id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 27 februari 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080227.18 Rolnummer: 2007AR3373 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-12-11 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-02 17:06 Fiche Het verbod van art. 1402 van het Gerechtelijk Wetboek is te nuanceren wanneer niet de opportuniteit van de regelmatig verleende uitvoerbaarheid maar enkel de regelmatigheid zelf van de uitvoerbaarverklaring ter discussie staat. De rechter moet het toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging evenwel niet motiveren, tenzij daarover verweer is gevoerd, wat te dezen niet het geval is geweest. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Motiveringsplicht - art. 149 Vrije woorden: Voorlopige tenuitvoerlegging - motiveringsplicht - verbod tot schorsing van voorlopige tenuitvoerlegging - art. 1402 Ger.W. Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2007/AR/3373
- R.E., zaakvoerder, wonende te 3940 HECHTEL, Kiefhoekstraat 37,
- B.J., wonende te 3940 HECHTEL, Kiefhoekstraat 37, appellanten, beiden vertegenwoordigd door Mr. R. DE CLEERMAECKER loco Mr. WUYTS Guido, advocaat te 2200 HERENTALS, Lierseweg 238 tegen het vonnis gewezen op 12 november 2007 door de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt tegen URATEC NV, met maatschappelijke zetel te 3900 OVERPELT, Astridlaan 115, KBO-nummer 0417.788.106 geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. Marijke WINTERS loco Mr. VERBEEK Toon, advocaat te 3920 LOMMEL, Michiel Jansplein 25 ***
- Wat voorafgaat. 1.
- De n.v. Uratec en de echtelieden R.E.en B.J. hebben door middel van een vrijwillige verschijning van 16 januari 2007 hun geschil voorgelegd aan de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt. Partijen hebben uiteengezet dat zij op 28 maart 2003 een aannemingsovereenkomst sloten voor het leveren en plaatsen van buitenschrijnwerk en beglazing door de n.v. Uratec in de woning van het echtpaar E.J. te Hechtel-Eksel, Kiefhoekstraat 37 tegen de som van euro 30 834,- exclusief B.T.W. Voor de bouw van hun woning hadden het echtpaar E.J.een architectenovereenkomst gesloten met de b.v.b.a. Jos Sels Architectenbureau, dat toezicht op de werken heeft gehouden. De werken werden uitgevoerd maar werden bron van betwisting. 1.
- Volgens haar conclusie van 8 juni 2007 vorderde de n.v. Uratec de veroordeling van het echtpaar E.J. tot de betaling van twee facturen voor een gezamenlijk bedrag van euro 37 582,60, vermeerderd met de conventionele interesten naar rato van 12% vanaf de vervaldag van de respectieve facturen tot op de dag van de betaling, met een conventioneel schadebeding van 10%, of met euro 3 758,26, met de gedingkosten en de kosten van juridische bijstand, provisioneel geraamd op euro
- Ondergeschikt, vroeg de n.v. Uratec minstens de veroordeling van de tegenpartijen tot de betaling van de hoofdsom van voormelde facturen, vermeerderd met de interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf de vervaldag van de respectievelijke facturen tot op de dag van de gehele betaling en met een schadevergoeding ten belope van euro 3 758,
- R.E. en B.J. vorderden, blijkens hun conclusie van 26 juni 2007, na verrekening van de aannemingssom van euro 30 751, de veroordeling van de n.v. Uratec tot de betaling van een som van euro 19 649 wegens laattijdige en niet-conforme uitvoering, vermeerderd met de verwijlinteresten en de gerechtelijke interesten vanaf 16 januari 2007, de kosten van technische en juridische bijstand, provisioneel begroot op euro 3 039,81, meer de gerechtelijke interesten, en de kosten van het geding, alsook tot de afgifte van de handzenders van de door de n.v. Uratec geplaatste garagepoorten. 1.
- Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 12 november 2007 heeft de oorspronkelijke eis van de n.v. Uratec deels gegrond verklaard door het echtpaar E.J.te veroordelen tot de betaling van een som van euro 37 208,71, vermeerderd met de conventionele interesten naar rato van 12% per jaar vanaf 24 november 2005 tot op de dag van de gehele betaling, alsook tot betaling van een conventionele schadevergoeding van euro 3 720,
- De eis van het echtpaar E.J.werd eveneens deels gegrond verklaard door de n.v. Uratec te veroordelen tot afgifte van twee handzenders voor de garagepoorten binnen een week na ontvangst van de betaling van de bouwheren. De eerste rechter oordeelde dat de n.v. Uratec haar werken had uitgevoerd en de bouwheren reeds op 1 februari 2006 schriftelijk hun instemming met de uitvoering hadden betuigd, zodat de aannemingssom verschuldigd was. Volgens de eerste rechter mocht het echtpaar E.J. de exceptie van niet-nakoming niet inroepen enkel omdat de n.v. Uratec nog twee handzenders voor de garagepoorten moest afgeven. Er werd bewezen geacht dat de bouwheren instemden met de algemene voorwaarden van de aannemer. De eis tot betaling van de factuur van 31 januari 2006 werd afgewezen omdat niet werd aangetoond dat het om een meerwerk ging en al niet was aangerekend in de toegewezen aannemingssom. De eis tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand werd eveneens afgewezen bij gebrek aan bewijs van werkelijk geleden schade. De eerste rechter oordeelde ten aanzien van de aanspraken van het echtpaar E.J. dat deze geen minderwaarde in rekening konden brengen voor de kruisverdelingen in de ramen omdat zij de werken van de n.v. Uratec uitdrukkelijk hadden aanvaard. De gevorderde vertragingsboete werd afgewezen omdat uit de overeenkomst van partijen, volgens de eerste rechter, bleek dat deze boeteclausule buiten werking werd gesteld indien na de opmeting op 20 mei 2005 nog een wijziging aan maten of kleuren zou worden aangebracht, wat het geval zou geweest zijn. De gevorderde schadevergoeding voor de meerkosten van de pleisterwerken die, naar werd beweerd, niet tijdig konden uitgevoerd worden wegens de vertraging van de werken van de n.v. Uratec, werd eveneens afgewezen omdat geen schade bewezen werd geacht. Het bewijs van de noodzaak van tussenkomst ontbrak, volgens de eerste rechter, m.b.t. de gevorderde kosten van juridische en technische bijstand. Het echtpaar E.J. werd verwezen in de gedingkosten. Het vonnis werd voorlopig uitvoerbaar verklaard, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het recht op kantonnement. 1.
- R.E. en B.J., hierna appellanten genoemd, stelden een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 24 december
- In hun conclusie van 29 januari 2008 hebben appellanten de uitvoerbaarheid bij voorraad van het beroepen vonnis betwist. De zaak werd enkel wat dit onderdeel betreft behandeld ter terechtzitting van 29 januari
- De eisen in hoger beroep. 2.
- Appellanten vorderen terzake van de uitvoerbaarheid bij voorraad dat het beroepen vonnis in dit onderdeel zou worden teniet gedaan. Zij vragen dat minstens opnieuw het recht op kantonnement zou worden toegekend. 2.
- De n.v. Uratec, hierna geïntimeerde genoemd, concludeert tot de afwijzing van het hoger beroep van appellanten wat het thans betwiste onderdeel van het beroepen vonnis betreft.
- De beoordeling. De uitvoerbaarheid bij voorraad. 3.
- Appellanten voeren aan dat de eerste rechter de uitvoerbaarheid bij voorraad heeft uitgesproken zonder enige motivering, daarbij ingaand op een niet-gemotiveerd verzoek van geïntimeerde. Zij houden voor dat de uitvoerbaarheid bij voorraad afwijkt van de algemene regel van de schorsende werking van het hoger beroep (art. 1397 van het Gerechtelijk Wetboek) en een motivering vereist is ter afweging van de belangen van de partijen. Geïntimeerde werpt tegen dat de uitvoerbaarheid bij voorraad niet ongedaan kan gemaakt worden door de appelrechter en verwijst naar art. 1402 van het Gerechtelijk Wetboek. Zij houden voor dat de rechter zijn beslissing niet nader moest motiveren vermits er op haar verzoek tot voorlopige tenuitvoerlegging door appellanten geen verweer werd voorgedragen. 3.
- Blijkens de conclusie van geïntimeerde, neergelegd ter griffie van de eerste rechter op 8 juni 2007, heeft zij o.m. gevorderd: "Het tussen te komen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, niettegenstaande elk verhaal en met de uitsluiting van het recht op kantonnement". In de daaropvolgende conclusie van appellanten, neergelegd ter griffie van de eerste rechter op 26 juni 2007, meteen hun laatste conclusie, werd hiertegen geen verweer geformuleerd. Krachtens art. 1402 van het Gerechtelijk Wetboek vermag de appelrechter in geen geval de tenuitvoerlegging van een vonnis verbieden of doen schorsen, en zulks op straffe van nietigheid. Het verbod van art. 1402 van het Gerechtelijk Wetboek is te nuanceren wanneer niet de opportuniteit van de regelmatig verleende uitvoerbaarheid maar enkel de regelmatigheid zelf van de uitvoerbaarverklaring ter discussie staat. In dit kader voeren appellanten aan dat de beslissing van de eerste rechter onregelmatig is wegens een tekortkoming aan de motiveringsplicht. Zoals voormeld heeft geïntimeerde wel degelijk de uitvoerbaarheid bij voorraad gevorderd en hebben appellanten daartegen geen verweer voorgedragen. De rechter moet het toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging evenwel niet motiveren, tenzij daarover verweer is gevoerd, wat te dezen niet het geval is geweest. Het Hof heeft zich in onderhavig geval dan ook onverkort te houden aan het verbod van art. 1402 van het Gerechtelijk Wetboek. Recht op kantonnement. 3.
- Appellanten houden voor dat hen het recht op kantonnement ten onrechte werd ontnomen vermits geïntimeerde niet aangetoond heeft dat zijn, overigens door hen betwist recht in gevaar zou zijn indien zij van dit recht gebruik zouden maken. Geïntimeerde werpt tegen dat zij zelfs heeft aangeboden dat appellanten zouden kantonneren doch dat zij daarop niet zijn ingegaan zodat er geen grond is om thans nog op hun verzoek in te gaan. 3.
- Het kantonnement is een absoluut recht van de schuldenaar. Dit recht kan hem slechts worden ontzegd wanneer de schuldeiser aantoont dat de vertraging in de regeling van de schuld hem blootstelt aan een ernstig nadeel. Zo'n ernstig nadeel wordt door geïntimeerde niet aangevoerd, laat staan bewezen. Het kantonnementsverbod moet dan ook ongedaan worden gemaakt. OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni
- Verklaart het hoger beroep van appellanten toelaatbaar. Verklaart dit hoger beroep van appellanten ongegrond in zoverre het de voorlopige tenuitvoerlegging van het beroepen vonnis betreft. Verklaart het hoger beroep van appellanten gegrond in zoverre het het kantonnementsverbod betreft. Hierover het beroepen vonnis wijzigende. Zegt voor recht dat appellanten het recht op kantonnement behouden. Zendt de zaak naar de bijzondere rol om partijen toe te laten deze in staat van wijzen te brengen. Houdt de beslissing over de proceskosten aan. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 27 februari
- waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer K. VAN HAELST Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS K. VAN HAELST K. ALLEGAERT F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080227.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div