id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 06 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080206.4 Rolnummer: 751 p 2007 Rechtsgebied: Strafrecht - Unierecht Invoerdatum: 2008-03-04 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-02 16:59 Fiche
- Ter vrijwaring van het recht op hoger beroep dient het begrip 'beslissingen of maatregelen van inwendige aard' restrictief te worden uitgelegd. Het betreft in de regel administratieve proceshandelingen die de rechter stelt in het belang van een goede rechtsbedeling en die ertoe strekken de zaak in staat van wijzen te brengen, zonder dat dit op de hoofdzaak enige invloed kan hebben en waarbij de rechter geen enkel geschil van feitelijke of juridische aard of geen enkele feitelijke of rechtsvraag beslecht, of daarover een beslissing wijst, zodat die beslissing geen onmiddellijk nadeel kan berokkenen aan een van de partijen. Elke prejudiciële vraag die aanleiding geeft tot een arrest van het Hof van Justitie heeft noodzakelijkerwijze invloed op de grond van het geschil.
- Wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging door het Hof van Justitie van het EU-gemeenschapsrecht te komen is het noodzakelijk dat de nationale rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd, is het onontbeerlijk dat de nationale rechter aangeeft welk verband hij legt tussen de bepalingen waaromtrent hij om uitlegging verzoekt en de in het geding toepasselijke nationale wettelijke regeling en is het bovendien belangrijk dat de nationale rechter precies aangeeft waarom hij twijfelt over de uitlegging van bepaalde communautaire voorschriften. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Hoger beroep (strafrecht) - Beslissingen waartegen hoger beroep GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT - INSTELLINGEN VAN DE EU - Hof van Justitie van de Europese Unie - Hof van Justitie Vrije woorden:
- Hoger beroep - beslissingen of maatregelen van inwendige aard - prejudiciële vraagstelling
- prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie - vereisten Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, te Antwerpen, veertiende kamer (...) Betreffende de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de administratie der douane en accijnzen. Artikel 199 van het Wetboek van strafvordering bepaalt dat tegen de vonnissen gewezen in correctionele zaken hoger beroep openstaat. Krachtens artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek zijn beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zoals bepaling van de rechtsdag, uitstel, en zomeer, niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Krachtens artikel 1050, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek kan in alle zaken hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een beslissing alvorens recht te doen of een verstekvonnis. De bepalingen van de artikelen 1046 en 1050 van het Gerechtelijk Wetboek zijn, op grond van artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek, ook toepasselijk in strafzaken. Ter vrijwaring van het recht op hoger beroep dient het begrip "beslissingen of maatregelen van inwendige aard" restrictief te worden uitgelegd. Het betreft in de regel administratieve proceshandelingen die de rechter stelt in het belang van een goede rechtsbedeling en die ertoe strekken de zaak in staat van wijzen te brengen, zonder dat dit op de hoofdzaak enige invloed kan hebben en waarbij de rechter geen enkel geschil van feitelijke of juridische aard of geen enkele feitelijke of rechtsvraag beslecht, of daarover een beslissing wijst, zodat die beslissing geen onmiddellijk nadeel kan berokkenen aan een van de partijen. (Cass., 22 februari 1990, Arr. Cass., 1989 -90, 819). "Alvorens recht te doen" kan de rechter, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel (cfr. artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek). De ratio legis van het ingevolge voormeld artikel 1050 van het Gerechtelijk Wetboek onmiddellijk toelaatbaar hoger beroep bestaat er, onder meer, in te vermijden dat een partij die zich gegriefd acht door een tussenvonnis waarbij, zoals te dezen, na een desbetreffend debat, een voorafgaande maatregel werd bevolen, verplicht zou zijn mee te werken aan de uitvoering hiervan, ook al acht zij de desbetreffende beslissing nutteloos, onterecht of prematuur. In casu werden bij het bestreden tussenvonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen de dato 31 mei 2007, op grond van artikel 234 van het EG-Verdrag (voorheen artikel 177), alvorens recht te doen een aantal prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, omtrent de uitlegging van de artikelen 202 en 221 van het Communautair Douanewetboek, vragen zoals geformuleerd in het bestreden vonnis op pagina 90 tot en met 93 (onder meer ter zake de mogelijkheid tot navordering van invoerrechten en/of de vraag naar de hoedanigheid van douaneschuldenaar). Voormelde beslissing van prejudiciële verwijzing gaat verder dan een louter administratieve formaliteit die een beslissing of maatregel van inwendige aard uitmaakt. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie dient immers een prejudiciële vraagstelling over de uitlegging van het gemeenschapsrecht nuttig en relevant te zijn voor het onderliggend geschil, zodat het prejudiciële arrest zijn doel bereikt, te weten een daadwerkelijke bijdrage te vormen tot de oplossing van het voor de nationale rechter hangende geding. In het licht hiervan is het dan ook de taak van de nationale rechter om op een afdoende wijze het feitelijke en reglementaire kader te definiëren waarin de gestelde vragen worden geplaatst (zie ook verder wat de invulling ter zake in het bestreden vonnis betreft) om aan het Hof van Justitie toe te laten een uitlegging van het gemeenschapsrecht te geven die voor de nationale rechter nuttig is. Derhalve moet elke prejudiciële vraag die aanleiding geeft tot een arrest van het Hof van Justitie noodzakelijkerwijze invloed hebben op de grond van het geschil (cfr. onder meer de Beschikking van het Hof van Justitie de dato 21 januari 2005 inzake H. Hanssens en R. Verhoeven - C - 75/04). Bovendien heeft het stellen van de prejudiciële vraag invloed op de hoofdzaak, nu de prejudiciële uitlegging "voor alle van het hoofdgeding kennis nemende nationale rechterlijke instanties" bindend is bij de beslechting van het bodemgeschil (desgevallend ook in een verder stadium van het geding na beroep of voorziening in cassatie), en zulks niet enkel wat het dictum van het arrest betreft doch tevens wat de rechtsoverwegingen ervan betreft, nu het dictum moet worden verstaan in het licht van de daaraan ten grondslag liggende rechtsoverwegingen (cfr. H.v.J., 3 februari 1977, Benedetti/Munari, 52/76, Jur., 1977
(163)183, r.o. 26 en H.v.J., 24 juni 1969, Milch-, Fett-, und Eierkontor/Hauptzollamt Saarbrücken, 29/68, Jur., 1969,
(165)178, r.o. 2). Indien de nationale rechter zijn verplichting om het prejudiciële uitleggingsarrest op te volgen, niet nakomt, schendt hij, als orgaan van de lidstaat waartoe hij behoort, het gemeenschapsrecht, zodat tegen die lidstaat de procedures voorzien in de artikelen 226 tot 228 (ex artikelen 169 tot 171) EG-Verdrag kunnen worden ingeleid. Het prejudiciële uitleggingsarrest is, zoals gezegd, niet alleen bindend ten aanzien van de nationale rechter die het hoofdgeding beslecht, doch tevens voor alle rechtscolleges in de lidstaten die op de in het arrest beantwoorde vraag stoten, onder voorbehoud van het recht van die rechtscolleges om zich opnieuw met een vraag om uitlegging tot het Hof te wenden. De uitlegging heeft een declaratoir karakter en haar bindende werking valt samen met de bindende werking van de bepalingen en beginselen waarop zij slaat. Precies omdat de uitlegging uit haar aard zelf dergelijk veralgemeend effect heeft, geldt er in prejudiciële zaken een systeem waarbij, naast de procespartijen in het hoofdgeding, ook de Commissie, de Raad (als een van zijn handelingen in het geding
- is)en alle lidstaten opmerkingen mogen indienen (cfr. artikel 20 van het Statuut van het Hof van Justitie). Gelet op wat voorafgaat en mede in het licht van hetgeen hierna zal worden uiteengezet met betrekking tot de vereisten ter zake de inhoud van de verwijzingsbeschikking en de desbetreffende concrete invulling hiervan in het bestreden vonnis, dient vastgesteld dat het bestreden (tussen)vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen de dato 31 mei 2007 geen beslissing of maatregel van inwendige aard is, doch een vonnis is alvorens recht te doen waartegen onmiddellijk hoger beroep openstaat. De vervolgende partij (administratie der douane en accijnzen) kan trouwens, ongeacht de bepaling van artikel 1046 van het Gerechtelijk Wetboek, binnen de perken van haar eigen vervolgingsbevoegdheid, hoger beroep instellen tegen elke beslissing die de strafvordering schade kan berokkenen en/of de uitoefening ervan -binnen een redelijke termijn- kan belemmeren of in het gedrang brengen, ongeacht het voorwerp van haar vorderingen (zie ook verder). Gelet op wat voorafgaat is het naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep van de vervolgende partij in casu toelaatbaar en ontvankelijk. De door sommige beklaagden bij analogie ingeroepen verwijzing naar artikel 29 §1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof), dat bepaalt dat tegen de beslissing van een rechtscollege, in zover dit aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag stelt, geen enkel rechtsmiddel kan worden aangewend, is te dezen irrelevant, gelet op het eigen en bijzonder karakter van de prejudiciële vraagstelling op grond van artikel 234 van het EG-Verdrag en van de hierop gewezen prejudiciële arresten van het Hof van Justitie (cfr. supra en infra). Ook de overige desbetreffend door beklaagden of gedaagden in beroepsconclusies aangevoerde argumenten, onder meer, onder verwijzing naar een arrest van het Hof van Beroep te Brussel (14de kamer) de dato 5 maart 1999 en van het Hof van Cassatie de dato 12 november 2002, zijn niet van aard afbreuk te doen aan voormelde besluitvorming. (...) Betreffende de gegrondheid van het hoger beroep. De eerste rechter motiveerde zijn beslissing tot prejudiciële vraagstelling enkel op grond van de "op het eerste gezicht tegenstrijdige rechtspraak over de interpretatie van artikel 221 van het Communautair Douanewetboek" en de omstandigheid "dat er betwisting blijft bestaan over de interpretatie van artikel 202 van het Communautair Douanewetboek en de toepassing ervan in samenlezing met de nationale "Algemene Wet inzake Douane en Accijnzen" of A.W.D.A.", en verwees verder naar de neergelegde stukken, onder meer, een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen de dato 7 februari 2007. Bij toetsing van voormelde summiere redengeving aan de rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot het tijdstip en inhoud van de prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie, dient vastgesteld wat volgt. Alhoewel het tijdstip waarop een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG-Verdrag moet worden gevraagd in de regel wordt bepaald door overwegingen van proceseconomie en -opportuniteit, waarover uitsluitend de nationale rechter heeft te oordelen, is de desbetreffende vrijheid van de nationale rechter niet onbegrensd. Indien de nationale rechter, zoals in casu de eerste rechter, in zijn verwijzingsbeschikking weinig of niets zegt omtrent de feitelijke en juridische context van de zaak (te dezen meerdere zaken), laat hij het Hof van Justitie in het ongewisse wat betreft de wijze waarop de gevraagde prejudiciële beslissingen moeten bijdragen tot de beslechting van het (
- de)hoofdgeding(en). Volgens vaste rechtspraak is de in artikel 234 EG-Verdrag voorziene procedure een instrument van "samenwerking" tussen het Hof van Justitie en de nationale rechters, door middel waarvan het Hof deze laatsten de uitleggingsgegevens betreffende het gemeenschapsrecht verschaft die zij nodig hebben voor de beslechting van het bij hen aanhangige geding (cfr. arrest van 16 juli 1992, Meilicke, C - 83/91, Jurispr. pagina I - 4871, punt 22, en de Beschikkingen van 9 augustus 1994, La Pyramide, C - 378/93, Jurispr. pagina I - 3999, punt 10 en van 25 mei 1998, Nour, C - 361 / 97 , Jurispr. pagina I - 3101, punt 10). Precies om het risico van onnuttige of zuiver hypothetische adviezen te vermijden, impliceren de door het Hof van Justitie aan de "inhoud" van de verwijzingsbeschikking gestelde eisen dat de nationale rechter alleen dan zijn verzoek om een prejudiciële beslissing tot het Hof richt wanneer hij de feiten en de niet-gemeenschapsrechtelijke aspecten van de zaak in zoverre heeft vastgesteld dat hij precies kan aanduiden hoe het te wijzen prejudiciële arrest toepassing moet vinden. Het Hof van Justitie heeft aldus herhaaldelijk geoordeeld dat, wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen: - het noodzakelijk is dat de nationale rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd (cfr. de Beschikkingen van 7 april 1995, Grau Gomis e.a., C - 167/94, Jurispr. pagina I - 1023, punt 8, van 28 juni 2000, Laguillaumie, C - 116/00, Jurispr. pagina I - 4979, punt 15 en van 21 januari 2005, H. Hanssens, C - 75/04, en het Telemarsicabbruzzo-arrest van 26 januari 1993, C - 320/90 - C - 322/90, Jurispr. pagina I - 393, punt 6, waarin de niet-nakoming van de voormelde vereiste leidde tot de niet-ontvankelijkheid van de vraagstelling). - het onontbeerlijk is dat de nationale rechter aangeeft welk verband hij legt tussen de bepalingen waaromtrent hij om uitlegging verzoekt en de in het geding toepasselijke nationale wettelijke regeling (cfr. voormelde Beschikkingen Grau Gomis e.a., punt 9, en Laguillaumie, punt 16). - het bovendien belangrijk is dat de nationale rechter precies aangeeft waarom hij twijfelt over de uitlegging van bepaalde communautaire voorschriften (cfr. voormelde Beschikking Laguillaumie, punt16). Uit de voormelde rechtspraak volgt dat de nationale rechter in zijn verwijzingsbeschikking de verschillende premissen of hypothesen dient uit te leggen en de redenen van de prejudiciële vraagstelling moet toelichten, zodat blijkt hoe het gemeenschapsrecht bij elk van deze premissen of hypothesen relevant is. Tenslotte werd door het Hof van Justitie meermaals beklemtoond dat de gegevens die in de verwijzingsbeslissingen worden verstrekt niet enkel dienen om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, maar ook om de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen (onder meer de Commissie) de mogelijkheid te bieden, overeenkomstig artikel 23 van 's Hofs Statuut, opmerkingen te maken, en dat het Hof erop dient toe te zien dat deze mogelijkheid gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat, ingevolge deze bepaling, enkel de verwijzingsbeslissing zelf ter kennis van de belanghebbende partijen wordt gebracht (cfr. Arrest van 1 april 1982, Holdijk e.a., 141/81 - 143 - 81, Jurispr. pagina 1299, punt 6 en voormelde Beschikkingen Grau Gomis e.a., punt 10, en Laguillaumie, punt 14). In casu dient vastgesteld dat de bestreden verwijzingsbeslissing van de correctionele rechtbank te Antwerpen de dato 31 mei 2007 niet aan de voormelde vereisten, waarvan de niet naleving tot de onontvankelijkheid van de prejudiciële vraagstelling leidt, voldoet. De eerste rechter (zijnde de verwijzende rechter) geeft generlei omschrijving van het feitelijke kader van de diverse hoofdgedingen der door hem samengevoegde zaken. Evenmin werd door de eerste rechter enige uiteenzetting gegeven van de argumenten van de diverse partijen in de onderscheiden, samengevoegde hoofdgedingen op basis waarvan hij het nodig heeft geacht prejudiciële vragen aan het Hof te stellen, en werd, meer in het bijzonder, niet uitgelegd in hoeverre, onder meer, gelet op het tijdstip van de omstreden feiten, de uitlegging van de in de gestelde vragen genoemde bepalingen van het Communautair Douanewetboek noodzakelijk is voor de beslechting van ieder der respectievelijke hoofdgedingen. Gelet op dit alles is het vrijwel uitgesloten dat, op basis van de luttele informatie in de bestreden verwijzingsbeslissing, die de grondslag vormt van de prejudiciële procedure, het Hof van Justitie in staat zal zijn een nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te verstrekken die is afgestemd op het feitelijke en juridische kader van de onderscheiden hoofdgedingen in casu. Ten overvloede dient tevens opgemerkt dat het evenzeer problematisch is of, gelet op de zeer beperkte inhoud van de verwijzingsbeslissing, te dezen door het Hof van Justitie de mogelijkheid voor, onder meer, de regeringen van de lidstaten kan worden gewaarborgd om op grond van artikel 23 van het Statuut van het Hof opmerkingen te maken. De prejudiciële vraagstellingen, zoals ze in het bestreden vonnis werden gesteld, zijn, ongeacht de vraag naar hun relevantie (onder meer in het licht van het gebeurlijk tenietgaan van de douaneschuld ingevolge verbeurdverklaring van in beslag genomen goederen), prematuur, nu, zoals blijkt uit de inhoud van de verwijzingsbeslissing, ze gesteld werden zonder voorafgaande of gelijktijdige vaststelling van de feitelijke en juridische context van de onderscheiden zaken waarop ze zouden moeten betrekking hebben en zonder dat de feiten en de niet-gemeenschapsrechtelijke aspecten van deze onderscheiden zaken in zoverre werden vastgesteld dat precies kan worden aangeduid hoe het te wijzen prejudicieel arrest in ieder der onderscheiden, door de eerste rechter samengevoegde, hoofdgedingen toepassing dient te vinden. Nu de procedure voor het Hof van Justitie hoe dan ook geruime tijd in beslag neemt (cfr. zaak C - 75/04, H. Hanssens, waarin een vraag om prejudiciële beslissing de dato 11 februari 2004, onontvankelijk werd verklaard bij Beschikking van het Hof van Justitie de dato 21 januari 2005), dient vastgesteld dat het bestreden vonnis, om de voormelde redenen, de uitoefening van de strafvordering in de onderscheiden betrokken zaken -mede gelet op het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 E.V.R.M.- kan belemmeren of in het gedrang brengen en aldus een onmiddellijk nadeel kan berokkenen, onder meer, aan de vervolgende partij. De rechter in hoger beroep is verplicht om bij wijze van evocatie uitspraak te doen en de zaak tot zich te trekken en er zelf uitspraak over te doen, wanneer hij een op tussengeschil gewezen vonnis of vonnis alvorens recht te doen teniet doet, wijzigt of vernietigt, mits die vernietiging of wijziging niet gegrond is op het feit dat de eerste rechter niet bevoegd was of niet wettelijk geadieerd was. Het is in die gevallen irrelevant of het vonnis alvorens recht te doen wordt vernietigd wegens een vormgebrek dan wel wordt hervormd omdat de rechter in hoger beroep een andere mening is toegedaan. Ingevolge de devolutieve werking van een hoger beroep kan de rechter in hoger beroep een vonnis dat nog geen volledige uitspraak heeft gedaan over de bij de eerste rechter aanhangige zaak, slechts vernietigen, teniet doen of wijzigen ten aanzien van de partijen die in hoger beroep zijn gekomen of tegen wie het hoger beroep is gericht. Om de voormelde redenen doet het Hof het bestreden vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen de dato 31 mei 2007 teniet ten aanzien van de partij die in hoger beroep is gekomen en de partijen tegen wie het hoger beroep is gericht, zijnde de vervolgende partij en de geïntimeerden in de zaken I en III tot en met IX, trekt, op grond van artikel 215 van het Wetboek van Strafvordering de zaken I en III tot en met IX aan zich ten aanzien van de partijen zoals voormeld en zal uitspraak doen over de onderscheiden strafvorderingen en de desbetreffende civielrechtelijke vorderingen, met inbegrip van de problematiek van de gebeurlijke samenvoeging op grond van samenhang van alle of sommige dezer zaken en van de gebeurlijke prejudiciële vraagstelling aan het Hof van Justitie. In antwoord op beroepsconclusies merkt het Hof verder op: - dat de regel van de dubbele aanleg geen algemeen rechtsbeginsel is. - dat, hoewel de regel van evocatie niet begrepen is in het door België geformuleerde voorbehoud, de beroepsrechter die evoceert artikel 14.5 van het I.V.B.P.R. niet schendt (cfr. Cass., 20 februari 1990, Arr. Cass. 1989-1990, nr. 371). - dat het aannemen of verwerpen van samenhang en aldus de samenvoeging of de splitsing van zaken behoren tot de beoordeling door de feitenrechter die de samenhang afleidt uit feitelijke omstandigheden die hij vaststelt en beoordeelt. - dat de feitenrechter in elke stand van de rechtspleging de zaken kan splitsen en aldus de samenhang verwerpen. Ook de overige omtrent dit alles door de partijen in conclusies aangevoerde argumenten, zoals, onder meer, met betrekking tot de omstandigheid als zou te dezen de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn enkel te wijten zijn aan het laattijdig inleiden van de diverse zaken voor de feitenrechter door de administratie der douane en accijnzen, zijn niet van aard afbreuk te doen aan voormelde besluitvormingen. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080206.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div