← België

ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080319.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 19 maart 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080319.15 Rolnummer: 2003AR1285 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2008-12-11 Raadplegingen: 171 - laatst gezien 2026-07-02 17:14 Fiche Tijdens de sport- of spelbeoefening kunnen in de regel om reden eigen aan deze activiteit medespelers of tegenspelers verwond geraken. Aldus zouden slagen en verwondingen worden toegebracht die op het eerste gezicht de materiële handelingen uitmaken die strafbaar worden gesteld door art. 418 en 420 Strafwetboek. De spel- en sportbeoefenaar geniet evenwel een zekere mate van strafrechtelijke immuniteit die zijn grondslag vindt in de wet. Art. 1966 van het Burgerlijk Wetboek impliceert de wettigheid van de sport- en spelbeoefening. Deze quasi-immuniteit is evenwel begrensd door de toestemming van het slachtoffer om deel te nemen aan de sport of het spel, door regels eigen aan de beoefende sport en alleszins door de plicht van eenieder om te handelen zoals een normaal voorzichtig en bedachtzaam sportbeoefenaar, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden. Het in aanmerking te nemen foutbegrip in het strafrecht valt te dezen dan ook samen met het burgerrechtelijk foutbegrip (art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek). UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid Vrije woorden: Buitencontractuele aansprakelijkheid - slagen en verwondingen - quasi-immuniteit van de sportbeoefenaar Tekst van de beslissing Nummer: Rep. nr.: 2008/ Zitting van: 19 maart 2008 Eindarrest Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2003/AR/1285

  1. R.V., en zijn echtgenote
  2. C.L., beiden handelend in eigen naam, namens de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap en in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers en beheerders van het vermogen van hun minderjarige dochter J.V., appellanten, vertegenwoordigd door Mr. ANTHONIS Joost, advocaat te 2200 HERENTALS, Lierseweg 3 tegen het vonnis gewezen op 10 februari 2003 door de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout tegen
  3. ETHIAS verzekeringen, voorheen OMOB, Onderlinge Verzekeringsvereniging, met zetel te 3500 HASSELT, Prins Bisschopssingel 73, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. I. WIELOCKX loco Mr. AERDEN Greet, advocaat te 2460 KASTERLEE, Markt 7
  4. FORTIS INSURANCE BELGIUM NV, voorheen FORTIS AG NV, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Emile Jacqmainlaan 53, KBO-nummer 0404.494.849 geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. VERHAEGEN Hugo, advocaat te 2200 HERENTALS, Lierseweg 102-104
  5. SCOUTS EN GIDSEN VLAANDEREN V.Z.W., voorheen Vlaams Verbond van Katholieke Scouts en Meisjesgidsen, afgekort V.V.K.S.M., met zetel te 2018 ANTWERPEN, Lange Kievitstraat 74, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. RAL Lieven, advocaat te 1930 ZAVENTEM, Vilvoordelaan 10 ***
  6. Wat voorafgaat. 1.
  7. J.V.(°... ), minderjarige dochter van R.V. en C.L., liep op 11 juli 2000 tijdens een spel te Genk, waar zij met de jeugdbeweging op kamp was, een verwonding op aan haar linkeroog. Het spel, dat was ingericht door de leiding van het jeugdkamp, was een variante van honkbal waarbij een tennisbal wordt weggeslagen met een slaghout. 1.
  8. Met een dagvaarding van 2 oktober 2001 om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout vorderden R.V. en C.L., in eigen naam, namens de huwelijksgemeenschap en in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige dochter J.V., de veroordeling van OMOB, BA-verzekeraar van de v.z.w. Scouting VVKSM, en van de n.v. Fortis AG, BA-verzekeraar van L.A., scoutsleidster, tot de betaling aan ieder van hen van een provisionele schadevergoeding van euro 0,02 (1,- : 40,3399 ) en een medisch deskundigenonderzoek. Met een dagvaarding in tussenkomst en gemeenverklaring hebben dezelfde aanleggers op 13 augustus 2002 de v.z.w. Scouting VVKSM in zake geroepen. De eis van de aanleggers was gesteund op de beweerde persoonlijke fout van leidster L.A., op de persoonlijke fout en op de kwalitatieve aansprakelijkheid van de v.z.w. Scouting VVKSM en op het rechtstreeks vorderingsrecht tegen de B.A.-verzekeraars. In de loop van het geding diende de v.z.w. Scouting V.V.K.S.M. een tusseneis in vrijwaring in tegen haar verzekeraar OMOB. 1.
  9. Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 10 februari 2003 heeft de eisen van de consorten R.V. en C.L. ontvankelijk doch ongegrond verklaard. De aanleggers werden verwezen in de gedingkosten. De eerste rechter nam aan dat L.A. een naar haar geworpen bal wegsloeg met het slaghout en dat die weggeslagen bal in het oog van J.V. terecht kwam. De eerste rechter oordeelde dat geen fout in oorzakelijk verband met de schade bewezen werd. De eerste rechter wees erop dat het onjuist is te denken dat er voor ieder ongeval een aansprakelijke zou zijn. Hij vond in het wegslaan van de bal door L.A. geen fout. Hij stelde vast dat er een risicoaanvaarding bestaat aan de zijde van de deelnemers aan het spel en meende dat er was aangetoond dat er voldoende toezicht was van de leiding op de kinderen. 1.
  10. R.V.en C.L., appellanten genoemd, stelden een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 6 mei
  11. Het Hof heeft in zijn tussenarrest van 19 mei 2004 appellanten toegelaten met getuigen vier welomschreven feiten te bewijzen. Het getuigenverhoor werd gehouden op 8 december
  12. De zaak werd na getuigenverhoor behandeld ter terechtzitting van 5 februari
  13. De eisen in hoger beroep. 2.
  14. Appellanten vorderen dat hun oorspronkelijke eisen bij hervorming van het beroepen vonnis integraal gegrond zouden worden verklaard. Ondergeschikt vorderen zij dat, vooraleer verder recht te doen, aan Ethias en de v.z.w. Scouting VVKSM zou worden bevolen volgende stukken in origineel over te leggen: - de ongevalsaangifte van de Gidsen 2de Kempen m.b.t. het ongeval overkomen aan J.V. op 11 juli 2000, - de brief van 19 juli 2000 van de Gidsen 2de Kempen m.b.t. het schadegeval (stuk 15 van hun dossier), - de verklaring met vermelding van de identiteit (naam, voornaam en adres) van de persoon die de aangifte van de Gidsen 2de Kempen, heeft opgesteld en van degene die de brief van 19 juli 2000 heeft ondertekend, - een lijst met de identiteit, naam, voornaam, adres van alle leden van de leiding en de foerage die op 11 juli 2000 deelnamen aan het kamp van de Gidsen 2de Kempen te Genk, - een lijst met vermelding van naam, voornaam en adres van alle leden van de leiding van de Gidsen 2de Kempen op het ogenblik van het ongeval op 11 juli 2000 met opgave van de groepering waarover zij bevoegd waren. M.b.t. de kosten voeren zij aan dat zij slechts euro 1 provisioneel hebben gevorderd met raming van de eis op euro 25
  15. Volgens hen is hun eis niet definitief waardeerbaar en moet de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld worden op euro 1
  16. 2.
  17. Ethias Verzekeringen, eerste geïntimeerde, concludeert tot de bevestiging van het vonnis a quo. Zij verzoekt appellanten te verwijzen in de gedingkosten en vordert rechtsplegingsvergoeding volgens het tarief van het Koninklijk besluit van 26 oktober
  18. Zij verzoekt de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen op euro 2 000 op basis van de raming van de hoofdvordering door appellanten zelf ten belope van euro 25 000, minstens op de som van euro 1
  19. 2.
  20. De n.v. Fortis Insurance Belgium, tweede geïntimeerde, verzoekt het hoger beroep van appellanten af te wijzen als ongegrond. Zij verzoekt appellanten te verwijzen in de gedingkosten en vordert rechtsplegingsvergoeding volgens het tarief van het Koninklijk besluit van 26 oktober
  21. Zij verzoekt de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen op euro 2 000 op basis van de raming van de hoofdvordering door appellanten zelf ten belope van euro 25 000, minstens op de som van euro 1
  22. 2.
  23. De v.z.w. Scouts en Gidsen Vlaanderen, voorheen genaamd Vlaams Verbond van Katholieke Scouts en Meisjesgidsen, afgekort V.V.K.S.M., derde geïntimeerde verzoekt het hoger beroep van appellanten af te wijzen als ongegrond. Ondergeschikt heeft zij bij incidenteel beroep haar oorspronkelijke tusseneis in vrijwaring tegen haar verzekeraar Ethias opnieuw ingesteld. Zij verzoekt appellanten te verwijzen in de gedingkosten. Ter terechtzitting van 5 februari 2008 heeft zij de aanspraak op rechtsplegingsvergoeding aangepast overeenkomstig het tarief van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007, meer bepaald het basistarief.
  24. De beoordeling. 3.
  25. Appellanten hebben de aquiliaanse aansprakelijkheid van L.A. en van de v.z.w. Scouting en Gidsen Vlaanderen, alsook de contractuele aansprakelijkheid van laatstgenoemde ten grondslag van hun eis tot schadeloosstelling gelegd. Zij houden voor dat L.A., hetzij als orgaan van derde geïntimeerde, hetzij als haar aangestelde zowel een persoonlijke fout, als een organisatiefout en een toezichtsfout beging. Zij leiden daaruit af dat derde geïntimeerde op contractuele gronden gehouden is tot vergoeding van de schade die door die fouten werd veroorzaakt. Zij voeren ook aan dat L.A. een misdrijf, minstens een buitencontractuele fout beging waardoor zij persoonlijk tot schadeloosstelling gehouden is. Zij leiden daaruit af dat zij met toepassing van art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst een eigen recht tot schadeloosstelling kunnen laten gelden tegen tweede geïntimeerde, de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van L.A., en dat zij zich ook kunnen richten tegen derde geïntimeerde met toepassing van art. 1384, 3de lid van het Burgerlijk Wetboek, in welk geval zij hun eis met toepassing van art. 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst ook instellen tegen eerste geïntimeerde, de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van derde geïntimeerde. In eerste aanleg werden de door aanleggers beweerde fouten niet bewezen geacht. Deze beoordeling wordt bijgetreden door geïntimeerden. 3.
  26. Het staat vast dat het ongeval zich heeft voorgedaan te Genk op 11 juli 2000 in de vooravond tijdens een groepsspel van de VVKSM-Gidsen 2de Kempen, die ter plaatse hun zomerkamp hielden. Het spel betrof een variant van honkbal, gespeeld met een tennisbal. Eén van de leidster, L.A., die aan slag was heeft met het slaghout de bal in het veld geslagen, waar o.m. J.V.als speelster stond opgesteld. De weggeslagen bal trof haar op haar linker oog. Een oogtrauma was het gevolg. Er bestaat geen betwisting over dat L.A. onopzettelijk heeft gehandeld. 3.
  27. Appellanten houden voor dat L.A. een misdrijf pleegde, minstens een buitencontractuele fout beging. Zij hebben het bedoelde misdrijf niet gekwalificeerd, doch op grond van de feiten, waarop de eis wordt gesteund, begrijpt het Hof dat art. 418 en 420 Strafwetboek wordt bedoeld. Tijdens de sport- of spelbeoefening kunnen in de regel om reden eigen aan deze activiteit medespelers of tegenspelers verwond geraken. Dat is niet anders bij honkbal, waarbij een onderdeel van het spel erin bestaat dat de slagman een door de werper toegeworpen bal wegslaat met een slaghout in de richting van het speelveld waar tegenspelers staan opgesteld. Het is daarbij geenszins de bedoeling een tegenspeler te raken, wel integendeel. Het risico daartoe is echter inherent aan het spel. Ook al is het de bedoeling van de slagman de bal in het veld doch zoveel mogelijk buiten het onmiddellijke bereik van de tegenspelers te slaan, valt het niet uit te sluiten dat die bal een andere baan volgt. De mogelijkheid bestaat dan dat de bal, zoals te dezen, recht in de richting van een veldspeler vliegt. Die veldspeler zou dan kunnen getroffen worden door de bal waarbij het risico op verwondingen niet geheel uit te sluiten is. Aldus zouden slagen en verwondingen worden toegebracht die op het eerste gezicht de materiële handelingen uitmaken die strafbaar worden gesteld door art. 418 en 420 Strafwetboek. De spel- en sportbeoefenaar geniet evenwel een zekere mate van strafrechtelijke immuniteit die zijn grondslag vindt in de wet. Art. 1966 van het Burgerlijk Wetboek impliceert de wettigheid van de sport- en spelbeoefening. Deze quasi-immuniteit is evenwel begrensd door de toestemming van het slachtoffer om deel te nemen aan de sport of het spel, door regels eigen aan de beoefende sport en alleszins door de plicht van eenieder om te handelen zoals een normaal voorzichtig en bedachtzaam sportbeoefenaar, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden. Het in aanmerking te nemen foutbegrip in het strafrecht valt te dezen dan ook samen met het burgerrechtelijk foutbegrip (art. 1382 van het Burgerlijk Wetboek). Tot deze feitelijke omstandigheden behoort te dezen ook dat de sportactiviteit plaats vond tijdens een jeugdkamp en de verhouding tussen de schadeverwekker (L.A.) en het slachtoffer (J.V.) niet alleen deze was van deelnemer aan dezelfde sportactiviteit maar tegelijk ook van leidster van de jeugdvereniging t.o.v. een nog jeugdig lid (8 ½ jaar) van dezelfde jeugdvereniging. 3.
  28. Appellanten dragen de last van het bewijs van het beweerde feit dat L.A. te dezen niet handelde zoals een normaal voorzichtig en bedachtzaam persoon van dezelfde categorie, met name een sportbeoefenaar-jeugdleidster, zou hebben gedaan in dezelfde concrete omstandigheden. J.V. was niet-werkend lid van de jeugdvereniging en werd door haar ouders ingeschreven voor het jeugdkamp zodat aan te nemen is dat zij vrijwillig aan het kamp en zijn activiteiten deelnam. Het is ten andere niet beweerd, laat staan bewezen dat zij tegen haar zin tot deelname aan het spel werd gedwongen. 3.
  29. De fouten (tekortkomingen aan de algemene zorgvuldigheidsplicht) die appellanten ten laste van L.A. aanvoeren omschrijven zij als volgt: - "... dat de leiding, waaronder L.A., het spel slecht had georganiseerd waar werd toegelaten dat de nog jonge deelneemsters zich op zo'n korte afstand bevonden van diegene die de bal zou slaan..." - "... dat er in hoofde van de leiding een verplichting tot toezicht bleef bestaan en dat wanneer een leider die aan slag is en perfect kan waarnemen of er eventueel een kind te dicht bij haar staat, aan de betrokkene instructies dient te geven om zich verder te verwijderen, bij ontstentenis waarvan zij zich had moeten onthouden van zonder meer te slaan." - "... dat L.A., die evident rekening diende te houden met de aanwezigheid van de jonge kinderen in de onmiddellijke omgeving, blijkbaar zelf veel te hard geslagen heeft met het slaghout ..." 3.
  30. Appellanten tonen niet afdoende aan dat het inrichten van het honkbalspel in kwestie op zich foutief was. Het gezamenlijk beoefenen van sport en spel in open lucht behoren tot kenmerkende activiteiten van een jeugdkamp. Het beoefende spel in kwestie, een variant van honkbal, beantwoordt volledig aan het opzet van een jeugdkamp. Honkbal wordt ook gespeeld door kinderen van de leeftijdscategorie van 8 à 10 jaar. Dit geldt zeker voor de variant die in onderhavig geval werd beoefend en die geregeld gespeeld wordt tijdens activiteiten van jeugdbewegingen. Het risico op ongevallen is weliswaar niet geheel uit te sluiten. Het betreft evenwel een beperkt en aanvaardbaar risico (honkbal is geen contactsport) dat er niet aan in de weg staat dat een normaal voorzichtig en bedachtzaam jeugdleider-sportbeoefenaar, geplaatst in dezelfde omstandigheden als te dezen, het spel ook zou inrichten. Daaraan wordt in concreto niet afgedaan door de omstandigheid dat de kinderen, die aan het spel gingen deelnemen, nog maar 8 à 10 jaar (afdeling ‘kabouters') waren. De jonge deelnemers in onderhavig geval waren immers vertrouwd met het spel vermits dit in de loop van het werkjaar van de jeugdbeweging geregeld werd gespeeld (getuigenverklaringen van E.V., B.B.en L.D.). 3.
  31. Appellanten tonen niet aan dat L.A., of iemand anders van de leiding van het kamp, een fout beging door het spel te spelen in de concrete omstandigheden van onderhavig geval. Het spel werd aangepast aan de jonge deelnemers door te spelen met een tennisbal i.p.v. met een hardere honkbal, zodat hier een gepaste voorzorgsmaatregel werd nagekomen. Appellanten houden evenwel voor dat L.A. en de andere betrokken jeugdleiders de veiligheid van de deelnemende kinderen veronachtzaamden door hen niet aan te manen zich verder van de slagman op te stellen, en door de bal veel te hard weg te slaan niettegenstaande J.V.slechts op ongeveer 2 m van de slagman (L.A.) stond opgesteld. 3.
  32. L.A. sloeg de haar door de werper toegeworpen bal met het slaghout in de richting van het speelveld. Dergelijke slag behoort tot de regels van het honkbalspel. L.A. overtrad de spelregels niet door de bal weg te slaan. Door het wegslaan van de bal, waaraan iedere medespeler zich kan en moet verwachten, werd ook voor J.V.geen onverwacht risico gecreëerd. Appellanten menen dat L.A. een fout beging door de bal veel te hard weg te slaan. Het is juist de bedoeling van het spel dat de slagman de bal zo ver mogelijk in het veld slaat zodat het de veldspelers moeilijk wordt gemaakt om de bal te vangen en hem snel terug te brengen. De ploeg, die aan slag is, kan zo de honken bezetten vooraleer de bal wordt teruggebracht. Ieder normaal voorzichtig en bedachtzame honkbalspeler (slagman) - jeugdleidster zou geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden als L.A. gehandeld hebben zoals zij deed, meer bepaald gepoogd hebben de bal zo ver mogelijk weg te slaan wat een hard wegslaan van de bal impliceert. Het is niet aangetoond dat zij de bal met abnormale of voor de omstandigheden bovenmatige of onaangepaste kracht zou hebben weggeslagen. Appellanten menen ook dat L.A. een fout beging door de bal te slaan terwijl J.V. nog te dicht bij haar stond. Desbetreffend bestaat er tussen partijen een controverse over de afstand die er was tussen de slagman L.A. en J.V.. Volgens appellanten bedroeg die afstand ongeveer 2 m. Volgens geïntimeerden was die afstand alleszins meer dan 7m (eerste geïntimeerde) of 8 m (tweede geïntimeerde). Appellanten menen het bewijs van hun bewering te leveren door de ongevalsaangifte van derde geïntimeerde aan eerste geïntimeerde, haar verzekeraar, en ook door de schriftelijke verklaring van 19 juli 2000 onder het briefhoofd van "Gidsen 2de Kempen" door de bewoordingen: "Met het honkballen heeft één van onze kabouters een tennisbal in het oog gekregen van op 2 meter afstand....".. Volgens appellanten geldt die aangifte als een buitengerechtelijke bekentenis. Geïntimeerden betwisten dat appellanten aldus zouden voldoen aan hun bewijslast. Zij werpen tegen dat uit het getuigenverhoor is gebleken dat die afstand minstens 7m of meer bedroeg en daaruit blijkt dat het niet onvoorzichtig, laat staan foutief was om alsdan de bal te slaan zoals L.A. heeft gedaan. Eerste noch derde geïntimeerde betwisten dat de kopieën van de ongevalsaangifte in kwestie (stuk 2 van het dossier van eerste geïntimeerde, stuk 14 van het dossier van appellanten) de getrouwe weergave zijn van de originele ongevalsaangifte. Zij betwisten evenmin dat dit de ongevalsaangifte is die door derde geïntimeerde werd ingediend bij eerste geïntimeerde. Derde geïntimeerde wil die aangifte ten andere als regelmatige aangifte van het ongeval bij haar verzekeraar laten gelden. Het staat dan ook vast dat die ongevalsaangifte van derde geïntimeerde is uitgegaan. Daaraan wordt niet afgedaan door de vaststelling dat die aangifte niet gedagtekend noch ondertekend is, vermits vaststaat dat ze van derde geïntimeerde is uitgegaan. Ook wat de brief van 19 juli 2000 betreft doet het feit dat niet geweten is wie die brief ondertekende, niet af aan de vaststelling dat die is uitgegaan van derde geïntimeerde, of meer bepaald van de "Gidsen 2de Kempen", plaatselijke afdeling van derde geïntimeerde. De schriftelijke buitengerechtelijke bekentenis moet niet voldoen aan de vormvereisten van het schriftelijk bewijs om te kunnen dienen. De bijkomende onderzoeksmaatregelen die appellanten vragen m.b.t. deze stukken zijn overbodig. De bewijswaarde van de buitengerechtelijke bekentenis moet op basis van de waarachtigheid geapprecieerd worden door de rechter. Het Hof wordt bij deze appreciatie geconfronteerd met de getuigenverklaringen onder eed alsook met de verklaringen die werden afgelegd in het strafdossier: - getuigenverklaring van leidster E.V., die zich, naar zij verklaarde, bevond buiten het speelveld achter de slagman bij de wachtende kinderen: "...Tijdens het spel wierp B.B. de bal in de richting van L.A. die de bal wegsloeg. Schuin achter B.B. stond J.V.opgesteld. De bal vloog in de richting van J.V.en kwam terecht op haar gelaat. De afstand tussen de slagman L.A. en J.V. schat ik groter dan twee meter, ik schat een afstand van ongeveer 7 meter. Die afstand was groter dan 2 meter omdat er rekening moet worden gehouden met de afstand tussen de werper en de slagman en daarbovenop nog een afstand tussen de werper en J.V. ...." - getuigenverklaring van B.B., die de werper was tijdens het spel: "... Ik heb de tennisbal geworpen in de richting van de slagman L.A., waarna ik mij onmiddellijk heb omgekeerd, met mijn rug naar de slagman toe. Ik heb de bal zien wegvliegen, die vloog in de richting van J.V.. De bal kwam in haar oog terecht. Die bal werd recht met grote kracht geslagen. Ik ben er zeker van dat de afstand tussen J.V.en de slagman meer dan twee meter bedroeg. Ik schat die afstand op ongeveer tien à twaalf meter. Tussen de slagman en mezelf was er al een afstand van twee meter en er was dan nog een afstand tussen mezelf en J.V.want ik ben naar haar toegelopen toen ze door de bal getroffen was....". Tijdens het strafonderzoek verklaarde B.B.: "...Ik stond tussen L.A. en J.V.in. Ikzelf stond op een 3-tal meter van L.A. en J.V. stond ongeveer een 8-tal meter achter mij ...." - tijdens het strafonderzoek op 11 april 2001 verklaarde R.D., foerier tijdens het scoutskamp: "...Hoever J.V. van L.A. af stond kan ik niet juist zeggen. Ik schat een 8 à 10-tal meter. ..." Tijdens het getuigenverhoor verklaarde deze persoon zich niet te herinneren de feiten, zoals beschreven, gezien te hebben. De opmerkelijke tegenstrijdigheid tussen de ongevalsaangifte en de brief van 19 juli 2000 enerzijds en de verklaringen in het strafdossier en de onder eed afgelegde getuigenverklaringen anderzijds, doet het Hof besluiten dat het niet bewezen is dat in de eerst genoemde stukken een accurate inschatting werd gemaakt van de afstand tussen de slagman en J.V. zodat de waarachtigheid van deze stukken, die appellanten als buitengerechtelijke bekentenis wil laten gelden, niet aanvaard wordt. Bij een afstand van 7 meter en meer, zoals in voormelde verklaringen vermeld, is er geen sprake van een onveilige afstand. Het is derhalve niet afdoende bewezen dat L.A. als slagman de bal heeft weggeslagen terwijl J.V. zo dicht stond dat een normaal voorzichtige en bedachtzame sportbeoefenaar-jeugdleidster, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden, alsdan de bal niet zou weggeslagen hebben. Het beweerde misdrijf noch de beweerde onrechtmatige daad van L.A. door het wegslaan van de bal te dezen, zijn door appellanten op afdoende wijze bewezen. 3.
  33. Bij gebreke van bewijs van de aquiliaanse fout van L.A. vorderen appellanten ten onrechte de verzekeringsprestatie van tweede geïntimeerde, de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van L.A.. 3.
  34. Bij gebreke van bewijs van de aquiliaanse fout van L.A., spreken appellanten derde geïntimeerde ten onrechte aan op grond van art. 1384, 3de lid van het Burgerlijk Wetboek, nog ongeacht de vraag of L.A. een aangestelde was van derde geïntimeerde. De eis van appellanten tegen eerste geïntimeerde die wordt aangesproken als verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van derde geïntimeerde komt dan eveneens ongegrond voor. 3.
  35. Appellanten houden nog voor dat hun dochter is toegetreden als lid van de vereniging v.z.w. VVKSM zodat er, volgens hen, een contractuele band bestond waarbij derde geïntimeerde zich verbond om behoorlijk toezicht uit te oefenen op de kinderen en haar activiteiten op een veilige wijze te organiseren. Volgens appellanten is derde geïntimeerde aan deze contractuele verplichting te dezen tekort gekomen. Zij voeren aan dat derde geïntimeerde aansprakelijk is voor elke fout begaan in de organisatie van het jeugdkamp, bij de uitoefening van het toezicht op de kinderen-deelnemers aan het jeugdkamp en voor elke fout van om het even welk lid van de leiding. Het is niet betwist dat J.V. niet-werkend lid was van de vereniging. Het feit dat J.V. tijdens het spel in kwestie verwond geraakte, levert nog geen bewijs van enige contractuele tekortkoming van derde geïntimeerde. De aangehaalde contractuele verbintenissen van derde geïntimeerde zijn geen resultaatverbintenissen. De zorg voor de veiligheid van de deelnemers aan een spel van de jeugdbeweging is aan de zijde van de inrichters een inspanningsverbintenis. Appellanten dragen derhalve nog steeds de last van het bewijs van de beweerde contractuele fouten. Zoals voormeld is geen bewijs geleverd van een fout aan de zijde van L.A. waaruit de contractuele aansprakelijkheid van derde geïntimeerde zou voortspruiten. Appellanten bewijzen evenmin dat het jeugdkamp op onzorgvuldige wijze was georganiseerd. Het feit dat een honkbalspel werd ingericht, noch de wijze waarop dit werd gespeeld, tonen aan dat niet de vereiste inspanningen werden geleverd om in veilige omstandigheden te spelen. 3.
  36. Appellanten falen eveneens in het bewijs van het beweerde onvoldoende toezicht van de leiding op het spel van de kinderen en inzonderheid van J.V.. Het blijkt dat twee leidsters (L.A. en B.B.) en twee foeriers (T.V. en R.D.) aan het spel deelnamen, terwijl nog een leidster (E.V.) aan de kant stond te kijken bij de kinderen die wachtten om in het spel te komen. Het toezicht op het spel was aldus voldoende ingericht. Leidster B.B. verklaarde tijdens het getuigenverhoor onder eed dat zij aan de kinderen gevraagd heeft om achteruit te gaan op een zekere afstand van de slagman om aan hen een kans te geven de weggeslagen bal te pakken en dat de ganse groep, inclusief J.V.naar achteren is gegaan. L.A. legde een gelijkaardige verklaring af tijdens het strafonderzoek. Hiermee tegenstrijdige verklaringen liggen niet voor. Appellanten voldoen dan ook niet aan de last van het bewijs dat L.A. en/of van andere scoutsleidsters het toezicht op de kinderen en op het verloop van het spel niet zouden hebben uitgeoefend zoals een normaal voorzichtige en bedachtzame leidster, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden, dat zou hebben gedaan, of zoals zij dat krachtens de contractuele verbintenissen van derde geïntimeerde gehouden waren te doen. 3.
  37. Appellanten hebben dan ook niet afdoende bewezen dat derde geïntimeerde tekort gekomen is aan haar contractuele verbintenissen. Hun eis tegen derde geïntimeerde is ongegrond. De in ondergeschikte opnieuw ingestelde eis van derde geïntimeerde in vrijwaring ten laste van eerste geïntimeerde is zonder voorwerp. 3.
  38. De in ondergeschikte orde door appellanten gevraagde bijkomende onderzoeksmaatregelen zijn deels overbodig (zie 3.8). In zoverre de identiteit van alle leden van de leiding van de VVKSM 2de Kempen en hun taken binnen de vereniging gevraagd wordt, maken appellanten niet waarschijnlijk dat deze informatie terzake dienend is, vermits zowel het strafdossier als het getuigenverhoor desbetreffend reeds toereikende informatie heeft verstrekt. Appellanten maken het evenmin waarschijnlijk dat geïntimeerden of één van hen in het bezit is van een verklaring met vermelding van de identiteit van de persoon die de aangifte m.b.t. tot het ongeval heeft gedaan en van degene die de brief van 19 juli 2000 heeft ondertekend. De overlegging van het gevraagde kan niet worden bevolen. 3.
  39. Het Hof besluit dat hoe zeer het ongeval dat J.V.overkwam, ook te betreuren is, door appellanten niet is voldaan aan hun bewijslast m.b.t. de contractuele of buitencontractuele fout(en) in oorzakelijk verband met hun schade waarvoor geïntimeerden zouden moeten instaan. 3.
  40. Partijen hebben hun eisen tot verwijzing van de tegenpartij in de proceskosten aangepast en vorderen de toekenning van de rechtsplegingsvergoeding bij de toepassing van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, en het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding. Eerste en tweede geïntimeerde vorderen een rechtsplegingsvergoeding van euro 2
  41. Derde geïntimeerde vordert de toepassing van het basistarief. Appellanten menen dat hoogstens euro 1 200 rechtsplegingsvergoeding toewijsbaar is. Appellanten hebben blijkens hun laatste conclusie in hoger beroep de veroordeling in solidum van de geïntimeerden gevorderd tot de betaling aan ieder van hen van euro 1, provisioneel, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 8 juli 2000, en een medische gerechtelijke expertise om de schade tengevolge van het ongeval nader te onderzoeken. Zij hebben verzocht hen akte te verlenen van de raming van hun vordering op euro 25
  42. Aldus biedt deze eis niet de grondslagen voor de bepaling van de waarde van de vordering. De raming van de omvang van de schade doet daaraan niet af. De vorderingen, zoals ingediend, zijn derhalve niet in geld waardeerbaar zodat de rechtsplegingsvergoeding van euro 1 200 (basistarief) vermeld in art. 3 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 toepasbaar is. OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni
  43. Verklaart het hoger beroep van appellanten toelaatbaar doch ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis mits te steunen op de redengeving zoals voormeld. Verwijst appellanten in de proceskosten in hoger beroep vereffend aan de zijde van ieder van de geïntimeerden op de rechtsplegingsvergoeding van euro 1
  44. Dit arrest werd gewezen door: F. PEETERS Voorzitter K. ALLEGAERT Raadsheer A. VERHAERT Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS A. VERHAERT K. ALLEGAERT F. PEETERS De voorzitter van de tweede kamer heeft dit arrest uitgesproken overeenkomstig art. 782bis, eerste lid Ger.W. in openbare terechtzitting van 19 maart
  45. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080319.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.