id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 30 januari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080130.3 Rolnummer: 598 P 2007 Rechtsgebied: Strafrecht - Belastingrecht Invoerdatum: 2008-06-18 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-02 16:57 Fiche De hoofdelijke gehoudenheid bedoeld door artikel 458 WIB-1992 en artikel 73sexies BTW-wetboek is slechts een civielrechtelijk gevolg van de veroordeling voor fiscale misdrijven en geen straf. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Andere veroordelingen - Algemeen STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Hoofdelijkheid FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING -VESTIGING EN INVORDERING - Sancties - Andere FISCAAL RECHT - BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE (B.T.W.) - Sancties (B.T.W.) - Andere Vrije woorden: Fiscaal strafrecht - Inkomstenbelasting en BTW - Hoofdelijke gehoudenheid van de mededader - Civielrechtelijk gevolg van de veroordeling - Geen straf Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 458 Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde - 73sexies Nota: De beklaagde in deze zaak, heeft een cassatieberoep ingesteld. Het Hof heeft het beroep bij arrest van 21 oktober 2008 (P.08.0535.N) verworpen. Zie ook: bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, B.S. 25 juni 2008 (1ste editie). Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep te Antwerpen (9de kamer) heeft op 30 januari 2008 het volgende arrest uitgesproken: [...] 6. M.b.t. het verzoek om bijkomend onderzoek of om het Grondwetteliik Hof te bevragen
- i)Door de 4de beklaagde wordt voorgehouden dat het voor de beoordeling van dit dossier van belang is te weten "in welke mate de potentiële gehoudenheid in hoofde van concluant gevolgen kan hebben" (beroepsbesluiten, p. 29-30). Het zou volgens de 4de beklaagde noodzakelijk zijn om bij de fiscus na te vraag te doen over de hoofdelijke gehoudenheid van de beklaagde bij toepassing van artikel 458 WIB-1992 en artikel 73sexies BTW-wetboek, niet alleen voor de fiscale fraude waarbij hij (of de door hem gecontroleerde vennootschap) zelf als belastingplichtige betrokken is maar ook voor de fiscale fraude waarbij derden belastingplichtige zijn en waarvoor hij als mededader wordt aangemerkt.
- ii)Het Hof kan de stelling van de 4de beklaagde niet volgen aangezien zij uitgaat van de verkeerde rechtsopvatting dat de hoofdelijke gehoudenheid ingevolge artikel 458 WIB-1992 en artikel 73sexies BTW-wetboek een straf zou zijn. Deze gehoudenheid is slechts een civielrechtelijk gevolg van de veroordeling van de 4de beklaagde voor de hem ten laste gelegde fiscale misdrijven. Ingevolge de veroordeling is de beklaagde gehouden de belastingen en de BTW die verschuldigd zijn te voldoen. Een dergelijke gehoudenheid heeft dus geen punitief maar wel een herstellend karakter aangezien slechts wordt beoogd dat de verschuldigde maar ontdoken belastingen en BTW - dit is niets anders dan de veroorzaakte schade - worden voldaan. De omstandigheid dat de gehoudenheid geldt voor het geheel van de ontdoken belastingen en BTW, zonder dat het precieze aandeel van de beklaagde in de totstandkoming van de misdrijven waaraan hij schuldig wordt verklaard van belang is, kan aan die conclusie geen afbreuk doen. iii/1) De rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens waarnaar door de 4de beklaagde wordt verwezen kan dit Hof niet tot een ander oordeel brengen. Het arrest ÖZTÜRK tegen Duitsland d.d. 21 februari 1984 (nr. 8544/79) had betrekking op het opleggen van een geldboete n.a.v. een verkeersovertreding. Het arrest WEBER tegen Zwitserland d.d. 22 mei 1990 (nr. 11034/84) had betrekking op het opleggen van een geldboete wegens schending van een geheim van het onderzoek. Dergelijke pecuniaire sancties, die geen schadevergoedende functie hebben, zijn niet te vergelijken met de gehoudenheid ingevolge artikel 458 WIB-92 en artikel 73sexies BTW -wetboek. iii/2) De verwijzingen naar de arresten nr. 57/98 d.d. 27 mei 1998 en nr. 87/98 d.d. 15 juli 1998 van het Grondwettelijk Hof zijn evenmin relevant aangezien ze betrekking hebben op het eertijds van rechtswege en onbeperkt in de tijd-karakter van de door artikel 1 en 1bis van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 bedoelde beroepsverboden. Anders dan de door artikel 458 WIB-92 en artikel 73sexies BTW-wetboek bedoelde gehoudenheid betreffen deze beroepsverboden geen louter civielrechtelijk gevolg van een veroordeling doch wel een voor de toekomst geldende bijkomende straf. iii/3) Ook de verwijzingen naar de arresten nr. 98/99 d.d. 15 september 1999 en nr. 92/2000 d.d. 13 juli 2000 zijn niet dienstig ter staving van de stelling van de 4de beklaagde. De door artikel 35, vierde lid van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bedoelde verplichting voor de strafrechter om in een wel bepaald geval de werkgever ambtshalve te veroordelen tot betaling aan de RSZ van een vergoeding van het drievoud van de ontdoken bijdragen (met een minimum van 51.000 BEF per tewerkgestelde persoon en per maand) kan geenszins worden vergeleken met de gehoudenheid ingevolge artikel 458 WIB-92 en artikel 73sexies BTW-wetboek. iii/4) Uit het door de 4de beklaagde geciteerde arrest nr. 92/2000 d.d. 13 juli 2000 valt overigens af te leiden dat het Grondwettelijk Hof er geen graten inziet dat bij wet wordt bepaald dat los van enige burgerlijke partijstelling een beklaagde ambtshalve wordt verplicht de ontdoken rechten te voldoen (overwegingen B.9. en B.I0. ; vgl. impliciet de overweging B.8. in arrest nr. 80/2001 d.d. 13 juni 2001)
- iv)Evenmin relevant is de verwijzing van de 4de beklaagde naar de arresten van het Hof van Cassatie d.d. 24 januari 2002, 21 januari 2005 en 16 februari 2006 (beroepsbesluiten, p. 31). Deze rechtspraak heeft immers betrekking op het administratieve geldboeten, die volstrekt niet vergelijken vallen met de gehoudenheid bedoeld door artikel 458 WIB-92 en artikel 73sexies BTW-wetboek.
- v)Ook de bewering van de 4de beklaagde dat in de door hem geciteerde rechtsleer wordt bevestigd dat de hoofdelijke gehoudenheid buiten elke twijfel een strafrechtelijk karakter heeft (beroepsbesluiten, p. 31) moet worden tegengesproken. Zo schrijft A. DE NAUW ("De rechten van de mens, stuwende kracht van een nieuwe golf van penalisatie in het ondernemingsrecht, in Liber Amicorum Yvette Merchiers, Brugge, Die Keure, 2001, p. 501) "In het licht van de rechtspraak van het E.H.R.M. en van het Arbitragehof zou getwijfeld kunnen worden aan het burgerrechtelijk karakter van de hoofdelijke gehoudenheid" wat door dit Hof enkel zo kan worden uitgelegd dat er over de precieze kwalificatie twijfel. bestaat. L. HUYBRECHTS (Fiscaal strafrecht, in A.P.R. Mechelen, Story-Scientia, 2002, nr. 178, p. 93) schrijft inderdaad "De hoofdelijke gehoudenheid is één van de meest dreigende en zwaarste sancties van het fiscaal strafrecht" doch hij voegt daar onmiddellijk aan toe "Toch is het geen eigenlijke straf, maar slechts een civielrechtelijk gevolg van de veroordeling ..." waarmee hij te kennen geeft dat het wel degelijk gaat om een civielrechtelijk gevolg en niet om een straf.
- vi)Aangezien er in hoofde van dit Hof geen twijfel over bestaat dat de hoofdelijke gehoudenheid bedoeld door artikel 458 WIB-92 en artikel 73sexies BTW-wetboek een louter civiel karakter heeft en het niet gaat om een straf, is er ter beslechting van de door dit Hof te beoordelen vorderingen geen noodzaak om de fiscale administraties te bevragen over de precieze omvang van deze gehoudenheid. Evenmin is er enige noodzaak om het Grondwettelijk Hof te bevragen zoals gesuggereerd door de 4de beklaagde, aangezien deze vraagstelling uitgaat van de foutieve opvatting dat de gehoudenheid een strafsanctie zou zijn. [...] PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080130.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div