id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 29 november 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071129.1 Rolnummer: 233 P 2007 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2007-12-03 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-02 16:25 Fiche Artikel 84, eerste lid van de Wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument (WHPC) verbiedt te verkopen door een beroep te doen op een methode van kettingverkoop, die erin bestaat een netwerk van al dan niet professionele verkopers op te bouwen, waarbij iedereen enig voordeel verhoopt, meer door de uitbreiding van dat net dan door de verkoop van de producten of van diensten aan de consument, en ongeacht het uiteindelijk behaalde voordeel. Geen bijzonder opzet is vereist. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - HANDELSPRAKTIJKEN - Verkoopstechnieken - Kettingverkoop of pyramideverkoop Vrije woorden: Handelspraktijken - Kettingverkoop - Definitie - Geen bijzonder opzet Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1991 - 84 Nota: Het cassatieberoep werd op 20 mei 2008 verworpen (Cass. 20 mei 2008 P.08.0007.N) Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, te Antwerpen, veertiende kamer (...) In rechte. Artikel 84, eerste lid van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument verbiedt te verkopen door een beroep te doen op een methode van kettingverkoop, die erin bestaat een netwerk van al dan niet professionele verkopers op te bouwen, waarbij iedereen enig voordeel verhoopt, meer door de uitbreiding van dat net dan door de verkoop van de producten of van diensten aan de consument. De deelneming met kennis van zaken aan dergelijke verkopen is eveneens verboden. Beklaagde wordt vervolgd als organisator van het systeem. Het aan beklaagde ten laste gelegde misdrijf vereist geen bijzonder opzet (cfr. tevens artikel 105 van de wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument). Aldus wordt ter zake vereist en volstaat dat er in hoofde van de dader een algemeen opzet aanwezig is, dit is het opzet om wetens en willens de strafrechtelijk verboden handeling te stellen. De, onder verwijzing naar artikel 52 van de oude wet van 14 juli 1971 op de handelspraktijken -waarbij het houden van verkopen volgens het zogenaamde "sneeuwbalprocédé" of volgens soortgelijke procédés werd verboden, en de overtreding ervan bij toepassing van artikel 63 van deze wet was strafbaar gesteld met de bij artikel 496 van het Strafwetboek (oplichting) bepaalde straffen- door beklaagde geponeerde stelling, namelijk dat de wetgever in artikel 84 van de wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument een bijzondere vorm van oplichting heeft strafbaar gesteld, omschreven als kettingverkoop, en dat het te dezen geviseerde misdrijf derhalve een bijzonder opzet vereist, namelijk het oogmerk om zich een zaak toe te eigenen die aan een ander toebehoort, kan door het Hof niet worden bijgetreden. Deze vereiste blijkt niet uit de tekst van artikel 84 van de wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument noch uit de parlementaire voorbereiding van de huidige wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument. Ook de verdere verwijzingen door beklaagde in beroepsconclusie naar de parlementaire voorbereidingen van artikel 52 van de wet betreffende de handelspraktijken van 1971 en/of van artikel 84 van de van de wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument van 1991 alsmede naar de desbetreffend aangehaalde rechtspraak en/of rechtsleer doen hieraan geen afbreuk. De wetgever heeft in artikel 84 van de wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument aan het begrip "kettingverkoop" een eigen definitie gegeven en het is derhalve aan deze definitie dat het door beklaagde opgezette netwerk van verkopers dient getoetst te worden. De argumentatie van beklaagde dat er in casu in haren hoofde geen sprake is van oplichting, kwade trouw of bedrog, alsmede alle verdere daaraan gerelateerde beschouwingen, zijn derhalve irrelevant. De constitutieve bestanddelen van het geviseerde misdrijf. Het opbouwen van een netwerk van verkopers. Zoals hierboven uiteengezet werd door beklaagde een netwerk opgebouwd van al dan niet professionele verkopers, netwerk dat een hiërarchisch karakter vertoont. De omstandigheid dat iedereen in dit netwerk enig voordeel verhoopt, meer door de uitbreiding van dat net dan door de verkoop van de producten of van diensten aan de consument. Deze vereiste houdt in dat elk lid van het netwerk van verkopers-leden die gezamenlijk de in artikel 84 van de wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument bedoelde "iedereen" uitmaken- meer voordeel moet "verhopen" uit de uitbreiding van het netwerk als dusdanig, namelijk door het enkele feit dat door zijn toedoen een nieuw lid in het netwerk wordt ingeschakeld, dan uit de verkopen aan de consument die het gevolg zullen zijn van deze uitbreiding. Artikel 84 van de wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument heeft het niet over de "loutere" uitbreiding van het netwerk. Het sluit de mogelijkheid van het verhopen van enig voordeel zowel uit de verkoop als uit de uitbreiding van het netwerk niet uit en maakt evenmin enig onderscheid naargelang de hoegrootheid van het verschil in voordeel of naargelang de wijze waarop de uitbreiding van het netwerk plaatsvindt. Het gebruik in artikel 84, eerste lid van de wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument van het woord "verhoopt" duidt op het koesteren van de verwachting dat iets dat men wenst of begeert -in artikel 84 van de wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument aangeduid als "enig voordeel"- doch dat nog onzeker is en in de toekomst ligt, werkelijkheid zal worden (cfr. tevens van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, ed. 1999, onder de trefwoorden " hoop", "hopen" en "verhopen"). Gelet op de bewoordingen van artikel 84, eerste lid van de wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument dient de afweging waartoe dit artikel aanleiding geeft (meer door ... dan door ...) te geschieden vanuit het perspectief van de verkopers, te dezen de X-vertegenwoordigers, en is de inkomstenverwachting van X, de exploitant van het verkoopssysteem hieraan volledig ondergeschikt. Beklaagde voert aan dat indien alle vertegenwoordigers meer voordeel zouden "beogen en behalen" uit de uitbreiding van het netwerk, de som van al hun individuele inspanningen nooit zou kunnen leiden tot het in de jaren 2003 tot en met 2006 door "X" gerealiseerd globaal resultaat, waarbij 90% (of meer) van de inkomsten van "X" voortvloeide uit de verkoop en slechts 10% uit de bijdragen van de vertegenwoordigers. In de context van de thans voorliggende problematiek gaat beklaagde ter zake evenwel ten onrechte voorbij aan de omstandigheid dat de voormelde afweging, zoals gezegd, dient te geschieden vanuit het perspectief van de verkopers en hetgeen zij bij hun toetreding tot het systeem "verhoopten", zijnde een verwachting naar de toekomst toe en ongeacht het uiteindelijk "behalen". Daarenboven en ten overvloede dienen de door beklaagde, onder verwijzing naar de verslagen van de bedrijfsrevisor (...) de dato 2 november 2006 en de dato 28 augustus 2007 (cfr. stukken 13, respectievelijk 19 van beklaagde), ingeroepen cijfers met betrekking tot de inkomsten van X, zijnde de moedervennootschap van beklaagde, uit de verkoop van beltijd over de voormelde jaren, met enige omzichtigheid te worden benaderd, nu door deze bedrijfsrevisor in voormelde verslagen met betrekking tot de "aard en reikwijdte van de verrichte werkzaamheden" telkens werd opgemerkt: "De opdracht houdt in dat op het cijfermateriaal van X over de boekjaren 2003 en 2004 (respectievelijk 2005 en 2006) geen accountantscontrole is toegepast en dat evenmin een beoordelingsopdracht is uitgevoerd. Een en ander impliceert dat aan onze rapportage geen zekerheid kan worden ontleend omtrent de getrouwheid van het cijfermateriaal over de boekjaren 2003 en 2004 (respectievelijk 2005 en 2006) van X". Zoals gezegd is dit "cijfermateriaal" trouwens om de voormelde redenen in wezen irrelevant voor de beoordeling van het systeem in het licht van voormeld artikel 84. Nu uit de algemene in artikel 84 van de wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument opgenomen bewoordingen "... dan door de verkoop van de producten of van diensten aan de consument" generlei precisering blijkt met betrekking tot het aspect "door wie" die verkoop moet geschieden, dient te worden aangenomen dat bij de voormelde afweging niet alleen de eigen verkopen doch ook de "voordelen" uit de verkopen gerealiseerd door de onder de vertegenwoordiger (op een lager "niveau") staande verkoper(
- s)in aanmerking dienen te worden genomen. Verder dient een en ander en, onder meer, het aspect van het "verhopen van enig voordeel" te dezen mede beschouwd tegen de achtergrond van de wijze waarop beklaagde in de publicaties en presentaties (verkoopsmeetings), verbonden aan haar organisatie, en die klaarblijkelijk in essentie gericht waren op het aantrekken van nieuwe verkopers, onder meer, via het verkondigen van, volgens beklaagde "eerder op Amerikaanse leest geschoeide" succesverhalen, in overwegende mate de mogelijkheid van het door de verkopers, middels het opklimmen in het systeem, te bereiken financiële succes bespeelde en aldus voornamelijk de nadruk legde op het te verhopen voordeel uit de uitbreiding van het netwerk van verkopers. (cfr. de door de burgerlijke partij voorgebrachte afdruk van de website van beklaagde en het proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder Jan Weyns met betrekking tot de presentatie "Super Sunday" door X op 5 december 2004, proces-verbaal waaromtrent uit geen der in het dossier vervatte gegevens kan vastgesteld of aannemelijk gemaakt worden dat het op enigerlei selectieve en/of niet-objectieve wijze zou zijn opgesteld). Algemene (kwalitatieve) analyse van het systeem. Uit het geheel van de in het dossier vervatte feitelijke gegevens blijkt: - dat voor elke in het systeem opererende vertegenwoordiger (verkoper) de promotie naar een hogere positie de doorslaggevende doelstelling was. - dat deze promotie leidde tot het verwerven van steeds hogere commissies en bonussen op de prestaties die door de nieuw aangeworven verkopers binnen de eigen "boomstructuur" en zijn "vertakkingen" werden geleverd. - dat de inkomsten uit de verkoop van telefoonabonnementen daarbij veeleer secundair waren (cfr. onder meer de presentatie van het X-verkoopssysteem zoals uiteengezet op de X-website, het voormelde proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder J. Weyns en de benamingen voor de diverse categorieën van vertegenwoordigers, die mede wijzen op het overwegende belang dat werd gehecht aan de uitbouw van en het promoveren in het netwerk). - dat de percentages die de vertegenwoordiger als "persoonlijke commissies" op de gesprekskosten ontving, zijnde het enige inkomen dat afhankelijk was van de zelfstandige verkoop van belminuten door de betrokken verkoper, eerder laag en volstrekt ondergeschikt waren aan de commissies en bonussen die de vertegenwoordiger kon verdienen middels zijn promotie naar een hogere positie, hetgeen enkel kon gerealiseerd worden door de uitbreiding van het netwerk met nieuwe verkopers. - dat het geviseerde verkoopssysteem ongetwijfeld het risico van "marktverzadiging" met zich bracht, nu in de mate dat de verkopers later in de tijd tot het systeem toetraden, en ook al hadden de commissies op de verkochte beltijd een repetitief (jaarlijks) karakter in het geval de klanten beltijd bleven verbruiken, de verkopers niettemin steeds meer zouden geconfronteerd worden met een problematischer wordende recuperatie van de gedane investering, vermits iedere klant van X uiteraard slechts éénmaal kon worden aangetrokken. - dat zulks des te meer gold nu, zoals reeds gezegd, in het geviseerde systeem de enige toegelaten methode van klantenwerving bestond in het rechtstreeks en persoonlijk contacteren van personen met wie de verkoper een persoonlijke, zakelijke, sociale of andere relatie had (familieleden, collega's, vrienden, kennissen), hetgeen de omvang van het op directe wijze op te bouwen klantenbestand en het eraan verbonden "inkomen" noodzakelijkerwijze beperkte en ertoe noopte om op indirecte wijze zijn klantenbestand uit te breiden, hetgeen enkel mogelijk was middels het aantrekken van nieuwe verkopers die op hun beurt personen in hun relationele kring konden aanspreken, en waarbij de aanwervende verkoper slechts een geringe commissie ontving op de beltijd verbruikt door de klanten aangebracht door de aangeworven verkoper. (cfr. hierboven onder de rubriek "bronnen van inkomsten van de X-vertegenwoordiger" en het X-compensatieschema). - dat aldus de vertegenwoordigers, op welk hiërarchisch niveau ook zij zich bevonden, enkel een groter voordeel konden verhopen door het netwerk van verkopers uit te breiden en aldus op te klimmen in de hiërarchie. Kwantitatieve analyse van het systeem. Uit de cijfermatige analyse, gemaakt door de Algemene Directie Controle en Bemiddeling van de F.O.D. Economie, K.M.O., Middenstand en Energie (kaft 1/2 - subkaft 2 - stukken 2/91 tot en met 2/104), blijkt dat, zelfs wanneer abstractie wordt gemaakt van de aanvangsinvestering (549,00 euro plus BTW en sedert 1 september 2004, 399,00 euro plus BTW) en van de andere bedrijfskosten van de vertegenwoordiger, het quasi onmogelijk was om louter door middel van de commissies op de verkochte beltijd meer voordeel te verhopen dan door de uitbreiding van het netwerk. De omstandigheid dat de wet niet voorschrijft binnen welke tijdspanne een vertegenwoordiger zijn aanvangsinvestering moest terugverdienen, doet hieraan in wezen geen afbreuk. Aldus bleek een "Team Trainer" met 38 persoonlijke klanten 228,00 euro per jaar te verdienen (38 x 25,00 euro per maand = 950,00 euro x 2% commissie = 19,00 euro commissie per maand x 12 = 228,00 euro per jaar). Verder verwijst het Hof naar de door de burgerlijke partij in beroepsconclusie (onder meer pagina's 24 en 25) gemaakte cijfermatige analyses met betrekking tot de posities van Team Trainer, Executive Team Trainer en Team Coordinator, gebaseerd op de door beklaagde in haar "X Compensatieschema België" (BE/NL-CP-001) beschreven typesituaties en hierbij telkens uitgaand van twee varianten, zoals door de burgerlijke partij omschreven op pagina 22 (aanhef) van haar beroepsconclusie. Deze analyses beantwoorden wel degelijk aan de door artikel 84, eerste lid, van de wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument voorgeschreven "afweging" (cfr. supra "meer door ... dan door ..."), nu hierbij rekening wordt gehouden: - enerzijds, met de inkomsten uit de verkoop van belminuten aan de consument, hierbij zowel de "persoonlijke" commissies als de "up line" commissies in aanmerking nemend, dit wil zeggen zowel de inkomsten die de X-vertegenwoordiger kon betrekken uit het belgedrag van de zelf aangeworven klanten als deze die hij ontving uit het belverkeer van klanten van X-vertegenwoordigers binnen het eigen netwerk van verkopers, en - anderzijds, met de inkomsten uit de uitbreiding van het netwerk van verkopers van de X-vertegenwoordigers, namelijk de zogenaamde "klantenwervingsbonussen", die los staan van "de verkoop van belminuten" aan de consument en verbonden zijn met de voorwaarden van het rekruteren binnen het eigen netwerk van verkopers van telkens nieuwe vertegenwoordigers die zich moeten "kwalificeren" om voor de "sponsorende" X-vertegenwoordiger een klantenwervingsbonus te genereren en van het aantrekken, binnen de aldus opgezette structuur, van een bepaald minimum aantal verkopers. Uit wat voorafgaat blijkt: - dat de leden van het netwerk van verkopers (zijnde de "iedereen" zoals bedoeld in artikel 84, eerste lid van de wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument) hoe dan ook meer voordeel konden "verhopen" door de uitbreiding van het netwerk van verkopers dan door de verkoop aan de consument. - dat, zelfs indien -ook al stelde beklaagde desbetreffend geen quota- wordt aangenomen dat de klantenwervingsbonussen gepaard gingen met consumptie van belminuten, zulks niet wegneemt dat het verwerven ervan hoe dan ook afhankelijk bleef van de uitbreiding van het (eigen) net, vermits de X-vertegenwoordiger deze inkomsten niet kon bekomen door zelf verkopen aan de consument te realiseren. Ook wanneer, naast de "downline bonussen", rekening wordt gehouden met de "rechtstreekse bonus", zoals geïntroduceerd door beklaagde per 1 september 2004 (cfr. supra) en aldus nog relevant zijnde voor een beperkt gedeelte van de incriminatieperiode (lopende tot en met 15 september 2004), doet zulks in essentie geen afbreuk aan de voormelde vaststellingen en de erop gebaseerde besluitvorming. Het samen beschouwen van de desbetreffende bedragen (cfr. supra), de niet bepaald soepele voorwaarden waaronder deze bonus kon bekomen worden (persoonlijk werven door de verkoper van tien, respectievelijk twintig klanten binnen de dertig dagen na zijn toetreding) en het éénmalig karakter ervan, is van die aard dat deze bonus slechts in beperkte mate kon bijdragen tot het verwachtingspatroon van de verkoper met betrekking tot het te verhopen voordeel uit de verkoop aan de consument. De door beklaagde op pagina 21 tot en met 25 onder de randnummers 24 tot en met 33 van haar beroepsconclusie aangehaalde kenmerken, die in de thesis van beklaagde wezenlijk zouden zijn voor de verboden kettingverkoop (zoals de onverkoopbaarheid van de producten of diensten of de exorbitant hoge inbreng), vormen geen constitutief bestanddeel van het haar ten laste gelegde misdrijf. Samenvattend blijkt aldus uit het geheel van de in het dossier vervatte feitelijke gegevens dat beklaagde X, naast de commissies op de opgenomen gesprekstijd -en zulks ongeacht of de klant door de verkoper zelf dan wel door een door hem aangeworven verkoper werd aangebracht- tevens vergoedingen toekende die enkel konden bekomen worden door verkopers die zelf één of meer andere verkopers hebben aangeworven en die als hoog te bestempelen zijn in verhouding tot de commissies op de gesprekstijd. Uit de voormelde "afweging" blijkt dat de balans met betrekking tot het "te verhopen voordeel" duidelijk overhelt naar de voordelen die enkel kunnen verworven worden door de verkoper die zijn net heeft uitgebreid. De vaststelling dat de deelnemers aan het netwerk van verkopers meer inkomsten konden verwachten van de uitbreiding van het netwerk dan van de verkopen, is geenszins onlogisch, vermits het er beklaagde om te doen was zoveel mogelijk abonnees te verwerven, hetgeen beklaagde, in het door haar gehanteerde systeem van "relatiemarketing- technieken" (cfr. supra) enkel kon bereiken middels het actief opereren van een uitgebreid netwerk van verkopers. Er bestond wel degelijk een zeker risico van "marktverzadiging", nu het netwerk van verkopers gericht was op steeds verdere uitbreiding doch de mogelijkheid tot het aantrekken van nieuwe consumenten geenszins onbeperkt was, vermits iedere X-klant slechts éénmaal kon aangetrokken worden en, in de regel, al zijn opnames van gesprekstijd uit hoofde van dit ene contract verrichtte, en de verkopers, die hun voordeel verwachtten uit het opzetten van een netwerk, op het tijdstip waarop zij tot het systeem toetraden, niet konden inschatten in welke mate zij nog in staat zouden zijn een eigen netwerk van verkopers te vormen. De omstandigheid dat de op te nemen gespreksduur in se "zich herhalende aankopen" vormde (cfr. pagina 24 beroepsconclusie beklaagde: "... wie een telefoonaansluiting heeft neemt maandelijks bijkomende diensten af door telkens opnieuw ... te telefoneren") doet hieraan geen afbreuk. Beklaagde toont niet aan noch maakt geloofwaardig dat zij te dezen zou gehandeld hebben ingevolge onoverwinnelijke dwaling of overmacht. Uit hetgeen hierboven werd uiteengezet en, onder meer, uit de wijze waarop beklaagde haar systeem ten aanzien van de verkopers aanprees, blijkt dat beklaagde, die als professionele actor in de betrokken sector op de hoogte was of diende te zijn van de desbetreffende Belgische regelgeving, hierbij duidelijk speculeerde op de wervende kracht ten aanzien van de kandidaat-vertegenwoordigers van de vooral door de uitbreiding van het netwerk, waarin zij toetraden, te verhopen voordelen, hetgeen een wezenlijk element vormde van het door beklaagde aangeprezen en gehanteerde systeem. Ook de overige door beklaagde in beroepsconclusie aangevoerde argumenten, zoals onder meer: - de omstandigheid dat geen enkele vertegenwoordiger van beklaagde zich in casu burgerlijke partij heeft gesteld, - de omstandigheid dat beklaagde lid is van diverse "Direct Selling Associations" (Directe Verkoop Organisaties) die waken over de goede naam van hun sector en de correcte werking van hun leden, en dat beklaagde op grote schaal actief is in vele landen, - met betrekking tot de Richtlijn 2005/29/EG van 11 mei 2005 ("Richtlijn Handelspraktijken"), - met betrekking tot de verwijzingen naar het arrest van het Hof van Beroep te Brussel de dato 16 september 1998 (de "Amway-zaak"), - met betrekking tot de in artikel 105 van de wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument bepaalde straffen bij niet-naleving van artikel 84 van de wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, straffen die "zwaar" zijn in relatie tot de strafmaat bij niet-naleving van alle andere bepalingen van de wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument. - met betrekking tot het advies van Professor J. Stuyck en de verwijzingen naar buitenlandse rechtspraak en naar cijfergegevens van "X Nederland", - met betrekking tot de wijze waarop beklaagde haar vertegenwoordigers inlichtte nopens de aard van de te verwachten inkomsten en de werking van het verkoopssysteem, zijn, afzonderlijk dan we in hun geheel beschouwd, niet van aard afbreuk te doen aan voormelde besluitvorming. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071129.1 Gerelateerde publicatie(
- s)Link JUSTEL: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080520.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div