← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071107.24

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 07 november 2007 ECLI nr: EC

§ 1

van dezelfde wet, terwijl dit wél het geval is voor alle andere motorvoertuigen". Uiterst ondergeschikt streeft appellante na dat de vordering van geïntimeerde tot de betaling van een schadevergoeding zou worden herleid naar hetgeen billijk is en rechtmatig voorkomt, zoals in haar (beroeps)conclusies werd uiteengezet. Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en stelt zelf incidenteel hoger beroep in - incidenteel beroep dat regelmatig is en ontvankelijk - waarbij zij, bij gedeeltelijke hervorming van het bestreden vonnis, nastreeft dat haar vordering ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard op grond van artikel 29bis WAM-wet, minstens op grond van artikel 1382-1383-1384 B.W. en dat - appellante zou worden veroordeeld om aan hem in eigen naam te betalen de som van 24.847,79 EUR meer de vergoedende en gerechtelijke interesten en q.q. zijn minderjarige dochter T.M. , de som van 24.282,68 EUR - voorbehoud zou worden verleend voor de verdere bijdragen in het levensonderhoud die gederfd zouden worden vanaf de leeftijd van 18 jaar van het kind T.M. - voorbehoud zou worden verleend voor een bijdrage in een huwelijksfeest op latere leeftijd van het kind T.M. - dat een algemeen fiscaal voorbehoud zou worden verleend - dat een algemeen voorbehoud zou worden verleend voor eventuele verhoging van bijdrage en kosten in het levensonderhoud van het kind T.M., als zij ouder zou zijn dan 18 jaar en dan nog ten laste van geïntimeerde zou zijn. Tenslotte concludeert zij tot de ongegrondheid van de tegenvordering van appellante en tot de bevestiging van het bestreden vonnis, wat dit onderdeel betreft. °°°°°°°°°°°°°°°° I. FEITELIJKE GEGEVENS - VOORWERP VAN HOOFD- EN TEGENVORDERING - VOORGAANDE. De doelstellingen van de door partijen wederzijds ingestelde vorderingen en de toedracht van de feiten die er aan ten grondslag liggen, werden naar behoren toegelicht in het bestreden vonnis, zodat het Hof ernaar verwijst. Samengevat hebben de vorderingen van partijen betrekking op een ongeval dat zich op 11 augustus 2001 voordeed in het spoorwegstation te Leuven, uitgebaat en ingericht door appellante - ongeval waarbij de echtgenote van geïntimeerde en moeder van T.M., na een val onder een trein terecht was gekomen. Door het Parket van Leuven werd een strafonderzoek gevoerd, doch de zaak werd geseponeerd. Teneinde schadevergoeding te bekomen, richt geïntimeerde zich tot appellante op basis van de risicoloze aansprakelijkheid, te weten artikel 29bis WAM-wet en meer bepaald ingevolge de wetswijziging van 19 januari

  1. Verder acht geïntimeerde appellante ook aansprakelijk ingevolge de gebrekkige inrichting van haar treinstation, oorzaak van het ongeval, op grond van artikel 1382 e.v. B.W. Geïntimeerde meent een rechtstreeks vorderingsrecht te hebben tegen de NMBS, die haar "eigen BA verzekeraar" is, om de zaak te brengen voor de rechtbank van de woonplaats van het slachtoffer op grond van artikel 12 en 13 van de WAM-wet en artikel 86 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten. Geïntimeerde dagvaardde aldus appellante voor de Politierechtbank te Mechelen. Deze verklaarde zich evenwel onbevoegd om kennis te nemen van deze zaak op grond van het feit dat het in casu niet ging om een wegverkeersongeval, in de zin van artikel 601bis Ger.W. en verzond de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen. Geïntimeerde tekende beroep aan tegen deze beslissing, beide zaken werden samengevoegd en samen behandeld, hetwelk resulteerde in het vonnis a quo. In het bestreden vonnis oordeelde de eerste rechter als volgt: - het hoger beroep tegen het vonnis van verzending van de politierechter was niet toelaatbaar, maar de rechtbank was wel gevat door de verwijzing van de Politierechter, nu die rechter door de verwijzingsbeslissing gebonden is - de NMBS is gehouden op grond van artikel 29bis WAM-wet - artikel 1382 e.v. B.W. is niet meer ter zake dienend, nu geen andere schade wordt gevorderd dan diegene die valt onder artikel 29bis WAM-wet - de vordering van geïntimeerde zowel in eigen naam als q.q. zijn minderjarige dochter T.M. werd gedeeltelijk gegrond verklaard. Zoals reeds hiervoor werd aangehaald, heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing van de eerste rechter, in de eerste plaats wat betreft diens interpretatie van artikel 29bis WAM-wet en van de WAM-wetgeving in haar geheel en de toepassing ervan. Geïntimeerde tekende beperkt incidenteel hoger beroep aan, nl. in zoverre het Hof van oordeel zou zijn dat artikel 29bis WAM-wet niet van toepassing is, houdt hij zijn vordering staande op grond van artikel 1382 e.v. B.W. en tevens stelt hij incidenteel beroep in voor wat betreft de gedeeltelijke afwijzing van zijn vordering. II. NIEUWE BEOORDELING IN RECHTE IN HOGER BEROEP. A. Toepassing van artikel 29bis W.A.M.wet. Artikel 29bis van de Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (hierna verkort W.A.M. wet genoemd) richt een automatische schadevergoedingsregeling in ten voordele van de zwakke weggebruikers en de passagiers van motorrijtuigen. De eerste versie van artikel 29bis werd in de W.A.M.wet ingevoegd door de Wet van 30 maart
  2. Door de Wet van 13 april 1995 werd artikel 29bis W.A.M. wet voor de eerste maal gewijzigd. De wet van 19 januari 2001 wijzigde het artikel voor de tweede maal in zijn bestaan en in het artikel 29bis W.A.M. wet werden een aantal nieuwigheden en verduidelijkheden voorzien. Het is nuttig de krachtlijnen van de in artikel 29bis W.A.M. wet opgenomen regeling kort in herinnering te brengen zoals die golden vóór de wijziging bij de Wet van 19 januari
  3. Krachtens deze eerdere versie van artikel 29bis W.A.M.wet heeft ieder slachtoffer van een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig in de zin van artikel 1 W.A.M. wet betrokken is en zijn rechthebbenden, het recht om vergoeding te verkrijgen van alle schade die voortvloeit uit lichamelijk letsel of overlijden. Daartoe hebben zij het recht een vordering in te stellen tegen de W.A.M. verzekeraar van de eigenaar, de houder of de bestuurder van het betrokken motorrijtuig. Door de wet van 19 januari 2001 werd de vergoedingsregeling zoals bepaald in artikel 29bis W.A.M. wet inhoudelijk fundamenteel gewijzigd. In de eerste plaats wordt de regeling bij wet uitgebreid tot alle motorrijtuigen met inbegrip van het motorrijtuig dat aan spoorstaven is gebonden. Bij een verkeersongeval waarbij een trein of tram betrokken is, rust krachtens het gewijzigde artikel 29bis § 1 tweede lid W.A.M. wet de verplichting tot vergoeding op de eigenaar van de trein of tram. Ten tweede bepaalt artikel 29bis §1 eerste lid W.A.M. wet thans uitdrukkelijk dat de ongevallen op strikt privé-terrein van vergoeding zijn uitgesloten. In vergelijking met de vroegere formulering, bepaalt artikel 29bis §1 eerste lid thans dat het ongeval zich voordoet "op

§1W.A.M.wet".

Ten derde wordt de categorie van slachtoffers die geen aanspraak kunnen maken op de vergoedingsregeling, verengd. Ook de bestuurder van een bij het ongeval betrokken motorrijtuig heeft thans recht op vergoeding, wanneer hij niet zelf persoonlijk gewond is, maar schade lijdt als rechthebbende van een slachtoffer. Daarenboven wordt het begrip "onverschoonbare fout" geherformuleerd in de zin dat het slachtoffer dat ouder is dan veertien jaar nu geen recht heeft op vergoeding, wanneer bewezen is dat hij het ongeval en de gevolgen ervan heeft gewild. De vierde inhoudelijk belangrijke wijziging betreft de te vergoeden schade: de wet geeft het slachtoffer thans recht op vergoeding van de door het ongeval geleden kledijschade.

  1. Verkeersongeval. Opdat de vergoedingsregeling van toepassing zou zijn, moet krachtens artikel 29bis §1 eerste lid W.A.M. wet worden aangetoond dat de schade werd geleden naar aanleiding van een verkeersongeval. Artikel 29bis §1 eerste lid geeft evenwel geen omschrijving van dit begrip. De wetgever heeft de interpretatie van het begrip "verkeersongeval" in de zin van dit artikel toevertrouwd aan de soevereine beoordeling van de rechter. Ten onrechte poogt appellante argumenten te halen die verband houden met de toepassing van artikel 601bis Ger.W. inzake de bevoegdheid van de politierechter zetelend in burgerlijke zaken. Aangezien het te dezen een betwisting betreft over de interpretatie van het begrip verkeersongeval in de zin van artikel 29bis W.A.M. wet, dient naar het oordeel van het Hof uitgegaan te worden van de ratio van artikel 29bis W.A.M. wet tot bescherming van slachtoffers. Overigens sluit de beslissing van onbevoegdheid van de politierechter niet uit dat het slachtoffer wel vergoeding kan bekomen op grond van artikel 29bis W.A.M. wet. Op basis van de parlementaire voorbereiding geldt in ieder geval als principe dat aan het begrip verkeersongeval een ruime interpretatie toekomt. Deze ruime interpretatie is overigens bevestigd door het Hof van Cassatie in het zogenaamde "verdwaalde kogelarrest" van 9 januari 2004, waarbij het Hof zich diende te buigen over de uitspraak van de rechter in hoger beroep in een zaak waarbij een verdwaalde kogel, die was afgevuurd in een vuurgevecht tussen de politie en de overvallers bij een hold-up op enkele meters van de Ring rond Brussel, een kind raakte dat als passagier in de op deze Ring rijdende auto van haar moeder zat, en hierdoor blijvend verlamd raakte. Het Hof van Cassatie oordeelde: "de rechter heeft wettelijk kunnen afleiden dat de schade te wijten was aan een ongeval dat verband hield met de deelneming aan het verkeer op de openbare weg in de zin van artikel 29bis §1 lid 1 W.A.M. wet. De feitenrechter stelde vast dat het slachtoffer gekwetst werd toen zij als passagier plaats had genomen in een voertuig dat op de openbare weg reed en dit voertuig werd in het wegverkeer geconfronteerd met een ongebruikelijk voorwerp." Een verkeersongeval betreft ieder ongeval bij het zich verplaatsen van personen, met of zonder voertuig en ongeacht het type van voertuig. De term verkeersongeval veronderstelt niet noodzakelijk het gebruik van een vervoermiddel. Verkeer is immers niet alleen autoverkeer, maar ook verkeer van voetgangers. Zo wordt aanvaard dat een voetganger die ten val komt/struikelt tijdens een verplaatsing, slachtoffer is van een verkeersongeval. Een verkeersongeval is elk ongeval veroorzaakt door het niet opvolgen van de verkeersregels, door de toestand van de weg, het vervoermiddel of de weggebruiker.
  2. Motorrijtuigen. Voor de toepassing van de vergoedingsregel bepaald in artikel 29bis W.A.M. wet, dienen bij het ongeval een of meer motorrijtuigen betrokken te zijn. Het motorrijtuig dient aan de oorsprong van het schadegeval te liggen, zoniet is er geen sprake van betrokkenheid. Er is betrokkenheid van het voertuig wanneer het motorrijtuig een noodzakelijke voorwaarde uitmaakt bij de totstandkoming van het schadegeval. De motorrijtuigen waarop artikel 29bis doelt worden omschreven in artikel 1 W.A.M. wet. Artikel 29bis §3 verwijst naar artikel 1 W.A.M. wet dat motorrijtuigen definieert als "rij- of voertuigen, bestemd om zich over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, zonder aan spoorstaven te zijn gebonden, al wat aan het rij- of voertuig is gekoppeld, wordt als een deel daarvan aangemerkt". In het nieuwe artikel wordt een bijkomende bepaling ingelast waardoor de bijzondere schadevergoedingsregeling nu ook in werking treedt bij verkeersongevallen waarbij spoorvoertuigen betrokken zijn: "Bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig is betrokken dat aan spoorstaven is gebonden, rust de verplichting tot schadevergoeding die in het voorgaande lid is bepaald, op de eigenaar van het motorrijtuig." Met deze nieuwe bepaling heeft de wetgever de schending door artikel 29bis W.A.M. wet van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel zoals vastgesteld door het Arbitragehof, ongedaan willen maken. Onder het oude artikel 29bis kon de zwakke weggebruiker die het slachtoffer werd van een verkeersongeval waarbij een tram of trein betrokken was, geen aanspraak maken op de automatische vergoeding. Spoorvoertuigen worden immers uitdrukkelijk uit het toepassingsgebied van de wet uitgesloten door artikel 1 W.A.M. wet, waarnaar artikel 29bis § 3 W.A.M. wet verwijst. Op grond van het nieuwe artikel 29bis W.A.M. wet heeft de zwakke weggebruiker aldus recht op de automatische vergoeding wanneer hij slachtoffer is van een verkeersongeval waarbij een spoorvoertuig is betrokken. De rechter dient hierbij steeds te onderzoeken of er sprake is van een verkeersongeval en of de trein/tram bij het ongeval betrokken is.
  3. Plaats van het schadegeval. Het nieuwe artikel 29bis W.A.M. wet verduidelijkt het toepassingsgebied van de vergoedingsregeling ratione loci. Artikel 29bis §1 eerste lid W.A.M. wet bepaalt thans dat de vergoedingsregeling van toepassing is: "Bij een verkeersongeval (....) op

§1

". Krachtens deze wettelijke bepaling geldt de vergoedingsregeling aldus wanneer het verkeersongeval zich voordoet op de openbare weg, op plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek of op plaatsen die toegankelijk zijn voor een zeker aantal personen met het recht er te komen. Strikt private terreinen vallen hier dus niet onder. Voor de concrete invulling van deze begrippen lijkt de bestaande rechtspraak inzake artikel 2§1 W.A.M. wet onverkort van toepassing. Zo vallen ongevallen op carpool parkings, in pretparken, op parkings van warenhuizen, op bedrijfsterreinen, op het fietspad of het voetpad onder de toepassing van artikel 29bis W.A.M. wet. Bij de feitelijke beoordeling mag bovendien niet uit het oog worden verloren dat uit de voorbereidende werken blijkt dat deze uitsluiting van ongevallen op strikt privaat terrein zeer restrictief moet worden geïnterpreteerd, zo bv. de fietser die op de openbare weg wordt aangereden en op de private oprit van een huis valt. Het kan eveneens worden verdedigd dat ook de private oprit voor een huis een plaats is die toegankelijk is voor een zeker aantal personen die de toelating hebben er te komen, zeker wanneer die oprit zonder enige omheining aansluit bij de openbare weg of het voetpad. Het begrip openbare weg kan aanleiding geven tot discussie bij spoorvoertuigen. Zo houdt appellante voor dat het nieuwe artikel 29bis W.A.M. wet tegen haar enkel kan ingeroepen worden bij ongevallen op overwegen en oversteekplaatsen. Zij gaat er immers van uit dat haar treinen rijden in een eigen bedding, die geen deel uitmaakt van de openbare weg, haar privé-eigendom is en niet kan beschouwd worden als een plaats "bedoeld in artikel 2 §1 W.A.M. wet", waar sprake is van "verkeer op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen". Uit het verloop van de parlementaire voorbereidende werkzaamheden kan duidelijk worden afgeleid dat aan het begrip "verkeersongeval met motorrijtuigen die aan spoorstaven zijn gebonden" een ruime interpretatie toekomt. Uit de interpretatie van deze parlementaire voorbereidende werkzaamheden lijkt het de bedoeling van de wetgever geweest te zijn artikel 29bis te laten werken ongeacht de plaats waar het ongeval zich heeft voorgedaan en dat het toepassingsgebied dan ook geenszins wordt beperkt tot ongevallen die zich voordoen op de kruising van de eigen bedding van trein of tram met de openbare weg of oversteekplaatsen. Deze interpretatie is gesteund op de parlementaire bespreking van het wetsvoorstel en meer bepaald van de amendementen nr. 1, ingediend door een commissielid en nr. 5, ingediend door de regering. Lezing van het commissieverslag betreffende het wetsvoorstel maakt het voor het Hof evenwel duidelijk dat enkel de eerste interpretatie, volgens welke artikel 29bis W.A.M. wet ook ongevallen met spoorvoertuigen in eigen bedding betreft, kan worden verdedigd. Bij de bespreking in de commissie werd o.m. gezegd: "Met amendement nr. 1 wordt, zonder dat er reden tot discussie is, ieder ongeval bedoeld waarbij een voertuig is betrokken dat aan spoorstaven is gebonden en waarvan de zwakke weggebruiker het slachtoffer kan worden, ongeacht de plaats waar een dergelijk ongeval zich voordoet (eigen strook of openbare weg). In de praktijk betekent dit dat ongevallen met trams of treinen onder toepassing van artikel 29bis W.A.M. wet vallen, zowel wanneer deze voorvallen op de oversteekplaats, als buiten de oversteekplaats voor voetgangers en fietsers. De spreker onderstreept dit en krijgt daarbij instemming van andere commissieleden". (Parl. St.Kamer 1999-2000, nr. 210/5, 8 (Ansoms), 9 (Verlinde), 10-11 (Ansoms). Het amendement nr. 1 genoot kennelijk de instemming van de meerderheid van de commissieleden, aangezien het bij de stemming in de Kamercommissie werd aangenomen, waarna het regeringsamendement, dat ertoe strekte het eerste lid van artikel 29bis W.A.M.wet te vervangen door volgende bepaling: "Dit artikel betreft de vergoeding van alle schadegevallen die voortvloeien uit lichamelijke letsels of overlijden, uitgezonderd de materiële schade, wegens een ongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, of in afwijking van artikel 1, motorrijtuigen gebonden aan spoorstaven. Als het ongeval zich voordeed op een van de plaatsen, bedoeld door artikel 2 §1, daarbij inbegrepen de eigen beddingen van de voertuigen van het openbaar vervoer die gebruik maken van, die grenzen aan of die de openbare weg oversteken, wordt de schade vergoed (.......)", werd ingetrokken (Parl. St. Kamer 1999-2000, nr. 210/5,13). De reden tot intrekking van het regeringsamendement lijkt duidelijk: het amendement nr. 1 dat inhoudelijk tegenstrijdig was aan het regeringsamendement, werd goedgekeurd, zodat het amendement van de regering impliciet werd verworpen en er geen reden meer was om het in stand te houden. Het standpunt van appellante dat het nieuwe artikel 29bis W.A.M. wet tegen haar enkel kan ingeroepen worden bij ongevallen op overwegen en oversteekplaatsen, kan dan ook niet gevolgd worden. In dit verband verwijst het Hof ook nog naar het arrest nr. 93/2006 van 7 juni 2006 van het Arbitragehof (Arbitragehof nr. 93/2006 d.d. 7 juni 2006, B.S. 14 augustus 2006, R.W. 2006-2007,38), in antwoord op prejudiciële vragen over artikel 29bis § 1 tweede lid van de W.A.M. wet, waarin voor recht wordt gezegd dat die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, wanneer zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij de verkeersongevallen, waarbij een trein betrokken is wanneer die een openbare weg kruist, uitsluit van de erbij ingevoerde schadevergoedingsregeling. Het Arbitragehof is van mening dat de omstandigheid dat het wegverkeer tijdelijk wordt verboden door het neerlaten van de veiligheidsbarrières niet van aard is het spoorverkeer volkomen af te zonderen van het verkeer op de openbare weg en dat die omstandigheid niet minder risico teweegbrengt dan het normale wegverkeer, in het bijzonder bij het naderen van een kruispunt. Daaruit volgt dat artikel 29bis W.A.M. wet geïnterpreteerd in de zin dat het verkeersongevallen, waarbij een trein betrokken is wanneer die de openbare weg kruist, uitsluit van de vergoedingsregeling, het discriminatiebeginsel schendt. Bovendien stelt het Arbitragehof in voormeld arrest verder vast: "dat, in tegenstelling tot artikel 29bis §1, eerste lid (motorrijtuigen niet aan spoorstaven gebonden), het tweede lid van die bepaling de erbij ingevoerde schadevergoedingsregeling niet beperkt tot plaatsen bedoeld in artikel 2 §1 W.A.M.wet". In tegenstelling tot het eerste lid van artikel 29bis §1 W.A.M. wet verwijst het tweede lid inderdaad niet naar

§1, d.w.z.

de openbare weg, de terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen, zodat dient te worden aangenomen dat het tweede lid geldt voor verkeersongevallen met spoorvoertuigen, zelfs indien ze zich voordoen op andere plaatsen dan die bedoeld in artikel 2 § 1 W.A.M.wet. Volgens appellante concludeert het Arbitragehof in geen geval dat de schadevergoedingsregeling voor spoorvoertuigen zoals ingevoegd in het tweede lid van artikel 29bis W.A.M. wet op alle plaatsen van toepassing zou zijn en niet louter op

§1W.A.M.

wet (openbare weg of plaats toegankelijk voor het publiek). Volgens appellante heeft het Arbitragehof hier louter een opmerking of vaststelling gemaakt omtrent het tekstuele verschil tussen het eerste en tweede lid van artikel 29bis W.A.M. wet, doch heeft het zich duidelijk niet uitgesproken over de interpretatie of de (juridische) gevolgen van dit verschil. Appellante houdt voor dat de aanwezigheid van de verwijzing naar artikel 2 §1 W.A.M wet in het eerste lid van het nieuwe artikel 29bis W.A.M. wet als het ware toevallig is, evenals de afwezigheid ervan in het tweede lid (betreffende spoorvoertuigen). Volgens appellante wilde de wetgever de aanvankelijk voorgestelde uitbreiding tot ongevallen voorgevallen "op privé-terreinen" (zoals opgenomen in het oorspronkelijke wetsvoorstel) ongedaan maken. Het tweede lid van artikel 29bis W.A.M. wet kent geen zelfstandig bestaan, aldus appellante, en kan niet afzonderlijk van het eerste lid worden gelezen. De plaatsbeperking van artikel 2 §1 W.A.M. wet zou van toepassing zijn op de gehele W.A.M. wet, zonder dat elk artikel van deze wet er expliciet naar dient te verwijzen. Het Hof volgt deze interpretatie niet, en verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor reeds werd uiteengezet en meer bepaald naar de parlementaire voorbereidende werken van de wet. Uit dit alles dient dan ook te worden afgeleid dat ook de ongevallen met treinen en trams met zwakke weggebruikers die voorvallen buiten de oversteekplaatsen over de sporen, aanleiding geven tot een automatische vergoeding. De restrictieve interpretatie die appellante geeft aan artikel 29bis W.A.M. wet in het kader van treinongevallen, met name dat de vergoedingsregel van artikel 29bis W.A.M. wet enkel van toepassing is indien het verkeersongeval zich voordeed op de overwegen (omdat treinen rijden in een eigen bedding die geen deel uitmaakt van de openbare weg, terwijl overwegen wél onder dat begrip vallen), leidt ongetwijfeld tot een ongrondwettelijk onderscheid in behandeling tussen treinreizigers die slachtoffer zijn van een ontsporing al naar gelang deze plaatsvindt op een overweg of niet. In de voorbereidende werken wordt bovendien terecht opgemerkt dat de enge interpretatie van het begrip "openbare weg" door het Arbitragehof waarbij eigen stroken voor trams en treinen niet als "openbare weg" worden beschouwd, voor betwisting vatbaar is. Overigens kan men de eigen bedding van een spoorvoertuig beschouwen als een terrein dat toegankelijk is voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen, dat onder het toepassingsgebied van artikel 29bis W.A.M. wet valt. De eigen bedding zou ook kunnen beschouwd worden als een element van organisatie van de verkeersinfrastructuur, niet verschillend van een fietspad of een autostrade. Het standpunt van appellante kan dus niet gevolgd worden. Uit wat voorafgaat blijkt dat bij een verkeersongeval waarbij een spoorvoertuig betrokken is, het niet relevant is, voor wat de toepassing van artikel 29bis W.A.M. wet betreft, of het ongeval zich voordoet op de openbare weg dan wel in de eigen bedding van het spoorvoertuig. Wél relevant voor de toepasselijkheid van de vergoedingsregel van artikel 29bis W.A.M. wet, is te weten of het slachtoffer het ongeval en de gevolgen ervan al dan niet heeft gewild. Immers wordt ingevolge de nieuwe regeling het recht op vergoeding ontzegt aan het slachtoffer dat ouder is dan 14 jaar en het ongeval en zijn gevolgen heeft gewild. Het Hof sluit zich aan bij het standpunt van de eerste rechter dat het in casu wel degelijk gaat over een "ongeval" in de zin dat er sprake is van een plotse, onvoorzienbare en onvrijwillige gebeurtenis. Na nieuw onderzoek van de zaak in hoger beroep, komt het Hof tot de vaststelling dat geen afdoend bewijs voorligt dat het ongeval in kwestie te wijten is aan het slachtoffer, C.V.B. zelf, meer bepaald dat zij een wanhoopsdaad zou hebben ondernomen en zich op de sporen heeft geworpen teneinde zelfmoord te plegen, zoals appellante het poogt voor te houden. In tegenstelling tot wat appellante stelt, zijn de gegevens uit het geseponeerde strafdossier geenszins van aard om hieromtrent uitsluitsel te verstrekken. In dit verband dient te worden verwezen naar de tegenstrijdigheid van de getuigenverklaringen van o.m. N. C., B.M. en van de treinbestuurder G.C.. In tegenstelling tot de treinbestuurder, die verklaarde dat hij het slachtoffer heeft zien springen op de sporen, op het moment dat hij met de trein het station binnenreed en dat het voor hem duidelijk een wanhoopsdaad betrof, verklaarde de getuige N. in het strafdossier hoe hij zag dat het slachtoffer bij het nemen van haar bocht naar rechts, komende van de ondergrond met de trap naar het perron, in een lopende beweging, in aanraking kwam met de aankomende trein. Ze zou met haar rugzak tegen de bevestigingsbeugels vooraan aan de zijkant van de locomotief terecht zijn gekomen, waarna zij rond haar as is beginnen te draaien en zo onder de trein gevallen. Getuige B. zat op de trein in kwestie en had nog een andere verklaring nl. dat de vrouw ineens van het perron is afgeschoven, en aldus terecht kwam op het rechterspoor. Volgens B. zou zij nog recht gekropen zijn, haar hand op de witte boord van het perron geplaatst hebben en aldus nog op het perron getracht hebben te klauteren. Volgens deze getuige is de vrouw in geen geval onder de trein is gesprongen. Het rapport van de gerechtsdeskundige, aangesteld door het Parket in het kader van het strafrechtelijk onderzoek, brengt evenmin klaarheid. Deze deskundige besluit als volgt: "Hoe het slachtoffer op de spoorbedding kwam is niet duidelijk. Op de boordsteen van het perron werden geen wrijfsporen vastgesteld, die op een uitglijden zouden kunnen wijzen. Tegen een zelfmoord door sprong voor de locomotief spreekt het ontbreken van sporen aan de voorzijde van de locomotief. Mogelijk is dat het slachtoffer zich op de spoorbedding begaf om iets op te rapen en zijdelings door de in het station binnenrijdende locomotief gevat werd". Uit het feit dat mevrouw C.V.B. psychische problemen had en in het verleden zelfs suïcidale gedachten heeft gehad, zoals blijkt uit het strafdossier, kan niet zonder meer worden besloten tot de hypothese van zelfmoord. Nu geen bewijs voorligt dat het slachtoffer C.V.B. een wanhoopsdaad heeft ondernomen en zelfmoord pleegde, is de uitsluitingsgrond van artikel 29bis, zesde alinea van de W.A.M. wet, niet van toepassing. Enige fout in hoofde van C.V.B. is niet bewezen, in tegenstelling tot wat appellante poogt voor te houden in haar beroepsconclusies. Net zomin als bewezen is dat het slachtoffer C.V.B. een wanhoopsdaad heeft ondernomen, is bewezen dat zij op de sporen gesprongen zou zijn om iets op te rapen. Dit laatste is overigens niet relevant voor wat betreft de toepasselijkheid van de vergoedingsregel van artikel 29bis W.A.M.wet. Hoe het slachtoffer op de sporen is terecht gekomen, speelt geen rol, behoudens bewijs van opzet, hetgeen in casu, zoals reeds aangehaald, niet wordt aangetoond. Gelet op dit alles, treedt het Hof het oordeel van de eerste rechter bij dat appellante op grond van artikel 29bis van de W.A.M.wet vergoeding verschuldigd is aan de nabestaanden van het slachtoffer C.V.B.. Het bestreden vonnis dient dan ook, wat dit onderdeel van de beoordeling betreft, te worden bevestigd. B. Vordering op grond van artikel 1382 e.v. B.W. Gelet op het feit dat geen andere schadevergoeding wordt gevorderd dan deze welke onder de toepassing van artikel 29bis van de W.A.M.wet vergoed kan worden, heeft de eerste rechter terecht dit punt niet verder onderzocht, nu de hierover ontwikkelde argumenten niet meer terzake dienend zijn of van aard zijn om tot een andere conclusie te leiden. Ook wat dit onderdeel van de beoordeling door de eerste rechter betreft, dient het bestreden vonnis te worden bevestigd. C. De gevorderde bedragen.

  1. Morele schade in hoofde van P.M. in eigen naam. Oorspronkelijk vorderde P.M. een bedrag van 3.718,40 EUR als morele schade wegens het verlies van zijn echtgenote. Appellante betwist dat P.M. aanspraak zou kunnen maken op enige vergoeding wegens morele schade, nu hij op het ogenblik van het ongeval reeds geruime tijd gescheiden leefde van de overledene. Uit de voorliggende stukken blijkt dat er nog geen echtscheidingsvonnis was, wel waren partijen reeds een eerste keer verschenen in het kader van de echtscheiding met onderlinge toestemming. Uit het feit dat er een procedure onderlinge toestemming werd gevolgd, mag worden aangenomen dat er in casu geen sprake was van een "vechtscheiding", dat er nog een zekere communicatie en respect aanwezig was tussen beide ex-partners en dat er bijgevolg een zeker moreel leed bestond door het plotse en bijzonder tragische overlijden van zijn echtgenote, moeder van hun kind,T.M. . De door de eerste rechter toegekende vergoeding ad 1.750 EUR komt dan ook gepast voor. Het bestreden vonnis dient dan ook, wat dit onderdeel van de vordering betreft, te worden bevestigd.
  2. Morele schade q.q. minderjarige dochter,T.M. . De eerste rechter kende een vergoeding aan geïntimeerde q.q. wegens morele schade voor de minderjarige dochter t.b.v. 7.500 EUR toe. Appellante vindt dit bedrag schromelijk overdreven, nu het meisje slechts gedeeltelijk samen met haar moeder woonde. Weliswaar woonde het dochtertje op het ogenblik van het ongeval niet permanent in bij haar moeder, maar het bestaan van een morele band tussen moeder en kind kan niet worden betwist. Rekening houdend met de jonge leeftijd van het meisje, negen jaar op het ogenblik van de feiten, en de tragische omstandigheden van het ongeval, komt de door de eerste rechter toegekende vergoeding ad 7.500 EUR gerechtvaardigd en gepast voor. Het bestreden vonnis dient dan ook, wat dit onderdeel van de vordering betreft, eveneens te worden bevestigd.
  3. Onbetaalde schulden van de overledene, voldaan door P.M. na het overlijden ten bedrage van 13.479,39 EUR. De eerste rechter wees deze vordering af als ongegrond. De stelling van geïntimeerde dat deze betalingen te omschrijven zijn als zaakwaarneming, werden niet gevolgd door de eerste rechter, die van oordeel was dat in casu de voorwaarden niet vervuld zijn om te kunnen spreken van zaakwaarneming. Volgens de eerste rechter zijn de door geïntimeerde gevorderde kosten, kosten van de nalatenschap. Geïntimeerde kan het daarmee niet eens zijn en tekent hiertegen incidenteel hoger beroep aan. Hij verduidelijkt dat, ingevolge de regelingsakte EOT partijen hebben verzaakt aan elkaars nalatenschap, mocht één van hen komen te overlijden staande de procedure. Derhalve is geïntimeerde geen erfgenaam en heeft hij een aantal schulden, bij wijze van zaakwaarneming, die normaal door zijn echtgenote dienden te worden gedragen, zelf betaald. Bij nazicht van de stukken blijken dit alle schulden te betreffen die bestonden vóór het overlijden van mevrouw V.B., zoals de afbetaling van een bestaande belastingsschuld, de openstaande facturen van de huur, openstaande facturen van verschillende verplegingsinstellingen waar zij verbleef vóór het ongeval. Volgens geïntimeerde heeft hij deze schulden voldaan, om te vermijden dat de schuldeisers bij meerderjarigheid van zijn dochter, deze zouden aanspreken. In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat geïntimeerde van de meeste van de door hem gevorderde bedragen niet aantoont dat hij deze effectief betaald heeft. Zo legt geïntimeerde stukken neer aangaande de betaling van bepaalde bedragen aan verplegingsinstellingen, doch uit deze stukken blijkt slechts dat de facturen betaald zijn, doch vermelden niet door wie deze zijn voldaan. Bovendien, zoals de eerste rechter terecht opperde, zijn de voorwaarden van zaakwaarneming te dezen niet voldaan. Geïntimeerde bewijst niet dat de betalingen die hij voorhoudt te hebben uitgevoerd, een noodzakelijk karakter hadden. Evenmin wordt aangetoond dat hij in zijn relatie met de schuldeisers heeft laten weten dat hij optrad voor rekening van de belanghebbende. Samen met de eerste rechter is het Hof van oordeel dat het kosten zijn die door de nalatenschap dienen te worden gedragen, doch niet door appellante. Terecht werd dit onderdeel van de vordering van geïntimeerde dan ook als ongegrond afgewezen. Ook op dit punt dient het bestreden vonnis te worden bevestigd.
  4. Verlies van bijdrage levensonderhoud en opvoeding. Geïntimeerde q.q. vordert een bedrag voor het verlies in de bijdragen van opvoeding, overeenkomstig de regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding met onderlinge toestemming. Terecht oordeelde de eerste rechter dat deze vordering dient ingewilligd te worden omdat dit rechtstreekse schade is in hoofde van T.M. , schade die voortkomt uit het ongeval van haar moeder. De berekening werd door de eerste rechter cijfermatig enigszins aangepast en de vordering werd gegrond verklaard voor een totaal bedrag van 12.582,11 EUR - bedrag dat correct voorkomt. Geïntimeerde q.q. vraagt overigens de bevestiging van het vonnis a quo, wat dit onderdeel betreft.
  5. Verhoogde uitgaven door verlengd verblijf van dochter. Geïntimeerde geeft aan dat, waar zijn minderjarige dochter anders voor 50% van de vakanties bij haar moeder zou verblijven, is dit thans - door het overlijden van de moeder - voor 100% bij hem. Voor de verhoogde uitgaven die dit met zich meebrengt, vordert geïntimeerde een bedrag, gerekend in billijkheid op 7,5 EUR/dag, hetzij 850 EUR/jaar, gedurende 9 jaar, hetzij in totaal 7.650 EUR. De eerste rechter was terecht van oordeel dat M. op onvoldoende wijze aantoont dat er wel degelijk vaststaande schade is die voortkomt uit het ongeval. Bovendien is de eerste rechter van oordeel dat de toegekende schadevergoeding, zoals besproken onder het vorige punt 4, mede de eventuele - doch onzekere - extra kosten zal dekken. Het bestreden vonnis dient dan ook wat dit punt betreft, te worden bevestigd.
  6. De gevorderde voorbehouden. Geïntimeerde q.q. vordert voorbehoud te verlenen voor de tussenkomst in een eventueel huwelijksfeest van de minderjarige dochter, een algemeen fiscaal voorbehoud en een algemeen voorbehoud voor eventuele verhoging van bijdrage en kosten in het levensonderhoud van zijn dochter T.M. , als zij ouder zou zijn dan 18 jaar en dan nog ten laste van hem zou zijn. Appellante voert geen verweer in dit verband. Het Hof treedt de eerste rechter bij die in dit verband een algemeen voorbehoud toekende voor de op dit moment nog niet bewijsbare schade.
  7. Interesten. Bij gebrek aan verweer in dit verband door appellante, kende de eerste rechter op voormelde bedragen vergoedende interesten toe aan de wettelijke interestvoet van 7% vanaf de dag van het ongeval en tevens gerechtelijke interesten op de hoofdsommen plus de vergoedende interesten, zoals gevorderd door geïntimeerde. Ook op dat punt dient het bestreden vonnis te worden bevestigd. D. Tegeneis van de N.M.B.S. Appellante houdt haar tegenvordering voor een totaal bedrag van 1.754,10 EUR staande. Het betreft de materiële schade veroorzaakt door het ongeval en bestaande uit de vertragingskosten, herstellingskosten en kosten voor logistieke bijstand, kosten ten gevolge van de tijdelijke werkonbekwaamheid van de treinbestuurder en de medische kosten voor de treinbestuurder. Terecht echter werd deze tegenvordering door de eerste rechter afgewezen, nu op onvoldoende wijze enige fout in hoofde van het slachtoffer C.V.B. wordt aangetoond. Het is in geen geval afdoend bewezen dat het slachtoffer opzettelijk op de sporen is terecht gekomen, dan wel onvoorzichtig is geweest. Ten overvloede wordt hier nogmaals verwezen naar de tegenstrijdige getuigenverklaringen van N.C., B.M. en G.C., en naar de bevindingen van deskundige dokter J.B., hiervoor reeds aangehaald. Ook wat dit onderdeel betreft, is het bestreden vonnis voor geen enkele kritiek vatbaar en dient het dan ook te worden bevestigd. OM DIE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep van geïntimeerde ontvankelijk doch eveneens ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen. Veroordeelt appellante tot de kosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde begroot op euro 495,79 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 7 november
  8. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer A. VERHAERT Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071107.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.