← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071107.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 07 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071107.12 Rolnummer: 659 p 2007 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2008-02-20 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-02 16:17 Fiche Nu te dezen de zaak middels rechtstreekse dagvaarding werd aanhangig gemaakt, is een voldoende precieze aanduiding van de ten laste gelegde feiten in deze dagvaarding essentieel voor het geldig aanhangig maken ervan bij de feitenrechter. Het behoort aldus aan de vervolgende instantie in de rechtstreekse dagvaarding duidelijk de vervolgde feiten in concreto af te lijnen en aan te geven voor welke elementen uit het geheel van de strafinformatie vervolging wordt ingesteld, zowel ter bepaling van de saisine van de feitenrechter als ter vrijwaring van het recht van verdediging van de beklaagde. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Aanhangig maken - Rechtstreekse dagvaarding Vrije woorden: Rechtstreekse dagvaarding - exceptio obscuri libelli - nietigheid Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, te Antwerpen, veertiende kamer (...) Beklaagde wordt door het Openbaar Ministerie middels rechtstreekse dagvaarding vervolgd wegens inbreuk op het Koninklijk Besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen. Krachtens artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering moet de dagvaarding het feit, dat de tenlastelegging uitmaakt en kenmerkt, derwijze omschrijven dat het voorwerp ervan voldoende duidelijk is voor de beklaagde en het recht van verdediging verzekerd wordt. Artikel 6.3.a E.V.R.M. vereist dat eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, in bijzonderheden op de hoogte wordt gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. De "aard" van de beschuldiging heeft betrekking op de kwalificatie en de "reden" slaat op de feiten die het voorwerp uitmaken van de vervolging. Artikel 6.3.a E.V.R.M., dat een aspect vormt van het recht van verdediging, houdt aldus een informatieplicht in naar de beklaagde toe. Het komt niet aan de beklaagde toe om louter aan de hand van het strafdossier na te gaan en/of veronderstellingen te maken omtrent de vraag over welke precieze, naar voorwerp, plaats- en tijdsaanduiding geconcretiseerde feiten, het gaat of zou kunnen gaan en aldus zelf aan feitelijke invulling te gaan doen. Het behoort evenmin aan de feitenrechter om zelf het feitelijk voorwerp van het misdrijf te gaan omschrijven. Nu te dezen de zaak middels rechtstreekse dagvaarding werd aanhangig gemaakt, is een voldoende precieze aanduiding van de ten laste gelegde feiten in deze dagvaarding essentieel voor het geldig aanhangig maken ervan bij de feitenrechter. Het behoort aldus aan de vervolgende instantie in de rechtstreekse dagvaarding duidelijk de vervolgde feiten in concreto af te lijnen en aan te geven voor welke elementen uit het geheel van de strafinformatie vervolging wordt ingesteld, zowel ter bepaling van de saisine van de feitenrechter als ter vrijwaring van het recht van verdediging van de beklaagde. Gelet op de vermeldingen ervan, houdt de rechtstreekse dagvaarding in casu enkel een juridische kwalificatie in, aangevuld met een algemene plaats- en tijdsbepaling en de numerieke vermelding van enkele wetsartikelen, doch zonder enige verdere concrete feitelijke toelichting omtrent de aan de juridische kwalificatie ten grondslag liggende feitelijke verwijten ten opzichte van de beklaagde. Aldus wordt in de rechtstreekse dagvaarding niet aangeduid: - om welke precieze onjuiste of onvolledige verklaring het gaat. - welke de precieze aard is van de geviseerde subsidie, vergoeding of toelage. - welke de uitbetalende overheid of instelling is. - welke de hoegrootheid is van de geviseerde subsidie, vergoeding of toelage (hetgeen, onder meer, relevant is met betrekking tot de, op grond van artikel 3 van voormeld Koninklijk Besluit ambtshalve te gelasten teruggave van de (gebeurlijk) ten onrechte betaalde sommen. Het voorwerp van de strafvordering wordt uitsluitend bepaald door hetgeen in de rechtstreekse dagvaarding (of in de verwijzingsbeschikking van het onderzoeksgerecht) als zodanig wordt vermeld en niet door "de feiten die uit het dossier blijken". Er dient een principieel onderscheid te worden gemaakt tussen, enerzijds, de bewijselementen, waaromtrent het recht op informatie van de beklaagde zal gerealiseerd worden via de inzage in het dossier of de toegang tot de stukken, en, anderzijds, het voorwerp van de tenlastelegging, waaromtrent het recht op informatie van de beklaagde via kennisgeving dient te worden gerealiseerd, informatieplicht waaraan niet wordt voldaan wanneer de feitelijke en/of juridische invulling van de tenlastelegging wordt doorgeschoven naar de beklaagde zelf en diens inzagerecht in het dossier. Het Hof is dan ook van oordeel dat in casu de feiten niet derwijze werden gepreciseerd dat elke twijfel over de exacte draagwijdte van datgene wat bij het vonnisgerecht werd aanhangig gemaakt is uitgesloten. Aldus worden tevens de rechten van verdediging miskend, nu beklaagde zich niet op een gerichte wijze kan verdedigen met betrekking tot alle voor de beoordeling van de concrete strafrechtelijke verwijten relevante aspecten. Derhalve is de rechtstreekse dagvaarding de dato 30 augustus 2006 nietig en werd de zaak lastens beklaagde niet regelmatig voor de feitenrechter aanhangig gemaakt. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071107.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.