl. om de polis(sen) op te zeggen. Stellen dat de sterkmaking een rechtsfiguur is die hier niet ter sprake kan komen, is juridisch correct, doch appellante geeft blijk ter kwader trouw te zijn door zich thans te verschuilen achter de gebruikte termijn "bij sterkmaking", om te stellen dat de opzegging van de verzekeringsovereenkomsten in kwestie aldus niet rechtsgeldig zou zijn, terwijl duidelijk was dat deze vermelding bij vergissing werd gebruikt en in casu "bij volmacht" diende gebruikt te worden. Dat de opzegbrief in casu bij volmacht aan de makelaar werd opgesteld, bleek duidelijk uit de brief van 27 oktober 2004, en alleszins uit het schrijven van 16 maart 2006, gericht door geïntimeerde aan haar makelaar waarin zij uitdrukkelijk bevestigt dat de opdracht en de volmacht om op te zeggen was gegeven aan deze laatste. In de gegeven omstandigheden verklaarde de eerste rechter terecht de vordering van appellante ongegrond en dient het bestreden vonnis dan ook integraal te worden bevestigd. Het hoger beroep is ongegrond. OM DIE REDENEN HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen. Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, deze volgens opgave in conclusies aan de zijde van geïntimeerde begroot op 485,87 EUR (geïndexeerd tarief rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van VIERENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN ZEVEN, waar aanwezig waren : K. ALLEGAERT Raadsheer A. VAN CAMP Griffier -Hoofd van dienst PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071024.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.