id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071026.5 Rolnummer: 7 FP 2007 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-12-12 Raadplegingen: 239 - laatst gezien 2026-07-04 00:19 Fiche 1° Het Hof van Beroep kan als verwijzingsrechter zijn saisine niet weigeren en kan, nu die saisine rechtstreeks voortvloeit, niet uit de verwijzing door het onderzoeksgerecht, maar uit het verwijzingsarrest van het Hof van Cassatie het door de beklaagden gevraagde onderzoek en toetsing dat uitsluitend een onderzoek is naar het arrest van het Hof van Cassatie en naar gronden van onbevoegdheid voortspruitende uit dit arrest en niet uit de zaak zelf, niet uitvoeren. 2° Opdat de vordering ontvankelijk zou zijn volstaat het dat de burgerlijke partij voorhoudt dat ze benadeeld werd en dat ze aannemelijk maakt dat de feiten haar persoonlijk schade hebben berokkend. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Slachtoffers en benadeelden STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Aanhangig maken Vrije woorden: 1° Saisine - Na verbreking 2° Burgerlijke partijstelling - Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, te Antwerpen, dertiende kamer (...) Bij arrest van het Hof van Cassatie van 19 april 2007 werden de cassatieberoepen ingesteld door M. A. en F. E., alias N. Y. tegen de arresten van het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling van 8 maart 2005, verworpen. Bij hetzelfde arrest heeft het Hof van Cassatie de arresten van 7 november 2006 van het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer inzake A. M. e.a. vernietigd. Tevens werden vernietigd: - het tussenarrest van 12 september 2006; - de vonnissen van de correctionele rechtbank te Brugge van 6 december 2005, 24 januari 2006 en 28 februari 2006; - de beslissingen van 28 februari 2006 die de onmiddellijke aanhouding beveelt van de beklaagden F. E., alias N. Y., D. K., Z. S., alias M. H., S. A. Ö., K. S. en M. A.; - de beschikking van de eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Gent van 4 november 2005 waarbij F. T., (...)is aangewezen; De laatste niet vernietigde beslissing in de zaak ten laste van M. A. e.a. is dus de beschikking van 22 juni 2005 van de raadkamer te Brugge waarbij de zaak verwezen werd naar de correctionele rechtbank te Brugge. Voorafgaandelijk aan het (eventuele) debat en behandeling ten gronde voeren de beklaagden de volgende middelen en excepties aan: 1. de exceptie van de dubbele aanleg; 2. de exceptie van het politieke misdrijf; 3. de onvolledigheid van het onderzoek en de noodzaak tot het verrichten van bijkomend onderzoek vooraleer het debat ten gronde kan worden gevoerd; 4. de onontvankelijkheid van de stelling als burgerlijke partij door de Turkse staat. De stelling van beklaagden is dat het Hof over de aangevoerde middelen uitspraak moet doen, vooraleer het debat ten gronde kan worden gevoerd. Ter terechtzitting stelde het openbaar ministerie dat de aangevoerde middelen dienden beslecht te worden samen met de grond van de zaak. Het Hof zal elk van de opgeworpen excepties onderzoeken en nagaan of er reeds over beslist kan worden vooraleer het debat ten gronde werd gevoerd. 1. de exceptie van de dubbele aanleg
- a)de stelling van de beklaagden De stelling van de beklaagden komt, samengevat, neer op het volgende. Het uitgangspunt van de beklaagden is dat de partijen (de beklaagden) door het cassatiearrest hersteld worden in de positie waarin ze zich bevonden vóór de door de cassatierechter vernietigde beslissingen. De beklaagden gaan ervan uit dat de zaak zich opnieuw in de stand bevindt die zij had na de beschikking tot verwijzing door de raadkamer te Brugge. Er is dus in de visie van de beklaagden nog geen, minstens geen rechtsgeldige, behandeling in eerste aanleg geweest. Het Hof kan weliswaar zijn saisine ingevolge het arrest van het Hof van Cassatie niet afwijzen, maar moet wel zijn bevoegdheid onderzoeken. Nu het recht op een dubbele aanleg miskend werd, zou het Hof zich onbevoegd moeten verklaren. Immers, artikel 14.5 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten (BUPO) dient toegepast: "Eenieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld heeft het recht zijn veroordeling en vonnis opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet." Artikel 14.5 wordt in het Belgisch strafrecht aangezien als de basis voor het algemeen beginsel van de dubbele aanleg. (Arbitragehof nr. 164/2002, 13 november 2002, A.P.M.2002, afl. 10) België heeft in verband met de toepassing van dit artikel een verklaring afgelegd: "Wat lid 5 (van artikel 14) betreft, dit niet zal worden toegepast op personen die tengevolge van ingesteld beroep tegen hun vrijspraak in eerste aanleg, in tweede aanleg werden schuldig bevonden en veroordeeld, en evenmin op personen die krachtens de Belgische wet rechtstreeks naar een hoger rechtscollege, zoals het Hof van Cassatie, Hof van Beroep of Assisenhof werden verwezen". (Instemmingswet van 15 mei 1981) De verklaring bepaalt dat slechts uitzonderlijk artikel 14.5 niet van toepassing is. De huidige zaak valt hier niet onder. Er is geen reden om de beklaagden het recht op een dubbele aanleg te ontzeggen. In hoofdorde besluiten de beklaagden dat het Hof van Beroep zich onbevoegd dient te verklaren nu er een fundamentele schending dient vastgesteld te worden van hun rechten. Ondergeschikt vragen de beklaagden de verwijzing van de zaak naar de correctionele rechtbank te Brugge ten einde hun recht op dubbele aanleg als het ware te herstellen. Nog meer ondergeschikt vragen ze de verwijzing naar de correctionele rechtbank te Antwerpen. Ten slotte stellen ze dat, indien op hun in hoofdorde ontwikkelende stellingen niet wordt ingegaan, een prejudiciële vraag zich opdringt: - in eerste instantie aan het Grondwettelijk Hof dat zou dienen na te gaan of het artikel 427 van het wetboek van strafvordering geen schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt nu, samengevat, de toepassing van dit artikel met zich zou kunnen brengen dat afhankelijk van de procedure die aan het cassatieberoep voorafgaat, een beklaagde in feite en in rechte al dan niet van een dubbele aanleg zou kunnen genieten; - ondergeschikt aan het Europees Hof van Justitie: behoort het in artikel 14.5 BUPO vervatte recht op een dubbele aanleg tot het communautaire recht? - eveneens aan het Europees Hof: moeten de nationale bepalingen genomen op grond van een, overeenkomstig artikel 34,2, b EU-Verdrag, genomen kaderbesluit uitgelegd worden in overeenstemming met de communautaire grondrechten.
- b)het standpunt van het openbaar ministerie Het standpunt van het openbaar ministerie is, samengevat, dat: - het principe van de dubbele aanleg geen absoluut recht is; - het recht van verdediging niet noodzakelijk een dubbele aanleg vereist; - het recht op een dubbele aanleg niet kan afgeleid worden uit artikel 6 van het EVRM; - het door België geformuleerde voorbehoud inzake artikel 14.5 van het BUPO van toepassing is; - geen prejudiciële vraag dient gesteld;
- c)beoordeling door het Hof Ten einde de standpunten van de partijen te toetsen dient in de eerste plaats nagegaan te worden wat de precieze rechtsgevolgen zijn van het arrest van het Hof van Cassatie. Het is niet de beschikking tot verwijzing naar de correctionele rechtbank van de raadkamer te Brugge die de zaak aanhangig gemaakt heeft bij het Hof van Beroep te Antwerpen, maar wel het arrest van het Hof van Cassatie. De dagvaarding (dagstelling) van het openbaar ministerie dient enkel als kennisgeving van de rechtsdag. Het is overigens om die reden dat het Hof reeds ter zitting van 13 september 2007 vaststelde dat de vrijspraak van de beklaagden die werden vrijgesproken in het kader van één van de thans vernietigde beslissingen verworven blijft, nu zij niet betrokken waren bij de procedure in cassatie. De verplichtingen van het Hof voortvloeiende uit het cassatiearrest zijn de volgende: 1. onderzoek van de draagwijdte van de saisine; 2. onderzoek van de bevoegdheid; 3. het Hof kan zijn saisine niet afwijzen; 1. de draagwijdte van de saisine De draagwijdte van de saisine is in dit geval eenvoudig vast te stellen: gelet op de vernietiging van alle beslissingen na de beschikking tot verwijzing zijn de feiten voorwerp van de beschikking tot verwijzing en dit beperkt tot de thans nog in zake zijnde beklaagden ook het voorwerp van de saisine van het Hof. 2. onderzoek van de bevoegdheid Het Hof heeft de mogelijkheid en de plicht zijn bevoegdheid te onderzoeken. Deze mogelijkheid betreft uitsluitend een onderzoek naar de bevoegdheid ratione materiae en ratione personae en wordt ingeperkt door wat volgt sub 3. 3. het Hof kan zijn saisine niet afwijzen Het Hof kan onder geen enkele omstandigheid zijn saisine afwijzen. Het kan bijgevolg nooit in de plaats treden van het Hof van Cassatie en vaststellen dat om welke reden dan ook het Hof van Cassatie de zaak naar een andere verwijzingsrechter had moeten verwijzen. Het is in het kader van deze bevoegdheid en verplichtingen dat het Hof de standpunten van de partijen dient te onderzoeken; meer bepaald dient het Hof te onderzoeken of de door de beklaagden voorgehouden onbevoegdheid, de vraag tot verwijzing naar een correctionele rechtbank en de vraag tot het stellen van prejudiciële vragen wel in overeenstemming zijn met de opdracht van het Hof
- a)de in hoofdorde opgeworpen onbevoegdheid De door de beklaagden opgeworpen onbevoegdheid berust niet op een ratione materiae of ratione personae, maar enkel op het feit dat het Hof van Cassatie de zaak verwezen heeft naar het Hof van Beroep te Antwerpen. De onbevoegdheid zou met andere woorden niet voortvloeien uit de zaak zelf, maar uit de verwijzingsbeslissing.
- b)de in ondergeschikte orde gevraagde verwijzing naar een correctionele rechtbank Hier gaan de beklaagden nog een stap verder. Hun vraag komt er in de praktijk op neer dat ze het Hof vragen het arrest van het Hof van Cassatie te verbreken om, via een tot op heden niet bestaande verwijzingstechniek, op zijn beurt de zaak te verwijzen naar een rechtbank van eerste aanleg.
- c)het stellen van prejudiciële vragen Het is zonder meer duidelijk dat de prejudiciële vragen enkel als doel hebben te horen zeggen dat uit de verwijzingsbeslissing van het Hof van Cassatie (en niet uit de zaak) de onbevoegdheid van het Hof voortvloeit. BESLUIT De draagwijdte van de saisine in deze zaak is zonder meer duidelijk en kan en wordt niet in vraag gesteld. De door de beklaagden genoemde "exceptie van onbevoegdheid en vraag tot verwijzing" betreft geen vraag naar een onderzoek van de bevoegdheid van het Hof ratione materiae of ratione personae, maar wel: een vraag naar onderzoek naar de redenen waarom het Hof van Cassatie de zaak verwezen heeft naar het Hof van Beroep te Antwerpen; een vraag om de verwijzingsbeslissing te onderzoeken in het licht van door het EVRM en het BUPO gewaarborgde rechten; Het Hof van Cassatie heeft de zaak, uiteraard met kennis van de volledige voor het beroep in cassatie gevoerde procedure, verwezen naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Hof van Beroep kan als verwijzingsrechter zijn saisine niet weigeren en kan, nu die saisine rechtstreeks voortvloeit niet uit de verwijzing door het onderzoeksgerecht, maar uit het verwijzingsarrest van het Hof van Cassatie het door de beklaagden gevraagde onderzoek en toetsing dat uitsluitend een onderzoek is naar het arrest van het Hof van Cassatie en naar gronden van onbevoegdheid voortspruitende uit dit arrest en niet uit de zaak zelf, niet uitvoeren. (...) 4. de onontvankelijkheid van de stelling als burgerlijke partij door de Turkse Staat De beklaagden vragen in hoofdorde dat het Hof, nog voor de aanvang van het debat ten gronde zou vaststellen dat de stelling als burgerlijke partij door de Turkse Staat niet ontvankelijk zou zijn. In ondergeschikte orde vragen zij dat de burgerlijke vordering zou worden afgewezen als zijnde ongegrond. Zij zijn van oordeel dat ze er belang bij hebben dat over de niet ontvankelijkheid van de vordering van de Turkse Staat geoordeeld wordt voor het debat ten gronde wordt gevoerd. Zij achten het in strijd met hun belang dat de Turkse Staat als procespartij aan de debatten kan deelnemen. Beoordeling De burgerlijke vordering kan slechts ontvankelijk zijn in zoverre de strafvordering ontvankelijk is. Gelet op wat voorafgaat kan op huidig ogenblik nog niet geoordeeld worden over de ontvankelijkheid van de strafvordering. Het Hof kan dan ook nog geen uitspraak doen over de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling. Wel kan nu reeds nagegaan worden of al dan niet aan de primaire ontvankelijkheidvereisten is voldaan en of de Turkse Staat al dan niet verder kan deelnemen aan de debatten. De burgerlijke partij houdt voor dat zij ingevolge de aan de beklaagden ten laste gelegde feiten materiële en morele schade heeft geleden. Eenvoudige lezing van de tenlasteleggingen leert dat de feiten die er het voorwerp van uitmaken, voor zover bewezen, daadwerkelijk schade met zich kunnen brengen voor de Turkse Staat die zowel een patrimoniaal als een moreel belang kan doen gelden. Opdat de vordering ontvankelijk zou zijn volstaat het dat de burgerlijke partij voorhoudt dat ze benadeeld werd en dat ze aannemelijk maakt dat de feiten haar persoonlijk schade hebben berokkend. Aan deze voorwaarden is voldaan. Immers, de Turkse Staat verklaart expliciet dat de feiten schade hebben berokkend en de tenlasteleggingen maken aannemelijk dat de Staat als dusdanig schade kan geleden hebben. Het bewijs van de schade zelf en de begroting ervan behoort tot de grond van de zaak. Over de gegrondheid van de vordering en de eventuele begroting van de geleden schade kan het Hof slechts oordelen na het debat ten gronde. Het Hof kan bijgevolg op dit ogenblik niet -zoals door de beklaagden in ondergeschikte orde gevraagd - oordelen over de gegrondheid van de vordering. De ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling heeft uiteraard niets te maken met de beperkingen die door een Nederlandse rechter opgelegd zouden zijn in verband met het gebruik van stukken die deel uitmaken van het dossier. BESLUIT Nu prima facie blijkt dat aan de primaire ontvankelijkheidvereisten is voldaan, kan de Turkse Staat als partij op huidig ogenblik niet uit het debat worden geweerd. Over de werkelijke ontvankelijkheid van de stelling en de eventuele gegrondheid kan slechts uitspraak worden gedaan na het debat ten gronde en samen met de uitspraak over de ontvankelijkheid van de strafvordering. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071026.5 Gerelateerde publicatie(
- s)Link JUSTEL: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080207.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div