← België

ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080123.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080123.10 Rolnummer: 2007AR1332 Rechtsgebied: Overige - Handelsrecht Invoerdatum: 2009-07-30 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 16:55 Fiche

  1. Aan de vereisten van art. 79, 1ste en 2de lid Wet Landverzekeringsovereenkomst was voldaan: er was door de aangifte van het schadegeval een aanspraak op de dekking, het ging om een schadegeval klaarblijkelijk onder de dekking van de polis, en de belangen van de verzekeraar en de verzekerde vielen samen. De verzekeraar had aldus het recht en de plicht om de leiding van het geding waar te nemen. Vermits zowel de verzekeraar als de verzekerde werden gedaagd, diende de verzekeraar zijn wettelijke plicht niet door middel van naamlening na te komen, doch vermocht hij in het kader van deze wettelijke lastgeving advocaten aan te stellen met een mandaat ad litem.
  2. Het is niet betwist dat deze advocaten volledig conform de instructies van hun lastgever hebben gehandeld. Indien de verzekerde van oordeel is, dat de wijze waarop de verzekeraar zijn wettelijk mandaat heeft uitgeoefend strijdt met haar rechten van verdediging, dan kan dit mogelijkerwijze een aansprakelijkheidskwestie doen ontstaan in de rechtsverhouding tussen verzekerde en haar verzekeraar. Hierin wordt echter geen grond gevonden om een ontkentenis van proceshandeling op verzoek van verzekerde ten laste van de advocaten toe te wijzen UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Ontkentenis proceshandeling HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Landverzekeringscontract in het algemeen GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Algemene rechtsbeginselen van procesrecht - Recht van verdediging Vrije woorden: Verzekeringen
  3. leiding van het geding - wettelijk mandaat - Art 79 WLVO
  4. ontkentenis proceshandeling - madaat ad litem - schending recht van verdediging - aansprakelijkheid verzekeraar Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2007/AR/1332 C. C., appellante, vertegenwoordigd door Mr. Pieter VERHERSTRAETEN loco Mr. DE COSTER Steven, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 31 tegen het vonnis gewezen op 11 januari 2007 door de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt tegen
  5. B. R.,
  6. K. J., geïntimeerden, beiden vertegenwoordigd door Mr. COCH Jan, advocaat te 3500 HASSELT, Geraetsstraat 19 *** Wat voorafgaat. 1.
  7. I. H. en H. G. hadden hun minderjarige zoon B. (°8 april 1998) op 12 januari 1999 bij C. C. gebracht om het kind die dag bij te houden. Zij waren bij C. C. terechtgekomen door middel van de Dienst Onthaalgezinnen te Hasselt, een door Kind & Gezin erkende dienst. In de loop van die dag werd het kind door de hulpdiensten op verzoek van de onthaalmoeder opgenomen in de dienst spoedgevallen van het Virga Jesseziekenhuis te Hasselt. Volgens de onthaalmoeder zou zij het kind na een huilbui hebben aangetroffen met de ogen toe en zonder ademhaling. Zij zou het kind hebben geschud om het weer bij bewustzijn te brengen, wat zou gelukt zijn, waarna zij de hulpdienst opriep. In het ziekenhuis werd een epileptische aanval gediagnosticeerd maar werd ook hersenschade (posttraumatische intracraniële letsels) vastgesteld. 1.
  8. In een dagvaarding van 27 april 1999 voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt hebben I. H. en H. G., optredend in eigen naam en in hun hoedanigheid van ouders en wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon B. en als beheerders over zijn goederen, schadeloosstelling gevorderd ten laste van C. C. en de n.v KBC Verzekeringen, die werd aangewezen als de BA-verzekeraar van de Dienst onthaalgezinnen en van het aangesloten opvanggezin, en als verzekeraar van een waarborg ‘lichamelijke ongevallen'. 1.
  9. In dit geding hebben advocaten J. K. en R. B. zich aangemeld als raadsman van de n.v. KBC Verzekeringen en van C. C.. 1.
  10. In een tussenvonnis van 15 juni 1999 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt de eis van partijen H.-G. ontvankelijk verklaard en werd, vooraleer over de grond te oordelen, een medisch deskundigenonderzoek bevolen. In dit tussenvonnis heeft de rechtbank vermeld dat verweerster zich akkoord verklaarde met de aanstelling van een college van geneesheren-deskundigen. Dr. P. Casaer, Dr. W. Van Paesschen en Dr. J. Croonenberghs werden aangesteld. 1.
  11. In een tussenvonnis van 16 november 1999 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt twee leden van het college van deskundigen vervangen. Dr. W. Van Paesschen en Dr. J. Croonenberghs werden vervangen door Dr. L. Lagae en Dr. P. Adriaenssens. 1.
  12. Het college van deskundigen heeft zijn opdracht uitgevoerd. De gerechtsdeskundigen hebben een verslag neergelegd op 24 april
  13. Op 8 februari 2002 hebben zij hun definitief verslag neergelegd. Het college van deskundigen adviseerde in volgende zin (p.14 e.v. deskundigenverslag): " ....
  14. De oorzaak van de verwondingen en van de letsels is zonder twijfel niet accidenteel en de letsels passen het best bij het shaken baby - syndroom. De letsels zoals gezien op de CT zijn acute letsels die slechts ten hoogste enkele uren bestaan en die volledig te verklaren zijn door het schudden van de baby. Een eventuele val uit de kinderstoel kan deze letsels NIET hebben veroorzaakt. Pathognomisch in dit verband voor het shaken baby - syndroom zijn bovendien de multipele retinale bloedingen. Er kan wel niet achterhaald worden waarom de onthaalmoeder het kind heeft geschud. Het is theoretisch mogelijk dat het kind inderdaad het slachtoffer was van een ALTE [acute life treatening event] (bv. bijna wiegedood, paroxysmale verschijnselen) en dat de onthaalmoeder als reactie op het slecht reageren van het kind het kind heeft geschud. Het is heden ten dage echter niet meer te verdedigen dat deze praktijk nog wordt toegepast bij kinderen met een ALTE..." M.b.t. de gevolgen voor B. H. adviseerden de deskundigen o.m.: "...Ofschoon een definitieve uitspraak hier niet kan gedaan worden, bedraagt het invaliditeitspercentage zeker > 80% (hemiplegie rechts, gestoorde motoriek links, mentale achterstand, hemi-anopsie). 1.
  15. Op 13 augustus 2002 legden partijen H.-G. een conclusie neer waarin zij akte vroegen van hun vrijwillige tussenkomst namens hun minderjarige dochter L. en waarin zij schadeloosstelling vorderden ten laste van de KBC Verzekeringen en van C. C. voor de schade geleden door L. H.. 1.
  16. Op 22 januari 2003 heeft C. C. een verzoekschrift neergelegd tot ontkentenis van proceshandeling. Zij heeft daarin voorgehouden dat zij aan advocaten J. K.en R. B. geen mandaat ad litem had gegeven. Zij hield voor dat deze advocaten desalniettemin hebben gemeld aan de rechtbank dat zij namens haar optraden, dat zij namens haar conclusies hebben neergelegd, dat zij daarin impliciet de materiële bevoegdheid van de rechtbank en de ontvankelijkheid van de vordering aanvaardden, en dat zij de verrichtingen van het college van deskundigen voor haar hebben gevolgd. Zij voegde er nog bij dat deze advocaten tevens optraden voor verzekeraar KBC, met wie zij, volgens haar, nochtans tegenstrijdige belangen heeft. Zij vorderde: "... te zeggen voor recht dat iedere proceshandeling die in deze zaak namens verzoekster door de raadsman van eerste verweerster werd verricht tot op 9 juli 2001, buiten iedere wettelijke vertegenwoordiging, zonder dat verzoekster die handeling zelfs stilzwijgend heeft gelast, toegelaten of bekrachtigd, dienvolgens ieder proceshandeling die in deze zaak namens verzoekster werd verricht tot op 9 juli 2001 vervolgens van onwaarde te verklaren, onder meer of minstens: de besluiten welke voor 9 juli 2001 namens verzoekster werden geredigeerd, de impliciete aanvaarding van Uw materiële bevoegdheid, de aanvaarding van de ontvankelijkheid van de vordering, de expertiseverrichtingen tot 9 juli 2001". 1.
  17. Op 9 april 2003 heeft C. C. dan een dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring uitgebracht tegen de v.z.w. Dienst voor Onthaalgezinnen. 1.
  18. Op 28 september 2005 is het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap vrijwillig in het geding tussengekomen. Zij diende een eis in tegen KBC Verzekeringen en tegen C. C. tot vergoeding van de bedragen die zij aan B. H.had uitgekeerd, gesubrogeerd in zijn rechten. 1.
  19. Op 11 april 2006 heeft C. C. een dagvaarding in tussenkomst en op rechtstreekse eis uitgebracht tegen J. K. en R. B.. Zij stelde daarin haar eis tot ontkentenis van proceshandeling opnieuw en vroeg voorbehoud voor eventuele schade die zij zou geleden hebben ten gevolge van het optreden van de gedaagden. 1.
  20. De rechtbank van eerste aanleg te Hasselt heeft zich in het beroepen vonnis van 11 januari 2007 enkel uitgesproken over het verzoek tot ontkentenis van proceshandelingen. De rechtbank oordeelde dat dit verzoek ongegrond was. De tegeneis van partijen J. K. en R. B., strekkende tot veroordeling van C. C. tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding, werd eveneens ongegrond verklaard. C. C. werd verwezen in de kosten aan de zijde van partijen J. K. en R. B.. De eerste rechter oordeelde dat er wel degelijk een mandaat ad litem was gegeven. Er werd bewezen geacht dat C. C. een bespreking had met advocaat R. B. en dat zij de te volgen strategie bespraken. Er werd tevens aangenomen dat Ch. C. door advocaat R. B. op de hoogte werd gehouden van de ontwikkelingen in het geschil en dat zij ervan werd verwittigd dat zij een andere raadsman moest kiezen van zodra uit het deskundigenonderzoek bleek dat er tegenstrijdigheid van belangen tussen C. C. en de verzekeraar kon ontstaan. De eerste rechter oordeelde eveneens dat de door advocaten B. en K. namens C. C. gestelde proceshandelingen geen nalatigheid doen blijken en dat niet is aangetoond dat de rechten van verdediging van C. C. op enigerlei wijze tekort zouden gedaan zijn. 1.
  21. C. C., hierna appellante genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 3 mei
  22. Het hoger beroep werd behandeld ter terechtzitting van 12 december
  23. Het Openbaar Ministerie werd er, na het sluiten van het debat en de mededeling van het dossier, gehoord in zijn mondeling advies. De partijen werden daarop gehoord in hun mondelinge replieken, waarna de zaak in beraad werd genomen. De eisen in hoger beroep. 2.
  24. Appellante vordert dat haar oorspronkelijke eis tot ontkentenis van proceshandeling bij hervorming van het beroepen vonnis integraal zou worden gegrond verklaard door te zeggen voor recht dat iedere proceshandeling die in deze zaak namens verzoekster door de geïntimeerden werd verricht tot op 9 juli 2001, buiten iedere wettelijke vertegenwoordiging werd verricht, zonder dat zij die handeling zelfs stilzwijgend heeft gelast, toegelaten of bekrachtigd, dienvolgens iedere proceshandeling die in deze zaak namens verzoekster werd verricht tot op 9 juli 2001 vervolgens van onwaarde te verklaren, onder meer of minstens: - de besluiten welke vóór 9 juli 2001 namens verzoekster werden geredigeerd, - de impliciete aanvaarding van de materiële bevoegdheid, - de aanvaarding van de ontvankelijkheid van de vordering, - de expertiseverrichtingen tot 9 juli 2001 of minstens de tussenkomsten van geïntimeerden en de raadsgeneesheren (o.a. W. Vandevoorde) tijdens deze expertiseverrichtingen tot 9 juli
  25. 2.
  26. R. B. en J. K., hierna geïntimeerden genoemd, vorderen de afwijzing van het hoger beroep. Zij hebben incidenteel beroep ingesteld en vorderen de veroordeling van appellante tot de betaling van euro 1 wegens tergend en roekeloos geding.
  27. De beoordeling. 3.
  28. Ingeval een proceshandeling wordt verricht namens een persoon buiten iedere wettelijke vertegenwoordiging, zonder dat deze die handeling zelfs stilzwijgend heeft gelast, toegelaten of bekrachtigd, kan hij de rechter, naar luid van art. 848 van het Gerechtelijk Wetboek, verzoeken die handeling van onwaarde te verklaren. Appellante stelt deze vordering tot ontkentenis van proceshandeling in m.b.t.: - de conclusies die vóór 9 juli 2001 namens haar werden geredigeerd, - de impliciete aanvaarding van de materiële bevoegdheid, - de aanvaarding van de ontvankelijkheid van de vordering, - de expertiseverrichtingen tot 9 juli 2001 of minstens de tussenkomsten van geïntimeerden en de raadsgeneesheren (o.a. W. Vandevoorde) tijdens deze expertiseverrichtingen tot 9 juli
  29. 3.
  30. De eis van appellante werd in eerste aanleg terecht ongegrond verklaard wat de tussenkomsten van de raadsgeneesheren betreft tijdens het gerechtelijk deskundigenonderzoek. Deze tussenkomsten betreffen immers geen proceshandelingen die door geïntimeerden namens appellante zijn verricht. 3.
  31. Appellante verwerpt ten onrechte de toepassing van art. 79 Wet Landverzekeringsovereenkomst en steunt zich in haar verweer op een onjuiste voorstelling van de desbetreffende feiten. Volgens art. 79, 1ste lid Wet Landverzekeringsovereenkomst is de verzekeraar, van zodra hij tot het geven van dekking is gehouden en voor zover deze wordt ingeroepen, verplicht zich achter zijn verzekerde te stellen binnen de grenzen van de dekking. Ten aanzien van de burgerlijke belangen en in zover de belangen van de verzekeraar en de verzekerde samenvallen, heeft de verzekeraar volgens art. 79, 2de lid Wet Landverzekeringsovereenkomst het recht om, in de plaats van de verzekerde, de vordering van de benadeelde te bestrijden. Het blijkt dat door middel van de Dienst Onthaalgezinnen te Hasselt en DVV Corporate te Hasselt op 18 januari 1999 aangifte van het schadegeval in kwestie werd gedaan bij de B.A.-verzekeraar, KBC Verzekeringen. KBC Verzekeringen kreeg kennis van de inleidende dagvaarding van onderhavig geding door de betekening aan haar zelf op 29 april
  32. De verzekeraar heeft appellante bij brief van 5 mei 1999 laten weten dat zij voor de verdediging van appellante als voor haar eigen verdediging, wat de verantwoordelijkheid voor het schadegeval en de aanspraak van de oorspronkelijke aanleggers betreft, geïntimeerden als advocaat had aangesteld. Aan de vereisten van art. 79, 1ste en 2de lid Wet Landverzekeringsovereenkomst was op dat ogenblik voldaan: er was door de aangifte van het schadegeval een aanspraak op de dekking, het ging om een schadegeval klaarblijkelijk onder de dekking van de polis, en de belangen van de verzekeraar en de verzekerde vielen samen. De verzekeraar had aldus het recht en de plicht om de leiding van het geding waar te nemen. Vermits zowel de verzekeraar als de verzekerde werden gedaagd, diende de verzekeraar zijn wettelijke plicht niet door middel van naamlening na te komen doch vermocht hij in het kader van deze wettelijke lastgeving advocaten aan te stellen met een mandaat ad litem. Appellante werd terstond bij brief van 5 mei 1999, d.i. vóór de inleidende terechtzitting van het geding, schriftelijk op de hoogte gebracht van het initiatief van de verzekeraar. Appellante houdt ten onrechte voor dat aan de vereisten van art. 79 Wet Landverzekeringsovereenkomst niet was voldaan omdat de tegenstrijdigheid van belangen tussen verzekeraar en verzekerde reeds van bij aanvang van het geding door de verzekeraar gekend was. Deze bewering van appellante is niet alleen onbewezen gebleven, ze blijkt ook te steunen op een manifest verkeerde lezing van de correspondentie tussen betrokkenen. Het probleem van eventueel tegenstrijdige belangen was blijkbaar ter sprake gebracht door M.N. die in contact stond met appellante. Telefonisch heeft de verzekeraar daarop reeds op 10 mei 1999 standpunt ingenomen: "...Indien in de loop van het geding er tegenstrijdigheden zouden optreden (geen ongeval of opzet) kan de adv(ocaat) enkel optreden voor KBC en moet mevr. C. zelf een advocaat nemen om haar belangen te verdedigen. Voorlopig is dit niet het geval en heel onwaarschijnlijk, doch wij willen U dit mededelen indachtig zijnde een ander geval waar de onthaalmoeder vervolgd wordt voor opzettelijke dood (shaking syndroom)". Deze telefonische mededeling werd aan appellante schriftelijk bevestigd bij brief van 17 mei 1999 opgesteld in heldere en ondubbelzinnige bewoordingen, die appellante niet mis kan verstaan hebben. Het is dan ook zonder meer duidelijk dat de verzekeraar op basis van de gegevens, die hij toen kende en die berustten op informatie van appellante zelf, op redelijke gronden oordeelde dat er geen tegenstrijdigheid van belangen was en dat zij haar wettelijk recht maar ook wettelijke plicht tot verdediging van haar verzekerde moest waarnemen. Appellante was akkoord met deze gang van zaken. Niettegenstaande zij duidelijk geïnformeerd werd over het initiatief van de verzekeraar en van de aanstelling en de opdracht van geïntimeerden heeft zij hiervan geen afstand genomen. Uit de e-mail van M. N. aan de verzekeraar van 7 juni 1999 blijkt, integendeel, dat appellante samen met M. N. enkele dagen, voordien met eerste geïntimeerde besprekingen voerde en afspraken maakte over de verder te volgen strategie n.a.v. het bevolen deskundigenonderzoek. Van zodra de verzekeraar kennis kreeg van het voorverslag van de gerechtsdeskundige heeft hij appellante bij brief van 9 juli 2001 verwittigd van de eventuele tegenstrijdigheid van belangen die pas door het voorlopig deskundigenverslag werden gereveleerd. In die omstandigheden kon de verzekeraar redelijkerwijze aannemen dat hij geen wettelijk mandaat in de zin van art. 79 Wet Landverzekeringsovereenkomst meer had en gaf hij appellante terecht de raad een persoonlijke raadsman te consulteren. Tot dan heeft de verzekeraar het wettelijk mandaat terecht uitgeoefend en heeft appellante, die op de hoogte werd gehouden van de gestelde proceshandelingen door geïntimeerden, hiermee ingestemd niet alleen stilzwijgend maar ook door samen met geïntimeerden de verdedigingsstrategie te bespreken en daarover afspraken te maken. Daaraan staat niet in de weg dat geen bewijs voorligt van de voorafgaande mededeling aan appellante van de conclusie die geïntimeerden neerlegden op 11 mei
  33. Uit het voormelde e-mailbericht van M. N. aan de verzekeraar van 7 juni 1999 blijkt immers dat appellante met eerste geïntimeerde de behartiging van haar belangen tijdens het medisch deskundigenonderzoek heeft besproken en dat er tussen betrokkenen afspraken werden gemaakt over de te volgen werkwijze. Deze houding van appellante impliceert haar instemming met het standpunt dat geïntimeerden tot dan toe hadden ingenomen en dat zij hadden verwoord in voormelde conclusie. 3.
  34. Vermits de leiding van het geding krachtens een recht ex art. 79 Wet Landverzekeringsovereenkomst in handen was van de verzekeraar en deze, zoals voormeld, de plicht had om in uitvoering van zijn wettelijk mandaat zich achter de verzekerde op te stellen en diens verdediging waar te nemen, heeft de verzekeraar geïntimeerden gelast met een mandaat ad litem. Het is niet betwist dat geïntimeerden volledig conform de instructies van hun lastgever hebben gehandeld. Indien appellante van oordeel is, niettegenstaande haar eerder ingenomen houding, zoals voormeld, instemming doet blijken, meent dat de wijze waarop de verzekeraar zijn wettelijk mandaat heeft uitgeoefend strijdt met haar rechten van verdediging, dan kan dit mogelijkerwijze een aansprakelijkheidskwestie doen ontstaan in de rechtsverhouding tussen appellante en haar verzekeraar. Hierin wordt echter geen grond gevonden om een ontkentenis van proceshandeling op verzoek van appellante ten laste van geïntimeerden toe te wijzen. 3.
  35. Bovendien maakt appellante niet aannemelijk dat haar rechten van verdediging zouden geschonden zijn door de wijze waarop haar verweer tot 9 juli 2001 werd voorgedragen. Tot dan toe werd enkel de eis van de oorspronkelijke aanleggers ontvankelijk verklaard en werd vooraleer over de grond te oordelen een deskundigenonderzoek bevolen en uitgevoerd. In de inleidende dagvaarding werd op voldoende wijze de hoedanigheid van de aanleggers en hun persoonlijk, dadelijk en reeds verkregen belang omschreven om hun eis toelaatbaar te verklaren. Appellante maakt niet aannemelijk dat er grond bestond voor een exceptie van niet-toelaatbaarheid. De desbetreffende elementen die zij aanreikt, slaan op de betwisting of de ingediende eis die tegen haar toewijsbaar is (art. 18 AOW) en betreffen prima facie de grond van de betwisting en niet de toelaatbaarheid of de ontvankelijkheid. Ook de beweerdelijk gemiste kans op een bevoegdheidsincident komt klaarblijkelijk niet terzake dienend voor vermits de eis werd ingeleid op grond van aquiliaanse aansprakelijkheid (art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek) waarvoor de bevoegdheid van de eerste rechter apert was. De eventuele quasi-immuniteit van appellante ten aanzien van dergelijke vordering raakt ook de grond van de zaak en stond de materiële bevoegdheid van de eerste rechter ogenschijnlijk toch niet in de weg. Het hoger beroep van appellante is ongegrond. 3.
  36. Bij incidenteel beroep vorderen geïntimeerden opnieuw de veroordeling van appellante tot de betaling van een schadevergoeding van euro 1 wegens tergend en roekeloos geding. Geïntimeerden laten terecht gelden dat appellante haar eis tot ontkentenis van proceshandeling heeft ingesteld met miskenning van de wettelijke regeling terzake van de leiding van het geding door de B.A-verzekeraar en tegen de houding van instemming die ze zelf gedurende meerdere maanden heeft aangenomen. Daarenboven heeft zij haar eis laten steunen op ten onrechte beweerde deontologische fouten van geïntimeerden. Zij diende dan ook te weten niet alleen dat haar eis geen kans maakte maar zij diende bovendien te beseffen dat de aantijgingen ten laste van geïntimeerden voor deze laatsten als kwetsend zouden worden ervaren. Haar proceshouding was te dezen roekeloos en tergend. De oorspronkelijke tegeneis van geïntimeerden, en thans hun incidenteel beroep zijn gegrond. 3.
  37. Partijen hebben hun eisen tot verwijzing van de tegenpartij in de proceskosten aangepast en vorderen de toekenning van het basistarief van de rechtsplegingsvergoeding bij de toepassing van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, en het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding. OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak en na mondeling advies van het Openbaar Ministerie bij monde van Substituut-procureur-generaal H. PENNE. Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni
  38. Verklaart het hoger beroep van appellante C. C. toelaatbaar doch ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis in alle beschikkingen. Verklaart het incidenteel beroep van geïntimeerden toelaatbaar en gegrond. Verklaart de oorspronkelijke tegeneis van geïntimeerden gegrond. Veroordeelt appellante tot de betaling aan geïntimeerden van een schadevergoeding van euro
  39. Verwijst appellante in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden vereffend op euro 1 200 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 23 januari
  40. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer A. VERHAERT Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS A. VERHAERT K. ALLEGAERT F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080123.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.