id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071122.5 Rolnummer: 846 P 2007 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2007-12-03 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 16:23 Fiche
- Het bestreden vonnis wordt nietig verklaard, omdat het behept is met een tegenstrijdigheid in zijn motivering.
- Dat de opeenvolging van deze onderscheiden feiten zich in een zeer korte tijd en zelfs in fracties van seconden heeft afgespeeld is irrelevant. Het staat vast dat beklaagde zich nog de mogelijkheid en de tijd heeft gegund om zich op een zitbank te hijsen en om zich vast te grijpen alvorens de tegen zijn persoon gerichte zware gewelddaad af te weren, aangenomen dat door het slachtoffer een zware gewelddaad werd gepleegd. Beklaagde heeft dan ook niet gehandeld onder de onmiddellijke dwang van woede of verbijstering veroorzaakt door zware gewelddaden. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtvaardiging en verschoning - Uitlokking STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Vonnis - Nietigheid Vrije woorden:
- Tegenstrijdigheid in de motivering - Nietigheid vonnis
- Verschoning door uitlokking - Onmiddellijk Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 411 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, te Antwerpen, veertiende kamer (...)
- Het bestreden vonnis wordt nietig verklaard, omdat het behept is met een tegenstrijdigheid in zijn motivering. Het stelt immers vast dat enerzijds de door beklaagde toegebrachte slagen verschoonbaar zijn door uitlokking (artikel 411 van het Strafwetboek) en dat anderzijds het slachtoffer geen fout heeft begaan. Anders dan de eerste rechter oordeelde is het uitgesloten dat deze verschoningsgrond zou spruiten uit een omstandigheid die niet een fout impliceert begaan door de dader van de zware gewelddaden tegen personen, in casu het slachtoffer. De strafvordering.
- Het behoort de omschrijving van het ten laste van beklaagde gelegde feit, met behoud van plaats- en tijdsaanduiding, als volgt te preciseren: "Met voorbedachten rade, opzettelijk slagen of verwondingen te hebben toegebracht aan G. D.M.(...), met de omstandigheid dat de slagen of verwondingen werden toegebracht zonder het oogmerk om te doden maar toch de dood hebben veroorzaakt". Van deze precisering werd beklaagde in kennis gesteld en hij heeft zich erop kunnen verdedigen. Deze verbetering raakt niet aan de ten laste gelegde feiten.
- De schuld van beklaagde aan de hem ten laste gelegde feiten is door het strafonderzoek, en het onderzoek ter terechtzitting bewezen gebleven, uitgezonderd de voorbedachtheid.
- Beklaagde betwist niet het slachtoffer te hebben geslagen, en met name "een stamp vol op de borst...ter hoogte van het borstbeen" te hebben toegebracht, en dit te hebben gedaan "met mijn rechterbeen" (verklaring van beklaagde, stuk 401 van het strafdossier).
- Verder is het bewezen dat deze slag de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt, zoals bedoeld in artikel 401 van het Strafwetboek. Beklaagde betwist het oorzakelijk verband tussen de door hem toegebrachte slagen en het overlijden van het slachtoffer niet meer en het Hof verwijst naar de deskundige vaststellingen, waarvan onder meer ter terechtzitting van de eerste rechter van 1 juni 2007 getuigenis werd afgelegd (stuk 748 van het strafdossier).
- Beklaagde houdt wel voor zich te kunnen beroepen op de strafverminderende verschoningsgrond van uitlokking, zoals omschreven in artikel 411 van het Strafwetboek, en met name: "Doodslag, verwondingen en slagen zijn verschoonbaar, indien ze onmiddellijk worden uitgelokt door zware gewelddaden tegen personen". Het staat vast dat het slachtoffer beklaagde ter hoogte van de keel heeft vastgegrepen, waarna beklaagde het slachtoffer heeft gestampt ter hoogte van de borst en het aangezicht. Deze stamp is evenwel niet onmiddellijk uitgelokt door zware gewelddaden tegen personen, aangenomen dat het vastgrijpen van beklaagde ter hoogte van de keel in casu als een zware gewelddaad tegen personen dient te worden beschouwd. Op het ogenblik dat het slachtoffer beklaagde had vastgegrepen werd hem door een andere jongere een slag toegebracht. Beklaagde verklaarde zelf: "Na die eerste vuistslag heeft de man mij losgelaten". Vervolgens is beklaagde op de zitbank gaan staan en heeft hij zich vastgegrepen aan een steunbuis in de bus om de betrokken stamp aan het slachtoffer te kunnen toedienen. (cfr. de verklaringen van beklaagde zelf (stukken 401, 481-483 van het strafdossier)). Dat de opeenvolging van deze onderscheiden feiten zich in een zeer korte tijd en zelfs in fracties van seconden heeft afgespeeld is irrelevant. Het staat vast dat beklaagde zich nog de mogelijkheid en de tijd heeft gegund om zich op een zitbank te hijsen en om zich vast te grijpen alvorens de tegen zijn persoon gerichte zware gewelddaad af te weren, aangenomen dat door het slachtoffer een zware gewelddaad werd gepleegd. Beklaagde heeft dan ook niet gehandeld onder de onmiddellijke dwang van woede of verbijstering veroorzaakt door zware gewelddaden. De overige overwegingen van beklaagde en van de burgerlijke partijen met betrekking tot deze verschoningsgrond dienen door het Hof niet verder te worden onderzocht, nu zij niet alsnog tot verschoning kunnen leiden en evenmin een ruimere verwerping van deze verschoningsgrond tot gevolg kunnen hebben.
- De hierna aan beklaagde opgelegde bestraffing is gepast, rekening houdende met de ernst van de feiten, met het blanco strafregister van beklaagde, met zijn zeer jonge leeftijd en met zijn persoonlijkheid, zoals toegelicht in conclusie en zoals die blijkt uit het eindverslag VOV, uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de ter terechtzitting overgelegde stukken. Beklaagde blijkt een begin van spijt te betonen. De reeds ondergane voorhechtenis en de motieven die hierbij werden aangenomen zijn in casu thans geen element dat bij het bepalen van de strafmaat in rekening dient te worden gebracht. De verwijzing door beklaagde naar de politieke motieven die bij de handhaving van zijn voorhechtenis zouden hebben gespeeld, is onduidelijk en onvoldoende bepaalbaar om in rekening te kunnen worden gebracht bij het bepalen van de strafmaat. Het komt overigens thans het Hof niet toe de redengeving van de onderzoeksgerechten bij de handhaving van de voorlopige hechtenis te beoordelen. Dat uiteraard ook beklaagde met de gevolgen van de door hem gepleegde feiten zal dienen te leven neemt het Hof evenmin in aanmerking bij de beoordeling van de strafmaat. Beklaagde kan bezwaarlijk als het slachtoffer van de door hem gepleegde feiten worden beschouwd. Deze door beklaagde in conclusie gemaakte overweging kan onmogelijk leiden tot vermindering van de op te leggen straf.
- Het staat op grond van de voorliggende onderzoeksgegevens vast dat beklaagde nog niet werd veroordeeld tot een criminele straf of een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden. Een uitstel van de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf, uitgezonderd een gedeelte dat overeenkomt met de duur van de voorlopige hechtenis die beklaagde heeft ondergaan, komt gepast voor. Een bijkomende vrijheidsberoving zou het proces van reclassering in het gedrang brengen: hij is thans een regelmatige leerling aan het X Instituut te Y en was tewerkgesteld als uitzendkracht gedurende de vakantieperiode.
- Het behoort evenwel de proeftermijn te bepalen op vijf jaar. Het is noodzakelijk de dreiging van een straf gedurende deze maximale termijn te behouden om met succes herval te kunnen uitsluiten, gelet op de persoonlijkheid van beklaagde zoals die is gebleken bij het onderzoek ter terechtzitting. Het Hof verwijst ook naar het eindverslag VOV (stuk 741 van het strafdossier).
- Het komt tevens gepast voor de hierna omschreven probatievoorwaarden te verbinden aan de hem verleende gunst van het uitstel, teneinde beklaagde te ondersteunen in zijn reclassering. Beklaagde heeft zijn instemming met deze probatie betuigt (stuk 748 zijnde het proces-verbaal van terechtzitting van 1 juni 2007 van de correctionele rechtbank). (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071122.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.