← België

ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080207.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 07 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080207.1 Rolnummer: 7 FP 2007 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2008-02-13 Raadplegingen: 730 - laatst gezien 2026-07-03 12:53 Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Terrorisme - Art. 137-141ter Sw. STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Namaak zegels STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Valsheid - In geschriften STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Valsheid - In reispassen STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Valse naam STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare veiligheid - Bendevorming STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Heling STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Wapens - munitie - springstoffen - Wapens STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Wapens - munitie - springstoffen - Springstoffen Vrije woorden: Bendevorming - Criminele organisatie - Leidend persoon van een criminele organisatie - Deelname aan de besluitvorming van een criminele organisatie - Bezit van wapens en springstoffen - Namaak en gebruik van valse stempels - Valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken - Vervalsen van reispassen en gebruik - Heling - Valse naamdracht - Leiding van een terroristische groep Nota: Op 21 februari 2008 hebben zowel de Federaal Magistraat bij het Federaal Parket te Brussel en de Turkse Staat (bij Mr. Kris VINCKE) cassatie aangetekend tegen alle beschikkingen van het arrest 254/2008 van 7 februari 2008. Tekst van de beslissing ARREST Het Hof van Beroep zetelende te Antwerpen, 13e kamer, rechtdoende in Correctionele zaken, verleent het volgende arrest: Inzake van het OPENBAAR MINISTERIE en: DE TURKSE STAAT vertegenwoordigd door de Minister van Buitenlandse Zaken van Turkije, vertegenwoordigd door Tanlay FUAT, ambassadeur van de republiek Turkije, met kantoren te 1000 Brussel, Montoyerstraat 4, burgerlijke partij vertegenwoordigd door Meester Kris Vincke, advocaat bij de balie van Brugge tegen: 1. A. M. geboren te [...] op [...] ingeschreven te [...], maar verblijvende te [...] woonstkiezende te [...] en thans volgens eigen verklaring wonende te [...] beklaagde aanwezig, bijgestaan door Meester Jan Fermon, advocaat bij de balie van Brussel 2. S. K. geboren te [...], op [...] ingeschreven te [...] woonstkiezende te [...] beklaagde - ter terechtzitting van 8 en 9 november 2007 aanwezig en bijgestaan door Meester R. Jespers, advocaat bij de balie van Antwerpen - op de andere terechtzittingen vertegenwoordigd door Meester R. Jespers, advocaat bij de balie van Antwerpen 3. E. F. alias Y. N. geboren te [...], op [...] ingeschreven te [...] zonder gekende woon- of verblijfplaats in het Rijk woonstkiezende te [...] beklaagde vertegenwoordigd door Meester Paul Bekaert, advocaat bij de balie van Brugge en door Meester R. Jespers, advocaat bij de balie van Antwerpen 4. .... 5. A. Ö. S. geboren te [...], op [...] ingeschreven te [...] beklaagde aanwezig, bijgestaan door Meester Nadia Lorenzetti, advocaat bij de balie van Brugge 6. ... 7. ... 8. ... 9. K. D. geboren te [...] op [...] zonder gekende woon- of verblijfplaats in het Rijk woonstkiezende te [...] beklaagde vertegenwoordigd door Meester Ties Prakken, advocaat te Nederland 10. S. Z. alias H.M. geboren te [...] op [...] zonder gekende woon- of verblijfplaats in het Rijk woonstkiezende [...] beklaagde vertegenwoordigd door Meester Ties Prakken, advocaat te Nederland 11. K. B. geboren te [...] op [...] wonende te [...] beklaagde aanwezig, bijgestaan door Meester Carl Alexander, advocaat bij de balie van Brugge Beklaagd van: zie pagina 4 t.e.m. pagina 11 van het PDF-document Voorafgaande procedure: zie pagina 12 t.e.m. pagina 30 van het PDF-document Het Openbaar Ministerie werd ter terechtzitting gehoord in zijn vorderingen. De burgerlijke partij DE TURKSE STAAT werd gehoord in haar middelen ontwikkeld door Meester K. Vincke, advocaat bij de balie van Brugge. De beklaagde A. M. werd gehoord in zijn middelen van verdediging ontwikkeld door Meester Jan Fermon, advocaat bij de balie van Brussel. De beklaagde S. K. werd gehoord in zijn middelen van verdediging ontwikkeld door Meester R. Jespers, advocaat bij de balie van Antwerpen. De beklaagde E. F. werd gehoord in haar middelen van verdediging ontwikkeld door Meester Paul Bekaert, advocaat bij de balie van Brugge en door Meester R. Jespers, advocaat bij de balie van Antwerpen. De beklaagde A. Ö. S. werd gehoord in haar middelen van verdediging ontwikkeld door Meester Nadia Lorenzetti, advocaat bij de balie van Brugge. De beklaagde K. D. werd gehoord in zijn middelen van verdediging ontwikkeld door Meester Ties Prakken, advocaat te Nederland. De beklaagde S. Z. werd gehoord in haar middelen van verdediging ontwikkeld door Meester Ties Prakken, advocaat te Nederland. De beklaagde K. B. werd gehoord in zijn middelen van verdediging ontwikkeld door Meester Carl Alexander, advocaat bij de balie van Brugge. Ter terechtzitting werden conclusies en stukken neergelegd. De beklaagden A. M., S. K. en A. Ö. S. werden ter terechtzitting bijgestaan door een tolk in de Turkse taal, dewelke de door de wet voorziene eed heeft afgelegd. De beklaagde K.B. werd ter terechtzitting bijgestaan door een tolk in de Franse taal, dewelke de door de wet voorziene eed heeft afgelegd. Bij tussenarrest van 13 september 2007 stelde het Hof vast dat de oorspronkelijk vierde beklaagde Z. K., de oorspronkelijk zesde beklaagde I. D. en de oorspronkelijk zevende beklaagde H. E. niet het voorwerp uitmaken van de verwijzing door het Hof van Cassatie en dat zij bijgevolg niet in de huidige procedure kunnen betrokken zijn. Bij tussenarrest van 15 november 2007 besliste het Hof de geautomatiseerde bestanden waarvan kopij werd afgeleverd uit de debatten te weren. Beslist werd tevens dat dit niet geldt voor de uitgetypte bestanden die zich in het dossier bevinden. Bij tussenarrest van 26 oktober 2007 heeft het Hof het volgende beslist: - Wat betreft de al dan niet ontvankelijkheid van de stelling als burgerlijke partij, werd enkel beslist dat de Turkse Staat niet uit de debatten werd geweerd. - Inzake de opgeworpen exceptie van de dubbele aanleg, stelde het Hof vast dat het gevat is door de verwijzingsbeslissing van het Hof van Cassatie. - De excepties van het politieke misdrijf en van de onvolledigheid van het onderzoek werden bij de grond van de zaak gevoegd. Deze beide laatste excepties dienen voorafgaandelijk behandeld. 1. De exceptie van het politieke misdrijf. De wetgever heeft het politieke misdrijf niet gedefinieerd en heeft enkel bepaald dat politieke misdrijven tot de bevoegdheid van het Hof van Assisen behoren. De invulling van het begrip "politiek misdrijf" kwam derhalve toe aan de hoven en rechtbanken en in laatste instantie uiteraard aan het Hof van Cassatie. Er diende dus nagegaan op welke manier een politiek misdrijf zich onderscheidt van een "gewoon "of "gemeenrechtelijk" misdrijf. Diende het doorslaggevende criterium het al dan niet politieke motief van de dader te zijn, dit is de subjectieve benadering, of, dient het effect van het gepleegde misdrijf op de politieke instellingen als doorslaggevend beschouwd te worden, wat dan weer de objectieve benadering is. Er is nog een derde mogelijkheid: het motief van de dader dient politiek te zijn en er dient een effect te zijn op de politieke instellingen, dit is dus een combinatie van de subjectieve en de objectieve benadering. Het Hof van Cassatie heeft geopteerd voor de derde mogelijkheid. In een principearrest van 27 november 1927 omschreef het Hof het politieke misdrijf als: "een misdrijf dat zowel wegens het opzet als wegens zijn uitwerking een rechtstreekse aanslag op de instellingen betekent" (Cass. 21 november 1927, Pas.1928,I, 20) Sindsdien en tot op heden is in feite niet meer afgeweken van het toen ingenomen standpunt. Dit betekent dus dat de rechtspraak aanvaard heeft dat een misdrijf pas dan een politiek misdrijf is wanneer er zowel een subjectieve politieke component aanwezig is, dit is de bedoeling van de dader om een aanslag op de instellingen te plegen als een objectieve politieke component, namelijk een daadwerkelijke of mogelijke aantasting van de instellingen ten gevolge van het misdrijf. Bovendien moet volgens vaste rechtspraak de aantasting van de instellingen het rechtstreekse gevolg zijn van het gepleegde misdrijf. De schade aan de instellingen mag dus niet veroorzaakt zijn door de ene of de andere "tussenfactor", maar moet het onmiddellijke resultaat zijn van het gepleegde misdrijf. In het geval dat de aantasting van de instellingen slechts een hypothetisch of ver verwijderd gevolg kan zijn van het misdrijf, is hieraan niet voldaan en gaat het niet om een politiek misdrijf in de zin van de rechtspraak. Het politiek misdrijf is dus dat misdrijf dat alleen en dit op rechtstreekse wijze het politieke bestel van de staat wil aantasten. Voor zover de misdrijven voorzien in de tenlasteleggingen zouden bewezen zijn, is hieraan niet voldaan. De beklaagden wordt immers niet ten laste gelegd dat ze de politieke instellingen willen aantasten of vernietigen. De tenlasteleggingen waarvoor de beklaagden terechtstaan maken enkel gewag van "aanslagen tegen de belangen van de Turkse Staat". Hetzelfde geldt voor de feiten die omschreven worden als terroristische misdrijven: ook terroristische misdrijven zijn geen politieke misdrijven. In geval van een terroristisch misdrijf kan de schade die de dader aan de politieke instellingen wil toebrengen, slechts onrechtstreeks worden gerealiseerd door willekeurig mensenlevens of economische belangen in gevaar te brengen, ook al hebben die niets van doen met de organisaties of de instellingen die de dader beweert te willen treffen. In een recent arrest besliste het Hof van Cassatie in verband met het terroristisch misdrijf als volgt: "Het politiek misdrijf wil alleen het politiek bestel van een bepaalde Staat aantasten; dat is niet het geval voor het terroristisch misdrijf waar de schade die de dader aan de werking van de politieke instellingen wil toebrengen onrechtstreeks wordt gerealiseerd, door willekeurige mensenlevens of economische belangen in gevaar te brengen, ook al hebben die niets te maken met de organisaties of instellingen die de dader beweert te willen treffen." (Cass. 27 juni 2007 - P.07.0333.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070627.4, www.juridat.

  1. be)2. De exceptie van de onvolledigheid van het onderzoek De beklaagden werpen op dat het onderzoek onvolledig zou zijn. Samengevat komt hun stelling erop neer dat in de eerste plaats aanvullend onderzoek in Turkije onontbeerlijk is. Zij wensen dat nader onderzoek wordt verricht: - omtrent de stelling van het openbaar ministerie dat de activiteiten van de beklaagden in België rechtstreeks impact hebben op de gebeurtenissen in Turkije ( zie p.6 tweede besluiten van het Openbaar Ministerie: "dit is zeer duidelijk een bijkomend element van bewijs dat de criminele en terroristische activiteiten van DHKP-C wel degelijk jarenlang werden geleid en aangestuurd vanuit ons land, onder meer vanuit D."); - omtrent de stelling van de beklaagden zelf dat het optreden van de Turkse Staat van die aard is dat ze terecht een noodtoestand kunnen inroepen en zich kunnen beroepen op gewettigd verzet; Bovendien wensen ze nader onderzoek omtrent een anonieme brief waarin DHKP-C beschuldigd wordt van afpersing in de regio Antwerpen-Limburg en vragen zij om verhoor ter zitting van een aantal getuigen. Zij wensen dat de anonieme getuige zou gehoord worden die de politiediensten ervan verwittigde dat de bewoners van het appartement waar even tevoren een vreemde rookontwikkeling was geweest, blijkbaar aanstalten maakten om inderhaast het pand te verlaten. De anoniem gebleven oproeper maakte daarbij melding van het feit dat de bewoners een groot aantal zaken in diverse voertuigen aan het inladen waren. De beklaagde E. wenst dat nog bijkomende stukken zouden worden gevoegd inzake het onderzoek in Turkije naar de moord op één van de verdachten inzake de moord op S. Zij wenst tevens dat de bewering zou onderzocht worden dat de familie S. een moordcommando op haar zou hebben afgestuurd. De beklaagden vragen verder nog de voeging van het volledige dossier betreffende een in Nederland gevoerd onderzoek naar een drughandel tussen Turkije en Nederland waarbij de beklaagde A. volgens het Openbaar Ministerie mogelijk betrokken zou zijn. De stelling van het Openbaar Ministerie is dat geen bijkomend onderzoek nodig is. Het Openbaar Ministerie verwijst naar een arrest van de Kamer van inbeschuldigingstelling te Gent van 8 maart 2005 waarbij op dat ogenblik werd geoordeeld dat geen bijkomend onderzoek nodig is. Uiteraard is dit arrest van het onderzoeksgerecht niet bindend voor de rechter ten gronde. Verder stelt het Openbaar Ministerie dat verder onderzoek -bedoeld wordt hier naar de aangeklaagde wantoestanden in Turkije - niet nodig is, nu de grote hoeveelheid documenten aangetroffen en in beslag genomen te [...] "reeds op afdoende wijze een beeld schetsen in de door de verdediging gewenste zin". Hier lijkt het Openbaar Ministerie toch de moeilijke oefening van het tezelfdertijd warm en koud blazen uit te voeren: enerzijds stelt het Openbaar Ministerie vast dat de beklaagden elementen bijbrengen waaruit zou kunnen blijken dat er in Turkije daadwerkelijk problemen zijn in verband met de mensenrechten, maar anderzijds acht men geen onderzoek nodig of is men van oordeel dat de beklaagden zelf maar de nodige elementen moeten bijbrengen. Het Openbaar Ministerie acht verder geen onderzoek nodig inzake de ingeroepen noodtoestand omdat het in de visie van de vervolgende partij duidelijk zou zijn dat DHKP-C de agressor is en de Turkse Staat zich mag verdedigen tegen deze gewelddadige agressor. Deze stelling is niet noodzakelijk verkeerd, maar houdt in zijn algemeenheid toch een reëel gevaar in. Dit uitgangspunt zonder meer aanvaarden zou immers kunnen betekenen dat het Openbaar Ministerie stelt dat verzet tegen de Staat nooit toegelaten is, zelfs als het gaat om een Staat die op grove wijze de mensenrechten miskent. Er zijn uiteraard meer dan genoeg gevallen bekend waarin dergelijk verzet op algemene bijval onthaald wordt en niet alleen wordt goedgekeurd, maar zelfs wordt toegejuicht en bewonderd. In antwoord op de argumentatie van de partijen moet het Hof van Beroep te Antwerpen in eerste instantie vaststellen dat het geen internationaal strafgerecht is. Het heeft noch de bevoegdheden, noch de mogelijkheden van een dergelijke rechtbank. De bijkomende onderzoeksdaden zoals gevraagd door de verdediging komen er voor een stuk op neer dat een grondig onderzoek zou moeten worden ingesteld naar de werking van de Turkse staatsinstellingen. Het spreekt vanzelf dat indien een dergelijk onderzoek nodig zou zijn, dit onmogelijk uitgevoerd kan worden zonder een bijzondere opdracht daartoe die wellicht alleen door een internationaal erkende instantie zou kunnen worden gegeven en uitgevoerd. Het uitvoeren van een dergelijke opdracht zou bovendien de instemming en toelating van de Turkse autoriteiten veronderstellen. Het is evenwel niet de opdracht van het Hof het democratisch gehalte van de Turkse Staat te beoordelen, laat staan er enige uitspraak over te doen. Al evenmin heeft het Hof enige bevoegdheid om te onderzoeken en te beoordelen of de Turkse Staat al dan niet de mensenrechten schendt. Hetzelfde geldt voor een eventueel onderzoek naar en een beoordeling van de voorgehouden wan-toestanden in de Turkse gevangenissen. In het kader van de opdracht van het Hof is dergelijk onderzoek of dergelijke beoordeling evenwel volstrekt overbodig. Het is niet de taak van het Hof om enige beoordeling te geven over de toestanden in Turkije. Het is wel de taak van het Hof om binnen de context van zijn saisine, rekening houdende met de beperkingen ervan in tijd en ruimte, de aan de beklaagden ten laste gelegde feiten te onderzoeken en te oordelen of deze al dan niet misdrijven opleveren die in het Rijk zijn gepleegd of misdrijven die op welke wijze dan ook onderworpen zijn aan de bevoegdheid van de Belgische rechter en of er al dan niet voor wat betreft deze misdrijven voldoende bewijzen van schuld zijn tegen de beklaagden. Voor wat betreft de anonieme brief (kaft 19/28, stuk 225) stelt het Openbaar Ministerie dat een anonieme brief met de nodige omzichtigheid moet benaderd worden. Precies omwille van het gegeven dat de brief anoniem is, zou geen verder onderzoek uitgevoerd zijn. Nochtans is het het standpunt van het Openbaar Ministerie dat: "de betreffende aangifte kan dan ook in aanmerking worden genomen om de coherentie van het overige bewijsmateriaal aan te tonen en in die zin een aanwijzing met waarde van eenvoudige inlichting opleveren die door de bodemrechter in overweging mag worden genomen om zijn overtuiging te vormen". (conclusie Openbaar Ministerie p.42) Uit de anonieme brief blijkt dat deze zou geschreven zijn namens 40 tot 50 Turkse families uit Antwerpen en Hasselt. Deze mensen beklagen er zich over dat zij worden lastig gevallen door leden van DHKP-C die met geweld geld eisen. Zij schrijven dat "ernstige incidenten zouden kunnen ontstaan". Naar deze brief werd geen enkel onderzoek uitgevoerd. Nochtans moet het toch mogelijk geweest zijn via de contacten die de politiediensten ongetwijfeld hebben in de Turkse gemeenschap, minstens een poging te doen om één of meer van de beweerde slachtoffers te achterhalen, te identificeren en, zo nodig anoniem, te verhoren. Bovendien worden in de brief 6 mogelijke daders met naam genoemd. De toenmalige rijkswacht slaagde erin 5 van deze mensen te vereenzelvigen. Zij worden met hun volledige identiteitsgegevens en onder meer hun adres in het proces verbaal opgesomd. Aan de hand van deze gegevens moet het toch mogelijk geweest zijn om verder onderzoek naar de waarachtigheid van de anonieme aantijgingen te verrichten. Er blijkt evenwel totaal niets gebeurd te zijn. De brief kwam blijkbaar toe bij de rijkswacht op of omstreeks 17 december 1998. Thans, 9 jaar later, is enig bijkomend onderzoek zinloos. Het Hof gaat dan ook niet in op het verzoek van de beklaagden tot bijkomend onderzoek hieromtrent. Het Hof houdt evenwel bij zijn beoordeling van de feiten geen rekening met deze brief. Er anders over oordelen en toch rekening houden met de inhoud van deze brief, zou betekenen dat men het risico aanvaardt dat een anonieme brief die bijzonder concrete gegevens bevat waar nog geen begin van onderzoek naar werd gevoerd, de reputatie van individuen of instellingen zou kunnen schaden en het oordeel van de bodemrechter zou kunnen beïnvloeden. Een verhoor van een anoniem gebleven getuige die 8 jaar geleden de politiediensten enkel en alleen in kennis stelde van de vreemde gedragingen die hij had vastgesteld aan het appartement waar even te voren een brand was geweest, kan thans geen nieuwe elementen aan het licht brengen die nog dienstig zouden kunnen zijn voor het achterhalen van de waarheid. Het voegen van stukken in verband met de moord op een verdachte inzake de moord op S. of een onderzoek naar een beweerde strafexpeditie op touw gezet door de familie S. is al evenmin nuttig in het kader van de waarheidsvinding in huidig dossier. Het Hof acht zich, samengevat, voldoende ingelicht en is van oordeel dat noch bijkomend onderzoek, noch het verhoor van getuigen van enig nut kan zijn in het kader van de waarheidsvinding. Het Hof zal daar waar nodig, de ingeroepen argumentatie beantwoorden inzake de ingeroepen noodtoestand en het recht op verzet en zal dit doen bij de behandeling van de diverse tenlasteleggingen. DE VERJARING Het Hof stelt vast dat de verjaring van de strafvordering nuttig gestuit werd door het kantschrift van de onderzoeksrechter te Brugge van 5 december 2003. (kaft 20/28, onderkaft 9, stuk 23) VOORAFGAANDELIJKE BESCHOUWINGEN 1. Het Hof stelt vast dat het Openbaar Ministerie in zijn conclusie stelt dat er vier relevante (gerechtelijke) dossiers zijn inzake DHKP-C die van belang zijn voor een beter begrip van de zaak die ter beoordeling aan het Hof voorligt. Het gaat om: - de uitleveringsprocedure inzake F. E. - het Italiaans rechtshulpverzoek van 18 februari 2004 ten laste van E. A. en konsoorten; - het dossier FD 30.98.76/03, houdende klacht met burgerlijke partijstelling door S. S. gericht tegen F. E. wegens betrokkenheid bij de drievoudige moord op 9 januari 1996 te Istanbul; (Turkije) op O. S., H. G. en A. N. H.; - het voorliggende dossier; Het Openbaar Ministerie beperkt er zich toe voor wat betreft de eerste drie dossiers een "korte toelichting" te geven. 2. Tijdens de behandeling van de zaak werd er door de verdediging de nadruk op gelegd dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen DHKP, DHKC en DHKP-C. Wat vaststaat is dat DHKC de afkorting is voor DEVRIMCI HALK KURTULUS CEPHESI, wat vertaald wordt als Revolutionair Front voor de Bevrijding van het Volk. De ideologische en politieke achtergrond is marxistisch-leninistisch. In essentie komt de stelling van de beklaagden erop neer dat er een politieke partij en diverse organisaties bestaan die legaal, ten minste semi-legaal opereren. Anderzijds bestaat er een gewapende vleugel die gewelddadige acties uitvoert, in de visie van de beklaagden als gewettigde reactie op het geweld en de schending van de mensenrechten gepleegd door de Turkse staat. Volgens de beklaagden hebben zij niets te maken met de gewapende vleugel en evenmin met de gewapende en gewelddadige activiteiten die de beklaagden nochtans niet afkeuren maar beschouwen als noodzakelijke daden van verzet. Louter gemakkelijkheidshalve zal het Hof bij de bespreking van de aan zijn oordeel onderworpen feiten de term DHKP-C gebruiken zonder dat daar noodzakelijkerwijze enige notie van geweld of illegaliteit aan wordt verbonden. 3. Het is eigenlijk de evidentie zelf, maar toch is het in het licht van de gevoerde debatten wellicht niet onontbeerlijk te benadrukken dat het Hof de feiten in strikte objectiviteit en met in acht nemen van alle door de grondwet en de internationale verdragen gewaarborgde rechten zal onderzoeken. Er bestaat overigens in België, dit in tegenstelling tot in sommige andere landen, tot op heden geen wetgeving die uitzonderlijke regels inzake te volgen procedure en inzake de bewijsvoering oplegt voor bepaalde misdrijven, meer bepaald terroristische misdrijven. Uiteraard heeft elke democratische staat de taak en de plicht te waken over de bescherming van de instellingen en de individuen tegen welke vorm van terrorisme ook. Maar het is even evident dat een rechtscollege bij de beoordeling van vermeende terroristische misdrijven dit zal doen met volledig respect voor de beginselen van de rechtsstaat. 4. Het Hof van Beroep te Antwerpen kan enkel nogmaals vaststellen dat het geen internationaal strafgerecht is. Het heeft noch de bevoegdheden, noch de mogelijkheden van een dergelijke rechtbank. Bij de bespreking van de diverse tenlasteleggingen, zal waar nodig teruggekomen worden op de beperkingen die hieruit voortvloeien. 5. Wat de voorgestelde herkwalificaties betreft, zal het Hof deze onderzoeken bij de bespreking van de tenlasteleggingen zelf. Wel stelt het Hof nu reeds vast dat alle verbeteringen, wijzigingen en aanvullingen ter kennis werden gebracht van de partijen en dat ze hun middelen naar voren hebben kunnen brengen. 6. Het Hof haalt in huidig arrest diverse stukken uit het dossier aan. Deze aanhalingen zijn de letterlijke weergave van de stukken. Het gaat soms om vertalingen die taalkundig erg mank lopen en soms zelfs bijna onbegrijpelijk zijn. Het is in elk geval duidelijk dat vertalingen - soms gaat het om vertalingen van vertalingen, bijvoorbeeld eerst uit het Turks naar het Duits en vervolgens vanuit het Duits naar het Nederlands - voor problemen kunnen zorgen. Deze problemen worden niet alleen veroorzaakt door het louter taalkundig aspect, maar ook door het feit dat mensen behorende tot andere culturen een andere wijze hebben om zich uit te drukken, om hun ideeën te "vertalen" op de hun eigen wijze. DE TENLASTELEGGINGEN A, B, C, D en E Het Openbaar Ministerie heeft tijdens de debatten en ook in conclusie een gelijklopende stellingname ontwikkeld inzake de bewijsvoering voor wat betreft de feiten van de tenlasteleggingen A, B, C, D en E, zijnde de vereniging van misdadigers, respectievelijk de criminele organisatie. Het Hof zal in eerste instantie de tenlasteleggingen A en B beoordelen om daarna over te gaan tot de tenlasteleggingen C, D en E. I. DE TENLASTELEGGINGEN A EN B De beklaagden M. A., K. S., F. E., S. A. Ö., D. K., Z. S. en B. K. wordt ten laste gelegd dat zij deel uitgemaakt hebben van een vereniging met als doel misdaden te plegen waarop levenslange opsluiting of opsluiting van 10 tot 30 jaar is gesteld. De eerste zes beklaagden wordt ten laste gelegd dat zij aanstoker tot of leider van de vereniging zouden zijn geweest; aan de laatste, B. K., wordt enkel lidmaatschap ten laste gelegd. In zijn vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek, gaf de procureur des Konings de volgende (voorlopige) omschrijving aan de feiten van deze tenlastelegging: "De aanstoker te zijn geweest tot een vereniging, DEVRIMCI-SOL (afgek. DEV-SOL), met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen of op eigendommen, of er als hoofd van die bende deel van uitgemaakt te hebben of daarin enig bevel te hebben gevoerd, de vereniging bestaande door het enkel feit van het inrichten der bende en ten doel hebbende misdaden te plegen waarop de doodstraf of dwangarbeid is gesteld." In zijn eindvordering heeft het Openbaar Ministerie de vereniging niet langer benoemd - de naam DEVRIMCI-SOL is weggevallen - maar werden de aanslagen gepreciseerd als: "namelijk aanslagen op de belangen van de Turkse Staat, zowel gericht op personen als op eigendommen, onder meer middels het plegen van inbreuken op de artikels 393, 394 en 520 van het strafwetboek" Ter terechtzitting van 13 november 2007 in de namiddag heeft het Hof de feiten van de tenlasteleggingen A en B alternatief omschreven door weglating van de woorden "namelijk aanslagen op de belangen van de Turkse Staat". De beklaagden en de burgerlijke partij hebben kennis gekregen van deze alternatieve omschrijving en hebben de gelegenheid gekregen hun middelen naar voren te brengen. BESPREKING EN BEOORDELING A. analyse van de tenlastelegging en te volgen werkwijze Het Hof stelt vast dat de omschrijving van de tenlastelegging op een merkwaardige wijze evolueerde. Oorspronkelijk wordt de vereniging waarvan de beklaagden deel uitgemaakt zouden hebben aangeduid en met naam genoemd, namelijk DEVRIMCI-SOL. Er mag van worden uitgegaan dat DEVRIMCI-SOL de voorloper was van DHKP-C. In de door de Duitse overheid genomen beslissing tot verbod van DHKP-C wordt gesteld dat DHKP-C zich in werkelijkheid vereenzelvigt met en in de plaats gekomen is van DEVRIMCI-SOL. (zie verder bij de bespreking van de beslissing van het Duitse Bondsministerie tot verbod van DHKP-C) In de vordering tot regeling van de procedure en in de beschikking tot verwijzing van de raadkamer wordt de vereniging niet langer met naam genoemd, maar worden wel de beoogde aanslagen op personen of eigendommen gespecificeerd. In de vordering van het Openbaar Ministerie die door de raadkamer aangenomen werd, wordt in niet voor interpretatie vatbare termen gesteld dat de beklaagden een vereniging vormden die als opzet had aanslagen te plegen tegen de belangen van de Turkse Staat en dit zowel gericht op personen als op eigendommen en dit onder meer door het plegen van moorden, doodslagen en bomaanslagen op gebouwen en voertuigen. Dat de naam van de vereniging uit de omschrijving verdwenen is, betekent niet dat het Openbaar Ministerie na het gerechtelijk onderzoek tot het besluit zou gekomen zijn dat de beklaagden weliswaar een vereniging vormden, maar dat het niet om DEVRIMCI-SOL of thans DHKP-C zou gaan. Uit de debatten en uit de conclusie van het Openbaar Ministerie blijkt immers zeer duidelijk dat met de vereniging DHKP-C wordt bedoeld. In zijn conclusie ter staving van zijn vordering inzake de bendevorming, schrijft het Openbaar Ministerie onomwonden: " Stelling: DHKP-C is een doelbewust georganiseerde groep van personen... wat onder meer blijkt uit: ...." (synthesebesluiten Openbaar Ministerie, p.62) Het is duidelijk dat het Openbaar Ministerie bij het opstellen van zijn vordering het op dat ogenblik recent in het Belgische strafrecht ingevoerde terroristische misdrijf - de wet terzake de terroristische misdrijven werd van kracht op 8 januari 2004, de vordering dateert van 20 oktober 2004 - als het ware heeft geënt op het reeds voordien bestaande misdrijf "vereniging van misdadigers". Het standpunt van het Openbaar Ministerie is dat uit de gegevens van het Belgische onderzoek samen met de informatie ingewonnen in onder meer Duitsland en Nederland en de gegevens betreffende activiteiten in Turkije zoals die onder meer blijken uit de in de in beslag genomen stukken, kan besloten worden dat DHKP-C zonder de minste twijfel een vereniging van misdadigers is. Naarmate de Belgische wetgeving evolueert en de begrippen criminele organisatie en terroristische vereniging invoert, zal het Openbaar Ministerie op dezelfde wijze zijn stelling hard trachten te maken en willen bewijzen dat DHKP-C in de respectievelijke incriminatieperiodes eveneens een criminele organisatie en een terroristische vereniging uitmaakte en dat het optreden en de handelwijze van de beklaagden eveneens deze misdrijven opleverden. Uiteraard kan de stelling van het Openbaar Ministerie minstens gedeeltelijk juist zijn: het is inderdaad mogelijk dat een vereniging van misdadigers als opzet heeft het plegen van terroristische aanslagen en dat dezelfde vereniging na het invoeren van de wetgeving terzake dient beschouwd te worden als een terroristische vereniging. Of een vereniging van misdadigers in dezelfde periode eveneens een criminele organisatie kan vormen, zal zo nodig later onderzocht en besproken worden. Verder ligt het voor de hand dat het Hof bij de beoordeling van de feiten rekening kan houden met alle elementen van het dossier met uitzondering van datgene wat uitdrukkelijk uit de debatten werd verwijderd bij tussenarrest van 15 november 2007. Dit geldt ook voor stukken betreffende onderzoeken in het buitenland en voor buitenlandse beslissingen. Deze stukken dienen echter met de grootst mogelijke omzichtigheid te worden benaderd. Zo verwijst het Openbaar Ministerie in zijn synthesebesluiten naar een aantal foto's, onder meer van personen die werden omgebracht en die werden verbrand waarvan 1 met een kabel rond de nek. ( p. 73 synthesebesluiten) Door het Openbaar Ministerie wordt gesteld dat het hier gaat om foto's van door DHKP-C vermoorde mensen. Tijdens de debatten hield de beklaagde A.voor dat het juist was dat een aantal foto's zogenaamde "verraders" betrof die door DHKP-C waren geëxecuteerd, maar dat de verbrande mensen slachtoffers waren van het Turkse leger. Deze laatste bewering werd niet weerlegd. Het is hoe dan ook zo dat het Hof niet dient te onderzoeken of DHKP-C in het buitenland - bijvoorbeeld in Turkije, Duitsland, Nederland of Italië - kan of moet beschouwd worden als een vereniging van misdadigers, respectievelijk een criminele organisatie of terroristische vereniging. Het Hof is in geen geval gebonden door een beslissing van een buitenlands strafgerecht, noch door een buitenlandse administratieve beslissing, noch door een buitenlandse beslissing van de uitvoerende macht. Evenmin kan het opnemen door de raad van Europa van DHKP-C in de lijst van terroristische groeperingen bindend zijn bij de beoordeling door het Hof. Hooguit kan de opname op de lijst van terroristische verenigingen de waarde hebben van een indicatie die samen met andere elementen in overweging zou kunnen genomen worden. Het is de opdracht van het Hof na te gaan of in de periode en op de plaatsen voorzien in de beschikking tot verwijzing van de raadkamer de beklaagden al dan niet de hun ten laste gelegde feiten hebben gepleegd. Hierbij dient in de eerste plaats rekening gehouden te worden met de aanwijzingen zoals die blijken uit de resultaten van het in België gevoerde onderzoek. Voor wat betreft de "buitenlandse" elementen: hiermee kan slechts rekening gehouden worden in zoverre er een aantoonbaar verband is met de beklaagden en hun activiteiten in België. Bovendien geldt de reeds hoger vermelde restrictie. De grootst mogelijke omzichtigheid is geboden. Het is duidelijk dat het nochtans bijzonder lijvige dossier slechts fragmenten bevat van onderzoek dat op diverse terreinen - strafrechterlijk, administratief, staatsveiligheid - in diverse landen werd gevoerd. Het Hof dient bij de beoordeling van de bewijselementen steeds rekening te houden met de principes van een eerlijke procesvoering en kan slechts datgene als bewijselement aanvaarden wat het voorwerp heeft uitgemaakt of kunnen uitmaken van een tegensprekelijk debat. Het uitgangspunt is uiteraard de tenlastelegging zelf en de constitutieve elementen van de tenlastelegging. B. het begrip bendevorming De artikels 322-324 van het strafwetboek stellen strafbaar: - het inrichten van een bende met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen of op eigendommen; - het deel uitmaken van een dergelijke vereniging; Deze strafbaarheid stoelt op een duidelijke preventieve bezorgdheid van de wetgever ter bescherming van de maatschappelijke orde. Daar geenszins wordt vereist dat werkelijk aanslagen zouden zijn gepleegd door de vereniging, zijn het als het ware de voorbereidende handelingen hiertoe die strafbaar worden gesteld. Het betreft daden die op zichzelf gevaarlijk kunnen zijn voor de openbare of private veiligheid. De bendevorming dient dan ook beschouwd te worden als een misdrijf sui generis. (DE SWAEF M., Artikelsgewijze Commentaar Strafrecht en Strafvordering, Bendevorming en Criminele Organisaties, p.3) C. de constitutieve elementen van het misdrijf De wetgever heeft geen definitie gegeven aan het begrip vereniging. Rechtspraak en rechtsleer hebben de volgende invulling gegeven aan het begrip vereniging van boosdoeners. De bestanddelen van de vereniging van boosdoeners zijn het bestaan van een georganiseerde groep personen met als doel op personen of eigendommen aanslagen te plegen die een misdaad of wanbedrijf opleveren alsook de bewuste wil om van die georganiseerde groep lid te zijn, zelfs zonder dat enig ander misdrijf wordt gepleegd. (Cass.,nr. P.98.117.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980506.12 van 6 mei 1998) "De inbreuken bepaald in de artikelen 322, 323 en 324 van het strafwetboek vereisen de vrijwillige en bewuste samenkomst van verscheidene personen onder de vorm van een groep die wordt georganiseerd ten einde misdaden te begaan tegen personen of goederen. Het bestaan van een vereniging met het oogmerk om misdrijven te plegen kan worden afgeleid uit verschillende aanwijzingen, zoals een taakverdeling of een specialisatie, uit de regelmatige en geplande contacten, uit de ondubbelzinnige banden tussen de verschillende leden, zonder dat één van deze criteria op zich daarom beslissend moet zijn. De wil om schade toe te brengen aan personen en goederen kan blijken uit elementen zoals de aanwezigheid van materiaal waarmee opzettelijk schade kan worden toegebracht aan personen of goederen, of het feit dat expliciet uitdrukking wordt gegeven aan de wil om dergelijke schade toe te brengen of om de verantwoordelijkheid ervoor op te eisen." (DE SWAEF M., Artikelsgewijze Commentaar Strafrecht en Strafvordering, Bendevorming en Criminele Organisaties, p.3) De constitutieve elementen zijn dan ook: - het bestaan van een vereniging - de organisatie van de vereniging - het plegen van aanslagen op personen of op eigendommen als oogmerk van de vereniging - de bewuste wil om deel uit te maken van de vereniging De rechtspraak heeft aan deze constitutieve elementen een zeer ruime invulling gegeven. Het behoort in elk geval tot de soevereine beoordeling van de feitenrechter of er al dan niet voldoende organisatie is om van bendevorming te kunnen spreken. Als criteria kunnen hierbij in aanmerking genomen worden: het bestaan van een zekere hiërarchie, een voorafgaande taakverdeling, de specialisatie van zekere leden van de vereniging, een zekere materiële organisatie zoals het bestaan van vergader-, schuil- en bergplaatsen, een georganiseerde verdeling van de buit. In de rechtspraak werd reeds geoordeeld dat bendevorming geen ruim ledenaantal veronderstelt. Een klein aantal, zelfs drie volstaat. Een vereniging kan ook zeer beperkt zijn in de tijd. Ook de noodzaak van een hiërarchische structuur wordt in vraag gesteld. Er zou al sprake kunnen zijn van bendevorming zonder duidelijk vastgestelde hiërarchie, wat zelfs karakteristiek zou zijn voor moderne benden. Er werd reeds geoordeeld dat de woorden "inrichten van de bende" gebruikt in artikel 322 van het strafwetboek duiden op een vrijwillige groepering met uitsluiting van elke toevallige verzameling en dat de concepten "vereniging" en "inrichten" geenszins de idee impliceren van een hiërarchie. Voor wat betreft de te plegen aanslagen, is het niet vereist dat reeds aanslagen werden gepleegd. Het oogmerk alleen volstaat. Het hoeft ook niet om specifieke misdrijven te gaan. Evenmin hoeft het om meerdere misdrijven te gaan. De wil om schade toe te brengen aan personen en goederen kan blijken uit verschillende elementen, zoals de aanwezigheid van materiaal waarmee schade kan worden toegebracht aan personen en goederen, of het feit dat expliciet uitdrukking wordt gegeven aan de wil om dergelijke schade toe te brengen. Het is de taak van het Openbaar Ministerie om het bewijs te leveren van de juiste aard van de misdrijven die de misdadigersvereniging op het oog heeft. Dit kan onder meer blijken uit de wijze van organiseren van de bende, het aantal en de persoonlijkheid van de bendeleden, de aan te wenden middelen, de beweegredenen tot het plegen van aanslagen. (DE SWAEF M., Artikelsgewijze Commentaar Strafrecht en Strafvordering, Bendevorming en Criminele Organisaties, p.6) Het moreel bestanddeel bestaat uit de bewuste wil lid van de bende te zijn, welke ook de beweegredenen daartoe mogen zijn. (Cass., 4 december 1984, A.C. 1984-85, 466) De dader moet weten dat de vereniging werd opgericht met het oogmerk om een aanslag op personen of eigendommen te plegen en desalniettemin het lidmaatschap aanvaarden. Hij hoeft geenszins de intentie te hebben om persoonlijk de aanslag op personen of op eigendommen te plegen waarvoor de bende werd opgericht. Ieder bendelid moet niet noodzakelijk op de hoogte zijn van zowel van de volledige samenstelling en organisatie van de bende als van alle doelstellingen ervan. (DE SWAEF M., Artikelsgewijze Commentaar Strafrecht en Strafvordering, Bendevorming en Criminele Organisaties, p.4) Ook uit de parlementaire debatten blijkt dat om tot een veroordeling te komen niet de persoonlijke intentie is vereist om binnen de vereniging een misdrijf te plegen, namelijk een aanslag op personen of goederen. Integendeel is als moreel element enkel vereist dat de verdachte "de weloverwogen wil" heeft om lid te zijn van de bende, terwijl hij zich bewust is van het feit dat die gevormd is om desgevallend aanslagen te plegen op personen of eigendommen. Deel uitmaken van een bende moet dus bewust en gewild zijn, maar die bewuste wil slaat enkel op het bestaan van de vereniging en haar oogmerk om aanslagen te plegen. Het is derhalve niet vereist dat het lid het plegen van één of ander misdrijf nastreeft of op het oog heeft. Het is zelfs niet vereist dat het lid op de hoogte zou zijn van alle bestaande en toekomstige plannen van de vereniging, noch dat het zou weten dat een of ander misdrijf daadwerkelijk zal worden gepleegd. Bepaalde rechtsleer ziet het moreel bestanddeel in het bewust nemen van een risico door zich aan te sluiten bij een dergelijke vereniging en zich aldus vrijwillig te onderwerpen aan een collectieve wil die leidt tot strafbare groepsverantwoordelijkheid. (Parl.St., Senaat, 1997-98, 1-662/4,154 en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer) Er wordt onderscheid gemaakt in de strafmaat naargelang de aard van de geplande misdrijven en naargelang de rol van het bendelid. Zij die aanstoker zijn tot de vereniging, de hoofden van de bende en diegenen die daarin enig bevel hebben gevoerd (artikel 323) worden zwaarder gestraft dan de "gewone" leden (artikel 324). Aanstokers zijn zij die anderen ertoe hebben aangezet zich met een crimineel doel te verenigen, zelfs indien ze later niet meer tussengekomen zijn in de organisatie van de bende. De bendeleiders daarentegen spelen een actieve rol bij de organisatie en het bestaan van de vereniging. (DE SWAEF M., Artikelsgewijze Commentaar Strafrecht en Strafvordering, Bendevorming en Criminele Organisaties, p.6) D. toetsing aan het dossier
  2. a)het chronologisch verloop van het gerechtelijk onderzoek en de relevante feitelijke gegevens Samengevat zijn de feitelijke gegevens de volgende. A. ALGEMEEN Op 26 september 1999 om 16.30 werd de politie te K.-H. ervan verwittigd dat er zich een rookontwikkeling voordeed op de bovenste verdieping van een appartementsgebouw gelegen te [...] De politie is ter plaatse gegaan. Vastgesteld werd dat de rookontwikkeling veroorzaakt was door het verbranden van papier in een open haard waarvan de schouw was afgesloten. Volgens de politievaststellingen waren in het appartement twee personen aanwezig. Het ging om een vrouw die de politie te woord stond en die na enig aandringen daartoe een paspoort voorlegde op naam van S. A. Ö. en een man die later werd geïdentificeerd als K. S. en die volgens zijn eigen verklaring voor een stuk op vakantie was, maar tegelijk ook aan het werk. Tijdens de tussenkomst van de politie is er ook nog een derde persoon, een man van 45 à 50 jaar binnengekomen. Enkele uren later, om 20.16 werd de politie er door iemand die anoniem wenste te blijven van verwittigd dat de bewoners van het appartement waar de rookontwikkeling was geweest, zich vreemd gedroegen. Ze liepen constant over en weer om blijkbaar al hun spullen onder te brengen in verschillende voertuigen en een aanhangwagen die zich voor het gebouw bevonden. Er wordt melding gemaakt van computermateriaal en van een satellietantenne die zich op het terras bevond. De oproeper maakt melding van zeven personen die zich vreemd gedroegen. Het zou gaan om Duits sprekende Turken. De oproeper vermoedt dat ze wel eens tot een extremistische Turkse groepering zouden kunnen behoren. De politie is dan met een anoniem voertuig ter plaatse gegaan. Vastgesteld werd dat een drietal personen bezig waren met het inladen van voorwerpen in diverse voertuigen. Later merkt de politiepatrouille vijf personen op die blijkbaar bijzonder gehaast goederen aan het inladen waren. Eén van de voertuigen, een personenwagen LANCIA ZETA, een monovolume met nummerplaat [...], rijdt weg, gevolgd door de politie. Het voertuig reed in de richting van Nederland en uit de gevolgde weg (een binnenweg over bochtige wegen) en de aangehouden snelheid kon de politie afleiden dat de bestuurder de plaatselijke wegen zeer goed kende en dat hij dit traject duidelijk al vaker had gevolgd. Uiteindelijk wordt het voertuig klemgereden vlakbij de Nederlandse grens. De bestuurder blijkt de beklaagde A. te zijn. Deze zal later blijven volhouden dat hij pas op Nederlands grondgebied tot staan is gebracht. Het tegendeel blijkt nochtans uit het bijkomend onderzoek door de onderzoeksrechter: het voertuig werd wel degelijk tot staan gebracht op Belgisch grondgebied. Terzake werd grondig onderzoek verricht en er werd zelfs een wedersamenstelling gehouden. Het voertuig LANCIA stond ingeschreven op naam van Z. K.. Het voertuig was geladen met een groot aantal sporttassen. Ook een satellietantenne werd aangetroffen. De bestuurder A. verklaarde journalist te zijn en al het aan boord zijnde materiaal nodig te hebben voor de uitoefening van zijn beroep. Inmiddels vertrok aan het appartement op de Zeedijk nog een tweede voertuig, namelijk een personenwagen dubbel gebruik, een Ford Escort met Duitse nummerplaat [...] met twee inzittenden. Van dit voertuig werd in de monovolume LANCIA een aankoopfactuur gevonden op naam van een zekere D. Ook dit voertuig werd door een politiepatrouille gevolgd. De inzittenden hadden duidelijk gemerkt dat ze gevolgd werden en begonnen doelloos rond te rijden. Uiteindelijk werd het voertuig staande gehouden. De bestuurder was K. S., de passagier gaf aan de hand van een paspoort als naam N. Y.op. Later wordt zij geïdentificeerd als F. E. Er kwam nog een derde voertuig toe aan het appartement op de Zeedijk: een voertuig RENAULT MEGANE van donkere kleur met Duitse nummerplaat [...]. Bestuurder van het voertuig was een vrouw van circa 35 jaar met een bril met lang donkerbruin haar dat zij droeg in een vlecht op haar rug. Na een vijftal minuten is deze vrouw terug vertrokken met het voertuig. Een tiental minuten later keert ze terug en gaat het appartementsgebouw terug binnen. Twee minuten later komt ze opnieuw buiten en stapt ze in de auto. Kort daarna komt er een tweede vrouw uit het appartementsgebouw en stapt in het voertuig langs de passagierszijde. Uit de observatie blijkt niet dat deze vrouwen bagage bij zich hadden. Ten gevolge van slecht werkende radioverbindingen kan dit voertuig niet onderschept worden. Nadat dit voertuig vertrokken was, brandde er geen licht meer op het appartement. De aanhangwagen die voor het appartementsgebouw stond, had dezelfde nummerplaat als de RENAULT MEGANE en was ingeschreven op naam van I. D.. In de LANCIA werd een aankoopfactuur op naam van D. aangetroffen. In de beide onderschepte voertuigen worden onder meer aangetroffen: nieuwe GSM-toestellen, scanners, verscheidene enveloppen waarin een honderdtal pasfoto's steken, een enveloppe die 27 verschillende Turkse paspoorten bevat, verscheidene videocassettes en materiaal om met videoapparatuur te werken, apparatuur voor satellietverbinding, interfaces, verschillende laptops en een groot aantal diskettes, tientallen simkaarten, een grote voorraad Turkse literatuur over Turkse verzetsbewegingen, pamfletten, brochures, petitielijsten, brochures waaruit connecties zouden kunnen blijken met Turkse politieke verenigingen. Er wordt ook een aantal vuurwapens aangetroffen. In het voertuig Ford wordt een machinepistool UZI (mini) met bijhorende geluiddemper en munitie gevonden. Daarnaast wordt een kartonnen doos aangetroffen met voornamelijk munitie, maar ook een pistool 9mm met bijhorende geluiddemper en ook een sigarendoosje met daarop in het Duits vermeld "ontstekingsmechanisme". Verder is er nog een sporttas waarin een muziekinstallatie is opgeborgen. De sporttas is zodanig zwaar dat ze veel meer dan een muziekinstallatie moet bevatten. Na onderzoek door DOVO blijken er in de verpakking vier zorgvuldig verstopte pistolen te zitten. In totaal werd er in dit voertuig - het voertuig Ford - ook een aanzienlijke hoeveelheid van allerhande munitie aangetroffen. (inventaris, zie kaft 4/28 stuk 4 en foto's kaft 5/28, stukken 59 e.v.) Hierbij is er ook speciale munitie die bestemd is om bijzonder zware verwondingen te veroorzaken, namelijk JSP of zogenaamde "hollow point" munitie. (kaft 5/28 stukken 59 en 60 ). De wapens en het ontstekingsmechanisme worden nader beschreven in de deskundige verslagen. (kaft 5/28 stukken 391 en 392 ) Uit het onderzoek zal blijken dat K. S., S. A. Ö. en I. D. woonachtig zijn in Duitsland. Naar aanleiding van deze feiten vordert de procureur des Konings een gerechtelijk onderzoek wegens bendevorming, inbreuken op de wapenwetgeving, diefstal en heling. De procureur vorderde de aanhouding van M. A., K. S. en N. Y.. De eerste verklaringen van de beklaagden aan de onderzoeksrechter zijn de volgende : K. S. verklaart het volgende: "...Ik heb geen beroep. Ik ben toegekomen in België op 15 september 1999. Op Uw vraag waarom ik naar België ben gekomen, wil ik niet antwoorden. Ik vraag U uitdrukkelijk te mogen gebruik maken van mijn zwijgrecht. Ik wens enkel te antwoorden op vragen omtrent mijn identiteit..." N. Y. (later vereenzelvigd als F. E.) verklaart onder andere het volgende: "...Ik woon in Duitsland bij S.. Zelf heb ik geen inkomen, maar ik krijg steun van mijn familie. Ik ben sedert één week in België. Ik ben gekomen tezamen met S. en met de wagen waarin we door de politie van Knokke aangetroffen werden. Die wagen staat op de naam van de oudere broer van S. (...) Gisteravond waren we vertrokken met de bedoeling terug te keren naar Duitsland. Zoals reeds gezegd wist ik niet dat er zich voorwerpen in de auto bevonden. Ik wist enkel van een schotelantenne, dewelke van ons is en dewelke we meegebracht hadden vanuit Duitsland en van een valies met onze kledij. Gisteren hebben we papier verbrand in de open haard, enkel en alleen om hout in brand te kunnen steken. De teruggevonden documenten waarin verwezen wordt naar een politieke partij SSK, zeggen mij niets. Het is de eerste maal dat ik ervan hoor. (...)" De verklaring van A. was de volgende: "Op Uw vraag wie het appartement gehuurd heeft waar ik verbleef in K., wens ik niet te antwoorden. Op Uw vraag of ik zinnens ben op geen enkele vraag te antwoorden, antwoord ik U dat ik niet bereid ben te antwoorden op inhoudelijke vragen, zolang ik mijn advocaat niet geraadpleegd heb, gezien de ernst van de feiten die mij ten laste gelegd worden. Ik meen dat het tot de rechten van de verdachte behoort dat hij mag zwijgen en ik wens uitdrukkelijk van dit recht gebruik te maken." Deze drie beklaagden werden door de onderzoeksrechter onder aanhoudingsmandaat geplaatst. Zij blijven een zestal maanden in voorlopige hechtenis. K. S. en F. E. worden bij arrest van 28 maart 2000 van de kamer van inbeschuldigingstelling in vrijheid gesteld; voor M. A. gebeurt dat bij arrest van 30 maart 2000. Op 27 september 1999 werd door de onderzoeksrechter een huiszoeking bevolen op het adres waar de beklaagden verbleven te K.-H. Bij die huiszoeking werd een grote hoeveelheid kledij, zowel dameskledij als herenkledij aangetroffen en in beslag genomen. De hoeveelheid kledij is dusdanig dat de inventaris van de in beslagname een tiental bladzijden beslaat. Die hoeveelheid lijkt erop te wijzen dat er een groot aantal personen in het appartement verbleef. Naast de kledij worden er ook foto's in beslag genomen. Deze foto's en de kledij werden vergeleken. Er zijn acht foto's waarop D. K. kledij draagt die identiek lijkt te zijn aan de kledij teruggevonden in het appartement te Knokke-Heist. (zie terzake kaft 1/28, stukken 118 tot 140 en de staat overtuigingsstukken 9904346 in kaft 1/28 onder nummer 52 tot 61) Er zijn veel gelijkenissen in bepaalde details en in merken tussen de kledij op de foto's en de in beslag genomen kledij. Er zijn tevens drie foto's waarop . te zien is met op de achtergrond een flat-screen gelijkaardig aan datgene gevonden in het appartement. Op twee foto's is K. te zien op een fiets gelijkaardig aan deze waarvan er een drietal werden aangetroffen op het appartement. Er zijn ten slotte foto's die duiden op de aanwezigheid van D. K. in het dicht bij K.-H. gelegen Nederlandse stadje S. Op een aantal foto's staan niet vereenzelvigde vrouwen die kledij lijken te dragen gelijkaardig aan de in beslag genomen stukken. Er werden in het appartement een bijzonder groot aantal voorwerpen in beslag genomen. Ze werden neergelegd onder de staat van de overtuigingsstukken 00/00721. (kaft 8/28, nummer 76 tot en met 89). De in beslag genomen geschriften en pamfletten verwijzen naar een Turkse groepering, gekend als de uiterst linkse DEVRIMCI SOL (afgekort DEV SOL), wat de Revolutionaire Linkerzijde betekent, beweging die in 1994 zal "opgevolgd" worden door DHKP-C. De door de politie op het appartement genomen foto's maken duidelijk dat er een massa kaften en kartons met documenten aanwezig was tot zelfs op het toilet toe. Verder waren er verscheidene computers waaronder laptops en een grote hoeveelheid elektronisch materiaal (printers, zip-drivers, scanners, kabels, adapters, gsm-toestellen - waaronder een gsm-toestel dat zich bevond in een personenwagen Mercedes, die op 6 maart 1997 te [...] werd gestolen - enzovoort). Op het balkon werd een doos aangetroffen met gedeeltelijk verbrande documenten. Tevens was er nog een schotelantenne en een satellietantenne in het appartement aanwezig. Uit wat nog leesbaar was van de gedeeltelijk verbrande documenten bleek dat het ging om: - ideologische literatuur betreffende revolutionaire linkse bewegingen; - literatuur met een algemeen karakter betreffende de islamitische bewegingen; - verslagen betreffende de "maffiastaat"; - vragenlijsten en curriculum vitae voor kandidaat-leden; - interviews van personen; klaarblijkelijk een soort wervingsreserve met de getypte versie van de curriculum vitae in verband met kandidaturen die werden aangetroffen in verscheidene fardes; - rapportering van een mislukte aanslag: overzicht van een geplande mislukte aanslag; - informatie betrekking hebbende op het mogelijk verwerven van uranium en dynamiet; Deze stukken hebben als data 12 augustus 1999, 17 september 1998 en voor wat de aanslag betreft 15 en 16 november 1998. (kaft 1/28, stukken 147-171 en kaft 3/28, stukken 56-119). De talrijk aangetroffen fardes hebben als voorwerp en onderwerp de Turkse groepering DHKP-C en bevatten in het algemeen propaganda, ideologische pamfletten, informatie in verband met de werking in hogescholen en universiteiten, agenda's, boekhoudingen, archieven (o.a .DEV-SOL, kaft 1/28, stuk 713), briefwisseling, verslagen, biografieën van kandidaten, curricula vitae, briefwisseling, informatie van of omtrent welbepaalde personen, herinneringen aan gevallen kameraden (martelaren), allerhande nota's, telefoonnummers en adressen, verslagen van campagnes, protestacties, betogingen en agitaties, verslagen van het Europees parlement in verband met DHKP-C, verslagen van activiteiten in verschillende Europese landen (kaft 1/28, stuk 511 en specifiek voor België kaft 1/28, stukken 630 en 990, kaft 2/28,stuk 52 ), verslagen van geldinzamelingen, krantenknipsels met onder andere berichtgeving over D. K. als leider van de organisatie (kaft 1/28, stuk 201) en de aanhouding van D. K. in Frankrijk samen met Z. S. (foto, stuk 899), beiden onder een valse naam en in het bezit van valse paspoorten (kaft 2/28, stuk 890 en volgende in een plastiek kaftje met niet in volgorde gerangschikte nummering), het onderzoeksdossier van D. K.dat aan hem werd overgemaakt door zijn advocate in Parijs terwijl hij aangehouden was en in de gevangenis vertoefde (kaft 1/28, stuk 327) enzovoort. Verder zijn er pamfletten met foto's van met kalashnikofs gewapende mannen naast de vlag van DHKC (kaft 1/28, stukken 179 en 324), inventarissen van soms indrukwekkend veel beschikbare wapens (onder meer kaft1/28, stukken 200, 224, 226, 715, 863, 1222; kaft 2/28, stukken 51-57, 340, 383, 909; kaft 3/28, stukken 197, 416 en volgende), prijzen voor wapens en munitie (kaft 1/28, stuk 328 en volgende), handleidingen voor het gebruik van ook gesofisticeerde wapens, afstandsbedieningen, spionagemateriaal (kaft 1/28, stuk 630; kaft 2/28, stukken 766 en volgende), teksten omtrent leven in clandestiniteit (kaft 1/28, stukken 863 en volgende), teksten over de opleiding van revolutionairen en het leven als guerrillastrijder (kaft 1/28, stukken 864, 990; kaft 3/28, stukken 233 en volgende), instructies betreffende het ondervragen door middel van marteling (kaft 1/28, stuk 863 met gedetailleerde beschrijvingen), allerhande informatie met betrekking tot het maken en/of het gebruiken van bommen, tijdbommen, boobytraps (kaft 1/28, stuken 224, 477 en volgende), instructies met betrekking tot aanmaak van valse paspoorten en van valse identiteitsdocumenten (kaft 1/28, stuk 477; kaft 2/28, stukken 738, 827 en volgende), instructies met betrekking tot veilige schuilplaatsen, wegbrengen van goederen, vernietigen van documenten en uitwissen van alle sporen, verdelen van goederen in kleine, gemakkelijk te dragen en weinig opvallende pakjes (kaft 1/28, stukken 299, 864 en volgende), verslagen van internationale smokkeloperaties (kaft 3/28, stukken 417 en volgende), informatie over codes en codenamen en gecodeerde teksten (kaft 1/28, stukken 223, 328,513, 515, 866, 869, 937, 989, 1198; kaft 2/28, stuk 376; kaft 3/28, stukken 208-214, 418 en volgende), informatie over de woonplaats van "verklikkers", politieofficieren, generaals en hooggeplaatsten (kaft 1/28, stukken 328-329, 588 en volgende), voorstellen en/of verslagen van operaties, gewapende acties en/of aanslagen (kaft 1/28, stukken 328, 477, 1199 en volgende, onder andere op het consulaat van de Verenigde Staten met een LAW-raket, kaft 1/28, stukken 713 en 1160 en kaft 3/28, stukken 252 en volgende) en het bombarderen van bankagentschappen, studio kanaal 6, garage Renault, handelszaak Gül, Cözum tijdschriftendrukkerij enzovoort (stuk 715, kaft 2/28, stukken 47-57 en volgende), onder andere op het hoofdverdeelcentrum van de MIGROS warenhuisketen, bankkantoren, politiebrigades en mobiel legioen van de politie (kaft 1/28, stukken 577-588, 714 - waarbij ook sprake is van eliminatie van opstandelingen in België - 715,716, 909; kaft 3/28, stukken 196, 403 en volgende), informatie over gevangenissen in Turkije (kaft 1/28, stukken 476, 511 en volgende), informatie en persknipsels in verband met de moord op S. (kaft 1/28, stukken 681,1110 en volgende), informatie met betrekking tot mogelijke doelwitten voor aanslagen (kaft 2/28, stukken 832 en volgende). De organisatie is blijkbaar allesomvattend en zou zelfs verlovingen regelen (kaft 1/28, stuk 588). De geciteerde stukken beslaan een zeer ruime periode: sommige gaan terug naar de jaren 80 maar het grootste gedeelte betreft de periode 1993-1999 en dan vooral de periode 1997 tot en met augustus 1999. Er zijn opvallend veel stukken die verwijzen naar personen of adressen in Duitsland. Het gaat onder meer om facturen en documenten die verwijzen naar talrijke en belangrijke financiële transacties in Duitse marken (kaft1/28, stukken 183-192; kaft 2/28, stukken 48-49) Tussen de onderzochte documenten werden zeven kleurenfoto's aangetroffen met daarop drie personen die gekneveld waren en geblinddoekt en van wie door de beklaagde A. geenszins wordt betwist dat ze gedood werden met een schot in het hoofd door mensen van DEVRIMCI SOL. Op vijf van de foto's werd de vlag van DEVRIMCI SOL op de voorgrond geplaatst. In een plastieken zak bevonden zich zevenentwintig afgietsels in een soort kunststof met afdrukken van stempels. Het ging om Turkse droogstempels, die duidelijk bedoeld zijn om documenten te vervalsen (kaft7/28, onderkaft 2, stukken 33 tot 41). Uit het feit dat een massa materiaal werd achtergelaten en uit de wanorde in het appartement, kan worden afgeleid dat de bewoners en de gebruikers van het appartement hals over kop vertrokken zijn. Er werd zelfs nog baar geld (Duitse marken, Belgische franken en Nederlandse gulden) in het appartement aangetroffen (kaft 7/28, onderkaft 3, stuken 35 en 36). Ook werd er nog een GSM aangetroffen die aan het opladen was en werden er persoonlijke foto's gevonden. In de Ford Escort Clipper dubbel gebruik met Duitse nummerplaat (bestuurd door K. S. en met als passagier F. E., alias N. Y.) werden naast documenten (waaronder verschillende documenten die naar connecties met Duitsland verwezen, kopieën van Turkse identiteitskaarten en rijbewijzen, blanco Turkse identiteitskaarten, kopieën van partijkaarten SSK) en heel wat computermateriaal (laptops met bijhorend materiaal, een flatscreen, een fotokopietoestel, een scanner enzovoort) ook wapens aangetroffen. Zo lag er in het voertuig een machinepistool UZI met geluidsdemper. Tevens werden vier pistolen FN 7,65 mm BROWNING gevonden. Deze zaten verborgen in een box van een stereo-installatie die ondergebracht was in een sporttas. De serienummers van de wapens waren vakkundig weggelast. Ook werd een WALTER PPK cal. 9 mm met geluiddemper aangetroffen. Verder waren er een zestiental laders voor diverse types van wapens en een grote hoeveelheid munitie van verschillend kaliber en merken. Ten slotte werd er nog een elektrische knalkoker gevonden. Deze was nog in goede staat en kon onmiddellijk gebruikt worden om springstoffen tot ontploffing te brengen. Verder lag er in het voertuig nog een paraboolantenne met voet. K. S. en F. E. wensten over het aangetroffen materiaal geen verklaring af te leggen. (kaft 5/28, onderkaft 1, stukken 61 en volgende; kaft 3/28, onderkaft 1, stukken 193 en volgende en 296 en volgende) Ook M. A. wenste niet te antwoorden op de vragen met betrekking tot de aangetroffen wapens, laders, knalkoker en munitie of gaf op de gestelde vragen een nietszeggend, kort antwoord. (kaft 5/28, stukken 100 tot en met192) Bij zijn verhoor op 11 februari 2000 verklaarde A. met betrekking tot de wapens die gevonden werden in de stereo-installatie dat hij niet weet wie de eigenaar was van deze installatie. Hij zou evenmin geweten hebben dat er wapens zaten in deze installatie. "Een persoon", een onbekende, zou de stereo-installatie bij hem afgeleverd hebben. De installatie zou dan later opnieuw opgehaald worden. (kaft 4/28, onderkaft 1, stuk 59) In de LANCIA ZETA (monovolumewagen) die werd bestuurd door M. A., werd onder andere een grote hoeveelheid documenten en computermateriaal gevonden. Verder zaten er in het voertuig verschillende, waaronder nieuwe, GSM's, een satellietontvanger, een mast in metaal om een schotelantenne op te plaatsen, verschillende kleine geldsommen (dollars, Duitse marken en Nederlandse gulden), verschillende omslagen met pasfoto's (met vermelding van de naam op de achterkant) en verschillende Turkse identiteitskaarten. Tevens werd een witte enveloppe aangetroffen met materiaal waarmee een valse identiteitskaart voor een advocaat kon aangemaakt worden. In de aanhangwagen met dezelfde nummerplaat als de RENAULT SCENIC werden onder meer lakens, dekens en huishoudmateriaal aangetroffen. Het gaat hier om de aanhangwagen die achterbleef toen twee vrouwen het appartement verlieten en vertrokken met de RENAULT SCENIC, het voertuig dat niet kon onderschept worden. B. F. E. alias N. Y. Op basis van de vingerafdrukken aangetroffen in het appartement te K.-H. kon worden vastgesteld dat N.Y. een alias was voor F. E. F. E. stond internationaal geseind wegens verdenking van betrokkenheid bij een drievoudige moord op 9 januari 1996 in Istanbul (Turkije). Op 18 januari 1996 werd ten laste van F. E. door de bevoegde autoriteiten van Istanbul een aanhoudingsmandaat bij verstek uitgevaardigd wegens moord. Uit het onderzoek is gebleken dat het door F. E. op naam van N.Y. gebruikte paspoort een vals paspoort was. De vervalsingen waren duidelijk waarneembaar. Wanneer ze hierover ondervraagd werd, wenst F. E., alias N. Y. hierop in eerste instantie geen antwoord te geven. (kaft 7/28, onderkaft 1) In een latere verklaring geeft ze toe dat haar naam wel degelijk F. E. is. (kaft 7/28, stuk 140) C. DE DROOGSTEMPELS De verhoren van M. A., K. S. en F. E. met betrekking tot de in het appartement aangetroffen zevenentwintig droog-stempels leverden weinig of niets op. Doorgaans wensten zij op de aan hen gestelde vragen niet te antwoorden. Hetzelfde geldt voor vragen betreffende de in het voertuig LANCIA aangetroffen witte enveloppe bevattende twee pasfoto's van een vrouw, twee "boterblaadjes" waarbij met een potlood een droogstempel werd doorgedrukt, een "boterblaadje" waarbij een stempel werd nagemaakt met zwarte stift of inkt, een kaartje met de vermelding "TURKIYE BAROLAR BIRLIGI - AVUKAT KIMLIK BELGESI" waarbij de in te vullen gedeelten nog blanco waren. (kaft 7/28, onderkaft 2, stukken 35, 36, 42 en 43) Wanneer M. A. werd gevraagd of deze voorwerpen dienden om een vervalsing te maken met betrekking tot de identiteit van een advocaat, verklaarde hij: "Ik weet het niet. De namen die hier liggen "A. Y. S." en "A. T. K." zijn bekende namen. Y. is mogelijk de vervanger van T. Hij was het hoofd van de advocatenbalie". (kaft 7/28, onderkaft 2, stuk 50) Verder verklaarde M. A. dat al de voorwerpen die in zijn voertuig LANCIA aangetroffen werden, toebehoorden aan de organisatie DHKP-C. Zijn standpunt is dat wanneer een staat aan - volgens hem - criminelen diplomatieke paspoorten of andere identiteitsdocumenten afleverde, het namaken van deze stempels legitiem was. Hij verklaarde dat de tassen die in zijn voertuig werden aangetroffen hem werden toevertrouwd en dat hij niet de gewoonte had om er in te snuffelen. Als men hem verzocht om een tas op een bepaalde plaats te brengen, dan gaf hij daaraan gevolg. De mensen die hem de voorwerpen bezorgden waren vrienden van wie hij de voornaam kende. Hij wenste daar verder niet op in te gaan. (kaft 7/28, onderkaft 2, stuk 49) D. AANGETROFFEN GELD Zowel in het appartement te Knokke-Heist als in het voertuig LANCIA werden diverse geldsommen aangetroffen. (kaft 7/28, onderkaft 3, stukken 35, 36 en 38) In het appartement werd onder andere 2.200 Duitse mark aangetroffen en in de LANCIA onder andere 500 Duitse mark en 100 Nederlandse gulden. Over dit geld verklaarde M. A. dat het geld dat in de LANCIA werd aangetroffen van hem was. Hij zei te weten wie de eigenaar was van de rest van het geld. Waar het geld vandaan kwam, wist hij niet. Het geld diende om te "voorzien in de behoeften". Zij waren in het bezit van vreemde deviezen, omdat de organisatie aanhangers heeft die financiële steun verlenen in verschillende landen van Europa. (kaft 7/28, onderkaft 3, stuk 44) K. S. en F. E. wensen op de gestelde vragen niet te antwoorden. E. HERKOMST VAN DE LANCIA ZETA Over dit voertuig verklaarde A. onder andere: "Hetgeen Z. K. aan de onderzoeksrechter heeft verklaard over de aankoop van de LANCIA ZETA is de waarheid. Het is inderdaad juist dat ik Z. K. vijfhonderdduizend frank gegeven heb voor de aankoop van de wagen. Het is inderdaad ook juist dat ik de betaling heb geregeld met de LANCIA-garage. Het is ook juist dat Z. K. met mij is meegegaan naar de garage om reden dat de LANCIA een ongeval heeft gehad en dat de LANCIA op naam van Z. K. stond." (kaft 7/28, onderkaft 6, stukken 24 en 25) Op de vraag waarom hij op die wijze een voertuig kocht, wenste hij niet te antwoorden. In zijn verhoor omtrent de aankoop verklaarde Z. K. op 30 september 1999 aan de onderzoeksrechter dat hij op het voorstel is ingegaan omdat hij op die manier een lening op zijn naam kon afsluiten. (kaft 6/28, onderkaft 2, stukken 86,87 en 88) In een ander verhoor stelt N. A. dat M. A. een Belgische nummerplaat wenste te bekomen om voortdurende politiecontroles te vermijden. F. HERKOMST VAN DE GSM In het appartement werd een gestolen GSM teruggevonden. Deze GSM bevond zich in een personenwagen MERCEDES eigendom van J. B. uit S.-T. Dit voertuig werd op 6 maart 1997 gestolen te S.-T. en op 3 april 1998 in Spanje in de buurt van Alicante teruggevonden. M. A. ontkent ooit betrokken geweest te zijn bij de diefstal van de MERCEDES te S.-T.. De GSM werd door hem niet aangekocht. Hij wist niet wie de GSM dan wel had aangekocht of hoe deze op het appartement was terechtgekomen. (kaft 6/28, onderkaft 4, stuk 108) K. S. en F. E. wensten op de gestelde vragen niet te antwoorden. G. VERVALSTE TURKSE IDENTITEITSKAARTEN EN RIJBEWIJZEN In het voertuig LANCIA werden verschillende Turkse rijbewijzen en identiteitsbewijzen aangetroffen. Uit verder onderzoek bleek dat verschillende identiteitskaarten wellicht waren vervalst. (kaft 6/28, onderkaft 5, stukken 48 en volgende). Op het appartement te K.-H. werd een reispas aangetroffen op naam van N. S. Verschillende pagina's waren uit de reispas gescheurd. Hierbij werd onder meer de pagina uitgescheurd waarop de foto van de houder diende voor te komen. N. S. die woonachtig is te H., had in juli 1999 aangifte gedaan van verlies van zijn paspoort bij de politie te H.. M. A. verklaarde dat hij de bewuste identiteitskaarten en rijbewijzen nog nooit had gezien of in handen had gehad. Hij verklaarde persoonlijk geen behoefte te hebben om dergelijke documenten te gebruiken. Hij voegde er wel aan toe dat, gelet op de omstandigheden in Turkije, dit soort documenten van pas kon komen voor mensen die gezocht werden in Turkije en die aan deze papieren behoefte konden hebben. Verder verklaarde hij over deze documenten onder meer. (kaft 6/28, onderkaft 5, stuk 146) "(...)Ik wens hierop te verklaren dat ik mezelf zie als een persoon van de DHKP-C. Zoals elk voorwerp dat werd aangetroffen in het voertuig LANCIA, dat ik op het ogenblik van de feiten bestuurde, wil ik de verantwoordelijkheid ervan dragen. (...)" Op de vraag of de Turkse identiteitskaarten waren gestolen, antwoordde M. A. onder meer: "Ik weet dit ten stelligste niet. Ik denk niet dat deze gestolen zijn. Ik baseer mij hier op het feit dat dit een manier van werken is bij de organisatie DHKP-C. In onze organisatie, zoals ik reeds heb laten weten, is het ten stelligste verboden waren, geld of goederen ten behoeve van de organisatie DHKP-C te stelen of te helen of te roven." (kaft 6/28, onderkaft 5, stuk 146) Op de vraag of de stukken dan waren aangekocht, stelde A. dit evenmin te weten. Hij voegde eraan toe dat de aankoop eigenlijk geen manier van werken is bij de DHKP-C. Ook van eventuele vervalsingen wist hij niets af. Hij verklaarde dat dit geen specialiteit van hem was. Hij wist niet of de organisatie zich bezighield met vervalsingen. Op vragen daaromtrent kon hij noch bevestigend, noch ontkennend antwoorden. Op de vraag voor wie de mogelijk vervalste Turkse identiteitskaarten bestemd waren, antwoordde M. A. (kaft 6/28, onderkaft 5, stuk 147): "Ik weet het niet. Ik als ondeskundige van deze zaken ben zeker dat de voorgelegde identiteitsdocumenten zeker aan niemand zullen worden gegeven. Bij ons in de organisatie is het de regel dat men zijn identiteitskaart op zich moet hebben en dat men zorg moet dragen voor het document. Het document dient dus te allen tijde in onberispelijke staat te blijven want bij eventuele beschadigingen, ook al is het uw eigen document, kan dit argwaan wekken." Over de reispas van N. S. verklaarde M. A. niets te weten. K. S. en F. E. wensten op de hen gestelde vragen niet te antwoorden. H. IN HET APPARTEMENT AANGETROFFEN FOTO'S VAN LIJKEN Over deze foto's verklaarde M. A. onder meer het volgende: "(...) Foto 01 tot 07 kan ik herkennen. Het betreft hier foto's dewelke in het verleden door de pers zeer veel werden gepubliceerd. De personen op die foto's waren ontmaskerd als infiltranten en provocateurs en werden berecht door DEVRIMCI SOL en geëxecuteerd. Ik kan U zeggen dat deze feiten gebeurd zijn omstreeks de jaren begin 90, dit te Turkije, Istanbul. (...) De foto's behoren toe aan de beweging. Dit betreft een deel van de foto's die we eigenlijk na de feiten van de agentschappen verkrijgen of gekocht hebben. Ik wens hierbij duidelijk te maken dat er tijdens of na de acties ondernomen door DEVRIMCI-SOL of DHKP-C nooit zelf foto's worden genomen. (...) Aangaande foto 08 en 09 kan ik zeggen dat ik deze foto's nooit eerder gezien heb. Met betrekking tot foto 10 kan ik zeggen dat het hier een militair betreft met een zeer lage rang (overeenkomstig korporaal) die een persoon vermoordt. De naam van deze militair kan ik U niet meedelen, doch ik kan U wel zegen dat hij intussen werd verhoord en bestraft door de beweging, waarna hij eveneens werd geëxecuteerd." (kaft 7/28, onderkaft 6, stukken 83 en 84) Hij voegde er ook nog aan toe dat de personen op de foto's 01 tot en met 07 met een schot in het hoofd om het leven werden gebracht. I. HUUR VAN APPARTEMENTEN OF VERBLIJVEN Uit het onderzoek bij de verhuuragentschappen te K.-H.) is gebleken dat er zich in diverse agentschappen een Nederlands sprekende man van Turkse afkomst had aangeboden en dit voor de huur van een appartement. (kaft 9/28, onderkaft 1) Op basis van voorgelegde foto's is de man vereenzelvigd als M. A. Uit het onderzoek is gebleken dat de man steeds een appartement wenste op de hoogste verdieping en dit ten einde een goede verbinding te hebben met zijn satellietontvanger gericht naar het oosten. De man verklaarde te werken voor een Turks televisiestation. Het appartement moest ruim zijn en diende voorzien te zijn van een open haard. Uit het onderzoek bleek verder dat M. A. de appartementen huurde niet onder zijn eigen naam, maar onder een andere naam. Zo huurde M. A. op de zeedijk te K.-H. een appartement op naam van E. V., wonende te [...], en dit voor de periode van 16 augustus 1997 tot 15 augustus 1998. Hij betaalde daarvoor 200.000 Belgische frank in contanten. Een veertiental dagen later verbrak M. A. de huur. De zaak werd in der minne geregeld. Het appartement werd op 13 september 1997 verlaten. (kaft 9/28, onderkaft 1, stuk 47 en 52) Hierna huurde M. A. op de zeedijk te K.-H. een appartement op naam van E. V. voor de periode van 1 oktober 1997 tot 15 november 1997. Hiervoor werd een bedrag van 34.000 Belgische frank gestort. Het rekeningnummer kon niet meer worden achterhaald. (kaft 9/28, onderkaft 1, stuk 47) Vervolgens huurde M. A. een appartement op naam van E. V., [...] voor de periode van 1 november 1997 tot 30 november 1997 (kaft 9/28, onderkaft 1, kaft met nummer 64). De zaakvoerder van het agentschap verklaarde terzake onder andere: " (...) Die persoon was nogal veeleisend. Hij zegde dat hij werkzaam was als journalist voor de Turkse televisie. Bijgevolg moest hij een appartement hebben waar hij zijn satellietschotel kon installeren en daarom moest het appartement aan een bepaalde ligging voldoen, meer bepaald een appartement met balkon gericht op het zuidoosten. Het moest tevens een ruim appartement zijn. (...) Bij het verhuren zegde hij dat hij in feite voor iemand anders huurde. Ik heb hem toen gezegd dat hij dan wel een identiteit van de eigenlijke huurder moest overmaken. We hebben toen een kopie van paspoort met een fax toegestuurd gekregen. Hij vereffende de rekeningen ook cash. (...) Hij heeft de identiteit van de huurder opgeschreven als zijnde [...] met als telefoonnummer 00-31-...-...... Vanuit het kantoor werd nog eens contact opgenomen met dit nummer, doch de persoon die daar aan de lijn kwam, stond versteld van het feit dat wij zijn nummer en zijn adres hadden. (...) Bij zijn vertrek uit het appartement werd niets achtergelaten. Wel is het zo dat hij in feite nog een tegoed heeft van 14.421 Belgische frank, zijnde het saldo van de huurwaarborg van 20.000 Belgische frank. Het was trouwens om die reden dat we het nummer in Nederland hebben gecontacteerd. (...)" In september 1999 bood M. A. zich aan bij twee agentschappen en dit om een appartement te huren tot einde maart 2000. Het appartement gelegen te K.-H., [...] huurde M. A. op naam van A. D., [...] en dat voor de periode van 16 september 1999 tot 30 september 1999 en voor de periode van 1 oktober 1999 tot 31 oktober 1999. De huurprijs bedroeg 63.500 Belgische frank. Uit het onderzoek bij verschillende immobiliënkantoren is gebleken dat M. A. al vanaf september 1992 appartementen in België huurde. Zo huurde hij een appartement te M. voor de periode van 15 juli 1992 tot 31 juli 1992 op naam van J. U., wonende te [...]. Hij betaalde cash en vertrok tijdens zijn verblijf regelmatig naar Brussel met de trein. Voor een periode van drie jaar, meer bepaald voor de periode van 1 november 1996 tot 1 november 1999 werd er te O. voor M. A. (die zich uitgaf voor een zekere H. B.) een appartement gehuurd door I. A., neuropsycholoog, wonende te [...]. A. deed dit als vriendendienst. Hij betaalde de huur en de waarborg. Soms betaalde M. A. (alias B.) zelf de huur. Hij deed dat dan in contanten. Bij zijn verhoor op 11 januari 2000 verklaarde de verhuurder dat hij enkele dagen voor zijn verhoor werd opgebeld door A. Deze maakte hem duidelijk dat hij eigenlijk niets te maken had met B. (kaft 9/28, onderkaft 1, stuk 456) Voor de periode van 1 augustus 1998 tot 5 september 1998 huurde M. A. een appartement op de Zeedijk te Z. en dit onder de naam G. A. Ook hier betaalde hij cash. Uit het in Nederland gevoerde onderzoek is gebleken dat M. A. ook in Nederland huurovereenkomsten afsloot onder een andere naam. (kaft 10/28, stuk 105 en volgende) Zo werd er te N. (Nederland), [...] door een zekere A. een woning gehuurd voor de periode van 15 juli 1999 tot 15 september 1999. Het betreft een woning gelegen in een recreatiedomein. Op verzoek van A. werd de huurovereenkomst afgesloten op naam van D., wonende te [...]. A. beweerde journalist te zijn en de woning te huren voor een van zijn vrienden. De eigenaar van de woning zei dat hij daar verschillende Turkse mensen zag. Hij maakt melding van een goed Nederlands sprekende persoon die reed met een auto met Belgische nummerplaten, een ouder koppel, drie meisjes en een jongen. Volgens de makelaar die bemiddelde bij de verhuur, huurde A. al sinds 1998 gedurende de zomermaanden een woning. Zo huurde hij ook een woning aan P. S. en in het bungalowpark S. Het viel de makelaar op dat A. een woning moest hebben waar hij een schotelantenne mocht zetten. Ook viel het op dat A. de meubels in de door hem gehuurde woning verplaatste. A. deed dat blijkbaar altijd en zette een bureau neer waaraan hij werkte. Op zondag 26 september 1999 - de dag van de gebeurtenissen te K.-H. - mogelijk in de vroege avond ofwel in de late middag werd de eigenaar gebeld door de Nederlands sprekende man. Deze vroeg om de huur van de woning verder te zetten. Dat was mogelijk. Een half uur later kwam de Nederlands sprekende man terug. Hij was in het gezelschap van de jongen die de eigenaar eerder had gezien en van een ouder koppel. De meisjes die de eigenaar vroeger had gezien waren er niet bij. Op 28 september 1999 stelde de eigenaar vast dat zijn huurders hals over kop vertrokken waren. De bedden waren niet beslapen en op het aanrecht stond nog eten dat niet was aangeroerd. De eigenaar heeft eveneens vastgesteld dat de huurder alle meubels had verzet en dat de woning was ingericht als een soort kantoor. Er waren onder andere twee computers en twee schotelantennes geplaatst. 's Nachts hoorde hij typgeluiden. De eerste keer dat de huurders aan de woning kwamen, hadden ze een aanhangwagen vol spullen bij zich. Alles werd in de woning binnengebracht. Uit voorlegging van foto's aan getuigen blijkt dat de genaamde A. werd herkend als M. A. Hij bestuurde een soort "spacewagen" met Belgische nummerplaat. De Duits sprekende jongen reed met een rode FORD stationwagen. Hij werd herkend als K. S. Het meisje dat enkel Turks sprak werd herkend als F. E. Men dacht dat ze de vriendin was van S. Het Hof stelt hierbij onmiddellijk vast dat het uiteraard onmogelijk is dat op 26 september 1999 de beklaagden A., S. en E. in Nederland konden gezien worden: zij waren op dat ogenblik immers aangehouden in België. De oudere man die ook in de huurwoning aanwezig was, wordt herkend als D. K. De foto's waarop hij werd herkend werden trouwens genomen in de huurwoning aan de S.B. Op die foto's is duidelijk te zien dat het recreatiehuisje dienst deed als kantoor. Reeds in de maand mei 1999 werden drie voertuigen met dezelfde nummerplaten als in K.-H. opgemerkt voor een villa in een vakantiepark nabij R. in Nederland. In de villa werden vermoedelijk Turkse mensen opgemerkt. Aan de villa waren schotelantennes bevestigd. J. IDENTIFICATIE VAN DE PERSONEN DIE OP HET APPARTEMENT WERDEN GEZIEN M. A. was het die de huur van de appartementen afsloot. Dat was ook het geval voor het appartement te K.-H. .../. waar hij samen met K. S. en F. E. verbleef op 26 september 1999. M. A., K. S. en F. E. werden trouwens op 26 september 1999 onderschept toen zij inderhaast dit appartement verlieten. In het appartement werden vingerafdrukken aangetroffen van M. A., K. S. en F. E. (kaft 7/28, onderkaft 1) en van Z. S. (kaft 19/28, stukken 167 en volgende). Van de foto's die werden aangetroffen op het appartement werd een fotodossier aangelegd. Dit fotodossier werd voorgelegd aan de brandweerlui die werden opgeroepen naar aanleiding van de rookontwikkeling op het appartement op 26 september 1999, aan de bewoners van het appartementsgebouw en aan leden van de politie van K.-H. K. S. en F. E. werden op foto herkend door de brandweerlui die opgeroepen werden en ter plaatse gingen op 26 september 1999: - D. S. herkende F. E. en K. S.; - S. V. herkende K. S. en was niet zeker over persoon 5 (Z. S.); - C. V. M. herkende K. S. en was niet 100% zeker van persoon 3 (F. E.); (kaft 9/28, subkaft 1, stukken 70 en volgende) De huisbewaarster M.D.B. herkent M. A., F. E. en Z. S. op foto. M. A. heeft ze aangesproken in verband met het sorteren van vuilnis. F. E. heeft ze verscheidene malen zien rondlopen in de gangen met boodschappen. Ze twijfelt tussen de personen 5.1 en 9 (volgens de overige bewoners gaat het hier om dezelfde persoon, namelijk Z. S.). Het zou gaan om de oudere vrouw die ze gezien heeft op het appartement. Telkens ze haar zag, had ze een doek voor haar mond. (kaft 9/28, subkaft 1, stukken 89-90) V. D'H., de vaste bewoonster van appartement .., herkent M. A., K. S., F. E. en de niet nader geïdentificeerde vrouw op foto 6. Zij heeft ook regelmatig een persoon gezien met de fysionomie van persoon 4 (D. K.), maar altijd drager van een hoofddeksel. (kaft 9/28, stukken 83-84) Zij vertelt tevens dat K. S. haar verteld had dat het appartement gehuurd werd voor een verblijf van zeven personen; zelf zou ze er echter slechts een zestal gezien hebben. (kaft 9/28, subkaft 1, stuk 84) N. D. V., een andere bewoonster van appartement .., herkent formeel K. S., D. K. en Z. S.. Van persoon 4 (D. K.) weet ze dat deze vanaf de eerste dag aanwezig was. Ze heeft hem verschillende keren gezien. Hij was in gezelschap van persoon 5 (Z. S.) die volgens haar dezelfde is als de dame van foto 9. Ze heeft de dame die ze herkent als S. ook herhaaldelijk gezien. Degene die ze als K. herkent droeg altijd een pet en op de dag van de brand had diegene die ze herkent als S.een doek voor de mond. P. D. V., eveneens bewoner van het appartement .., herkent de niet nader geïdentificeerde vrouwen van foto 6 en van foto 8. Van de persoon op foto 2 (K. S.) is hij niet zeker dat die op het appartement verbleef. (kaft 9/28, subkaft 1, stuk 84) P. V., politieman van K.-H. herkent formeel de niet geïdentificeerde vrouw van foto 6 die hij aan de hand van een paspoort dat deze vrouw hem gegeven had, verkeerdelijk identificeert als A. Ö., maar die manifest niet S. A. Ö. blijkt te zijn. De vrouw die hij aantrof in het appartement werkte niet mee en weigerde eerst haar paspoort af te geven. Hij vermoedt heel sterk dat het gaat om de vrouw op foto 6.1. Ze was drager van een bril. Er kwam ook een man van circa 50 jaar, 1,70 meter groot binnen. Deze man vindt hij niet terug in het fotodossier. Hij herkent dus duidelijk en formeel D. K. niet als de man die hij in het appartement gezien heeft. (kaft 9/28, subkaft 1, stuk111) A. V. van de politie K.-H. herkent eveneens de niet nader vereenzelvigde vrouw van foto 6. Zij zou de bestuurster geweest zijn van de Renault Scenic met Duitse nummerplaat. (kaft 9/28, subkaft 1, stuk 111) Politieman B. M. herkent eveneens de niet geïdentificeerde vrouw van foto 6. Hij verklaart zelfs dat hij haar de dag na de vaststellingen nog in K.-H. heeft gezien. (kaft 9/28, subkaft 1,stuk 114) De huisbewaarster M. D. B. maakt eveneens melding van drie aan elkaar gebonden fietsen die in de fietsenstalling staan. (kaft 9/28, subkaft 1, stuk 103 en volgende). Op sommige foto's is onder andere D. K. te zien op een dergelijke fiets. Uit de aanwezigheid van bijzonder veel materiaal, computers, informaticamateriaal en dergelijke meer en uit de aanwezigheid van grote hoeveelheden kledij kan met zekerheid worden afgeleid dat het appartement diende om ten minste zes of zeven personen te herbergen. In de onderzochte teksten afkomstig van CD-Rom L11.2 - 1997 uit doos 6 wordt een brief gevonden van K. S., wonende te [...] waarin deze het heeft over een coderingsprogramma dat hij heeft opgesteld. Bepaalde letters van een woord uit een bepaalde rij worden omgezet in een cijfer. (kaft 9/28, subkaft 3, stuk 88) Het gaat hier wel degelijk om een uitgetypte tekst die zich in het dossier bevindt en die dus niet uit de debatten werd geweerd. In diezelfde teksten wordt een nota teruggevonden van 1 oktober 1997 uitgaande van een zekere Y. met de volgende inhoud: "De naam van mijn echtgenoot is F. A., geboren te ... op .... Ik ga ook iets schrijven over mij. Ik ben momenteel onderweg, wanneer ik het ga bereiken weet ik nog niet; het zal nodig zijn dat ik voor Rotterdam een ticket koop want mijn terugkeer was voorzien via Duitsland, maar ik ga waarschijnlijk deze route niet kiezen en waarschijnlijk zal ik naar België komen." (kaft 9/28, subkaft 3, stukken 88-89) Volgens de inlichtingen verstrekt door de Duitse autoriteiten is S. A., geboren op ... met als familienaam Ö., gehuwd met F. A., geboren op ... in ... woonachtig op hetzelfde adres (kaft 18/28, subkaft 519, stukken 50-51), wat ook blijkt uit het trouwboekje aangetroffen bij de op 26 september 1999 in beslag genomen stukken. Dit zou een aanwijzing kunnen zijn dat A. in de geïncrimineerde periode zou kunnen verbleven hebben in België. Tussen de op 26 september 1999 in beslag genomen stukken werden diverse vrij recente brieven - gedateerd tussen 10 augustus 1999 en 13 september 1999 - aangetroffen, gericht aan S. A.. Tevens werd het officiële Duitse paspoort van A. Ö. S. aangetroffen en haar huwelijks-overeenkomst (trouwboekje). (kaft 2/28, stuk 24: in inventaris 131) Met betrekking tot de in het appartement aangetroffen enveloppen met brieven gericht aan S. A., verklaart M. A.: "Ik ken iemand die S. heet. Ik geef geen antwoord over het feit dat zij op het appartement was te K.-H." (kaft 3/28, subkaft 443, stuk 201) In het voertuig LANCIA ZETA werd in een bruine draagtas in leder onder meer een trouwboekje aangetroffen op naam van Ö. S. en F. A.. (inventaris L.24 -kaft 4/28, stuk121) Hierover verklaart M. A. het volgende: "Dit weet ik niet. Jullie beweren dat Ö. S.in het appartement is en dat ze vertrokken is. Haar trouwboekje kan gemakkelijk bij de spullen geraken. In het appartement ken ik geen vrouw onder de naam Ö. S. Het is mogelijk dat het dezelfde vrouw is met bril die jullie beweren." (kaft 4/28, stuk 131) In het voertuig LANCIA ZETA werd in een zwarte reiszak merk VOYAGER onder meer een verzekeringskaart aangetroffen op naam van F. A., geldig tot 2005. Daaromtrent beweert M. A. dat hij niemand kent onder die naam. Bij de huiszoeking in 2004 in het informatiekantoor van DHKP-C in de ... te B. werden 6 personen aangetroffen. Hierbij was ook A. Ö. S.. Haar aanwezigheid in dit informatiekantoor zou erop kunnen duiden dat zij zich blijkbaar daadwerkelijk bezighield met DHKP-C. K. ROGATOIRE OPDRACHTEN Er werden een groot aantal rogatoire opdrachten uitgevoerd vooral in Duitsland en in Nederland. Het Hof zal hiernaar voor zover als nodig zou zijn verwijzen bij de beoordeling van de al dan niet plichtigheid van de beklaagden.
  3. b)Relevante gegevens van het onderzoeksmateriaal uit de "buitenlandse" dossiers Het Openbaar Ministerie gaat in zijn bewijsvoering voor wat betreft de tenlastelegging bendevorming en leiderschap van de bende uit van het feit dat DHKP-C effectief een vereniging van misdadigers is en dat de beklaagden als - volgens het Openbaar Ministerie - leiders of als lid van DHKP-C zich daadwerkelijk allen plichtig gemaakt hebben aan de feiten van de tenlastelegging. Een eerste opmerking die in dit verband kan worden gemaakt is waarom in de tenlastelegging dan niet werd gepreciseerd dat de beklaagden vervolgd worden precies als leden en leiders van DHKP-C. Het Openbaar Ministerie baseert zijn stelling in feite minstens voor een belangrijk gedeelte op onderzoek, dossiers, vervolging en veroordelingen in het buitenland. Zo gaat het Openbaar Ministerie voor wat betreft de DHKP-C, haar organisatie, doelstellingen enzovoort, in zijn conclusie haast letterlijk putten uit een rapport van de Duitse bondsrecherche. ( Zie Rapport bondsrecherche kaft 15/28, onderkaft 1 stukken 5-34) Het Openbaar Ministerie gaat aan de hand van de elementen vervat in de "buitenlandse" dossiers trachten aan te tonen dat DHKP-C een vereniging van misdadigers is om vervolgens als het ware terug te keren naar België om dan na te gaan welke concrete elementen er in België werden gevonden ten laste van elk van de beklaagden. In de eerste plaats dient nogmaals benadrukt dat dit Hof door geen enkele buitenlandse beslissing van welke aard dan ook gebonden is. Zelfs indien DHKP-C in elk van de ons omringende landen als vereniging van misdadigers, criminele organisatie of terroristische vereniging zou zijn veroordeeld, dan nog dient het Hof met geen enkele van deze beslissingen rekening te houden. Uiteraard betekent dat niet dat het Hof geen oog dient te hebben voor wat er in andere landen is gebeurd. Het dossier bevat heel wat elementen over wat er in Duitsland en Nederland zowel door als ten aanzien van DHKP-C gebeurde. Bij het uitvoeren van de rogatoire commissies in Duitsland werd ook onderzoek verricht naar de antecedenten van enkele beklaagden. Tenslotte dient vastgesteld dat onderzoek werd verricht in Duitsland, Frankrijk, Nederland en Zwitserland naar de teruggevonden wapens. Uit dat onderzoek - dat uiteraard ook in België gebeurde - is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn dat één of meer van de aangetroffen wapens in een van deze landen gebruikt werd bij een geregistreerd crimineel feit. Hierna worden de relevante gegevens van het onderzoek in Duitsland en Nederland weergegeven. Ook in België is een analyse gemaakt van wat er omtrent DHKP-C bekend was in de periode dat het onderzoek in huidige zaak van start ging. De gegevens hieromtrent werden door de toenmalige BOB in een proces verbaal opgenomen. Dit proces verbaal wordt hierna volledig weergegeven. Door de BOB werd tevens op 24 december 2002 een proces verbaal opgesteld waarin onder meer wordt vermeld wat het onderzoek omtrent DHKP-C in België aan het licht heeft gebracht. 1. DUITSLAND
  4. a)de beslissing van het bondsministerie tot verbod van DHKP-C In Duitsland is er daadwerkelijk een beslissing van de uitvoerende macht waarbij DHKP-C verboden werd. Voor de beoordeling van huidig dossier is het nuttig na te gaan welke de motivering van deze beslissing was. De beslissing tot verbod is een besluit van het bondsministerie van binnenlandse zaken van 6 augustus 1998. (kaft 15/28, onderkaft 1 stukken 35-58) Nu er in het dossier vaak sprake is van DEVRIMCI SOL dat al dan niet hetzelfde zou zijn als DHKP-C is het relevant vast te stellen dat in het besluit van 6 augustus 1998 wordt vastgesteld dat DHKP-C een vervangingsorganisatie is van de door het Bondsministerie van Binnenlandse Zaken door beslissing van 27 januari 1983 verboden vereniging DEVRIMCI SOL (= revolutionair links), afgekort DEV SOL. (kaft 15/28, onderkaft 1 stuk 35) In de motivering van het besluit van 6 augustus 1998 wordt onder meer het volgende aangehaald: " (...) Uit protest tegen de handelwijze van de Turkse veiligheidsmachten tegen betogende Aleviten op 12-13 maart 1995 in Istanbul, pleegden DHKP-C aanhangers in de Bondsrepubliek Duitsland op 21 maart 1995 brandaanslagen op Turkse instellingen, o.a. in Berlijn, Duisburg, Erlenbach, Gelsenkirchen en Keulen. Negen verdere brandaanslagen op Turkse instellingen (banken, reisbureaus, cultuurverenigingen) in Keulen, Hamburg, Ditzingen en Backnang tussen de 14de en de 17de april 1995 zijn ook aan de DHKP-C te wijten. De daders lieten, zoals reeds in maart 1995, vaandels van de DHKP-C of Dev Sol achter op de plaats van de misdaad. (...) In juli 1996 stierven in Turkije samen 12 gevangenen in het kader van hongerstakingsacties tegen de arrestvoorwaarden in Turkse gevangenissen. Deze acties werden toonaangevend door DHKP-C leden gedragen. In Duitsland kwam het in dit verband tot meer dan 60 brandaanslagen en beschadigingen van goederen van Turkse instellingen. Enkele op de plaats van de misdaden achtergelaten schriftelijke verklaringen wezen op grondleggers en betrokkenheid van de DHKP-C. Dat de organisatie haar leden tot het begaan van brand en springstoffendelicten aanzet, volgt o.a. uit een publicatie van het tijdschrift "Devrimci Sol" van juni 1996, dat bouwhandleidingen voor fabricatie van bommen, brandbezinksels en molotovcocktails bevat. (...) Naast brandaanslagen probeerden DHKP-C aanhangers door verdere strafbare militante activiteiten attent te maken op de verhoudingen in Turkije. Op 24 mei 1995 kwam het in verschillende Duitse steden tot bezettingsacties door de DHKP-C. Zo werden in Keulen de kantoren van de Turks-Duitse ondernemingsvereniging door 36 personen bezet. In Stutgart bezetten elf personen van de DHKP-C op 24 mei 1995 de kantoren van de Turkse bank en in Berlijn blokkeerden aanhangers van de DHKP-C de toegangen tot de studio's van een televisiezender. (...) In het statuut van de DHKP-C is, naast andere interne partijmaatregelen, ook de doodstraf voorzien. Dit - ook in publicaties altijd weer geconcretiseerde strafeis - werd in het binnenland voor alles tegen de als "putschisten", "parasieten" en "verraders" genoemde aanhangers van de Yagan fractie, consequent omgezet. De gevolgen zijn tot in het lopende jaar aanhoudende, gewelddadige gevechten met lichamelijke verwondingen, deels met vuurwapens, tot nu pogingen en dodingdelicten. Nadat leden van de K. fractie reeds voor de stichting van de DHKP-C een aanhanger neergeschoten hadden in Berlijn en een andere moord in Bergisch-Gladbach hadden gepleegd, zette de lijst van zware gewelddaden zich ook verder na de stichting van de nieuwe organisatie. Op 13 mei 1996 hebben personeel van de DHKP-C twee Yagan aanhangers in Hamburg met knuppels en staven zwaar verwond. Een benadeelde liep een levensgevaarlijke schedelfractuur op. Op 12 juli 1997 overvielen onbekenden twee Yagan aanhangers in een Turks lokaal in Hamburg en verwondden hen door slagen en schoten in de benen. Het ging hierbij klaarblijkelijk om een wraakactie van de DHKP-C voor een vuurwapenaanslag van de Yagan aanhangers in Frankfurt/M. (...) Het doel van de ruzies is wraak voor het "verraad" en de aanvallen van de tegenstanders te nemen en daarnaast de eigen invloedssferen bij de verdeling van propagandamateriaal, zowel bij het inzamelen van schenkingen als bij de rekrutering van nieuwe leden te dekken en de politieke rivalen te verdringen. De DHKP-C bevestigt zich in de ruzies met de Yagan aanhangers openlijk tot de inzet van dit geweld. Zo werd op 12 augustus 1997 via mailbox een verklaring uit de DHKP-C publicatie Kurtulus verspreid, waarin staat: "Elk van de aanvallers, die op onze vrienden hebben geschoten, kennen wij bij naam. De daad van deze arme psychopaten zal niet ongestraft blijven." Maar ook tegen leden van de eigen organisatie wordt de in het statuut vastgelegde strafmaat zonder compromis aangewend. Zo werd bijvoorbeeld een van verraad beschuldigd lid door andere DHKP-C leden op 13 februari 1995 voor meerdere dagen ontvoerd en gevangen gehouden. (...) De DHKP-C dekt haar hoge financieringsbehoefte enerzijds door de verkoop van publicaties, waarbij de afnemer middels dwang tot aankoop wordt verplicht. Anderzijds financiert de organisatie haar uitgaven door jaarlijkse Europese schenkingsinzamelingen, waarbij zij ook in geval van onwil tot betaling in veel gevallen op strafbare wijze met geweld dreigden en gebruikten. Dat het aanschaffen van geld het gebruik van dwang inhoudt, heeft de DHKP-C op haar "partijstichtingscongres" van maart 1994 in een besluit als volgt neergeschreven: "Elk gebied en elke regio moet permanent bronnen van inkomsten voortbrengen. De hoofdbronnen hierbij zijn de bestendige en vrijwillige giften van ons volk. Maar daarmee kunnen wij geen genoegen nemen. Daarnaast moeten wij in staat zijn, van de uitbuiters, de woekeraars, de handelaars, degenen die handel drijven met zwart geld, degenen die niet gerechtigde winsten nastreven, en speculanten, materiële inkomsten nastreven, en wij moeten die inkomsten geleidelijk de status van revolutiebelasting geven." De volgende als voorbeeld aangehaalde gevallen bewijzen de hoge criminele energie van de DHKP-C aanhangers bij de geldinzameling in Duitsland: (...) In april 1997 probeerden personen, die bij de DHKP-C in Hamburg behoorden, het tijdschrift "Kurtulus" aan verscheidene handelaars te verkopen, om met de opbrengst de DHKP-C financieel te ondersteunen. Nadat zij hiermee in een cafetaria geen succes hadden, bestormden zij op 25 april 1995 de winkel, vernietigden de inboedel en verwondden bedienden en gasten. Daarna schoten de DHKP-C aanhangers op de eigenaar en verwondden hem dodelijk. Op 2 april 1998 betraden vier DHKP-C aanhangers een danslokaal in Castrop-Rauxel en vorderden een gast tot betalingen aan de organisatie. Tijdens de ruzie verwondden zij de gast met een gummiknuppel aan het hoofd. Daarna betraden tien andere aanhangers van DHKP-C het lokaal, bedreigden de gasten en schoten één van hen in het been. Uiteindelijk wordt DHKP-C verboden omdat de vereniging een ernstig gevaar inhoudt omdat: - de binnenlandse openbare orde en veiligheid in het gedrang komt; - omdat de acties van DHKP-C "aanzienlijke belangen van de Bondsrepubliek Duitsland" in het gedrang brengen. Hiermee worden de relaties met Turkije bedoeld. Er wordt hierbij verwezen naar de verplichting als lid van de Verenigde Naties om het volkenrechtelijk verbod tot geweld na te leven en om de bescherming van buitenlandse vertegenwoordigers te verzekeren. Verder wordt erop gewezen dat vervolging van individuele leden niet geleid heeft tot een andere handelwijze van de vereniging zelf.
  5. b)vonnis gerechtshof Hamburg Een aantal leden van DHKP-C, namelijk S. G., E. C.en A. E. werden bij vonnis van 17 februari 1999 veroordeeld. De beklaagden werden veroordeeld onder meer als leden van een terroristische vereniging en worden tevens veroordeeld voor zware geweldsdelicten. Uit dit vonnis, net als uit de beslissing van het bondsministerie blijkt ook dat er een bloedige strijd woedde tussen twee clans in Duitsland namelijk tussen de "K.-vleugel" en de "Yaganvleugel". Uit de motivering van het vonnis blijkt ook het volgende: "De beklaagden hebben kort voor de afsluiting van de bewijsstukken toegegeven, dat zij als personeel van de DHKP-C in het verleden fouten hebben gemaakt. Zij hebben - naar de opvatting van de rechtbank geloofwaardig - verklaard, hun politiek gevecht tegen de Turkse staatsorganen waarvan zij overtuigd waren van de gegrondheid en van de noodzaak ervan, in de toekomst zonder geweld te willen voeren en alles in hun macht te zullen stellen om ervoor te zorgen dat ook de organisatie geen gewelddaden meer zou begaan. De beklaagde G. had daaraan toegevoegd, dat hij de politieke verantwoording voor de begane fouten voor zijn rekening zou nemen, dat zij - de DHKP-C - woord zouden houden" Blijkbaar was ook het Openbaar Ministerie ervan overtuigd dat de intenties van de beklaagden oprecht waren, want de rechtbank overweegt verder: "In ieder geval had de vertegenwoordiger van de bijkomende aanklager ERCAN hiervoor reeds bij het begin van het proces verklaard, dat de spiraal van geweld tot een eind zal komen, en had dit in zijn slotwoord herhaald." (kaft 15/28, onderkaft 1, stukken 66-67) De beklaagden werden uiteindelijk tot zware straffen veroordeeld, maar het is toch belangrijk om rekening te houden met het feit dat zowel de openbare aanklager als de rechtbank ervan overtuigd waren dat reeds voor 1999 er in Duitsland een einde gekomen is aan het geweld en dat DHKP-C zich, althans in Duitsland ertoe zou verbonden hebben voortaan louter en alleen legale middelen te zullen gebruiken om zijn politieke strijd te voeren.
  6. c)de verklaring van K. Zoals reeds hoger vermeld was DHKP-C in Duitsland op bijzonder gewelddadige wijze actief en was er in Duitsland eveneens een bloedige rivaliteit tussen twee clans, de "K.-vleugel" en de "Yaganvleugel". Blijkbaar is er op een bepaald ogenblik een einde gekomen aan de gewelddadige actie en werd er in dat verband een verklaring afgelegd door de secretaris-generaal D. K.. Deze verklaring is grotendeels onbegrijpelijk wellicht als resultaat van (slechte?) vertalingen uit het Turks naar het Duits en vervolgens naar het Nederlands. Wat wel duidelijk is en door alle partijen werd aanvaard, is dat het een beslissing is die hierop neerkomt dat DHKP-C er zich bij monde van haar leider toe verbindt voortaan bij de politieke strijd minstens in Duitsland geen geweld meer te gebruiken. verklaring K. "Vanaf deze periode zal geen van onze aanhangers deze hem opgedrongen chantage plegen en deze tot het einde van zijn legitiem recht op verdediging gebruiken. Op het punt, waartoe dit niet voldoende zou zijn, zal hij zijn legitiem democratisch recht op het aan de kaak stellen en verzet gebruiken. Het recht op verdediging is het meest wettelijke recht. Zelf dit recht gebruiken wordt een probleem om de verdediging onder druk te zetten bedient men zich van dreigingen en chantage. Deze methoden kunnen nooit aanvaard worden. Dit is geen zorg om recht en gerechtigheid, maar eerder een verstandhouding, dat een snelle afwikkeling van de akten kunnen en materiële zorg draagt. Dit is een verhouding, die vergeet, onder welke omstandigheden mensen jarenlang in de gevangenis moesten leven en dat politieke zorgen op het voorplan brengt. En wij hebben ook geen twijfel meer dat deze verhouding stap voor stap tot een politiek wapen gemaakt werd, die in de toekomst permanent tegen ons zal worden ingezet. Als U aldus verdedigt dat U een gerechtelijk en juridisch systeem heeft, dan zullen wij in dit gerecht tot het einde een juridisch gevecht voeren. Als wij, zoals heden het geval is, verder met willekeur zouden geconfronteerd worden, dan zullen wij Uw gerecht voor de hele wereld blootleggen en alle internationale wegen inslaan. Afsluitend verklaren wij met dezelfde ernst als bij het begin, dat wij hiermee onze vrienden, die wij als bemiddelaars hebben opgedragen, terugtrekken." 13 juni 1999 (getekend) D.K. Secretaris-generaal DHKP-C (kaft 15/28, onderkaft 1, stukken 70) De wijze waarop deze tekst werd vertaald is een duidelijke aanwijzing van een probleem dat zich kan voordoen in onderzoeken waar men te doen heeft met verklaringen en processen verbaal opgesteld in vreemde talen.
  7. d)inlichtingen omtrent de beklaagden S. en A. Uit het onderzoek in Duitsland blijkt dat A. geen antecedenten heeft in Duitsland. (kaft 18/28, stuk 20) Uit het onderzoek in Duitsland en de raadpleging van de Duitse dossiers blijkt in verband met eventuele betrokkenheid bij strafbare feiten in Duitsland van K. S. het volgende: - in een dossier in D. is er een aantekening van het "Staatsanwaltschaft" als volgt: betrokkenheid van S. K. bij een brandstichting tegen een Turkse bank "T.C. Ziraat Bankasi" te D. door middel van een molotovcocktail. De brandstichting werd gepleegd op 21 maart 1995 in naam van DHKP-C. De feiten tegen S. K. zijn echter niet bewezen; - in een ander dossier wordt S. K. genoemd als mogelijke dader van een aanslag in K. op een filiaal van dezelfde bank door middel van benzine en een mortier. S. K. werd in deze zaak op 15 april 1995 onder aanhoudingsmandaat geplaatst, maar hij werd uiteindelijk vrijgesproken; - in 4 andere dossiers maakt het Bundeskriminalamt inzake onderzoeken naar brandstichting in banken gewag van "vermoedelijke betrokkenheid van S. K.". Er wordt geen melding gemaakt van vervolging en al zeker niet van een veroordeling. (kaft 18/28, stukken 39-40) 2. NEDERLAND In Nederland werd grootscheeps onderzoek verricht naar mogelijke criminele activiteiten van DHKP-C of leden van DHKP-C, het zogenaamde onderzoek "Charly". (kaften 13/28 en 14/28) Bij vonnis van 24 april 2001 worden een aantal leden van DHKP-C veroordeeld. (Kaft 10/28, stuk 417) De beklaagden werden onder meer vervolgd wegens het "deelnemen aan een organisatie welke tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten afpersing en/of bedreiging en/of dwang en/of het door uitingen belemmeren van verklaringen als bedoeld in (respectievelijk) de artikelen 317, 285, 284 en 285a van het Wetboek van Strafrecht, in ieder geval het plegen van misdrijven" Tevens worden zij vervolgd voor naar wat naar Belgisch recht afpersing zou genoemd worden. In de tenlastelegging worden de geuite bedreigingen geciteerd, onder meer: - "we zullen met jullie gaan afrekenen" - "we kunnen zus en zo ophangen, zus en zo neerschieten, neersteken"; - "we kunnen je doodschieten"; - " de organisatie heeft beslist van jou een boete op te leggen van 50.000 gulden"; - "ik ben een communist, ik maak jou kapot, als ik jouw kinderen zie maak ik ze kapot, ik zal jouw vrouw en jouw kinderen neuken" - "je bent een hoerenzoon als je niet betaalt"; In het vonnis wordt onder meer het volgende overwogen: "Uit deze bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het geweld en de bedreigingen door Y. Y. en A. A. wel degelijk verband hielden met de poging om Y. A. te laten betalen. Daaraan doet niet af dat Y. A. ter zitting zijn eerdere verklaringen heeft afgezwakt en heeft verklaard zich niet afgeperst te voelen. In het licht van zijn uitlatingen tegenover de verbalisanten, dat de dreiging en de druk hierin bestonden dat hij wist waartoe DHKP-C in staat was en voorts dat hij een wapen wilde aanschaffen om zich tegen de groep te verdedigen, houdt de rechtbank het er voor dat Y. . bij het afleggen van zijn verklaring ter zitting is beïnvloed door de aanwezigheid van de verdachten en dientengevolge geen volledige openheid heeft willen betrachten." En verder: "Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte samen met zijn medeverdachten als sympathisanten van DHKP-C een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband hebben gevormd. Een van de doelstellingen van deze organisatie was het verwerven van inkomsten voor DHKP-C door het inzamelen van geld onder in Nederland wonende Turkse mensen. Om dit - op zichzelf niet criminele - doel te verwezenlijken zijn afpersingspraktijken gehanteerd, waarbij geweld, bedreigingen en intimidatie werden gebruikt. Uit de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat de verdachten, voor zover zij zelf niet daadwerkelijk bij de afpersingen zouden betrokken zijn geweest, moeten hebben geweten dat deze strafbare feiten werden gepleegd om het doel van de organisatie te verwezenlijken. In dit verband wijst de rechtbank op het verhullend taalgebruik van de leden van de organisatie over de telefoon en het afschermen van hun identiteit. De verklaring die hiervoor door de verdachten is gegeven - de vrees dat de Turkse overheidsinstellingen informatie over hen zouden verkrijgen - is onvoldoende geconcretiseerd en niet aannemelijk geworden. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 sr." Bij het bepalen van de strafmaat wordt onder meer het volgende overwogen: "Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie. Daarnaast heeft hij zich als deelnemer aan een criminele organisatie schuldig gemaakt aan twee pogingen tot afpersing en een voltooide afpersing. De organisatie waartoe verdachte behoorde, zamelde geld in onder Turkse personen ter realisering van de politieke doeleinden van de Turkse groepering DHKP-C. Men ging langs huizen en langs Turkse ondernemers om geld te collecteren. Wanneer niet direct geld werd toegezegd, werd door de organisatie gepoogd via de weg van intimidatie en bedreiging de Turkse mensen alsnog te bewegen tot afgifte van geld ten behoeve van de financiële campagne van DHKP-C." CONCLUSIE Analyse van het Nederlands vonnis leert dat: - de beklaagden vervolgd en veroordeeld werden voor concreet gepleegde misdrijven; - de beklaagden daarnaast vervolgd werden en veroordeeld wegens het vormen van een criminele organisatie; - deze criminele organisatie niet DHKP-C is, maar dat het gaat om een organisatie die als bedoeling heeft te voorzien in de financiële behoeften van een andere organisatie, namelijk DHKP-C; 3. BELGIË
  8. a)het proces verbaal van de BOB van 23 oktober 1999 In een proces verbaal van 23 oktober 1999 van de BOB Brugge wordt een analyse gemaakt van de groepering DHKP-C en haar aard en doelstellingen. Er wordt ook een analyse gemaakt van de vertegenwoordiging in België. Het aantal actieve leden wordt op ongeveer zeventig geschat. Er wordt een lijst gemaakt van de activiteiten in België. Deze activiteiten zijn: Activiteiten in 1995 - 7 februari: persconferentie in Brussel; - 20 maart: persconferentie in Brussel; - 20 mei: persconferentie; - 27 juli: manifestatie voor het Europees parlement; - augustus: uitdeling van vlugschriften (in Duits en Turks); - 7 oktober: affichage op VUB-site; Activiteiten in 1996 - 23 februari: meeting in Heusden-Zolder; - van 2 tot 4 mei: seminarie (met PTB = Franstalige tegenhanger van PVDA) + verdeling van vlugschriften; - juni: verspreiding van vlugschriften en propaganda; - juli: manifestatie voor EEG + hongerstaking; - oktober: verdenking van wapenhandel; - 7 december: vergadering in Hasselt; Activiteiten in 1997 - januari: bedreigingen tegen Turkse belangen in Europa; - 14 januari: persconferentie in Brussel; - 23 maart: betoging georganiseerd door objectief 479917; - 22 april: afficheactie; - 9 november: vergadering in Genk; Activiteiten in 1998 - maart: bezetting Peruaanse ambassade; - 2 juni: hongerstaking in Brussel; Activiteiten in 1999 - januari: trainingskamp in Langdorp; - deelname aan 1 mei optocht in Antwerpen (met vlag) Volgens het analyseverslag hebben de activiteiten in België als doel steun te betuigen aan de activisten in Turkije. Er wordt gesteld dat er contacten onderhouden worden met de - in het verslag extreem links genoemde - PTB/PVDA. Er wordt uitdrukkelijk vermeld dat men "tot op heden geen weet had van enige clandestiene activiteiten van het DHKP-C in België." (kaft 19/28, stuk 60)
  9. b)het proces verbaal van de BOB Brugge van 24 december 2002 In een rubriek " DE ORGANISATIE MAAKT GEBRUIK VAN COMMERCIËLE EN ANDERE STRUCTUREN OM HET PLEGEN VAN MISDRIJVEN TE VERGEMAKKELIJKEN" wordt het volgende vermeld. (kaft 1/28, onderkaft 4, stukken 31-32) - Volksculturele vereniging Anatolië gevestigd te Charleroi; - Jeugdkamp op de camping "F." te S. en op andere plaatsen in België; - Partij van de Arbeid: in een brief werd er gerapporteerd over de activiteiten van augustus 1997 in drie gebieden in België waaronder de steden Verviers, Charleroi en Antwerpen. Het gebied Brussel werd als het belangrijkste gekozen om activiteiten te organiseren. Men heeft op 6 augustus aan een actie deelgenomen, georganiseerd door "OPEN GRENZEN-PVDA"; - Uit een verklaring van A. blijkt dat er een vergadering is geweest tussen "zijn organisatie" en de PTB (Franstalige tegenhanger van de PVDA); - Tijdens deze vergadering werden drie punten besproken, namelijk een medisch centrumproject in de wijk GAZI in Istanbul, het democratisch platform en een solidariteitsactie met de "zaterdagmoeders" (moeders van vermisten die elke zaterdag betogen in vier Turkse steden); - Er wordt melding gemaakt van een solidariteitsactie-betoging te Gent op 24 mei 1997 ten gunste van de "zaterdagmoeders"; - Er wordt ten slotte melding gemaakt van een zekere A. J. die in opdracht van de PVDA een onderzoek dient te doen naar de PKK; Wat voorafgaat zijn de relevante elementen betreffende de activiteiten van DHKP-C in Duitsland, in Nederland en ook in België.
  10. c)het standpunt van het openbaar ministerie Het Openbaar Ministerie gaat in zijn bewijsvoering voor wat betreft de feiten van de tenlasteleggingen A en B uit van de volgende drie stellingen: ( zie pagina 62 en volgende van de synthesebesluiten) 1. er is sprake van een vereniging want: EERSTE STELLING: "DHKP-C is een doelbewuste georganiseerde groep van personen... wat onder meer blijkt uit: - materiële organisatiestructuur; - aantal leden; - hiërarchie; - internationaal karakter; - specialisatie van de leden; - contrastrategieën (onder meer telefoongebruik, coderingen, codetaal, valsheden, afscherming voertuigen, bezit wapens, bufferhuizen-onderduikadressen-safehouses); - regime voor afvalligen en verraders; - opleidingskampen en massabijeenkomsten; - ..." Vervolgens gaat het Openbaar Ministerie die elementen naar voren brengen waarop het zich steunt. De elementen zoals die uit het dossier en uit de debatten blijken en waarnaar het Openbaar Ministerie verwijst en die zich in België situeren zijn de volgende:
  11. a)de materiële organisatiestructuur - er werden documenten in beslag genomen waaruit blijkt dat er in België onder meer contacten zouden zijn geweest met de PVDA. Er wordt verwezen naar "de briefwisseling Mr. F."; - er werd een demonteerbare satelliet/ schotelantenne aangetroffen op de plaats van de feiten; - er werd zeer veel elektronisch materiaal in beslag genomen;
  12. b)aantal leden - er werden 7 personen opgemerkt op de plaats van de feiten van wie 1 persoon niet kon worden geïdentificeerd;
  13. c)hiërarchie - bij hun aanhouding beroepen de beklaagden A., S. en E. zich op hun zwijgrecht of zeggen ze niets; - uiteindelijk legt alleen de beklaagde A. verklaringen af; de anderen beperken er zich uitsluitend toe naar hem te verwijzen; - België wordt genoemd als "Bölge-comité" , dit is een landelijk comité;
  14. d)internationaal karakter - dit blijkt onder meer uit de in het appartement in beslag genomen stuken;
  15. e)specialisatie van de leden - geen specifieke "Belgische" elementen;
  16. f)contrastrategieën - er werden documenten in beslag genomen met richtlijnen hoe een woning dient verlaten te worden; - gebruik pay and go kaarten; - bedreigingen vanwege DHKP-C aan de Belgische magistratuur; - aantreffen digital voice mask/stemvervormer; - gebruik van codetaal; - K. S. zou een codetaal opgesteld hebben; - gebruik van valse papieren en valse namen; - afscherming van voertuigen; - bezit van wapens; - het gebruik van onderduikadressen;
  17. g)afvalligen en verraders - geen specifieke elementen
  18. h)propaganda en cursussen - perscommuniqués van DHKP-C en brievencampagne vanuit de Turkse gevangenissen naar aanleiding van de aanhoudingen te K.-H.;
  19. i)opleidingskampen en massabijeenkomsten; - in augustus 1997 werd er een jongerenkamp georganiseerd te Stavelot; - er zou een jeugdkamp georganiseerd zijn einde 1997, begin 1998 te Antwerpen; - er zou een zomerkamp georganiseerd zijn te Spa waar 100 mensen verwacht werden; 2. de vereniging heeft als oogmerk een aanslag te plegen op personen of eigendommen, meer bepaald: TWEEDE STELLING: "...met als oogmerk het plegen van aanslagen op de belangen van de Turkse Staat, zowel gericht op het plegen van aanslagen op personen als op eigendommen, onder meer middels het plegen van moorden en het veroorzaken van ontploffingen, en zulks met het vermogen om op het geschikte ogenblik in actie te treden..." Als Belgische elementen ter staving van deze stelling wordt door het Openbaar Ministerie enkel het aantreffen van de wapens aangehaald. Als bijkomend element wordt vermeld dat van deze wapens de serienummers waren weggelast. Ook wordt melding gemaakt van het feit dat een aantal wapens verborgen zat in een stereo-installatie die op haar beurt ondergebracht was in een kartonnen doos. 3. DHKP-C vormt een geheel in Europa Want: DERDE STELLING: "de beoordeling van de in K.-H. (D.) aangetroffen leden en organisatie van DHKP-C dient te gebeuren mede in functie van de wijze van bestaan en van handelen van DHKP-C in geheel Europa. Uit het onderzoek blijkt immers duidelijk dat de leden van DHKP-C in België, in Nederland, in Duitsland, enzovoort door ondubbelzinnige banden onderling verbonden zijn en allen handelen binnen dezelfde totaalstructuur, gebonden door eenzelfde ideologie, doelstellingen en intern organisatorische en regelgevend karakter" Ter staving van deze stelling wordt, samengevat, het volgende aangehaald: - de belangrijkste geldtransfers vanuit Nederland naar Turkije geschieden van het adres [...] te A.; - op dit adres is het persagentschap "Ozgurluk Press Agency" van DHKP-C gevestigd; - twee beheerders van dit persagentschap zijn ingeschreven op het adres [...] te R.; - op dit adres is ook de beklaagde A. ingeschreven; - bij huiszoeking werden documenten gevonden waaruit blijkt dat de gelden afkomstig van inzamelingen in andere landen hier werden gecentraliseerd; er wordt daarbij ook melding gemaakt van geldbedragen die afkomstig zijn uit België; Het Openbaar Ministerie besluit hieruit dat er een link is tussen de beklaagde A. en de massale geldtransfers naar Turkije. De link bestaat erin dat de beklaagde A. op hetzelfde adres woont als de beheerders van het persagentschap. Ze kennen mekaar. - bij dezelfde huiszoeking te R. werd een gedeelte van de boekhouding gevonden van de Nationale en Internationale Transportfirma "De Lange Weg"; - deze firma gerund door personen van Turkse origine organiseerde heroïnetransporten met Turkije, dit in januari 2000 en mei-juni 2001; - op een in beslag genomen CD-rom wordt vermeld dat "de verdedigingen die we met vrachtwagenchauffeurs naar het vaderland hebben opgestuurd zijn aangekomen"; - er wordt hierbij onder andere verwezen naar een zekere K.; - T. K. is vennoot in de firma "De Lange Weg": Het Openbaar Ministerie besluit hieruit dat er een link is tussen de beklaagde A. en de Nederlandse transportfirma "De Lange Weg", gekend voor drugtransporten met Turkije. De link zou erin bestaan dat de beklaagde A. woont op het adres waar een gedeelte van de boekhouding van de firma "De Lange Weg" werd aangetroffen en dat een CD-rom met boodschappen inzake deze drughandel te K.-H. werd aangetroffen. - uit het Nederlandse onderzoek "Charly" is gebleken dat activiteiten van de beklaagde F. E. en het gerechtelijk onderzoek in België door DHKP-C Nederland op de voet worden gevolgd, men neemt deel aan protestacties voor haar vrijlating en woont de zittingen bij; - de borgsom voor de vrijlating van de DHKP-C leden in het kader van de voorlopige hechtenis in België wordt vanuit Nederland betaald; - over het verloop van de financiële campagne in België wordt verantwoording afgelegd aan Nederland en er wordt zelfs geld afgedragen aan Nederland; - centrale figuur in de werking van DHKP-C in Nederland en in België zou een zekere S. zijn; - deze S. zou onder meer opdrachten gegeven hebben aan K. Y. en

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.