← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071031.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 31 oktober 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071031.5 Rolnummer: Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-12-12 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 16:15 Fiche 1° Het staat vast dat het geenszins de bedoeling was van de wetgever de misdrijven omschreven in art. 7 van de wapenwet van 3 januari 1933 te depenaliseren, doch integendeel de continuïteit te verzekeren van de strafbaarstelling van de bij voormeld artikel 7 verboden gedraging. Gelet op dit laatste en het gegeven dat het de wil van de wetgever was om misdrijven die een inbreuk uitmaken op de wapenwet strenger te bestraffen, kan met zekerheid gesteld worden dat - alhoewel dit niet expliciet bepaald wordt in artikel 23 van de wet van 8 juni 2006 - het de bedoeling was van de wetgever ook inbreuken op de niet opgeheven artikelen van de wet van 3 januari 1933 strafbaar te stellen overeenkomstig artikel 23 van de wet van 8 juni 2006. 2° De ten overstaan van verbalisanten afgelegde anonieme verklaring heeft weliswaar op zich geen bewijskracht, maar ze kan wel als inlichting in overweging worden genomen om een onderzoek te openen of te oriënteren en om op autonome wijze bewijzen te vergaren of de samenhang ervan te beoordelen. Door zich te steunen niet alleen op voormelde anonieme verklaring, maar tevens op de overige bewijselementen, zoals de eigen verklaring van beklaagde en de door de verbalisanten bij de huiszoeking gedane vaststellingen, schendt de bodemrechter art. 6 E.V.R.M. niet, noch wordt het recht van verdediging miskend. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Wapens - munitie - springstoffen - Wapens Vrije woorden: 1° Wapenwetgeving - Toepassing in de tijd 2° Anonieme getuigenverklaring - Bewijswaarde Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-2006 - 23 Wet - 03-01-1933 - 7 Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, te Antwerpen, tiende kamer (...) Precisering tenlastelegging B. Onder tenlastelegging B wordt beklaagde vervolgd wegens het dragen van een semi-automatisch F.N. Browning pistool, wat - voor zover bewezen - een inbreuk uitmaakt op artikel 7 van de wapenwet van 3 januari 1933; Voormeld artikel werd bij de wet van 8 juni 2006 niet opgeheven en is thans nog steeds van kracht; In de tenlastelegging B wordt ten onrechte melding gemaakt van artikel 14 van de wet van 8 juni 2006, nu dit artikel tot op heden nog niet in werking is getreden; er wordt tevens ten onrechte melding gemaakt van de artikelen 3, 17 en 20 van de wet van 3 januari 1933, deze artikelen opgeheven zijnde bij artikel 47 van de wet van 8 juni 2006; Zoals hiervoor gesteld werd artikel 17 van de wet van 3 januari 1933, dat de straffen bepaalde die golden voor inbreuken op de wet van 3 januari 1933, bij artikel 47 van de wet van 8 juni 2006 opgeheven; Artikel 23 van de wet van 8 juni 2006 bepaalt de straffen die van toepassing zijn op diegenen die de wet van 8 juni 2006 of haar uitvoeringsbesluiten overtreden; Uit de samenlezing van de artikelen 47 en 49 van de wet van 8 juni 2006 blijkt dat de wetgever de bedoeling had de opheffing van artikel 7 van de wet van 3 januari 1933 te koppelen aan de inwerkingtreding van artikel 14 van de wet van 8 juni 2006; dit laatste artikel verschilt qua inhoud nauwelijks van artikel 7 van de wet van 3 januari 1933; Het staat dan ook vast dat het geenszins de bedoeling was van de wetgever de misdrijven omschreven in art. 7 van de wet van 3 januari 1933 te depenaliseren, doch integendeel de continuïteit te verzekeren van de strafbaarstelling van de bij artikel 7 oude wet verboden gedraging; Gelet op dit laatste en het gegeven dat het de wil van de wetgever was om misdrijven die een inbreuk uitmaken op de wapenwet strenger te bestraffen, kan met zekerheid gesteld worden dat - alhoewel dit niet expliciet bepaald wordt in artikel 23 van de wet van 8 juni 2006 - het de bedoeling was van de wetgever ook inbreuken op de niet opgeheven artikelen van de wet van 3 januari 1933 strafbaar te stellen overeenkomstig artikel 23 van de wet van 8 juni 2006; Gelet op het voorgaande dient de tenlastelegging B dan ook gelezen te worden als volgt : "Bij inbreuk op art. 7 van de wet van 3 januari 1933, gewijzigd bij de wet van 30 januari 1991, een verweerwapen en derhalve vergunningsplichtig wapen, m.n. een semi-automatisch pistool F.N. Browning, gedragen te hebben zonder wettige reden en zonder een vergunning verleend door de gouverneur van de provincie van zijn woonplaats na advies van de Procureur des Konings van het arrondissement van zijn woonplaats of - indien de verzoeker geen woonplaats in België heeft - door de Minister van Justitie of zijn gemachtigde, thans strafbaar gesteld door art. 23 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens" Deze gepreciseerde tenlastelegging zit geheel vervat in de tenlastelegging B zoals voorzien in de dagvaarding; beklaagde kon zich ter zake dan ook verdedigen; De gepreciseerde tenlastelegging wijzigt het ten laste gelegde feit niet; (...) Beklaagde kan niet gevolgd worden wanneer hij stelt dat het feit dat de bodemrechter steunt op hoger vermelde anonieme verklaring een inbreuk zou betekenen op art.6 en 6.3.d E.V.R.M.; Vooreerst wordt opgemerkt dat een verklaring die in het kader van het onderzoek wordt afgelegd ten overstaan van verbalisanten door een persoon die om redenen die hem eigen zijn anoniem wenst te blijven, geen "getuigenverklaring" is in de zin van art. 71 e.v. S.V., nu deze verklaring niet onder eed werd afgelegd; Dergelijke verklaring valt buiten het toepassingsgebied van de wet van 8 april 2002 betreffende de anonimiteit van de getuigen; Het behoud van anonimiteit is een vrije keuze van diegene die de verklaring aflegt, het is niet vereist dat het ter kennis brengen van de identiteit van de betrokken persoon diens fysieke integriteit in gevaar zou brengen; Opdat de bodemrechter zich zou kunnen steunen op een dergelijke anonieme verklaring is niet vereist dat de persoon die de verklaring aflegde gehoord werd door de onderzoeksrechter; De ten overstaan van verbalisanten afgelegde anonieme verklaring heeft weliswaar op zich geen bewijskracht, maar ze kan wel als inlichting in overweging worden genomen om een onderzoek te openen of te oriënteren en om op autonome wijze bewijzen te vergaren of de samenhang ervan te beoordelen; Teneinde zijn innerlijke overtuiging te vormen staat het aan de bodemrechter om de samenhang te beoordelen van de voor hem aangevoerde bewijselementen en om op grond van alle gegevens van het dossier na te gaan of bepaalde tegenstellingen of onsamenhangendheden niet van aard zijn om een redelijke twijfel over de schuld van de beklaagde te doen ontstaan; de logica wil dat in het kader van dat onderzoek, de bodemrechter alle gegevens van het dossier met elkaar confronteert, inbegrepen de anonieme informatie of verklaringen die, zonder dat zij op zich als bewijs worden beschouwd, feitelijke gegevens kunnen vormen die van aard zijn om de vergaarde bewijselementen te doen wankelen of integendeel, de samenhang ervan te bevestigen; Uiteraard kunnen die feitelijke gegevens alleen in aanmerking genomen worden voor zover zij een zeker mate van betrouwbaarheid hebben; In deze bestaat er geen enkele reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de bediende van de NMBS die de anonieme verklaring aflegde; zijn verklaring wordt bevestigd door het in het door beklaagde bestuurde voertuig aangetroffen wapen en de eigen verklaring van beklaagde dd. 12 september 2006; de oprechtheid van de betrokken persoon blijkt uit het feit dat deze er uitdrukkelijk op wijst dat volgens hem "de schutter niet de intentie had iemand te raken"; Door zich te steunen niet alleen op voormelde anonieme verklaring, maar tevens op de overige bewijselementen, zoals de eigen verklaring van beklaagde en de door de verbalisanten bij de huiszoeking gedane vaststellingen, schendt de bodemrechter art. 6 E.V.R.M. niet, noch wordt het recht van verdediging miskend; Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat met betrekking tot betrokken anonieme verklaring het recht op tegenspraak werd geëerbiedigd; beklaagde kon ter zake verweer voeren; hij kon te allen tijde vragen dat de betrokken persoon onder eed zou worden gehoord; het feit dat het Hof - voldoende ingelicht zijnde door de thans voorliggende elementen - niet ingaat op dit verzoek, impliceert niet dat het recht op tegenspraak of het recht van verdediging geschonden zijn; (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071031.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.