id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 december 2007 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071224.6 Rolnummer: 2003A1501 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-07-19 Raadplegingen: 159 - laatst gezien 2026-07-02 16:33 Fiche
- De wet van 27 juli 1961 regelt enkel de eenzijdige opzegging zonder foutmotief en raakt niet aan het gemeen recht bij wanprestatie. Partijen kunnen bijgevolg op perfect geldige wijze bepalen welke feiten een voldoende ernstige tekortkoming uitmaken om de ontbinding van de overeenkomst door toepassing van de sanctie van artikel 1184 B.W. te rechtvaardigen.
- Wanneer gebruik gemaakt wordt van een uitdrukkelijk ontbindend beding en de gegrondheid van de daaruit volgende verbreking betwist wordt, vermag de rechter die het geschil dient te beoordelen, in beginsel noch de fout, noch de ernst van het ingeroepen en bewezen feit na te gaan. De beoordeling van de rechter blijft beperkt tot een controle op de geldigheid van het uitdrukkelijk ontbindend beding, op de vereniging van de voorwaarden voor de toepasselijkheid van het beding en op de gevolgen en de draagwijdte van de ontbinding. De rechter oefent hierbij slechts een marginale redelijkheidstoetsing uit. Enkel in geval van onduidelijke of vaag opgestelde bepalingen zal aan de rechter eveneens een controlebevoegdheid a posteriori toekomen.
- Naast de marginale redelijkheidstoets in het kader van de controle op de geldigheid van het uitdrukkelijk ontbindend beding, beschikt de rechter ook over een controle a posteriori op grond van artikel 1134 lid 3 BW. waarbij de uitoefening van dit beding aan de voorwaarden van de goede trouw zullen getoetst worden. De redelijkheid en de billijkheid van een uitdrukkelijk ontbindend beding kunnen achteraf door de rechter getoetst worden in het kader van het verbod op rechtsmisbruik. Enkel bij manifest of kennelijk de grenzen te buiten gaan van de normale uitoefening van een recht door een voorzichtig en bezorgd persoon, mag de rechter matigend optreden, waarbij slechts een marginale toetsing van toepassing is UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - TUSSENPERSONEN (HANDEL) - Concessie Vrije woorden: Concessie van alleenverkoop - uitdrukkelijk ontbindend beding
- geldigheid
- geldigheid, voorwaarden en gevolgen van het beding - marginale redelijkheidstoets door rechter
- a posteriori controle uitoefening ter goede trouw - verbod op rechtsmisbruik - marginale toetsing - matiging Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIERDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen : In zake : 2003/AR/1501 : N.V. GENERAL MOTORS BELGIUM, voorheen NV OPEL BEL-GIUM, met maatschappelijke zetel te 2030 Antwerpen, Noorder-laan 401, Haven 500, met ondernemingsnummer 0404.957.875; appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen d.d. 18 juli 2002; vertegenwoordigd door Meester E. Janssens, advocaat te 2000 Antwerpen, Louizastraat 32 bus 1; tegen :
- B.V.B.A. AUTO GARAGE NOVA, met maatschappelijke zetel te 3800 Sint-Truiden, Staaien 20, met ondernemingsnummer 0400.946.035;
- C.F., bestuurster van vennootschappen, wonende te 3800 Sint-Truiden, Staaien 20;
- - C. F., voornoemd; - A. G., arts, wonende te 1300 Wavre, rue du Progrès 7 b 11; - Al. G., studente, wonende te 3800 Sint-Truiden, Staaien 20; - E. G., studente, wonende te 3800 Sint-Truiden, Staaien 20; - geïntimeerde sub 3 het geding hernemend en verder zettend namens de heer J.G. overleden op 4.8.06 - geïntimeerden vertegenwoordigd door Meester J. Lambers, advocaat te 1000 Brussel, Ernest Allardstraat 35 en door Meester L. Devos, advo-caat te 1050 Brussel, Louizalaan 385 b 1; * * * * * * * De door de wet vereiste procedurestukken worden overlegd o.m. het op tegenspraak gewezen vonnis van de rechtbank van koop-handel te Antwerpen d.d. 18 juli 2002, waartegen hoger beroep werd ingesteld door middel van een verzoekschrift neergelegd op 28 mei
- Het vonnis werd betekend op 29 april
- Het hoger beroep is naar vorm en termijn regelmatig. Het is ontvankelijk. Geïntimeerde stelt incidenteel beroep in. Er zijn geen opmerkin-gen aangaande de toelaatbaarheid van het incidenteel beroep. Ook het incidenteel beroep van geïntimeerde is toelaatbaar. I. Bij exploot d.d. 2 juni 1998 dagvaardden de BVBA Auto-Garage Nova en de heer en mevrouw J. en C.G.-F.(thans geïntimeerden na gedinghervatting) de rechtsvoorgangster van de NV General Motors Belgium (huidig appellante) teneinde: - voor recht te horen verklaren dat huidig appellante in juni 1987 ten onrechte een concessieovereenkomst met huidig eerste geïntimeerde onmiddellijk heeft verbroken op grond van grove tekortkomingen; - huidige appellante te veroordelen om aan huidig eerste geïntimeerde te betalen de som van 39.036.762 BEF of 967.696,74 EUR provisioneel ten titel van billijke opzeggingsver-goeding; - de som van 19.518.381 BEF of 483.848,37 EUR provisio-neel ten titel van meerwaarde inzake cliënteel; - de som van 3.967.699 BEF of 98.356,69 EUR provisioneel ten titel van rouwgeld; - 1 BEF of 0,02 EUR provisioneel ten titel van verloren kos-ten en investeringen; - 10.000.000 BEF of 250.000 EUR ten titel van morele scha-devergoeding; meer de vergoedende intresten op de respectievelijke bedragen sedert 17 juli 1987 tot op de datum van de uitspraak en meer de gerechtelijke intresten nadien; Huidig tweede en derde geïntimeerde vorderden tevens de ver-oordeling van huidig appellante tot betaling aan hen van een pro-visionele vergoeding van 5.000.000 BEF of 125.000 EUR ten titel van morele schadevergoeding, meer de vergoedende intresten vanaf 17 juli 1987 tot op datum van de uitspraak en de gerechte-lijke intresten nadien. Huidig geïntimeerden vorderden tevens de aanstelling van een gerechtsdeskundige teneinde de definitieve schadevergoedingen te begroten. II. De feiten en retroacten werden zeer nauwkeurig weergegeven in het vonnis a quo (pag. 2-4). Het Hof verwijst ernaar en maakt de uiteenzetting der feiten tot de zijne. De feiten liggen als volgt voor: - Eerste geïntimeerde verdeelde de wagens van het merk Opel sedert 1932 in de regio Sint-Truiden en was sinds 1949 offi-cieel Opel dealer. Tweede en derde geïntimeerde waren aandeel-houders van eerste geïntimeerde en de achterman van eerste geïntimeerde. - Huidig appellante is producent van personenwagens van het merk Opel. - Vanaf 1979 exporteerde huidig eerste geïntimeerde wa-gens naar Duitsland en dit met het oog op verkoop van perso-nenwagens aan eindgebruikers die aankochten middels een tus-senpersoon. - Partijen sloten vanaf 1982 schriftelijke concessiecontracten telkenmale voor een periode van 5 jaar. - In 1982 sloot huidig appellante een eerste overeenkomst met huidige eerste geïntimeerde. Artikel 2.4.
- van deze overeen-komst bepaalde : "De dealer erkent dat de behoeften van klanten met betrekking tot de verkoop en service van motorvoertuigen het beste kunnen worden gediend door erkende dealers voor motor-voertuigen en officiële servicebedrijven. Daarom verplicht de dea-ler zich om geen nieuwe motorvoertuigen te verkopen aan weder-verkopers die niet voor de verkoop van motorvoertuigen zijn er-kend door de vennootschap of één der met haar verwante ven-nootschappen." - Bij schrijven van 27 november 1986 meldde huidig appel-lante aan huidig eerste geïntimeerde dat de controle van de boe-ken van huidig geïntimeerde en verder onderzoek het bewijs hadden opgeleverd dat huidig geïntimeerde wagens had ver-kocht in overtreding met haar contractuele verplichtingen (in het bijzonder artikel 2.4.
- van de overeenkomst van 1982). - Tussen partijen vond een bespreking plaats op 1 december
- - Bij brief van 2 december 1986 stelde huidig appellante dat huidig geïntimeerde tijdens een onderhoud op 1 december 1986 zou hebben bekend inbreuken te hebben gepleegd en waar-schuwde zij huidig eerste geïntimeerde dat bij herhaling van de overtreding van artikel 2.4.
- van de overeenkomst van 1982 de overeenkomst zou worden beëindigd. - Huidig eerste geïntimeerde ontkende bij schrijven van 30 december 1986 erkend te hebben inbreuken te hebben gepleegd. Zij verbond zich ertoe haar contractuele verplichtingen in de toe-komst correct na te leven. In haar brief van 22 januari 1987 bleef appellante bij haar standpunt onder verwijzing naar de vergade-ring van 1 december 1986 en nam zij akte van de belofte van eer-ste geïntimeerde om haar contractuele verplichtingen na te leven. - Appellante en eerste geïntimeerde sloten een nieuwe con-cessie overeenkomst op 6 januari 1987, met ingang op 1 januari
- Artikel 2.4.
- van deze overeenkomst stelt: "...De dealer zal geen nieuw motorvoertuig verkopen:
- aan een niet erkende wederverkoper.
- voor wederverkoop aan niet-erkende wederverkopers,
- aan een eindverbruiker die gebruik maakt van de diensten van een derde die geen dealer voor motorvoertuigen is en die zich als dusdanig voorstelt of die een bedrijvigheid uitoefent welke gelijk-waardig is aan die van een wederverkoper, ongeacht of de eigen-dom van het motorvoertuig is overgegaan hetzij via die derde, hetzij rechtstreeks van de dealer op de eindgebruiker. In dit verband mag de dealer een nieuw motorvoertuig verkopen aan een individuele eindgebruiker die gebruik wenst te maken van de diensten van een tussenpersoon om hem bij te staan bij de aankoop van een specifiek nieuw motorvoertuig, mits die tussen-persoon of eindgebruiker de dealer de originele voorafgaande schriftelijke door de eindgebruiker ondertekende machtiging om te kopen (...) heeft verstrekt . Het origineel van die machtiging (...) dienen gedurende minstens drie jaar vanaf de leveringsdatum van het motorvoertuig in het bestellingsdossier van de dealer te wor-den bewaard. Op verzoek dient de dealer genoemde documenta-tie met de vennootschap te onderzoeken om na te gaan of de tus-senpersoon naar behoren is gemachtigd." - Niet betwist wordt dat de wijziging van artikel 2.4.
- in de overeenkomst d.d. 6 januari 1987 een gevolg is van de inwerking-treding van Verordening nr. 123/85 van de Europese Commissie d.d. 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85 lid 3 van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceover-eenkomsten inzake motorvoertuigen (hierna ook Groepsvrijstelling autodistributiesector), die op 1 juli 1985 in werking trad. Overeenkomstig artikel 3 van de Verordening nr. 123/85 mocht de autofabrikant zijn dealers verplichten: " 11) slechts motorvoertuigen uit het door de overeenkomst be-streken gamma of daarmee overeenstemmende producten aan eindgebruikers die een tussenpersoon hebben ingeschakeld, te verkopen, wanneer die eindgebruikers voor de aankoop voor een bepaald voertuig aan die tussenpersoon daartoe vooraf een schriftelijke, en bij inontvangstneming van het motorvoertuig door die tussenpersoon, tevens de inontvangstneming bestrijkende volmacht hebben gegeven." - Tussen partijen ontstond onenigheid over de juiste interpre-tatie die aan artikel 2.4.
- van de overeenkomst van 1987 diende gegeven te worden. Te dien einde vroeg huidig eerste geïntimeer-de bij brief van 24 februari 1987 uitleg inzake de interpretatie van dit artikel aan huidig appellante. - Bij brieven van 11 maart 1987 en 10 april 1987 deelde hui-dige appellante namen van tussenpersonen mee die bij huidig eerste geïntimeerde zouden aankopen met de bedoeling verder te verkopen. Appellante verdedigde het standpunt dat artikel 2.4.
- van de overeenkomst van 6 januari 1987 ook overtreden werd zelfs indien huidig eerste geïntimeerde de formaliteiten voorzien in artikel 2.4.4 van dit artikel naleefde, wanneer blijkt dat huidig eer-ste geïntimeerde zou handelen met een de facto wederverkoper. Bij schrijven van 30 juni 1987 bevestigde huidig appellante dit standpunt en stelde zij dat elke dealer zelf moest uitmaken of hij zijn verplichtingen overeenkomstig artikel 2.4.
- nakwam. - Bij brief van 17 juli 1987 beëindigde huidig appellante het concessiecontract met huidig eerste geïntimeerde met onmiddel-lijke ingang. Als reden gaf zij op dat huidig eerste geïntimeerde in weerwil van de brief van 27 november 1986 en de daarop volgen-de bespreking van 1 december 1986, de brief van 2 december 1986 en de talrijke waarschuwingsbrieven, verder inbreuken op het vlak van parallel verkopen heeft begaan en artikel 2.4.
- van de concessieovereenkomst heeft geschonden. Appellante stelde over bewijzen te beschikken dat talrijke docu-menten werden vervalst in een poging om overtredingen van het dealercontract te verbergen. Appellante beschouwde deze feiten en vervalsingen als grove tekortkomingen die een onmiddellijke beëindiging van het concessiecontract rechtvaardigden. Appellan-te beëindigde de overeenkomst overeenkomstig artikel 4.1.2 van de Aanvullende Bepalingen van het dealercontract en artikel 2 van de wet van 27 juli 1961 met onmiddellijke ingang. - Huidig eerste geïntimeerde stelde een procedure in kort geding in om een tijdelijke verderzetting van de concessieover-eenkomst te horen bevelen. Bij beschikking d.d. 29 juli 1987 van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen werd deze vordering ongegrond verklaard. De beschikking werd in hoger beroep bevestigd door een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 19 augustus
- - Geïntimeerden gingen vervolgens na 11 jaren over tot dag-vaarding ten gronde op 2 juni
- III. Bij vonnis d.d. 18 juli 2002 verklaarde de eerste rechter de vorde-ring van huidig eerste geïntimeerde tegen appellante toelaatbaar en deels gegrond. De rechtbank zegde voor recht dat : - appellante de concessieovereenkomst tussen haarzelf en eerste geïntimeerde ten onrechte heeft verbroken; - appellante een opzeggingsperiode van 18 maanden had dienen te verlenen; - eerste geïntimeerde gerechtigd is op een vervangende schadevergoeding gelijk aan het bedrag van de semi-brutowinst voor deze periode, gerealiseerd op de verkoop van Opel voertui-gen, voorwerp van de concessie; Alvorens verder recht te doen over deze vordering werd een des-kundige aangesteld met als opdracht, na behoorlijke oproeping van de partijen en na kennisname van alle nuttige stukken en be-merkingen: · Voor de jaren 1985, 1986 en 1987 (eerste 6 maanden, te ex-trapoleren) de semi-brutowinst van de concessiehouder be-haald op het voorwerp van de concessie, nader te bepalen aan de hand van de boekhouding en alle andere bewijskrachtige stukken; · Zijn advies te geven omtrent de blijvende meerwaarde inzake cliënteel die door de concessiehouder is aangebracht en die aan de concessiegever verblijft na de beëindiging van het con-tract, hierbij uitgaande van de periode 1932-1987; · Zijn advies geven omtrent de begroting van het rouwgeld dat de concessiehouder heeft betaald aan het personeel dat hij verplicht is geweest te ontslaan ten gevolge van de beëindi-ging van de verkoopsconcessie; · Zijn advies te geven omtrent de kosten die door de concessie-houder werden gedaan met het oog op de exploitatie van de concessie en die aan de concessiegever voordelen mochten opleveren na de beëindiging van de overeenkomst; · Verder te antwoorden op alle nuttige vragen van de partijen; En een verslag op te stellen binnen de 3 maanden (na raadple-ging, zo nodig, van specialisten van zijn keuze). De eerste rechter zegde tevens dat eerste geïntimeerde de kosten van de gerechtsdeskundige diende voor te schieten. De eerste rechter wees de vordering van eerste geïntimeerde af als ongegrond in de mate dat zij strekte tot het bekomen van mo-rele schadevergoeding vanwege appellante. De eerste rechter verklaarde de vordering van tweede en derde geïntimeerde tegen appellante toelaatbaar en deels gegrond en veroordeelde appellante om aan tweede en derde geïntimeerde te betalen de som van 2.500 EUR, meer de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 17 juli 1987 tot op de dag van de inleiding van de eis, meer de gerechtelijke intresten tot op de dag van de algehele betaling. De eerste rechter verwees de zaak in afwachting van verdere be-handeling naar de bijzondere rol en hield de beslissing over de kosten aan. IV. * Appellante verzoekt het Hof akte te nemen van de naams-wijziging van de NV Opel Belgium in General Motors Belgium; Het vonnis a quo teniet te doen en de oorspronkelijke vordering van de BVBA Nova en van huidig tweede en derde geïntimeerden teniet te doen en hen af te wijzen en hen te veroordelen tot de gerechtskosten; * Geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep en stellen incidenteel beroep in strekkende tot het tenietdoen van het aangevochten vonnis voor zover: - het de opzegtermijn die door appellante in acht genomen had moeten worden, slechts heeft vastgesteld op 18 maanden; - het geen provisionele vergoeding heeft toegekend aan eer-ste geïntimeerde; - de morele schadevergoeding toekomende aan eerste geïn-timeerde heeft afgewezen; - de schadevergoeding toekomende aan tweede en derde geïntimeerde slechts heeft vastgesteld op 2.500 EUR; En opnieuw recht te doen: Voor recht te verklaren dat de opzegtermijn die door appellante in acht genomen had moeten worden, moet vastgesteld worden op 54 maanden; Bijgevolg appellante te veroordelen om aan eerste geïntimeerde te betalen de som van 39.036.762 BEF of 967.696,74 EUR provi-sioneel ten titel van billijke opzeggingsvergoeding; Meer 19.518.381 BEF of 483.848,37 EUR provisioneel ten titel van meerwaarde inzake cliënteel; Meer 3.967.699 BEF of 98.356,69 EUR provisioneel ten titel van rouwgeld en 1 EUR provisioneel ten titel van verloren kosten en investeringen; Meer 10.000.000 BEF of 250.000 EUR ten titel van morele scha-devergoeding, Meer op ieder bedrag de vergoedende intresten sinds 17 juli 1987 en de gerechtelijke intresten; Appellante tevens te veroordelen tot betaling aan tweede en der-de geïntimeerden, onder voorbehoud van de volledige vergoeding van de materiële schade van eerste geïntimeerde, van een ver-goeding van 5.000.000 BEF of 125.000 EUR provisioneel ten titel van morele schadevergoeding, meer de vergoedende intresten sinds 17 juli 1987 en de gerechtelijke intresten; Een deskundige aan te stellen met als opdracht : "Na kennis te hebben genomen van de dienstige voorhanden zijn-de stukken, in het bijzonder de gepubliceerde jaarrekeningen en na behoorlijke oproeping van partijen en hun raadslieden: Advies te verlenen over de definitief aan eerste geïntimeerde en aan tweede en derde geïntimeerde toekomende vergoedingen waarvan sprake in de provisionele vordering; Zonodig, zowel wat de bepaling van de opgelopen schade als wat de berekening van de vergoedingen betreft, beroep te doen op specialisten terzake (...)" Appellante tevens te veroordelen tot de kosten van de beroeps-procedure, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen. V. BEOORDELING A. Procedurevoorgaanden
- De naamswijziging Appellante onderging een naamswijziging van Opel Belgium in NV General Motors Belgium en verzoekt het Hof haar hiervan akte te verlenen. Dit wordt haar verleend.
- De gedinghervatting Bij conclusie neergelegd op 31 augustus 2006 hebben mevrouw C.G.-F., de heer A. G., mevrouw Al. G. en mevrouw E. G. het ge-ding hervat overeenkomstig artikel 816 Ger.W. namens de heer J. G., overleden op 4 augustus
- Er wordt akte verleend aan de gedinghernemende partijen van hun hervatting van geding.
- Over de valsheidsprocedure
- De zaak werd ter zitting van 4 september 2006 in voortzet-ting gesteld ter zitting van 19 december 2006, waarbij de debatten beperkt werden enkel omtrent een eventuele valsheidsprocedure in de zin van artikel 898 Ger.W. In de conclusie neergelegd door appellante op 30 juni 2005 ver-dedigde appellante dat geïntimeerden ernstige inbreuken op de concessieovereenkomst van 6 januari 1987 pleegden, in het bij-zonder op artikel 2.4.
- van deze overeenkomst. Appellante ver-weet aan eerste geïntimeerde om in strijd met artikel 2.4.4 van de overeenkomst, personenwagens te hebben uitgevoerd naar Duits-land, niet met het oog op verkoop van deze personenwagens aan eindgebruikers doch met het oog op doorverkoop. Deze ernstige contractuele inbreuken op artikel 2.4.
- van de con-cessieovereenkomst van 6 januari 1987 werden volgens appellan-te gepleegd aan de hand van vervalsingen gelet op het ontbreken van schriftelijke volmachten (pag. 26-29 van de beroepsconclusie van appellante neergelegd op 30 juni 2005.) Appellante verzocht het Hof, voor zover als nodig, en in onderge-schikte orde, een rogatoire opdracht in Duitsland te bevelen ten-einde de mogelijkheid te onderzoeken om -via gerechtelijke weg- het bewijs te kunnen leveren van bepaalde feiten in de stukken nrs. 13-
- Te dien einde verzocht appellante het Hof om de be-voegde autoriteit in Duitsland te verzoeken een aantal personen te horen. Ter zitting van 4 september 2006 werd om die reden de vraag ge-steld naar een eventuele valsheidsprocedure in de zin van artikel 898 Ger.W.
- Partijen hebben vervolgens een nieuwe conclusie genomen in het licht van een eventueel in te stellen valsheidsprocedure op grond van artikel 898 Ger.W. Appellante legde een conclusie met betrekking tot de valsheids-procedure neer op 17 oktober 2006 waarin zij haar vorige conclu-sies herneemt en enkel standpunt inneemt over het debat omtrent de eventuele valsheidsprocedure. Appellante merkt hierbij op dat zij de valsheidsprocedure niet kan opstarten, gezien geïntimeer-den in hoger beroep geen beroep doen op de stukken waarvan appellante beweert dat ze mogelijk vals zijn, zodat zij geen baat bij de valsheidsprocedure heeft. Enkel wanneer een partij beweert dat een stuk dat als bewijs tegen haar wordt ingeroepen, vals is, voorziet het Gerechtelijk Wetboek in een valsheidsprocedure. In casu is het echter appellante, die als oorspronkelijk verwerende partij, zich beroept op door eerste geïntimeerde vervalste stukken, en dit in het kader van haar verweer op de oorspronkelijke vorde-ring van geïntimeerden, gestoeld op een onrechtmatige beëindi-ging van de concessieovereenkomst van 6 januari
- Er is derhalve volgens appellante geen sprake van het gebruik van val-se stukken door geïntimeerden als oorspronkelijk eisende partijen, zodat appellante geen belang heeft bij een valsheidsprocedure. Geïntimeerden leggen conclusies met betrekking tot een eventue-le valsheidsprocedure neer op 17 november 2006 en verzoeken het Hof de conclusie van appellante d.d. 17 oktober 2006 met be-trekking tot de valsheidsprocedure alsook haar bijkomend stuk 26 uit de debatten te weren en voor het overige hernemen zij het be-schikkend gedeelte van hun syntheseconclusie. Zij nemen er akte van dat appellante bevestigt dat geïntimeerden geen valse stuk-ken aanwenden en merken op dat appellante ruim de tijd gehad heeft om strafklacht neer te leggen, doch nagelaten heeft dit te doen.
- De zaak werd op de zitting van 19 december 2006 voor advies aan het Openbaar Ministerie medegedeeld. Er werd mondeling advies verleend door het O.M. , nl. "dat de fei-ten met betrekking tot de vermeende valse volmachten en andere vermeende valse stukken strafrechtelijk verjaard zijn". * * * Conclusie: nu appellante geen valsheidsvordering instelt en het Openbaar Ministerie tot de strafrechtelijke verjaring van de ver-meende valse stukken/volmachten besluit, staan de door partijen bijgebrachte stukken ter vrije beoordeling van het Hof die de be-wijswaarde ervan zal onderzoeken.
- Over het verzoek tot wering van de conclusie van ap-pellante neergelegd op 17 oktober 2006 en het nieuwe stuk 26 van appellante Ter zitting van 20 november 2007 verklaren geïntimeerden niet langer aan te dringen op de wering van de conclusie van appel-lante neergelegd op 17 oktober
- Hiervan wordt akte verleend aan geïntimeerden. Appellante legt het nieuwe stuk 26 niet neer (cfr. PV van 20 no-vember 2007) zodat het verzoek tot wering van dit nieuwe stuk niet meer aan de orde is. B. De vordering van eerste geïntimeerde
- Ter zitting van 4 september 2006 (cfr. PV) stelden geïnti-meerden dat de concessieovereenkomst van 6 januari 1987 in overeenstemming is met de Groepsvrijstelling nr. 123/85 van 12 december 1984 betreffende de toepassing van artikel 85 lid 3 van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen. De conformiteit van de concessieover-eenkomst met de Europese Groepsvrijstelling staat bijgevolg niet ter betwisting. Het Hof neemt hiervan akte.
- In het vonnis a quo werd de vordering van eerste geïnti-meerde principieel gegrond verklaard nu appellante volgens de eerste rechter niet aantoont dat de onregelmatigheden, waarop zij de ontbinding op de overeenkomst op 17 juli 1987 heeft gegrond, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Appellante heeft de con-cessieovereenkomst volgens de eerste rechter dan ook ten on-rechte met onmiddellijke ingang verbroken. De overwegingen in het vonnis a quo luiden als volgt: - Appellante toont niet aan dat de personenwagens die door eerste geïntimeerde door middel van tussenpersonen werden verkocht in Duitsland, niet aan de aangegeven eindgebruikers zouden zijn geleverd. Appellante bewijst evenmin dat eerste geïntimeerde meewerkte aan het opstellen van valse volmach-ten of minstens kennis ervan had en bereid was op basis van vervalste volmachten auto's af te leveren. Appellante toont derhalve niet aan dat op enige wijze valsheid in geschriften werd gepleegd of dat de door haar aangehaalde feiten zouden plaatsgevonden hebben, laat staan dat eerste geïntimeerde hier weet van had of hieraan haar medewerking heeft ver-leend. - De enige inbreuk waarvan appellante het bewijs levert is de formele verplichting die aan de concessiehouders wordt opge-legd om slechts aan een tussenpersoon te verkopen middels een voorafgaande volmacht van de eindgebruiker. Uit de stuk-ken blijkt inderdaad dat met betrekking tot een aantal verkopen in het najaar van 1986 bepaalde volmachten inderdaad pas maanden later werden afgegeven. - Nu appellante begin 1987 een nieuwe concessieovereenkomst met eerste geïntimeerde sloot, kan zij zich niet meer op deze feiten beroepen die overigens noch in de brief van 27 novem-ber 1986 noch in latere briefwisseling werden gepreciseerd. Door het hernieuwen van de contractuele band hebben de par-tijen hun wederzijds vertrouwen immers bevestigd. - Appellante legt daarnaast een tweetal verkopen voor uit 1987 waarbij geen voorafgaande volmacht door de eindgebruiker werd voorgelegd. Het betreft enerzijds een verkoop van 19 ja-nuari 1987 aan de heer B. (waarbij een volmacht aan de tus-senpersoon Auto F. werd opgemaakt op 28 februari 1987) en een verkoop aan mevrouw W. van 28 januari 1987 (waarvoor een volmacht ten voordele van de tussenpersoon Auto F. werd opgemaakt op 11 maart 1987). Uit de briefwisseling van appel-lante blijkt evenwel op geen enkel moment dat deze formele tekortkoming van eerste geïntimeerde door appellante werd aanzien als een voldoende reden om de overeenkomst te ver-breken en dat zij dit als dusdanig aan eerste geïntimeerde zou hebben aangekondigd. Het slechts inroepen van een formele tekortkoming, gepleegd op respectievelijk 19 en 28 januari 1987, door appellante in juli 1987 is bovendien laattijdig, te-meer daar blijkbaar nog een controlebezoek bij eerste geïnti-meerde met betrekking tot de volmachten in februari 1987 werd doorgevoerd en naar aanleiding van dit bezoek geen opmerkingen werden gemaakt. - Van latere onregelmatigheden (na 19 januari en 28 februari 1987) legt appellante geen bewijzen voor. - Noch in de opzeggingsbrief van 17 juli 1987 noch in de vooraf-gaande briefwisseling heeft appellante zich op de formele te-kortkomingen beroepen om eerste geïntimeerde in gebreke te stellen. - Nu appellante de onregelmatigheden waarvan melding ge-maakt wordt in de ontbindingsbrief van 17 juli 1987, niet aan-toont werd de overeenkomst ten onrechte met onmiddellijke ingang verbroken.
- Na hernieuwd onderzoek van de uitvoerige bundels overtuigingsstukken, stelt het Hof vast dat appellante de conces-sieovereenkomst ("Dealercontract voor Verkoop en Service" ge-noemd), ondertekend door eerste geïntimeerde op 19 december 1986 en door appellante op 6 januari 1987, bij brief van 17 juli 1987 met onmiddellijke ingang beëindigde overeenkomstig artikel 4.1.2 van de Aanvullende Bepalingen bij het Dealercontract voor Ver-koop en Service en op grond van artikel 2 van de wet van 27 juli 1961 (wegens grove tekortkomingen). De beëindiging van de contractuele relatie is derhalve (in eerste instantie) gestoeld op een uitdrukkelijk ontbindend beding vervat in artikel 4.1.2 van de Aanvullende Bepalingen van de overeenkomst. Appellante beroept zich in het bijzonder op punt i), j) en h) van artikel 4.1.
- Artikel 4.1.2 vermeldt onder de hoofding "Beëindiging als gevolg van bepaalde handelingen of gebeurtenissen" als volgt : " Alle onderstaande gevallen betreffen handelingen of ge-beurtenissen die hun oorsprong vinden in een daad van de Dealer of diens leiding of eigenaren, hetzij zozeer indruisen tegen de geest en de doelstellingen van dit contract dat zij de beëindiging ervan rechtvaardigen: (...) h) betrokkenheid van de Dealer of een exploitant, dan wel van een directielid, eigenaar of belangrijke aandeelhouder van de Dealer bij gedragingen waardoor naar de mening van de Ven-nootschap, de Goodwill of de belangen van de Dealer of de Ven-nootschap kunnen worden geschaad. i) het geven van een verkeerde voorstelling van zaken door de Dealer bij het verkrijgen van een vereiste goedkeuring van de Vennootschap, of bij bestellingen van producten of in berichten betreffende de aflevering of overdracht van producten, of het in-dienen van onjuiste aanvragen of vorderingen tot het verkrijgen van een betaling, creditering, korting of vergoeding, zelfs indien de Dealer schadevergoeding aanbiedt of betaalt. j) iedere verkoop van nieuwe Motorvoertuigen door de Dealer in overtreding van artikel 2.4.4 van dit Contract." Artikel 2.4.4 van de overeenkomst werd reeds in extenso onder de Feiten (sub II) geciteerd en het Hof verwijst ernaar.
- Er dient onderzocht te worden of appellante gerechtigd was zich op het uitdrukkelijk ontbindend beding vervat in artikel 4.1.2 van de Aanvullende Bepalingen van de overeenkomst te beroe-pen. Inzake alleenverkoopconcessies van onbepaalde duur heeft het Hof van Cassatie beslist dat de wet van 27 juli 1961 het gemeen recht inzake ontbinding bij wanprestatie en uitdrukkelijk ontbin-dende bedingen onverlet laat. Deze wet regelt immers enkel de eenzijdige opzegging zonder foutmotief en raakt niet aan het ge-meen recht bij wanprestatie. Partijen kunnen bijgevolg op perfect geldige wijze bepalen welke feiten een voldoende ernstige tekort-koming uitmaken om de ontbinding van de overeenkomst door toepassing van de sanctie van artikel 1184 B.W. te rechtvaardi-gen. (Cass. 19 april 1979, B.R.H., 1980, 1980). In casu werden de feiten en gedragingen die partijen als voldoen-de ernstige tekortkomingen beschouwen om de ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen, omschreven in artikel 4.1.2 van de Aanvullende Bepalingen van het contract. Dit beding is principieel geldig en bindt partijen.
- Anders dan de eerste rechter oordeelde, zijn de voorwaar-den voor het beroep op het uitdrukkelijk ontbindend beding door appellante lastens eerste geïntimeerde naar het oordeel van het Hof vervuld. Wanneer gebruik gemaakt wordt van een uitdrukkelijk ontbindend beding en de gegrondheid van de daaruit volgende verbreking betwist wordt, vermag de rechter die het geschil dient te beoorde-len, in beginsel noch de fout, noch de ernst van het ingeroepen en bewezen feit na te gaan. De beoordeling van de rechter blijft be-perkt tot een controle op de geldigheid van het uitdrukkelijk ont-bindend beding, op de vereniging van de voorwaarden voor de toepasselijkheid van het beding en op de gevolgen en de draag-wijdte van de ontbinding. De rechter oefent hierbij slechts een marginale redelijkheidstoetsing uit. Enkel in geval van onduidelijke of vaag opgestelde bepalingen zal aan de rechter eveneens een controlebevoegdheid a posteriori toekomen (M. Willemart, A. Destrycker, De concesieovereenkomst in België, Antwerpen, Klu-wer, 1996, nrs. 115-116, p. 109-110). Eerste geïntimeerde betwist niet dat er minstens twee feiten ge-pleegd werden die een inbreuk op artikel 2.4.4 van de overeen-komst vormen. Met appellante is Het Hof van oordeel dat er bijgevolg onbetwist-baar sprake is van (minstens twee) contractuele inbreuken op de overeenkomst van
- De eerste rechter miskende de gevallen B. en W. (stukken 2 en 3 van het dossier van appellante). In beide gevallen ging het duidelijk om een schending van artikel 2.4.
- van de overeenkomst 1987, hetgeen overigens op zich niet betwist wordt door eerste geïntimeerde. Deze inbreuken zijn overigens geen louter formele tekortkomingen zoals de eerste rechter stelde, maar raken de kern van de concessieovereenkomst en het delica-te evenwicht inzake parallelverkoop en het vrije mededingings-recht, zoals verwoord in artikel 3 van de (op dat ogenblik van kracht zijnde) Groepsvrijstelling nr. 123/85, zoals overgenomen in artikel 2.4.4 van de overeenkomst van
- Nu er feiten gepleegd werden door eerste geïntimeerde die onbe-twistbaar een inbreuk op artikel 2.4.4 van de overeenkomst, ver-mocht appellante zich te beroepen op artikel 4.1.2 j) van de Aan-vullende Bepalingen van de overeenkomst. In casu is het beding vervat in artikel 4.1.2 j) bovendien in het ge-heel niet vaag of onduidelijk opgesteld nu het een inbreuk op arti-kel 2.4.4 van de overeenkomst sanctioneert en deze bepaling zeer precies omschrijft wel verkopen verboden zijn. In de brief d.d. 17 juli 1987 motiveert appellante de onmiddellijke beëindiging op afdoende wijze onder verwijzing naar retroacten tussen partijen met name het feit dat - niettegenstaande de brief van 27 november 1986 en de daarop volgende bespreking van 1 december 1986, de brief van 2 december 1986 van appellante en de talrijke waarschuwingsbrieven van appellante - , eerste geïnti-meerde niettemin verder inbreuken op artikel 2.4.
- van de con-cessieovereenkomst heeft begaan. Appellante verwees bovendien naar talrijke documenten die werden vervalst in een poging om overtredingen van het dealercontract te verbergen. Appellante beschouwde deze feiten en vervalsingen als grove tekortkomin-gen die een onmiddellijke beëindiging van het concessiecontract rechtvaardigden en beriep zich op het uitdrukkelijk ontbindend beding vervat in artikel 4.1.2 . De ontbindingsbeslissing is derhal-ve op juiste en voldoende gronden gemotiveerd. Eerste geïntimeerde argumenteert uitvoerig dat de inbreuken laat-tijdig werden ingeroepen en onvoldoende ernstig zijn om een on-middellijke beëindiging van de contractuele relatie te rechtvaardi-gen. Supra werd echter opgemerkt dat de rechter noch de fout noch de ernst van het ingeroepen en bewezen feit dient na te gaan. Deze elementen kunnen enkel aan bod komen in een toetsing op grond van rechtsmisbruik, voor zover dit door de concessiehouder wordt ingeroepen (zie hierover sub 6). In het uitdrukkelijk ontbindend beding wordt bepaald dat "wanneer de Vennootschap verneemt dat één van de (in artikel 4.2.1 be-schreven) handelingen of gebeurtenissen zich heeft voorgedaan, zij zal trachten die met de Dealer te bespreken. Daarna heeft de Vennootschap het recht dit contract onmiddellijk en zonder voor-afgaand formeel bericht van opzegging te beëindigen". Uit de stukken blijkt dat de verkoop van 19 januari 1987 aan de heer B. (waarbij een volmacht aan de tussenpersoon Auto F. werd opge-maakt op 28 februari 1987) en de verkoop aan mevrouw W. van 28 januari 1987 (waarvoor een volmacht ten voordele van de tus-senpersoon Auto F. werd opgemaakt op 11 maart 1987) slechts ter kennis kwamen van appellante in resp. maart en mei 1987 (zie datum faxverzendingsberichten). Een beëindiging op 18 juli 1987 is bijgevolg niet laattijdig, gelet op het bepaalde in artikel 4.2.1 in fine. De beëindiging van de contractuele relatie verliep derhalve con-form het uitdrukkelijk ontbindend beding zoals bepaald in artikel 4.1.
- sub j) van de Aanvullende bepalingen van de overeenkomst van
- Appellante heeft zich gehouden aan de inhoudelijke en formele vereisten van het uitdrukkelijk ontbindend beding en er bestaat geen reden om op grond van de marginale controlebe-voegdheid van de geldigheid van dit beding, dit beding terzijde te stellen.
- Naast de marginale redelijkheidstoets in het kader van de controle op de geldigheid van het uitdrukkelijk ontbindend beding, beschikt de rechter ook over een controle a posteriori op grond van artikel 1134 lid 3 BW. waarbij de uitoefening van dit beding aan de voorwaarden van de goede trouw zullen getoetst worden. De redelijkheid en de billijkheid van een uitdrukkelijk ontbindend beding kunnen achteraf door de rechter getoetst worden in het kader van het verbod op rechtsmisbruik (S. Stijns, Verbintenissen-trecht, Brugge, Die Keure, 2005, nr. 280-281, p. 200-201). Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan rechtsmisbruik ingeroepen worden in hoofde van de partij die het uitdrukkelijk ontbindend beding toepast. Enkel manifest onredelijke partijbeslissingen kun-nen gesanctioneerd worden op grond van de matigende werking van de goede trouw. Bij deze redelijkheidstoetsing zal de rechter rekening houden met de begeleidende omstandigheden waarop beroep werd gedaan op het uitdrukkelijk ontbindend beding (M. Willemart en A. Destrycker, o.c., nr. 117, p. 111). De rechter moet zich hierbij echter terughoudend opstellen. Enkel bij manifest of kennelijk de grenzen te buiten gaan van de normale uitoefening van een recht door een voorzichtig en bezorgd persoon, mag de rechter matigend optreden, waarbij slechts een marginale toetsing van toepassing is (S. Stijns, o.c., nrs. 85-93, p. 62-70). Enkel wanneer een partij zich op rechtsmisbruik beroept kan de rechter het beding of de beslissing toetsen aan het verbod op rechtsmisbruik. Eerste geïntimeerde beroept zich in casu op de niet uitvoering ter goeder trouw van de concessieovereenkomst door appellante (pag. 25-33 van de syntheseconclusie van geïn-timeerden neergelegd op 31 augustus 2005, sub 3.2.2). Aange-nomen dient te worden dat eerste geïntimeerde zich derhalve op rechtsmisbruik in hoofde van appellante beroept. Na studie van het dossier stelt het Hof het volgende vast: l Ook onder de toepassing van de overeenkomst van 1982 heeft eerste geïntimeerde de contractuele bepalingen, in het bijzonder artikel 2.4.3., niet nageleefd zoals blijkt uit de door appellante bijgebrachte stukken (stukken 13 t.e.m. 17 van het dossier van appellante). De argumentatie van de eerste rechter kan evenmin gevolgd worden daar waar ge-steld wordt dat een nieuwe concessieovereenkomst geslo-ten werd in 1987 waardoor het vertrouwen tussen partijen bevestigd werd, terwijl de overeenkomst louter een (nood-zakelijke) aanpassing inhield en een gevolg was van de in-werkingtreding van de Groepsvrijstelling Nr. 123/
- Bo-vendien heeft appellante bij brief van 2 december 1986 eerste geïntimeerde uitdrukkelijk op haar contractuele ver-plichtingen gewezen, waarna eerste geïntimeerde bij brief van 30 december 1986 zich ertoe verbond haar contractue-le verplichtingen te zullen eerbiedigen. l Appellante heeft eerste geïntimeerde meermaals gewezen op het feit dat zij geen verdere inbreuken meer zou tolere-ren zodat de eerste rechter ten onrechte voorhield dat ap-pellante eerste geïntimeerde hieromtrent niet voorafgaan-delijk in gebreke gesteld hebben. Appellante verwijst te-recht naar o.m. : - de vergadering van 1 december 1986; - de brief van 2 december 1986 van appellante aan eerste geïntimeerde; - de brief van 22 januari 1987 van appellante aan eerste geïntimeerde; - de brief van 11 maart 1987 van appellante aan eerste geïntimeerde; - de brief van 10 april 1987 van appellante aan eerste geïn-timeerde; - de brief van 30 juni 1987 van appellante aan eerste geïnti-meerde. l Dat er slechts twee "minieme" inbreuken werden gepleegd waardoor het beroep op het uitdrukkelijk ontbindend beding abusievelijk zou zijn en rechtsmisbruik zou uitmaken, kan in casu evenmin aanvaard worden, gezien de context waarin deze twee inbreuken gepleegd werden nu diverse eerdere inbreuken begaan werden en gelet op de herhaalde waar-schuwingen vanwege appellante. l Het is op zijn minst merkwaardig dat eerste geïntimeerde een kort geding procedure tegen appellante startte in 1987 teneinde de voorlopige verderzetting van het dealercontract te horen bevelen dewelke uitmondde in een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 19 augustus 1987, terwijl de procedure ten gronde in voorliggende zaak slechts op 2 juni 1998 (meer dan 11 jaren na de kort geding procedure) werd ingesteld. Appellante stelt hieromtrent dat geïntimeer-den de strafrechtelijke verjaringstermijn hebben afgewacht alvorens ten gronde te dagvaarden. Ter zitting van 19 de-cember 2006 adviseerde het Openbaar Ministerie alleszins dat de feiten m.b.t. de beweerde valse stukken en volmach-ten verjaard zijn. Eerste geïntimeerde stelt dat zij het finan-cieel moeilijk had en om die reden pas in 1998 ten gronde dagvaardde. Deze verklaring overtuigt het Hof niet. l Zowel appellante als geïntimeerden verwijzen naar het deskundigenverslag van expert Berghs aangesteld door de eerste rechter. Het verslag wordt ook door appellante als stuk bijgebracht (stuk 25 van appellante). Beide partijen merken op dat expert Berghs weigert de semi-brutowinst voor 1985, 1986 en 1987 te berekenen, gezien de relevan-te boekhoudkundige stukken niet worden voorgelegd door geïntimeerden. De deskundige stelt tevens dat noch de meerwaarde cliënteel noch het rouwgeld noch de exploita-tiekosten kunnen berekend worden wegens het niet voor-leggen van de betreffende boekhoudingen. Enkel voor de meerwaarde cliënteel wordt een loutere theoretische ra-ming gemaakt waarbij gesteld wordt dat er geen controle op correctheid kon gebeuren wegens het niet voorleggen van de boekhouding. Geïntimeerden stellen dat "de groot-boeken ontbreken alleen omdat de procedure enkel later werd ingesteld, om redenen zoals reeds vermeld. Auto No-va poogt niets te verbergen" (pag. 41, alinea 9 van synthe-seconclusie van geïntimeerden neergelegd op 31 augustus 2005). Dat de relevante boekhouding van eerste geïnti-meerde blijkbaar niet meer beschikbaar is (zoals niet ont-kend wordt door eerste geïntimeerde) is op zijn minst ge-zegd merkwaardig en is niet van aard de goede trouw in hoofde van geïntimeerden aan te tonen. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat er in casu geen begeleidende omstandigheden voor handen zijn teneinde het beroep door appellante op het uitdrukkelijk beding bij brief van 17 juli 1987 wegens rechtsmisbruik in hoofde van appellante ter-zijde te stellen, wel integendeel. Besluit: nu appellante op rechtsgeldige wijze de concessieover-eenkomst van eerste geïntimeerde beëindigd heeft met toepas-sing van het uitdrukkelijk ontbindend beding vervat in artikel 4.1.2 sub j) van de Aanvullende Bepalingen en er geen redenen voor-handen zijn om het beroep door appellante op dit beding zoals gedaan bij brief van 17 juli 1987 in toepassing van het verbod op rechtsmisbruik terzijde te stellen, is de vordering van eerste geïn-timeerde op grond van artikel 2 en 3 van de wet van 27 juli 1961 ongegrond. Het hoger beroep treft doel. Het vonnis a quo wordt hervormd. C. De vordering van tweede en derde geïntimeerden
- In het vonnis a quo werd de vordering van tweede en derde geïntimeerden terecht toelaatbaar verklaard nu zij een hoedanig-heid en belang hebben om een vordering in te stellen (zij stellen door een handeling van appellante benadeeld te zijn) en de vraag of er een rechtsband is, de gegrondheid van de vordering betreft.
- Ten gronde oordeelde de eerste rechter dat het aanneme-lijk is dat tweede en derde geïntimeerden als achterman van eer-ste geïntimeerde morele schade hebben geleden als gevolg van de verbreking, gezien er sprake is van een onrechtmatige en on-middellijk beëindiging van de 100% concessieovereenkomst die teruggaat tot het jaar
- De eerste rechter meende hierbij dat appellante niet gehandeld heeft als een normaal en redelijk voor-zichtig persoon door de overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen zonder dat zij kon aantonen dat er hiertoe gegronde redenen waren. De eerste rechter kende enkel een vergoeding toe voor morele schade, die begroot werd op 2.500 EUR.
- Tweede en derde geïntimeerde vorderen een schadever-goeding van 125.000 EUR gelet op de plotse beëindiging van de concessie. Zij stellen ten persoonlijke titel in hun professionele en sociale relaties en vriendenkring morele schade te hebben gele-den, gelet op de plotselinge contractbreuk die de indruk gescha-pen heeft dat zij zich ernstig misdragen hebben, zelfs dat zij straf-bare feiten zouden gepleegd hebben.
- Nu het Hof onder B. oordeelde dat er geen sprake is van een onrechtmatige verbreking van de concessie bij brief van 17 juli 1987 door appellante, is de vordering van tweede en derde geïntimeerden gestoeld op een vermeende onrechtmatige beëin-diging van de concessie, evenzeer ongegrond. OM DEZE REDENEN HET HOF Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni
- Recht doende op tegenspraak. Geeft akte aan appellante van de naamswijziging van de NV Opel Belgium in General Motors Belgium. Geeft akte aan mevrouw C. G.-F., de heer A. G., mevrouw Al. G. en mevrouw E. G. dat zij het geding hervatten overeenkomstig artikel 816 Ger.W. namens de heer J. G.. Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk en ge-grond. Hervormt het vonnis a quo en opnieuw recht doende: Verklaart zowel de vordering van eerste geïntimeerde als de vor-dering van tweede en derde geïntimeerden ontvankelijk doch on-gegrond. Verwijst geïntimeerden in de kosten van zowel eerste aanleg als hoger beroep aan de zijde van appellante volgens opgave in con-clusie begroot op: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg 334,66 euro - rolrecht 186,00 euro - uitgavenvergoeding 61,97 euro - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 495,97 euro Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van VIERENTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZENDZEVEN, waar aanwezig waren : de heer P. RENAERS Voorzitter mevrouw B. PONET Raadsheer de heer G. HUYGHE Plaatsvervangend Raadsheer mevrouw M. VAN AMMELEN Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2007:ARR.20071224.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.