← België

ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080304.24

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 04 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080304.24 Rolnummer: 2007AR1044 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2008-12-11 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-02 17:08 Fiche

  1. Artikel 1384 lid 2 B.W. laat in de regel weliswaar toe dat de verzekeraar die in de rechten van de burgerrechtelijk aansprakelijke ouders is getreden, zijn vordering tegen de aansprakelijke minderjarige uitoefent, doch sluit hierbij de toepassing van artikel 41 lid 1 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten niet uit.
  2. Dat de gezinsaansprakelijkheidsverzekeraar op grond van de subrogatie voorzien in artikel 41 lid 1 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten haar uitgaven enkel kan verhalen op derden en de meerderjarig geworden aansprakelijke niet als een derde kan beschouwd worden, heeft geen uitstaans met artikel 8 lid 1 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten.
  3. Dat in casu geen subrogatoir verhaal mogelijk is, is enkel het gevolg van het feit dat de meerderjarig geworden aansprakelijke in de polis als verzekerd wordt aangeduid. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Regresvordering Vrije woorden: Verzekeringen - subrogatie van de verzekeraar - regres tegen aansprakelijke derde - gezinslid/meerderjarig geworden aansprakelijke Tekst van de beslissing Nummer: Rep. nr.: 2008/ Zitting van: 4 maart 2008 Eindarrest Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2007/AR/1044 APRA ONGEVALLEN NV, met maatschappelijke zetel te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 64-68, KBO-nummer 0404.498.908, appellante, vertegenwoordigd door Mr. M. HERMANS loco Mr. VEKEMANS Giovanni, advocaat te 2275 LILLE, Rechtestraat 4 bus 1 tegen het vonnis gewezen op 27 februari 2007 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tegen J.B., zonder beroep, wonende te 2900 SCHOTEN, Kalstraat 37, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. SPIESSENS Stef, advocaat te 2060 ANTWERPEN, Violierstraat 6 *** Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 27 februari 2007, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof op 6 april 2007, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld. *** I. FEITELIJKE GEGEVENS - VOORWERP VAN DE VORDERING - VOORGAANDE. J.B., geboren op 16 juni 1986, pleegde op 1 mei 2003 (op dat ogenblik bijna 17 jaar oud), opzettelijke feiten, waarvoor hij vervolgd en veroordeeld werd voor de Jeugdrechtbank te Antwerpen, meer bepaald wegens mededaderschap aan poging doodslag op Y.V.. Aan Y.V. werd een schadevergoeding toegekend van 18.396,73 EUR in hoofdsom waartoe J.B. werd veroordeeld samen met zijn ouders in hun hoedanigheid van burgerlijke verantwoordelijken voor hun zoon. De ouders van J.B. waren verzekerd bij appellante die het slachtoffer op 11 mei 2005 heeft vergoed ten bedrage van 20.921,74 EUR en tevens tot betaling van de registratierechten, verschuldigd op het vonnis van de Jeugdrechtbank aan FD Financiën, hetzij 581,87 EUR op 25 mei 200, zodat door appellante in totaal een bedrag van 21.310,34 EUR werd betaald. Appellante houdt voor dat zij hierdoor in de rechten is getreden van de ouders t.o.v. hun minderjarig kind en gerechtigd is de hoger vermelde sommen terug te vorderen van geïntimeerde, intussen meerderjarig, die als een derde dient te worden aanzien. Er werd hiertoe een oproeping in verzoening gelanceerd voor de Vrederechter te Merksem, doch geïntimeerde zou toen niet zijn komen opdagen en alsdan is appellante overgegaan tot dagvaarding voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Bij het bestreden vonnis oordeelde de eerste rechter dat appellante zich ten onrechte beroept op de uitsluitingsgrond van artikel 7.5 van de polisvoorwaarden volgens hetwelk de waarborg niet geldt voor de schade die voortvloeit uit de persoonlijke burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst van de verzekerde die 16 jaar of ouder is en die een schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt. Volgens de eerste rechter heeft deze uitsluitingsgrond enkel tot gevolg dat appellante niet gehouden is dekking te verlenen aan J.B., als verzekerde in de polis. De eerste rechter stelde evenwel dat appellante wel tot dekking is gehouden ten aanzien van L.B., de vader van J.B., op basis van diens aansprakelijkheid op grond van artikel 1384 lid 2 B.W. Volgens de eerste rechter is J.B. wel degelijk als een verzekerde te beschouwen, en niet als een derde, nu er geen betwisting over bestaat dat hij bij zijn vader inwoonde op het moment van de feiten en de polis in kwestie o.m. als verzekerden aanduidt de verzekeringnemer én de personen die bij hem inwonen (artikel 1.1 en 1.
  4. van de toepasselijke algemene polisvoorwaarden). Aangezien verhaal uitgesloten is tegen een verzekerde, en enkel overeenkomstig artikel 41 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten mogelijk is tegen derden, werd de vordering van appellante dan ook als ongegrond afgewezen. II. EISEN IN HOGER BEROEP. Appellante streeft, bij hervorming van het bestreden vonnis, na dat haar oorspronkelijke vordering gegrond zou worden verklaard en dat dienvolgens geïntimeerde zou worden veroordeeld tot betaling aan haar van de som van 21.310,34 EUR, meer de vergoedende interesten op 20.728,47 EUR vanaf 11 mei 2005 en op 581,87 EUR vanaf 25 mei 2005, bedragen tevens te vermeerderen met de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding. Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de bevestiging van het bestreden vonnis, minstens dat voor recht zou worden gezegd dat het verhaalrecht beperkt dient te blijven tot de som van 11.000 EUR, te verhogen met de helft van het meergevorderde met een absoluut maximum van 31.000 EUR. III. NIEUWE BEOORDELING IN RECHTE IN HOGER BEROEP. Zoals reeds hiervoor werd aangehaald, werd geïntimeerde samen met zijn ouders, in hun hoedanigheid van burgerlijke verantwoordelijken voor hun zoon, bij vonnis d.d. 1 april 2005 van de Jeugdrechter te Antwerpen veroordeeld tot vergoeding van het slachtoffer, Y.V. De schadevergoeding werd bepaald op 18.396,73 EUR in hoofdsom. Appellante heeft in haar hoedanigheid van gezinsaansprakelijkheidsverzekeraar van L.B., vader van geïntimeerde, en ingevolge diens aansprakelijkheid op grond van artikel 1384 lid 2 B.W., het slachtoffer, Y.V.vergoed en heeft tevens de registratierechten, verschuldigd op het vonnis van de Jeugdrechtbank, betaald, hetgeen een totaal uitmaakt van 21.310,34 EUR - bedrag dat zij als gesubrogeerde in de rechten van de vader van geïntimeerde, van deze laatste terugvordert. Appellante is van oordeel dat zij dit bedrag kan verhalen op geïntimeerde, nu zij overeenkomstig de voorwaarden van de gezinsaansprakelijkheidspolis het slachtoffer van de schade veroorzaakt door geïntimeerde, zijnde de toen nog minderjarige zoon van haar verzekerde, L.B., heeft schadeloos gesteld en zij aldus in de rechten is getreden van haar verzekerde, en dus tegenover geïntimeerde de regresvordering kan uitoefenen waarover de vader beschikte. Aangezien ouders die op grond van artikel 1384 lid 2 B.W. de schade van derden hebben vergoed, naderhand verhaal hebben tegen hun kind dat de schade heeft veroorzaakt, kan ook de BA-verzekeraar privé-leven als gesubrogeerde in de rechten van de ouders (in casu de vader) de meerderjarig geworden minderjarige aanspreken - aldus de redenering van appellante. Appellante steunt haar vordering tegen geïntimeerde op de subrogatieregeling, zoals voorzien in artikel 41 van de Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten. In de eerste plaats dient te worden opgemerkt dat het verhaalrecht, dat onder het vroegere recht (verzekeringswet van 11 juni 1874) zonder meer mogelijk was in het kader van de subrogatie van de betalende verzekeraar in de rechten en rechtsvorderingen van de aansprakelijke ouders tegen het minderjarige kind dat de schade had veroorzaakt, in de Wet van 25 juni 1992 op de Landverzekeringsovereenkomsten wettelijk uitgesloten is tegen de bloedverwanten in de rechte opgaande of neerdalende lijn, de echtgenoot en de aanverwanten in de rechte lijn van de verzekerde, de bij hem inwonende personen, zijn gasten en zijn huispersoneel, behoudens o.m. in geval van kwaad opzet (artikel 41 lid 4 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten). Bovendien kan het subrogatoir vorderingsrecht, zoals voorzien in artikel 41 lid 1 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten, door de verzekeraar enkel uitgeoefend worden tegen een aansprakelijke derde en niet tegen de verzekerde zelf. Deze beperking was onbekend in de Verzekeringswet van
  5. Met betrekking tot artikel 41 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten doet zich in de gezinsaansprakelijkheidsverzekering de betwisting voor of de minderjarige die (opzettelijk) schade heeft veroorzaakt en waarvoor de ouders burgerrechtelijk aansprakelijk werden verklaard, zoals in casu het geval is, als verzekerde dient beschouwd te worden, waartegen overeenkomstig artikel 41 lid 1 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten elk verhaal uitgesloten is. Deze betwisting maakt ook het voorwerp uit van huidige procedure. Volgens geïntimeerde is hij geen "derde", nu hij op het ogenblik van de feiten bij zijn vader inwoonde en bijgevolg een verzekerde is in het kader van de door zijn vader afgesloten gezinsaansprakelijkheidsverzekering. Hij verwijst hiertoe naar de bepalingen van artikel 1 en 2 van de polis, waarin voorzien wordt wie als verzekerde en wie als derde moet worden beschouwd. Vermits hij een verzekerde is in het kader van de polis in kwestie, en geen derde, meent geïntimeerde dan ook dat appellante tegen hem geen verhaalsrecht heeft. Overeenkomstig de algemene voorwaarden van de gezinsaansprakelijkheidspolis, afgesloten door de vader van geïntimeerde, L.B., dekt appellante ten belope van de gewaarborgde bedragen, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid buiten overeenkomst die krachtens de artikelen 1382 tot 1386bis B.A. en gelijkaardige bepalingen van buitenlands recht kan ten laste vallen van de verzekerden voor schade berokkend aan derden in hoofde van het privé-leven. In artikel 1 van deze polis wordt bepaald wie als "verzekerde" dient te worden beschouwd. Zo zijn overeenkomstig deze polisvoorwaarde niet alleen de verzekeringnemer (punt 1) verzekerd, maar ook en o.m de met hem samenwonende echtgenoot (punt 2), alle bij de verzekeringnemer inwonende personen (punt 3), de minderjarige kinderen van de verzekeringnemer of van de persoon die met hem samenwoont (punt 4).... Artikel 2 van de polis bepaalt verder dat als derde moet worden beschouwd iedere andere persoon dan de in artikel 1 onder punt 1, 2 en 3 omschreven verzekerden. Geïntimeerde woonde op het ogenblik van de feiten in bij zijn vader en was bijgevolg een verzekerde in het kader van de door de vader afgesloten gezinsaansprakelijkheidsverzekering. Hieruit volgt tevens dat geïntimeerde op grond van de polisbedingen geen derde is. Waar geïntimeerde een verzekerde en geen derde is, beschikt appellante niet over een subrogatoir verhaalsrecht tegen geïntimeerde. Dat geïntimeerde de schade opzettelijk zou veroorzaakt hebben doet geen afbreuk aan zijn hoedanigheid van verzekerde. Het feit dat geïntimeerde geen aanspraak kan maken op dekking voor de door hem veroorzaakte schade, ontneemt hem niet de hoedanigheid van verzekerde. De verwijzing van appellante naar artikel 8 lid 1 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten volgens hetwelk de verzekeraar, niettegenstaande enig andersluidend beding, niet kan verplicht worden dekking te geven aan hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt, is niet ter zake dienend. De tussenkomst van appellante is het gevolg van de aansprakelijkheid van de ouders van geïntimeerde, op grond van artikel 1384 lid 2 B.W. en niet van een door hen opzettelijk gestelde handeling. Dat appellante op grond van de subrogatie voorzien in artikel 41 lid 1 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten haar uitgaven enkel kan verhalen op derden en geïntimeerde niet als een derde kan beschouwd worden, heeft geen uitstaans met artikel 8 lid 1 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten. Artikel 1384 lid 2 B.W. laat in de regel weliswaar toe dat de verzekeraar die in de rechten van de burgerrechtelijk aansprakelijke ouders is getreden, zijn vordering tegen de aansprakelijke minderjarige uitoefent, doch sluit hierbij de toepassing van artikel 41 lid 1 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten niet uit. Dat in casu geen subrogatoir verhaal mogelijk is, is enkel het gevolg van het feit dat geïntimeerde in de polis als verzekerd wordt aangeduid. In verzekeringsovereenkomsten waar dit niet het geval is, blijft een subrogatoir verhaal mogelijk onder de voorwaarden van artikel 41 lid 4 en 5 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten. De cassatierechtspraak en de rechtspraak van het Hof van Beroep te Luik waarnaar appellante verwijst, spreekt zich niet uit over de inhoud van de verzekeringspolis. In deze rechtspraak wordt enkel verwezen naar het algemene principe dat de verzekeraar subrogeert in de rechten van zijn verzekerde en dat hij een verhaalsrecht heeft op de aansprakelijke derde ook als deze derde het kind is van de verzekerde. Dit potentieel verhaalsrecht mag echter niet strijdig zijn met de polisvoorwaarden, volgens dewelke in casu geïntimeerde - als inwonende minderjarige - een "verzekerde" is t.a.v. wie overeenkomstig artikel 41 lid 1 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten geen verhaalsrecht mogelijk is. Of er sprake is van kwaad opzet in de zin van artikel 41 lid 4 Wet op de Landverzekeringsovereenkomsten is verder niet ter zake dienend, nu appellante over geen subrogatoir verhaalsrecht beschikt ten overstaan van geïntimeerde. Gelet op dit alles, dient het bestreden vonnis, waarbij de vordering van appellante tegen geïntimeerde als ongegrond werd afgewezen, te worden bevestigd en is bijgevolg het hoger beroep ongegrond. OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni
  6. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen. Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde begroot en aangepast aan het basistarief wat de rechtsplegingsvergoeding betreft overeenkomstig de bepalingen van de Wet van 21 april 2007 en het K.B. van 26 oktober 2007, hetzij 2.000 EUR. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 4 maart
  7. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer K. VAN HAELST Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS K. VAN HAELST K. ALLEGAERT F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080304.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.