← België

ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071112.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 12 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071112.6 Rolnummer: 2005AR1207-1208 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-07-19 Raadplegingen: 124 - laatst gezien 2026-07-02 16:18 Fiche Conform art. 36 CISG is de verkoper aansprakelijk indien de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden op het tijdstip waarop het risico op de koper overgaat, ook al blijkt zulks eerst daarna. De overdracht van het risico inzake de zaden had plaats op het ogenblik waarop de koper de goederen in ontvangst heeft genomen (art. 69 CISG). De vastgestelde aanwezigheid van bepaalde bacteriën en schimmels op de planten niet met voldoende redelijke zekerheid terug gekoppeld kan worden aan de geleverde kwaliteit van de zaden zelf. Het is niet bewezen dat de preizaden onvoldoende vorstbestendig zijn. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Internationale koop Vrije woorden: Internationale koopovereenkomst - verborgen gebreken - gebrekkig preizaad - Weens koopverdrag - art. 36 - risico overdracht bij inontvangstname zaden - geen bewijs onvoldoende vorstbestendig Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIERDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen : In zake : I. - 2005/AR/1207 : B.V.B.A. M & H, gevestigd te 2811 Mechelen (Leest), Juniorslaan 18, met ondernemingsnummer 0454.536.060; appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Mechelen d.d. 25 juni 2004; vertegenwoordigd door Meester J. Pinoy loco Meester C. De Nyn, advocaat te 2800 Mechelen, W. Geetsstraat 9; tegen : N.V. SYNGENTA SEEDS, met maatschappelijke zetel te 1601 Sint-Pieters-Leeuw, Humaniteitslaan 65, met ondernemingsnummer 0404.599.569; geïntimeerde vertegenwoordigd door Meester M. Gesquiere loco Meester L. De Schrijver, advocaat te 9031 Drongen, Baarledorpstraat 93; en de zaak : II. - 2005/AR/1208 : B.V.B.A. M & H, gevestigd te 2811 Mechelen (Leest), Juniorslaan 18, met ondernemingsnummer 0454.536.060; appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Mechelen d.d. 24 februari 2005; vertegenwoordigd door Meester J. Pinoy loco Meester C. De Nyn, advocaat te 2800 Mechelen, W. Geetsstraat 9; tegen : B.V. SYNGENTA SEEDS, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te Nederland, 1600 AA Enkhuizen, Westeinde 62; geïntimeerde vertegenwoordigd door Meester M. Gesquiere loco Meester L. De Schrijver, advocaat te 9031 Drongen, Baarledorpstraat 93; * * * * * * * In de zaak 2005/AR/1207 worden de door de wet vereiste procedurestukken overgelegd, waaronder het bestreden op tegenspraak gewezen vonnis van de rechtbank van koophandel te Mechelen d.d. 25 juni 2004, waartegen hoger beroep werd aangetekend door middel van een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 28 april

  1. Er wordt geen akte van betekening overgelegd. Het hoger beroep is naar vorm en termijn regelmatig. Het is toelaatbaar. In de zaak 2005/AR/1208 worden de door de wet vereiste procedurestukken overgelegd, waaronder het bestreden op tegenspraak gewezen vonnis van de rechtbank van koophandel te Mechelen d.d. 24 februari 2005, waartegen hoger beroep werd aangetekend door middel van een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 28 april
  2. Er wordt geen akte van betekening overgelegd. Het hoger beroep is naar vorm en termijn regelmatig. Het is toelaatbaar. I. Bij exploot d.d. 16 januari 2004 dagvaardde huidig appellante inzake 2005/AR/1207, tevens appellante inzake 2005/AR/1208 BVBA M & H (hierna ook M & H)) huidig geïntimeerde N.V. SYNGENTA SEEDS in betaling van 496.969,66 EUR, verhoogd met de gerechtelijke intresten sedert 10 februari 2003 en de kosten, deze van het gerechtelijk onderzoek tot beloop van 3.000,00 EUR inbegrepen. De vordering heeft betrekking op schade die beweerdelijk door M & H geleden werd ingevolge een beweerd door N.V. SYNGENTA SEEDS begane contractuele wanprestatie naar aanleiding van de koop-verkoop in februari en maart 2002 van preizaden, beweerdelijk behept met verborgen gebreken. Bij beschikking van de heer voorzitter van de rechtbank van koophandel te Mechelen d.d. 18 februari 2003 werd de heer F. BENOIT - bij verstek - aangesteld als gerechtsdeskundige. Zijn verslag werd neergelegd ter griffie op 5 januari
  3. Bij bestreden vonnis van 25 juni 2004 (AE/04/202) verklaarde de eerste rechter zich internationaal en territoriaal bevoegd, de vordering toelaatbaar maar ongegrond ten aanzien van N.V. SYNGENTA SEEDS. De eerste rechter stelde vast dat de zaden werden aangekocht bij SYNGENTA SEEDS B.V. uit Enkhuizen (Nederland), door deze partij geleverd en gefactureerd en derhalve dat de N.V. SYNGENTA SEEDS niet kan worden aangesproken in de door M & H geleden schade. * Bij exploot d.d. 2 juli 2004 dagvaardde huidig appellante inzake 2005/AR/1208, tevens appellante inzake 2005/AR/1207 BVBA M & H (hierna ook M & H) huidig geïntimeerde B.V. SYNGENTA SEEDS in betaling van 496.969,66 EUR, verhoogd met de gerechtelijke intresten sedert 10 februari 2003 en de kosten, deze van het gerechtelijk onderzoek tot beloop van 3.000,00 EUR inbegrepen. De vordering heeft eveneens betrekking op de schade die beweerdelijk door M & H geleden werd ingevolge van een beweerd door N.V. SYNGENTA SEEDS begane contractuele wanprestatie naar aanleiding van de koop-verkoop in februari en maart 2002 van preizaden, beweerdelijk behept met verborgen gebreken. Bij bestreden vonnis van 24 februari 2005 verklaarde de eerste rechter de vordering ten aanzien van de B.V. SYNGENTA SEEDS toelaatbaar doch ongegrond. De eerste rechter was, na grondige analyse van onder meer het rapport van de heer BENOIT, van oordeel dat er terzake geen voldoende bewijs voorlag dat de kwestieuze geleverde zaadpartij APOLLO F1 gebrekkig was in de zin dat de preisoort APOLLO F1 zelf onvoldoende vorst- of winterbestendig zou zijn enkel en alleen omdat vorstschade werd vastgesteld aan de preiplanten. Volgens de eerste rechter was niet afdoende aangetoond dat alle andere mogelijke schadeoorzaken dan het beweerd gebrekkig geleverd preizaad met zekerheid kunnen worden uitgesloten. II. Appellante inzake 2005/AR/1207 en inzake 2005/AR/1208 M & H verzoekt, na samenvoeging van de beide hoger beroepen, het Hof, bij hervorming van de bestreden vonnissen, om de oorspronkelijke vordering van M & H toelaatbaar en gegrond te verklaren zowel ten aanzien van de N.V. SYNGENTA SEEDS als ten aanzien van de B.V. SYNGENTA SEEDS en beiden solidair, in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen om aan M & H te betalen de som van 496.969,66 EUR, meer de gerechtelijke intresten vanaf 10 februari 2003 en tot een bedrag van 3.000,00 EUR verhoogd met de gerechtelijke intresten. Zij verzoekt om tevens voor recht te zeggen dat aan de voorwaarden voor kapitalisatie van de intresten conform art. 1154 B.W. werd voldaan en de kapitalisatie toe te staan van de vervallen intresten op de som van 496.969,66 EUR over een periode tussen 10 februari 2003 en 10 februari 2005, te zeggen voor recht dat het gekapitaliseerd bedrag vanaf de datum van neerlegging van het verzoekschrift d.d. 28 april 2005 recht zal geven op gerechtelijke intresten. Ondergeschikt verzoekt zij opdat de heer F. BENOIT zou worden gehoord om toelichting te verschaffen omtrent "het voorkomen en de werking van de bacterie pseudomonas fluorescens en de schadelijke gevolgen van deze bacterie". * Geïntimeerde inzake 2005/AR/1207 N.V. SYNGENTA SEEDS concludeert tot de samenvoeging van deze zaak met de zaak gekend onder 2005/AR/1208 en tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Geïntimeerde inzake 2005/AR/1208 B.V. SYNGENTA SEEDS concludeert tot de samenvoeging van deze zaak met de zaak gekend onder 2005/AR/1207 en tot de ongegrondheid van het hoger beroep. * III. De feiten en antecedenten zijn, bondig samen- gevat, de volgende:
  4. Per 7 februari 2002 bevestigde B.V. SYNGENTA SEEDS een order met nummer 713.485 inzake de koop en levering door M & H van een grote partij / loten preizaden, type "Apollo F1", die door B.V. SYNGENTA SEEDS op 14 februari 2002, 15 februari 2002 en 7 maart 2002 aan M & H werden gefactureerd tot beloop van 9.689,99 EUR, respectievelijk 19.535,80 EUR en 2.214,87 EUR. 2 M & H wenste deze zaden te bestemmen voor de winter 2002 -
  5. Zij beweert dat de preiplanten die uit de zaden gegroeid zijn niet winterbestendig waren zodat ze in de vriesperioden van 2002 - 2003 totaal verloren zijn gegaan. M & H stelde B.V. SYNGENTA SEEDS, Rijvissschestraat 118/5 te Zwijnaarde bij aangetekend schrijven van 7 februari 2003 in gebreke, meer bepaald stelde M & H, bij monde van haar raadsman dat " ... moeten vaststellen dat deze preisoort geenszins geschikt blijkt te zijn voor winterteelt, vermits zij bij de vrieskoude van de afgelopen periode blijkt te zijn bevroren". 3 M & H had eveneens een klacht doorgeleid naar het keuringsorganisme NAK TUINBOUW (Nederland) die keurmeesters ter plekke zond en B.V. SYNGENTA SEEDS per 4 april 2003 rapporteerde: ● dat er geen aanwijzingen waren dat de geleverde zaadpartij
  6. 485 niet rasecht zou zijn geweest ● dat de planten op het perceel dat werd bezocht niet bestand waren tegen de vorst ● dat het voor de NAK TUINBOUW niet mogelijk is om na te gaan waardoor dit veroorzaakt werd. 4 Per 10 februari 2003 werd een kort geding aangespannen en Ir. BENOIT aangesteld. Het besluit van het rapport BENOIT : "... De kwestieuze preihybride APOLLO F1 is onvoldoende vorstbestendig en dit werd ook bevestigd in officiële proeven uitgevoerd door het Proefstation voor de Groenteteelt te Sint-Katelijne-Waver (...) evenals door de keurmeester van NAK TUINBOUW op 5 februari 2003 (...) en ook door de Schadecommissie van de Stad Mechelen op 10 april
  7. "Aldus kon de BVBA M & H tussen 3 januari 2003 en 29 maart 2003 slechts 82.268 kg netto prei uit eigen productie verhandelen en diende zij 212.684 kg aan te kopen om aan de contractuele leveringsverplichtingen te kunnen voldoen. "Op basis van de productie in het vorig jaar 2002 over dezelfde verkoopperiode (...) mocht een netto opbrengst verwacht worden van minimaal 36.577 kg / ha x 16,07 ha = 587.796 kg x 1,004 EUR / kg prei = 590.147,18 EUR. Nu werden slechts 93.177,52 EUR inkomsten gerealiseerd. De inkomensderving over de betrokken periode beliep dus 496.969,66 EUR". 5 M & H ging per 16 januari 2004 over tot dagvaarding van de N.V. SYNGENTA SEEDS, zijnde de 'aansprakelijke vertegenwoordiger' . Bij hoger vermeld vonnis d.d. 25 juni 2004 werd deze vordering ongegrond verklaard, bij gebreke aan contractueel rechtsverband. 6 M & H bracht per 2 juli 2004 opnieuw dagvaarding uit, dit maal tegen de B.V. SYNGENTA SEEDS met hetzelfde voorwerp als de dagvaarding d.d. 16 januari
  8. Bij hoger vermeld vonnis d.d. 24 februari 2005 werd deze vordering ongegrond verklaard. IV. BEOORDELING A. Samenvoeging De beide hoger beroepen hebben betrekking op de beweerde wanprestatie, meer bepaald een tekortkoming in de leveringsverplichting bij een koop-verkoop van preizaden, type APOLLO F1, vastgesteld per orderbevestiging van 7 februari
  9. De beide hoger beroepen gericht tegen twee onderscheiden vonnissen met het zelfde voorwerp en dezelfde oorzaak worden samengevoegd. B. Met betrekking tot de vordering ingesteld tegen de N.V. SYNGENTA SEEDS In het bestreden vonnis d.d. 25 juni 2005 heeft de eerste rechter terecht vastgesteld dat de N.V. SYNGENTA SEEDS geen contractpartij is geweest bij de overeenkomst. De orderbevestiging ging uit van B.V. SYNGENTA SEEDS. Zij leverde de zaden 'franco thuis' en factureerde de verkopen. De N.V. SYNGENTA SEEDS en de B.V. SYNGENTA SEEDS zijn twee afzonderlijke rechtspersonen en het betreft, in tegenstelling tot wat appellante voorhoudt, twee afzonderlijke juridische entiteiten. De aanduiding 'aansprakelijke vertegenwoordiger: SYNGENTA SEEDS N.V.' op de orderbevestiging, respectievelijk de facturen, uitgaande van B.V. SYNGENTA SEEDS, doet geen afbreuk aan het bovenstaande. Er kan geen misverstand zijn omtrent wie de contractpartij-verkoper was van M & H als koper, meer bepaald B.V. SYNGENTA SEEDS. Het feit dat de overeenkomst werd afgesloten via een (buitenlandse) vertegenwoordiger heeft niet tot gevolg dat deze vertegenwoordiger tevens contractpartij wordt en solidair zou gehouden zijn met vertegenwoordigde, die in casu het order rechtstreeks bevestigde, de goederen leverde en factureerde. Het is trouwens B.V. SYNGENTA SEEDS die door de raadsman van M & H per 7 februari 2003 in gebreke werd gesteld. Het hoger beroep inzake 2005/AR/2007 faalt. De vordering ingesteld tegen N.V. SYNGENTA SEEDS blijft ongegrond. Het bestreden vonnis wordt bevestigd in al zijn beschikkingen. C. Met betrekking tot de vordering ingesteld tegen B.V. SYNGENTA SEEDS C.1 Het Hof stelt vast dat tussen M & H (Belgische koper) en B.V. SYNGENTA SEEDS (Nederlandse verkoper) een internationale koop-verkoop tot stand kwam. Het Hof neemt akte van het feit dat partijen ter zitting van 23 oktober 2006 hebben verklaard dat zij beiden akkoord zijn dat het Belgisch recht van toepassing is waaronder onder meer het Weens Koopverdrag (hierna ook CISG). Dit werd geacteerd op het zittingsblad van de terechtzitting van 23 oktober 2006 en partijen hebben navolgend geconcludeerd in die zin (syntheseconclusie van appellante d.d. 21 mei 2007 p. 6 C.1 - syntheseconclusie geïntimeerde d.d. 29 juni 2007 p. 3 II) C.2 Terzake geldt het art. 36 CISG dat luidt: "1) De verkoper is in overeenstemming met de overeenkomst en dit Verdrag aansprakelijk indien de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden op het tijdstip waarop het risico op de koper overgaat, ook al blijkt zulks eerst daarna. "2) De verkoper is tevens aansprakelijk voor elk niet-beantwoorden van de zaken aan de overeenkomst hetwelk optreedt na het in het voorgaande lid genoemde tijdstip en te wijten is aan een tekortkoming van één van zijn verplichtingen, waaronder begrepen een garantie dat de zaken gedurende een bepaalde tijd geschikt zullen blijven voor het doel waarvoor zij normaal bestemd zijn of voor enigerlei bijzonder doel, dan wel nader aangegeven hoedanigheden of kenmerken zullen behouden." C.2.1 SYNGENTA SEEDS leverde preizaden van een bepaald ras en bepaalde kwaliteit (supra III.1) die tot preiplanten kunnen uitgroeien. De groei tot plant is niet alleen van het zaad afhankelijk maar ook afhankelijk van tal van andere factoren, onder meer de teelt- en plantomstandigheden. De overdracht van het risico inzake de zaden had plaats op het ogenblik waarop de koper M & H de goederen in ontvangst heeft genomen (art. 69 CISG). In het licht van art. 36.1 CISG dient beoordeeld te worden of de preizaden op het ogenblik dat zij in Leest door M & H in ontvangst genomen werden al dan niet in overeenstemming waren met de overeenkomst. Uit het verslag van de door M & H op 4 februari 2003 aangezochte NAK TUINBOUW (hierna ook NAK) blijkt dat er ca 10.000 zaden werden getest ex het lot waarmee M & H werd bevoorraad en vrij bevonden van pseudomonas porri, zijnde de bacterie warmee de preiplanten bleken behept. Bovendien kan worden aangestipt dat deze zaden afkomstig waren van een lot waarvan ook in de bewuste periode zaden werden afgeleverd aan drie andere afnemers dan M & H en bij geen van deze drie afnemers klachten werden ontvangen (stuk 7 bundel appellante). NAK concludeert dat er geen aanwijzingen zijn dat de aan M & H geleverde zaadpartij niet rasecht zou geweest zijn (zie supra III.3). Appellante verwijt de eerste rechter ‘lijnrecht in te gaan tegen de wetenschappelijk onderbouwde bevindingen van de deskundige' (p.17). De eerste rechter heeft in een zeer uitgebreid en consistent gemotiveerde beslissing (vonnis a quo, pagina's 5 tot en met 9) aangegeven hoe hij het advies van de deskundige beoordeelde en verwerkte naar het door M & H te leveren bewijs en is tot de conclusie gekomen dat er geen voldoende bewijs voorligt om te oordelen dat de door SYNGENTA SEEDS geleverde zaadpartij APOLLO F1 gebrekkig was in de zin dat de preisoort zelf onvoldoende vorst- of winterbestendig zou zijn, enkel en alleen omdat vorstschade werd vastgesteld aan de preiplanten (vonnis a quo p. 9.4). Het hof deelt, na nieuwe analyse van het dossier, deze conclusie van de eerste rechter. De deskundige heeft vastgesteld dat de preiplanten bevroren, respectievelijk aangetast waren maar heeft geen sluitend wetenschappelijk bewijs aangebracht in zijn advies dat deze toestand zijn oorzaak vindt in de zaden. Het hof constateert dat het tot de opdracht van de deskundige behoorde na te gaan of de door SYNGENTA SEEDS geleverde preizaden al dan niet aangetast zijn of waren met een ziekte en/of zij al dan niet bevroren waren en/of winterbestendig waren. De deskundige BENOIT kwam tot de bevinding dat de kwestieuze preihybride APOLLO F1 onvoldoende winterbestendig was (supra III. 4) hetgeen niet hetzelfde is als het geven van een antwoord op de vraag of de oorzaak daarvan met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te wijten is aan het ras en de kwaliteit van de zaden zelf, meer bepaald in de genetische structuur daarvan. Een vraag naar (genetisch) onderzoek van de zaden werd door SYNGENTA SEEDS uitdrukkelijk aan de orde gesteld bij schrijven van 4 maart 2003 aan de deskundige (stuk 9 bundel geïntimeerde). De deskundige heeft gemeend daarop niet te moeten ingaan. Terecht merkt SYNGENTA SEEDS op dat er niet geconcludeerd kan worden tot een gebrek van de zaden op basis van het door het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek te Merelbeke gevoerd onderzoek waarbij de bacterie pseudomonas fluorescens - te onderscheiden van pseudomonas porri - aangetroffen werd op 9 preistalen op de velden van M & H. De bacterie pseudomonas fluorescens blijkt een ‘opportunistische' bacterie te zijn die op gezonde, sterke en onbeschadigde planten niets uitricht en optreedt bij de opkweek, na het zaaien en eventueel verplanten (stuk 27 bundel geïntimeerde). Hieruit mag worden afgeleid dat deze bacterie eerder te maken heeft met de omstandigheden waarin wordt geteeld dan met de kwaliteit van de zaden. Het besluit van de deskundige verwijst naar proeven uitgevoerd door het proefstation voor groententeelt te Sint-Katelijne-Waver doch dit proefstation heeft noch de zaden noch de teeltomstandigheden onderzocht. NAK TUINBOUW en de schadecommissie van de Stad Mechelen hebben vorstschade vastgesteld doch niet de oorzaak ervan. Resumerend kan gesteld worden dat de vastgestelde aanwezigheid van bepaalde bacteriën en schimmels op de planten niet met voldoende redelijke zekerheid terug gekoppeld kan worden aan de geleverde kwaliteit van de zaden zelf. Dit bewijs wordt niet geleverd. C.2.2 Ook het onderzoek naar art. 36.2 CISG is aan de orde. Appellante stelt dat APOLLO F1 door SYNGENTA SEEDS garantie zou hebben verstrekt inzake het vorstbestendig zijn van de zaden. Geïntimeerde merkt terecht op dat in de productfolder van SYNGENTA SEEDS betreffende de APOLLO F1 nergens wordt aangegeven dat het ras APOLLO F1 vorstbestendig zou zijn. De vermeldingen die er te lezen zijn betreffen onder meer dat APOLLO F1 zich laat oogsten van eind september tot half april - afhankelijk van de zaai- en plantomstandigheden - en vermeldt als advies dat de aanbevolen oogstperiode oktober tot januari is. Afhankelijk van zaai- en plantdatum en het teeltgebied ook februari tot april (stuk 1 bundel geïntimeerde; verslag BENOIT p.13 en 14). Op verzoek van M & H heeft de vertegenwoordiger van SYNGENTA SEEDS een teeltschema opgesteld, maar daarbij werd vermeld dat dit schema afwijkingen toeliet bij plaatselijke teelt- en weersomstandigheden, de klant de planning kan toepassen overeenkomstig zijn kennis en ervaring en de klant SYNGENTA SEEDS niet aansprakelijk kan houden voor het gebruik van de planning (stuk 8 bundel geïntimeerde). Met andere woorden noch uit de folder noch uit het advies inzake zaai- en plantschema kan er afgeleid worden dat de vorstbestendigheid van de zaden werd gegarandeerd of voorgespiegeld. Besluit Getoetst aan de bepalingen van het CISG kan niet geconcludeerd worden dat de door SYNGENTA SEEDS geleverde zaden niet zouden beantwoorden aan de overeenkomst en/of SYNGENTA SEEDS tekort is geschoten aan de verplichting inzake garantie dat de zaden geschikt zullen blijven voor het doel waarvoor zij bestemd zijn, dan wel nader aangegeven hoedanigheden of kenmerken zouden behouden. Het hoger beroep inzake 2005/AR/1208 faalt. De oorspronkelijke vordering blijft ongegrond. Het vonnis a quo wordt bevestigd. OM DEZE REDENEN HET HOF Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni
  10. Voegt de zaken gekend onder 2005/AR/1207 en 2005/AR/1208 samen. Verklaart het hoger beroep inzake 2005/AR/1207 toelaatbaar doch ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis d.d. 25 juni
  11. Verkaart het hoger beroep inzake 2005/AR/1208 toelaatbaar doch ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis d.d. 24 februari
  12. Verwijst appellante in de kosten van de hoger beroepen aan de zijde van geïntimeerde volgens opgave in conclusie vereffend op 485,87 euro rechtsplegingsvergoeding. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van TWAALF NOVEMBER TWEEDUIZENDZEVEN, waar aanwezig waren : de Heer P. RENAERS Voorzitter de Heer P. DE BAETS Raadsheer Mevrouw A. PEETERS Raadsheer Mevrouw M. VAN AMMELEN Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071112.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.