id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071024.3 Rolnummer: 486 P 2007 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-10-30 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-02 16:12 Fiche
- Bij het bepalen van de aanvangsdatum voor de berekening van de redelijke termijn moet geen rekening worden gehouden met een verhoor door twee fiscale ambtenaren dat enkel een fiscaalrechtelijke en geen strafrechtelijke finaliteit had.
- Bij de beoordeling van de redelijke termijn mag geen rekening worden gehouden met 'het gebrek aan medewerking van de beklaagden', aangezien beklaagden niet verplicht zijn mee te werken met de lastens hen ingestelde strafvervolging. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Verval van de strafvordering - Redelijke termijn Vrije woorden: Redelijke termijn - Medewerkingsplicht beklaagden Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6.1 Nota: Wat punt
- betreft zie : J. MEESE, De duur van het strafproces. Onderzoek naar de termijn waarbinnen een strafprocedure moet of mag worden afgehandeld, Larcier, Gent, 2006, nr. 291, p. 278 Tekst van de beslissing
- De redelijke termijn-vereiste Met de eerste rechter (F° 18, punt
- Strafmaat, alinea 4 bestreden vonnis) is het Hof van oordeel dat het door artikel 6 E.V.R.M. gewaarborgde recht van de derde en de vierde beklaagde om binnen een redelijke termijn beslist te zien over de lastens hen ingestelde strafvervolging werd gerespecteerd. In deze zaak werd pas op 21 april 1999 een opsporingsonderzoek gestart na de ontvangst van een klacht van de BBI Brussel (st. 51). Na het inwinnen van de nodige informatie omtrent de betrokken personen en omtrent een mogelijk verband met een Brussels gerechtelijk dossier, werd op 9 maart 2000 een gerechtelijk onderzoek gevorderd (st. 116). De derde beklaagde werd voor het eerst in dit strafonderzoek verhoord op 21 april 2000 (st. 156-157) en had vanaf dat ogenblik kennis van het bestaan van een strafvervolging waarvan hij het voorwerp uitmaakte. Deze datum is dan ook wat hem betreft in aanmerking te nemen als aanvangsdatum voor de berekening van de redelijke termijn. Er moet geen rekening worden gehouden met diens verhoor op 26 augustus 1998 door twee fiscale ambtenaren (st. 188) aangezien dit onderzoek geen strafrechtelijke finaliteit had. De vierde beklaagde werd ter gelegenheid van de uitvoering van het internationaal rechtshulpverzoek op 3 maart 2005 door de griffier van de Onderzoeksrechter nr. 8 te Alicante in kennis gesteld van de rechten die hij als verdachte had (st. 512). Op dat ogenblik kreeg de vierde beklaagde kennis van de lastens hem bestaande strafvervolging. Er blijkt niet dat de vierde beklaagde op een andere wijze eerder kennis kreeg van dit gegeven. De datum van 3 maart 2005 is dan ook wat betreft deze beklaagde als aanvangsdatum voor de berekening van de redelijke termijn in acht te nemen. De complexiteit van de te onderzoeken feiten, het aantal betrokken rechtspersonen, het gegeven dat meerdere betrokken personen niet dadelijk konden worden aangetroffen en dienden te worden geseind en opgespoord al dan niet met positief resultaat, de noodzaak om een internationaal rechtshulpverzoek op te stellen en uit te voeren te Spanje en de omstandigheid dat bij de behandeling voor de eerste rechter meermaals uitstel van behandeling van de zaak werd verleend op vraag van de raadsman van de derde of de vierde beklaagde (st. 757 en 760) rechtvaardigen het besluit dat de redelijke termijn-vereiste niet werd geschonden. Tijdens de procedure blijken er geen periodes van abnormaal lang stilzitten vast te stellen. Gebeurlijk stilzitten was steeds verantwoord door de noodwendigheden van het onderzoek (seining en opsporing van te verhoren personen ; uitvoering op 3 maart 2005 van het op 17 mei 2004 door de Onderzoeksrechter opgestelde rechtshulpverzoek). Anders dan de eerste rechter houdt dit Hof bij de beoordeling van de redelijke termijn geen rekening met "het gebrek aan medewerking van de beklaagden" (F° 18, punt
- Strafmaat, alinea 4 van het bestreden vonnis). De beklaagden zijn immers niet verplicht mee te werken met de lastens hen ingestelde strafvervolging. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071024.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.