van dezelfde wet, terwijl dit wél het geval is voor alle andere motorvoertuigen". Uiterst ondergeschikt streeft appellante na dat de vordering van geïntimeerde tot de betaling van een schadevergoeding zou worden herleid naar hetgeen billijk is en rechtmatig voorkomt, zoals in haar (beroeps)conclusies werd uiteengezet. Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en stelt zelf incidenteel hoger beroep in - incidenteel beroep dat regelmatig is en ontvankelijk - waarbij zij, bij gedeeltelijke hervorming van het bestreden vonnis, nastreeft dat haar vordering ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard op grond van artikel 29bis WAM-wet, minstens op grond van artikel 1382-1383-1384 B.W. en dat - appellante zou worden veroordeeld om aan hem in eigen naam te betalen de som van 24.847,79 EUR meer de vergoedende en gerechtelijke interesten en q.q. zijn minderjarige dochter T.M. , de som van 24.282,68 EUR - voorbehoud zou worden verleend voor de verdere bijdragen in het levensonderhoud die gederfd zouden worden vanaf de leeftijd van 18 jaar van het kind T.M. - voorbehoud zou worden verleend voor een bijdrage in een huwelijksfeest op latere leeftijd van het kind T.M. - dat een algemeen fiscaal voorbehoud zou worden verleend - dat een algemeen voorbehoud zou worden verleend voor eventuele verhoging van bijdrage en kosten in het levensonderhoud van het kind T.M., als zij ouder zou zijn dan 18 jaar en dan nog ten laste van geïntimeerde zou zijn. Tenslotte concludeert zij tot de ongegrondheid van de tegenvordering van appellante en tot de bevestiging van het bestreden vonnis, wat dit onderdeel betreft. °°°°°°°°°°°°°°°° I. FEITELIJKE GEGEVENS - VOORWERP VAN HOOFD- EN TEGENVORDERING - VOORGAANDE. De doelstellingen van de door partijen wederzijds ingestelde vorderingen en de toedracht van de feiten die er aan ten grondslag liggen, werden naar behoren toegelicht in het bestreden vonnis, zodat het Hof ernaar verwijst. Samengevat hebben de vorderingen van partijen betrekking op een ongeval dat zich op 11 augustus 2001 voordeed in het spoorwegstation te Leuven, uitgebaat en ingericht door appellante - ongeval waarbij de echtgenote van geïntimeerde en moeder van T.M., na een val onder een trein terecht was gekomen. Door het Parket van Leuven werd een strafonderzoek gevoerd, doch de zaak werd geseponeerd. Teneinde schadevergoeding te bekomen, richt geïntimeerde zich tot appellante op basis van de risicoloze aansprakelijkheid, te weten artikel 29bis WAM-wet en meer bepaald ingevolge de wetswijziging van 19 januari
Ten derde wordt de categorie van slachtoffers die geen aanspraak kunnen maken op de vergoedingsregeling, verengd. Ook de bestuurder van een bij het ongeval betrokken motorrijtuig heeft thans recht op vergoeding, wanneer hij niet zelf persoonlijk gewond is, maar schade lijdt als rechthebbende van een slachtoffer. Daarenboven wordt het begrip "onverschoonbare fout" geherformuleerd in de zin dat het slachtoffer dat ouder is dan veertien jaar nu geen recht heeft op vergoeding, wanneer bewezen is dat hij het ongeval en de gevolgen ervan heeft gewild. De vierde inhoudelijk belangrijke wijziging betreft de te vergoeden schade: de wet geeft het slachtoffer thans recht op vergoeding van de door het ongeval geleden kledijschade.
". Krachtens deze wettelijke bepaling geldt de vergoedingsregeling aldus wanneer het verkeersongeval zich voordoet op de openbare weg, op plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek of op plaatsen die toegankelijk zijn voor een zeker aantal personen met het recht er te komen. Strikt private terreinen vallen hier dus niet onder. Voor de concrete invulling van deze begrippen lijkt de bestaande rechtspraak inzake artikel 2§1 W.A.M. wet onverkort van toepassing. Zo vallen ongevallen op carpool parkings, in pretparken, op parkings van warenhuizen, op bedrijfsterreinen, op het fietspad of het voetpad onder de toepassing van artikel 29bis W.A.M. wet. Bij de feitelijke beoordeling mag bovendien niet uit het oog worden verloren dat uit de voorbereidende werken blijkt dat deze uitsluiting van ongevallen op strikt privaat terrein zeer restrictief moet worden geïnterpreteerd, zo bv. de fietser die op de openbare weg wordt aangereden en op de private oprit van een huis valt. Het kan eveneens worden verdedigd dat ook de private oprit voor een huis een plaats is die toegankelijk is voor een zeker aantal personen die de toelating hebben er te komen, zeker wanneer die oprit zonder enige omheining aansluit bij de openbare weg of het voetpad. Het begrip openbare weg kan aanleiding geven tot discussie bij spoorvoertuigen. Zo houdt appellante voor dat het nieuwe artikel 29bis W.A.M. wet tegen haar enkel kan ingeroepen worden bij ongevallen op overwegen en oversteekplaatsen. Zij gaat er immers van uit dat haar treinen rijden in een eigen bedding, die geen deel uitmaakt van de openbare weg, haar privé-eigendom is en niet kan beschouwd worden als een plaats "bedoeld in artikel 2 §1 W.A.M. wet", waar sprake is van "verkeer op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen". Uit het verloop van de parlementaire voorbereidende werkzaamheden kan duidelijk worden afgeleid dat aan het begrip "verkeersongeval met motorrijtuigen die aan spoorstaven zijn gebonden" een ruime interpretatie toekomt. Uit de interpretatie van deze parlementaire voorbereidende werkzaamheden lijkt het de bedoeling van de wetgever geweest te zijn artikel 29bis te laten werken ongeacht de plaats waar het ongeval zich heeft voorgedaan en dat het toepassingsgebied dan ook geenszins wordt beperkt tot ongevallen die zich voordoen op de kruising van de eigen bedding van trein of tram met de openbare weg of oversteekplaatsen. Deze interpretatie is gesteund op de parlementaire bespreking van het wetsvoorstel en meer bepaald van de amendementen nr. 1, ingediend door een commissielid en nr. 5, ingediend door de regering. Lezing van het commissieverslag betreffende het wetsvoorstel maakt het voor het Hof evenwel duidelijk dat enkel de eerste interpretatie, volgens welke artikel 29bis W.A.M. wet ook ongevallen met spoorvoertuigen in eigen bedding betreft, kan worden verdedigd. Bij de bespreking in de commissie werd o.m. gezegd: "Met amendement nr. 1 wordt, zonder dat er reden tot discussie is, ieder ongeval bedoeld waarbij een voertuig is betrokken dat aan spoorstaven is gebonden en waarvan de zwakke weggebruiker het slachtoffer kan worden, ongeacht de plaats waar een dergelijk ongeval zich voordoet (eigen strook of openbare weg). In de praktijk betekent dit dat ongevallen met trams of treinen onder toepassing van artikel 29bis W.A.M. wet vallen, zowel wanneer deze voorvallen op de oversteekplaats, als buiten de oversteekplaats voor voetgangers en fietsers. De spreker onderstreept dit en krijgt daarbij instemming van andere commissieleden". (Parl. St.Kamer 1999-2000, nr. 210/5, 8 (Ansoms), 9 (Verlinde), 10-11 (Ansoms). Het amendement nr. 1 genoot kennelijk de instemming van de meerderheid van de commissieleden, aangezien het bij de stemming in de Kamercommissie werd aangenomen, waarna het regeringsamendement, dat ertoe strekte het eerste lid van artikel 29bis W.A.M.wet te vervangen door volgende bepaling: "Dit artikel betreft de vergoeding van alle schadegevallen die voortvloeien uit lichamelijke letsels of overlijden, uitgezonderd de materiële schade, wegens een ongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, of in afwijking van artikel 1, motorrijtuigen gebonden aan spoorstaven. Als het ongeval zich voordeed op een van de plaatsen, bedoeld door artikel 2 §1, daarbij inbegrepen de eigen beddingen van de voertuigen van het openbaar vervoer die gebruik maken van, die grenzen aan of die de openbare weg oversteken, wordt de schade vergoed (.......)", werd ingetrokken (Parl. St. Kamer 1999-2000, nr. 210/5,13). De reden tot intrekking van het regeringsamendement lijkt duidelijk: het amendement nr. 1 dat inhoudelijk tegenstrijdig was aan het regeringsamendement, werd goedgekeurd, zodat het amendement van de regering impliciet werd verworpen en er geen reden meer was om het in stand te houden. Het standpunt van appellante dat het nieuwe artikel 29bis W.A.M. wet tegen haar enkel kan ingeroepen worden bij ongevallen op overwegen en oversteekplaatsen, kan dan ook niet gevolgd worden. In dit verband verwijst het Hof ook nog naar het arrest nr. 93/2006 van 7 juni 2006 van het Arbitragehof (Arbitragehof nr. 93/2006 d.d. 7 juni 2006, B.S. 14 augustus 2006, R.W. 2006-2007,38), in antwoord op prejudiciële vragen over artikel 29bis § 1 tweede lid van de W.A.M. wet, waarin voor recht wordt gezegd dat die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, wanneer zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij de verkeersongevallen, waarbij een trein betrokken is wanneer die een openbare weg kruist, uitsluit van de erbij ingevoerde schadevergoedingsregeling. Het Arbitragehof is van mening dat de omstandigheid dat het wegverkeer tijdelijk wordt verboden door het neerlaten van de veiligheidsbarrières niet van aard is het spoorverkeer volkomen af te zonderen van het verkeer op de openbare weg en dat die omstandigheid niet minder risico teweegbrengt dan het normale wegverkeer, in het bijzonder bij het naderen van een kruispunt. Daaruit volgt dat artikel 29bis W.A.M. wet geïnterpreteerd in de zin dat het verkeersongevallen, waarbij een trein betrokken is wanneer die de openbare weg kruist, uitsluit van de vergoedingsregeling, het discriminatiebeginsel schendt. Bovendien stelt het Arbitragehof in voormeld arrest verder vast: "dat, in tegenstelling tot artikel 29bis §1, eerste lid (motorrijtuigen niet aan spoorstaven gebonden), het tweede lid van die bepaling de erbij ingevoerde schadevergoedingsregeling niet beperkt tot plaatsen bedoeld in artikel 2 §1 W.A.M.wet". In tegenstelling tot het eerste lid van artikel 29bis §1 W.A.M. wet verwijst het tweede lid inderdaad niet naar
de openbare weg, de terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen, zodat dient te worden aangenomen dat het tweede lid geldt voor verkeersongevallen met spoorvoertuigen, zelfs indien ze zich voordoen op andere plaatsen dan die bedoeld in artikel 2 § 1 W.A.M.wet. Volgens appellante concludeert het Arbitragehof in geen geval dat de schadevergoedingsregeling voor spoorvoertuigen zoals ingevoegd in het tweede lid van artikel 29bis W.A.M. wet op alle plaatsen van toepassing zou zijn en niet louter op
wet (openbare weg of plaats toegankelijk voor het publiek). Volgens appellante heeft het Arbitragehof hier louter een opmerking of vaststelling gemaakt omtrent het tekstuele verschil tussen het eerste en tweede lid van artikel 29bis W.A.M. wet, doch heeft het zich duidelijk niet uitgesproken over de interpretatie of de (juridische) gevolgen van dit verschil. Appellante houdt voor dat de aanwezigheid van de verwijzing naar artikel 2 §1 W.A.M wet in het eerste lid van het nieuwe artikel 29bis W.A.M. wet als het ware toevallig is, evenals de afwezigheid ervan in het tweede lid (betreffende spoorvoertuigen). Volgens appellante wilde de wetgever de aanvankelijk voorgestelde uitbreiding tot ongevallen voorgevallen "op privé-terreinen" (zoals opgenomen in het oorspronkelijke wetsvoorstel) ongedaan maken. Het tweede lid van artikel 29bis W.A.M. wet kent geen zelfstandig bestaan, aldus appellante, en kan niet afzonderlijk van het eerste lid worden gelezen. De plaatsbeperking van artikel 2 §1 W.A.M. wet zou van toepassing zijn op de gehele W.A.M. wet, zonder dat elk artikel van deze wet er expliciet naar dient te verwijzen. Het Hof volgt deze interpretatie niet, en verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor reeds werd uiteengezet en meer bepaald naar de parlementaire voorbereidende werken van de wet. Uit dit alles dient dan ook te worden afgeleid dat ook de ongevallen met treinen en trams met zwakke weggebruikers die voorvallen buiten de oversteekplaatsen over de sporen, aanleiding geven tot een automatische vergoeding. De restrictieve interpretatie die appellante geeft aan artikel 29bis W.A.M. wet in het kader van treinongevallen, met name dat de vergoedingsregel van artikel 29bis W.A.M. wet enkel van toepassing is indien het verkeersongeval zich voordeed op de overwegen (omdat treinen rijden in een eigen bedding die geen deel uitmaakt van de openbare weg, terwijl overwegen wél onder dat begrip vallen), leidt ongetwijfeld tot een ongrondwettelijk onderscheid in behandeling tussen treinreizigers die slachtoffer zijn van een ontsporing al naar gelang deze plaatsvindt op een overweg of niet. In de voorbereidende werken wordt bovendien terecht opgemerkt dat de enge interpretatie van het begrip "openbare weg" door het Arbitragehof waarbij eigen stroken voor trams en treinen niet als "openbare weg" worden beschouwd, voor betwisting vatbaar is. Overigens kan men de eigen bedding van een spoorvoertuig beschouwen als een terrein dat toegankelijk is voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen, dat onder het toepassingsgebied van artikel 29bis W.A.M. wet valt. De eigen bedding zou ook kunnen beschouwd worden als een element van organisatie van de verkeersinfrastructuur, niet verschillend van een fietspad of een autostrade. Het standpunt van appellante kan dus niet gevolgd worden. Uit wat voorafgaat blijkt dat bij een verkeersongeval waarbij een spoorvoertuig betrokken is, het niet relevant is, voor wat de toepassing van artikel 29bis W.A.M. wet betreft, of het ongeval zich voordoet op de openbare weg dan wel in de eigen bedding van het spoorvoertuig. Wél relevant voor de toepasselijkheid van de vergoedingsregel van artikel 29bis W.A.M. wet, is te weten of het slachtoffer het ongeval en de gevolgen ervan al dan niet heeft gewild. Immers wordt ingevolge de nieuwe regeling het recht op vergoeding ontzegt aan het slachtoffer dat ouder is dan 14 jaar en het ongeval en zijn gevolgen heeft gewild. Het Hof sluit zich aan bij het standpunt van de eerste rechter dat het in casu wel degelijk gaat over een "ongeval" in de zin dat er sprake is van een plotse, onvoorzienbare en onvrijwillige gebeurtenis. Na nieuw onderzoek van de zaak in hoger beroep, komt het Hof tot de vaststelling dat geen afdoend bewijs voorligt dat het ongeval in kwestie te wijten is aan het slachtoffer, C.V.B. zelf, meer bepaald dat zij een wanhoopsdaad zou hebben ondernomen en zich op de sporen heeft geworpen teneinde zelfmoord te plegen, zoals appellante het poogt voor te houden. In tegenstelling tot wat appellante stelt, zijn de gegevens uit het geseponeerde strafdossier geenszins van aard om hieromtrent uitsluitsel te verstrekken. In dit verband dient te worden verwezen naar de tegenstrijdigheid van de getuigenverklaringen van o.m. N. C., B.M. en van de treinbestuurder G.C.. In tegenstelling tot de treinbestuurder, die verklaarde dat hij het slachtoffer heeft zien springen op de sporen, op het moment dat hij met de trein het station binnenreed en dat het voor hem duidelijk een wanhoopsdaad betrof, verklaarde de getuige N. in het strafdossier hoe hij zag dat het slachtoffer bij het nemen van haar bocht naar rechts, komende van de ondergrond met de trap naar het perron, in een lopende beweging, in aanraking kwam met de aankomende trein. Ze zou met haar rugzak tegen de bevestigingsbeugels vooraan aan de zijkant van de locomotief terecht zijn gekomen, waarna zij rond haar as is beginnen te draaien en zo onder de trein gevallen. Getuige B. zat op de trein in kwestie en had nog een andere verklaring nl. dat de vrouw ineens van het perron is afgeschoven, en aldus terecht kwam op het rechterspoor. Volgens B. zou zij nog recht gekropen zijn, haar hand op de witte boord van het perron geplaatst hebben en aldus nog op het perron getracht hebben te klauteren. Volgens deze getuige is de vrouw in geen geval onder de trein is gesprongen. Het rapport van de gerechtsdeskundige, aangesteld door het Parket in het kader van het strafrechtelijk onderzoek, brengt evenmin klaarheid. Deze deskundige besluit als volgt: "Hoe het slachtoffer op de spoorbedding kwam is niet duidelijk. Op de boordsteen van het perron werden geen wrijfsporen vastgesteld, die op een uitglijden zouden kunnen wijzen. Tegen een zelfmoord door sprong voor de locomotief spreekt het ontbreken van sporen aan de voorzijde van de locomotief. Mogelijk is dat het slachtoffer zich op de spoorbedding begaf om iets op te rapen en zijdelings door de in het station binnenrijdende locomotief gevat werd". Uit het feit dat mevrouw C.V.B. psychische problemen had en in het verleden zelfs suïcidale gedachten heeft gehad, zoals blijkt uit het strafdossier, kan niet zonder meer worden besloten tot de hypothese van zelfmoord. Nu geen bewijs voorligt dat het slachtoffer C.V.B. een wanhoopsdaad heeft ondernomen en zelfmoord pleegde, is de uitsluitingsgrond van artikel 29bis, zesde alinea van de W.A.M. wet, niet van toepassing. Enige fout in hoofde van C.V.B. is niet bewezen, in tegenstelling tot wat appellante poogt voor te houden in haar beroepsconclusies. Net zomin als bewezen is dat het slachtoffer C.V.B. een wanhoopsdaad heeft ondernomen, is bewezen dat zij op de sporen gesprongen zou zijn om iets op te rapen. Dit laatste is overigens niet relevant voor wat betreft de toepasselijkheid van de vergoedingsregel van artikel 29bis W.A.M.wet. Hoe het slachtoffer op de sporen is terecht gekomen, speelt geen rol, behoudens bewijs van opzet, hetgeen in casu, zoals reeds aangehaald, niet wordt aangetoond. Gelet op dit alles, treedt het Hof het oordeel van de eerste rechter bij dat appellante op grond van artikel 29bis van de W.A.M.wet vergoeding verschuldigd is aan de nabestaanden van het slachtoffer C.V.B.. Het bestreden vonnis dient dan ook, wat dit onderdeel van de beoordeling betreft, te worden bevestigd. B. Vordering op grond van artikel 1382 e.v. B.W. Gelet op het feit dat geen andere schadevergoeding wordt gevorderd dan deze welke onder de toepassing van artikel 29bis van de W.A.M.wet vergoed kan worden, heeft de eerste rechter terecht dit punt niet verder onderzocht, nu de hierover ontwikkelde argumenten niet meer terzake dienend zijn of van aard zijn om tot een andere conclusie te leiden. Ook wat dit onderdeel van de beoordeling door de eerste rechter betreft, dient het bestreden vonnis te worden bevestigd. C. De gevorderde bedragen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.