id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 05 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080205.21 Rolnummer: 2006AR2940 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-03-05 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-02 17:00 Fiche Op de bedragen die dienen terugbetaald ingevolge een verbreking van een in laatste aanleg gewezen beslissing die ten uitvoer gelegd is, zijn slechts intresten verschuldigd vanaf de ingebrekestelling na de verbreking. Om intresten te kunnen vorderen vanaf de datum van de betaling aan degene die de verbroken beslissing heeft laten uitvoeren, dient een fout aangetoond (art. 1378 B.W.). Het gaat immers niet om een voorlopige tenuitvoerlegging zodat de in art. 1398 2de lid Ger.W. vervatte risico-aansprakelijkheid niet van toepassing is. Het louter feit een arrest uit te voeren dat kracht van gewijsde heeft maakt geen fout uit. Degene die in tweede aanleg en op tegenspraak in het gelijk wordt gesteld mag immers te goeder trouw verwachten dat zijn succes definitief zal zijn. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Voorafgaande regels (beslag en executie) - Uitvoerbaarheid - Algemeen GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Voorafgaande regels (beslag en executie) - Uitvoerbaarheid - Uitvoerbaar vanaf de uitspraak GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Voorafgaande regels (beslag en executie) - Uitvoerbaarheid - Veroordeling tot betaling geldsommen Vrije woorden: Tenuitvoerlegging rechterlijk beslissing - terugvordering ingevolge cassatie van ten uitvoer gelegde titel - aanvangspunt intresten - verschuldigd vanaf ingebrekestelling na verbreking Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, DERDE BIS KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewe-zen: Inzake : 2006/AR/2940
- NV DMG, met zetel gevestigd te 1501 Buizingen, Drasop 7, ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder nr. 501.005;
- G. D. wonende te ...; APPELLANTEN vertegenwoordigd door mr. P. Vermeylen loco mr. A. Diercxsens, advocaat te 2018 Antwerpen, Mechelse-steenweg 136; TEGEN : NV ING BELGIË, voorheen BANK BRUSSEL LAMBERT, met vennootschapszetel te 1050 Brussel, Marnixlaan 24, onder-nemingsnummer 0403.200.393, voorheen ingeschreven in het handelsregister van Brussel onder nr. 77.186; GEÏNTIMEERDE vertegenwoordigd door mr. O. Stevens tevens loco mr. Paul Van der Putten, advocaat te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25; PROCEDURE
- Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder : · de bestreden beschikking d.d. 06.05.2003 van de Beslagrechter in de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel; · het arrest d.d. 19.04.2004 van het Hof van beroep te Brussel; · het arrest d.d. 30.03.2006 van het Hof van Cassatie waarbij het voormelde arrest d.d. 19.04.2004 van het Hof van beroep te Brussel vernietigd werd, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart, en de aldus beperkte zaak naar dit Hof werd verwezen; · het exploot d.d. 20.10.2006 van betekening van het voormelde arrest d.d. 30.03.2006 van het Hof van Cassatie met dagvaarding voor dit Hof. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN
- Appellanten, de N.V. D.M.G. en de heer G. D., concluderen als volgt : "In hoofdorde Het hoger beroep van tegenpartij de nv ING tegen het bestreden vonnis van 6 mei 2003 ongegrond te verklaren; Het incidenteel hoger beroep zoals ingesteld door concluanten ont-vankelijk toelaatbaar en gegrond te verklaren; Dienvolgens het bestreden vonnis dd. 6 mei 2003 van de beslag-rechter bij de rechtbank van eerste aanleg van Brussel, teniet te doen en opnieuw rechtdoende zoals de eerste rechter had be-horen te doen Te zeggen voor recht dat uit hoofde van het vonnis van 7 februari 2002, bevestigd bij arrest dd. 6 november 2002, de dwangsommen aan concluanten door de ING Bank verschuldigd zijn vanaf 16 fe-bruari 2002 tot 3 april 2002; dienvolgens het verzet van de nv. ING Bank (voorheen BBL) tegen het op 8 augustus 2002 betekende be-vel tot betaling ongegrond te verklaren; de nv. ING BANK van dit verzet af te wijzen en haar bijgevolg tevens af te wijzen van haar vordering lastens concluanten in terugbetaling van de reeds be-taalde en wel degelijk terecht verbeurde dwangsommen Tevens de tegenvordering van concluanten ontvankelijk en ge-grond te verklaren De ING Bank te veroordelen om 2.500 euro aan elk van beide con-cluanten te betalen. De Nv. ING bank tevens te veroordelen tot alle kosten van het ge-ding, zoals infra voor concluanten begroot; In ondergeschikte orde Alleszins het hoger beroep zoals ingesteld door tegenpartij onge-grond te verklaren en voor het geval het Hof tevens van oordeel zou zijn dat een interpretatief vonnis vereist is; het bestreden vonnis van 6 mei 2002 te bevestigen en aan de partijen te bevelen om in toepassing van artikel 798 Ger.W. een interpretatief arrest te vragen aan de Franstalige Kamer van het Hof van Beroep te Brussel, die op 6 november 2002 het vonnis van 7 februari 2002 van de dwangsomrechter bevestigd heeft en dit met betrekking tot de precieze draagwijdte van de in het vonnis van de dwang-somrechter uitgesproken hoofdveroordeling waaraan de dwangsom werd gekoppeld. Om daarna verder te oordelen als naar recht Kosten aan te houden In uiterst ondergeschikte orde Voor het geval het hoger beroep van tegenpartij gegrond zou worden verklaard en het Hof van oordeel zou zijn dat geen inter-pretatief vonnis vereist zou zijn, alleszins de eis van tegenpartij te herleiden tot de enkele hoofdsom met afwijzing van enige vordering voor intresten;".
- Geïntimeerde, de N.V. ING BELGIË (voorheen de N.V. BANK BRUSSEL LAMBERT), concludeert als volgt : " Het hoger beroep van appellanten tegen het vonnis van de be-slagrechter dd. 6 mei 2003 (A.R. nr. 02/9974/A) onontvankelijk en in ieder geval ongegrond te verklaren. Het incidenteel hoger beroep van concluante tegen het vonnis van de beslagrechter d.d. 6 mei 2003 (A.R. nr. 02/9974/A) ont-vankelijk en gegrond te verklaren. Het bestreden vonnis dienvolgens te vernietigen en opnieuw rechtsprekende, De oorspronkelijke vordering van concluante ontvankelijk en ge-grond te horen verklaren. - In hoofdorde, te horen zeggen voor recht dat uit hoofde van het vonnis dd. 7 februari 2002 hiervoor nader omschreven, geen dwangsommen zijn verbeurd. Het op verzoek van appellanten op 8 augustus 2002 betekende bevel onregelmatig te verklaren. - In ondergeschikte orde, te zeggen voor recht dat concluante de hoofdveroordeling uit hoofde van overmacht niet is kunnen na-komen. Dienvolgens te zeggen voor recht dat het vonnis van de 1ste kamer van de rechtbank van koophandel te Brussel dd. 7 februari 2002 als uitvoerbare titel ondoeltreffend is geworden. Derhalve de middels dit bevel aangevangen tenuitvoerlegging te horen schorsen. Appellanten, in elk geval solidair, in solidum, en zoniet de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot betaling aan verzoek-ster van de som van 68.097,58 euro , te vermeerderen met de wette-lijke intresten sedert de datum van ontvangst en gerechtelijke intresten (aan dezelfde rentevoet) sedert de dag van dagvaar-ding. Appellanten bovendien in elk geval te veroordelen tot de ge-rechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen.". FEITEN EN RETROACTEN
- Bij vonnis d.d. 07.02.2002 van de Rechtbank van koophandel te Brussel werd geïntimeerde veroordeeld tot opheffing van een aantal zakelijke en persoonlijke zekerheden, mits betaling van een saldo van euro 145,25, en dit op sanctie van verbeuring van een dwangsom van euro 1.239,47 per dag vertraging na betekening van dit vonnis en betaling van het voormelde saldo. Bij dit vonnis werd de voorlopige tenuitvoerlegging toegestaan. Appellanten hebben het voormelde saldo betaald en de kwijting er-van op 15.02.2002 aan geïntimeerde laten betekenen samen met het voormelde vonnis. Bij fax-bericht van dezelfde datum, 15.02.2002, bevestigt de raads-man van geïntimeerde aan appellanten dat geïntimeerde inmiddels het saldo ontvangen heeft en deelt mee dat zij met dit schrijven met onmiddellijke ingang opheffing verleent van de zekerheden vermeld in het dispositief van het voormelde vonnis d.d. 07.02.2002 van de Rechtbank van koophandel te Brussel. Bij schrijven d.d. 20.02.2002 aan de raadsman van geïntimeerde gericht laten appellanten o.m. weten dat zij nota nemen van de inten-tie van geïntimeerde om het voormelde vonnis uit te voeren, delen zij mee dat een eenvoudige intentiebrief daartoe niet volstaat en vragen zij het bewijs van de hypotheekbewaarder dat de zekerheden zijn opgeheven. Bij schrijven d.d. 21.02.2002 deelt de raadsman van geïntimeerde aan appellanten mee dat appellanten zijn voormelde brief van 15.02.2002 ten onrechte slechts als een intentiebrief beschouwen, nu de opheffing van de zekerheden er wel degelijk in gegeven wordt. In deze brief deelt de raadsman tevens mee dat de nood-zakelijke formaliteiten om deze opheffing tegenstelbaar aan derden te maken, bezig zijn. Blijkens akte op 22.02.2002 verleden voor notaris Olivier DUBUIS-SON te Elsene, bevestigt geïntimeerde volledige handlichting te geven van de zekerheden zoals bepaald in het voormelde vonnis d.d. 07.02.
- Op grond hiervan gaan de resp. Hypotheekbewaarders over tot doorhaling van de betreffende inschrijvingen. De laatste doorhaling vindt plaats op 02.04.
- Bij exploot d.d. 08.04.2002 van gerechtsdeurwaarder Jean-Philipp SONCK te Oudergem, laten appellanten het litigieuze bevel beteke-nen tot betaling van voorgehouden verbeurde dwangsommen voor de periode van 15.02.2002 tot 02.04.2002, meer de kosten. Hiertegen verzet geïntimeerde zich voor de Beslagrechter in de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel die, bij de bestreden be-schikking, de tenuitvoerlegging schorst "in afwachting van de neer-legging van een interpretatief vonnis met betrekking tot de precieze draagwijdte van de in het vonnis van de dwangsomrechter uit-gesproken hoofdveroordeling waaraan een dwangsom werd gekop-peld;". Bij arrest d.d. 19.04.2004 van het Hof van beroep te Brussel werd de bestreden beschikking van de Beslagrechter hervormd en het verzet van geïntimeerde evenals de tegenvordering tot schadevergoeding van appellanten als ongegrond afgewezen. Na dit arrest heeft geïntimeerde, onder voorbehoud van hervorming ervan, op 05.05.2004 een bedrag van euro 68.097,58 aan voorge-houden verbeurde dwangsommen betaald aan appellanten. Bij arrest d.d. 30.03.2006 van het Hof van Cassatie werd het voor-melde arrest d.d. 19.04.2004 van het Hof van beroep te Brussel ver-nietigd, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk ver-klaart, en de aldus beperkte zaak naar dit Hof verwezen. Bij arrest d.d. 06.11.2002 van het Hof van beroep te Brussel werden de hogere beroepen tegen het voormelde vonnis d.d. 07.02.2002 van de Rechtbank van koophandel te Brussel als ongegrond afge-wezen. BESPREKING
- Ten onrechte concludeert geïntimeerde tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep. Het voormelde arrest d.d. 19.04.2004 van het Hof van beroep te Brussel werd immers niet vernietigd in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart en de aldus beperkte zaak werd naar dit Hof verwezen. De toelaatbaarheid van het hoger beroep gaat dan ook de saisine van dit Hof te buiten, zodat dit er geen kennis van kan nemen.
- Appellanten houden voor dat de hoofdveroordeling van de bodem-rechter impliceert dat ook de doorhaling van de hypothecaire in-schrijving van de zekerheden dienden plaats te vinden op sanctie van verbeuring van een dwangsom en, gezien deze doorhalingen slechts plaatsgevonden hebben op 02.04.2002, er in de periode van 15.02.2002 tot 02.04.2002 dwangsommen verbeurd zijn aan euro 1.239,47 per dag.
- Het komt de beslagrechter (in hoger beroep) niet toe om rechterlijke uitspraken waarover een executiegeschil bestaat te interpreteren. De beslagrechter dient daarentegen wel degelijk te onderzoeken of de tenuitvoerlegging, in casu aangevat met het litigieuze bevel, regelmatig en rechtmatig is en bijgevolg na te gaan of de titel op grond waarvan vervolgd wordt, grond kan opleveren voor de ver-beuring van de gevorderde dwangsommen.
- De bewoordingen van het vonnis op grond waarvan de tenuitvoer-legging wordt vervolgd zijn duidelijk en niet vatbaar voor inter-pretatie. Overeenkomstig art. 92 Hyp .W., worden de inschrijvingen doorge-haald of verminderd krachtens de toestemming van de belang-hebbende partijen, daartoe bevoegd, ofwel krachtens een vonnis in laatste aanleg gewezen of in kracht van gewijsde, ofwel krachtens een vonnis, uitvoerbaar verklaard niettegenstaande verzet. Het der-de lid van dit artikel bepaalt dat de last tot doorhaling of vermindering uitdrukkelijk en in authentieke vorm moet worden gegeven. Over-eenkomstig art. 93 Hyp.W. dienen zij die de doorhaling of verminde-ring vorderen, op het kantoor van de bewaarder, hetzij de uitgifte der authentieke akte of de akte in brevet, houdende toestemming, hetzij de uitgifte van het vonnis over te leggen. De last tot doorhaling of vermindering moet eenduidig blijken uit de tekst van de voorgelegde akte of het vonnis zonder dat de hypotheekbewaarder gehouden is tot enige interpretatie of tot de beoordeling van de vervulling van de voorwaarde waaraan de doorhaling of vermindering is verbonden. Een vonnis moet derhalve uitdrukkelijk de doorhaling van de inschrij-ving bevelen (zie o.m. Cass. 30.03.2006).
- Gezien de verbeurte van een dwangsom een ernstige vermogens-aantasting voor de veroordeelde tot gevolg kan hebben, zoals in casu, dient het door de rechter opgelegde gebod of verbod strikt toe-gepast. De veroordeelde moet precies weten waaraan zich te houden en er is geen ruimte voor uitbreidende of analogische toe-passingen van het gebod of verbod (zie o.m. Dirix, E., "Executie-problemen met betrekking tot de dwangsom" in "De Dwangsom", Jura Falconis Libri, 1999, nr. 23, p. 49 e.v.; Dirix, E. en Broeckx, K., Beslag, A.P.R., 2001, nr. 83 h, p. 55-56; Wagner, K., Dwangsom, A.P.R., 2003, nr. 99 e.v., p. 98 e.v.).
- In casu dient vastgesteld dat het vonnis d.d. 07.02.2002 van de bodemrechter, de Rechtbank van koophandel te Brussel, geenszins de doorhaling van de inschrijvingen beveelt, zodat het feit dat deze doorhaling slechts plaatsvond op 02.04.2002 geen aanleiding gaf tot verbeuring van de dwangsommen.
- Er is dan ook geen aanleiding om de tenuitvoerlegging te schorsen in afwachting van een interpretatie door de bodemrechter.
- Geïntimeerde heeft de dag zelf van de betekening op 15.02.2002 van het vonnis van de bodemrechter, bevestigd dat zij met onmiddel-lijke ingang opheffing verleende van de zekerheden vermeld in het dispositief van het voormelde vonnis van de Rechtbank van koop-handel te Brussel, zodat zij onmiddellijk voldaan heeft aan de in dit vonnis vervatte hoofdveroordeling. De afstand van een hypotheek is immers een eenzijdige, niet vorme-lijke wilsuiting waarbij de titularis van een hypotheek afziet van de hypotheek die in zijn voordeel was gevestigd. Deze afstand, die dient onderscheiden te worden van de verzaking aan de inschrijving, is definitief en onherroepelijk, zelfs zonder dat de tegenpartij deze afstand moet hebben aanvaard, zelfs zonder dat zij er kennis van heeft genomen (Dirix, E., en De Corte, R., "Zekerheden", Kluwer, 1996, nr. 701-402, p. 413).
- Gezien geïntimeerde de dag zelf van de betekening van het vonnis van de bodemrechter voldaan heeft aan de hoofdveroordeling, zijn er geen dwangsommen verbeurd, zodat de met het litigieuze bevel d.d. 08.04.2002 van gerechtsdeurwaarder Jean-Philipp SONCK te Oudergem aangevatte tenuitvoerlegging onrechtmatig is. Het verzet van geïntimeerde is dan ook gegrond in de hiernabe-paalde mate.
- Gezien het verzet van geïntimeerde grotendeels gegrond blijkt, ge-tuigt het geenszins van een lichtzinnigheid waarvan elk voorzichtig en behoedzaam mens zich dient te onthouden. De vordering tot schadevergoeding van appellanten wegens het tergend en roekeloos karakter van dit verzet is dan ook ongegrond.
- Geïntimeerde vordert het door haar op 05.05.2004 betaalde bedrag van euro 68.097,58 aan voorgehouden verbeurde dwangsommen en kosten, weer. De toelaatbaarheid van deze vordering wordt niet betwist.
- Geïntimeerde betaalde dit bedrag ingevolge het arrest d.d. 19.04.2004 van het Hof van beroep te Brussel. Nu dit arrest ver-nietigd werd bij arrest d.d. 30.03.2006 van het Hof van Cassatie vond deze betaling plaats zonder titel zodat geïntimeerde gerechtigd is op terugbetaling van dit bedrag op grond van de onverschuldigde betaling.
- Ten onrechte vordert geïntimeerde intresten op dit bedrag vanaf de datum van betaling, in casu 05.05.2004, en verwijst hiervoor naar art. 1398 2de lid Ger.W.. Om ook eventuele intresten op deze terug te betalen dwangsommen te kunnen vorderen dient evenwel een fout (kwade trouw) aange-toond (art. 1378 B.W.), tenzij er sprake is van (foutloze) risicoaan-sprakelijkheid. Ingeval van voorlopige tenuitvoerlegging is de wette-lijke grondslag voor deze (foutloze) risicoaansprakelijkheid art. 1398 2de lid Ger.W. De uitvoering van een op tegenspraak gewezen arrest is echter geen voorlopige tenuitvoerlegging. Er is immers geen gewoon rechtsmid-del tegen mogelijk zodat het in kracht van gewijsde is getreden. Slechts verzet en hoger beroep schorsen de tenuitvoerlegging (art. 1397 Ger.W.). Art. 1398 Ger.W., en dus ook de in het tweede lid van deze bepaling vervatte grond van risico-aansprakelijkheid, is dus niet van toepassing (vgl. Cass. 17.02.2005). Nu er geen andere grond voor foutloze risicoaansprakelijkheid is dient geïntimeerde aan te tonen dat appellanten een fout gemaakt hebben door dit arrest uit te voeren. Het louter feit een arrest uit te voeren dat in kracht van gewijsde was gegaan, maakt geen fout uit. Degene die in tweede aanleg en op tegenspraak in het gelijk wordt gesteld mag te goeder trouw verwachten dat zijn succes definitief zal zijn (vgl. Dirix, E., en Broeckx, K., A.P.R., "Beslag", 2001, p162, nr. 255). Geïntimeerde heeft dan ook slechts recht op intresten vanaf de datum van ingebrekestelling, in casu vanaf 20.10.2006, datum waar-op de vordering tot terugbetaling werd gesteld (art. 1153 B.W.).
- Geïntimeerde toont niet aan dat appellanten hoofdelijk of in solidum gehouden zijn tot terugbetaling.
- Gezien elk van beide partijen deels in het ongelijk werden gesteld, past het de gerechtskosten, overeenkomstig artikel 1017 4de lid van het Gerechtelijk Wetboek, te verdelen zoals bepaald in het beschik-kend gedeelte van dit arrest. O M D I E R E D E N E N : H E T H O F, Na beraad, Rechtsprekend op tegenspraak; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; Ontvangt het hoger beroep doch verklaart dit ongegrond; Ontvangt het incidenteel beroep en verklaart dit gegrond in de hier-nabepaalde mate; Doet de bestreden beschikking te niet en opnieuw wijzend : Stelt vast dat geïntimeerde de dag zelf van de betekening van het vonnis d.d. 07.02.2002 van de Rechtbank van koophandel te Brussel voldaan heeft aan de hoofdveroordeling, zodat er geen dwang-sommen verbeurd zijn en de met het litigieuze bevel d.d. 08.04.2002 van gerechtsdeurwaarder Jean-Philipp SONCK te Oudergem aange-vatte tenuitvoerlegging onrechtmatig is. Ontvangt geïntimeerdes vordering tot terugbetaling van het door haar op 05.05.2004 betaalde bedrag van euro 68.097,58, meer intres-ten, en verklaart deze als volgt gegrond; Veroordeelt appellanten tot betaling aan geïntimeerde van een be-drag van ACHTENZESTIGDUIZEND ZEVENENNEGENTIG euro ACHTENVIJFTIG cent ( euro 68.097,58), meer de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 20.10.2006; Verwijst appellanten in de kosten van de procedure in eerste aanleg, in hoofde van geïntimeerde begroot op euro 255,19 (dagvaarding eerste aanleg) + euro 228,06 (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg). Verwijst beide partijen ieder in de door henzelf gemaakte overige kosten, inclusief deze van de procedure in Cassatie; Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van VIJF FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ACHT waar aanwezig waren : de heer B. LUYTEN Raadsheer mevrouw G. VERSYPT Griffier. PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080205.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div