← België

ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080423.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080423.3 Rolnummer: 1088 P 2007 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2008-06-18 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-02 17:22 Fiche 1. De rechten van verdediging van een verzetdoende beklaagde die verstek liet gaan ingevolge een foutieve betekening worden niet geschonden indien deze partij ingevolge de ontvankelijkverklaring van het verzet alle mogelijkheden heeft gekregen om zijn verdediging te voeren. De met het verstek verband houdende kosten moeten ten laste van de Belgische Staat worden gelaten. 2. Indien opsporingsambtenaren een huiszoeking uitvoeren in een onroerend goed waaraan meerdere huisnummers zijn toegekend - gegeven dat hen niet bekend was - terwijl zij slechts een huiszoekingsbevel hadden voor één huisnummer, kan de strafrechter via de Antigoon-toets oordelen dat het bewijsmateriaal dat d.m.v. de onregelmatige huiszoeking werd verkregen toch mag worden gebruikt. 3. De bijzondere verbeurdverklaring inzake de inbreuken op het koninklijk besluit van 9 september 1981 betreffende de bescherming van de vogels in het Vlaamse Gewest wordt wat betreft de in beslag genomen vogels en wat betreft de netten, de strikken, het lokaas en de andere tuigen geregeld door artikel 31, eerste lid van de Jachtwet 28 februari 1882. Deze bepaling schrijft voor de feiten die worden bestraft overeenkomstig artikel 34 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991 de verbeurdverklaring van deze goederen voor. Het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu bevat geen eigen regeling inzake de bijzondere verbeurdverklaring zodat de gemeenrechtelijke regeling van de artikelen 42, 1° en 43 van het Strafwetboek van toepassing is. Het is op basis van deze bepalingen niet mogelijk om de bijzondere verbeurdverklaring uit te spreken van een voertuig dat werd gebruikt om vogels te vervoeren en dat geen eigendom is van een veroordeelde. 4. De vordering van VOGELBESCHERMING VLAANDEREN VZW, gesteund op inbreuken op het K.B. van 9 september 1981 betreffende de bescherming van de vogels in het Vlaamse Gewest, beoogt in wezen de vergoeding voor de schade die werd aangebracht aan de collectieve belangen ter verdediging waarvan deze VZW werd opgericht. Het eigen belang waarop deze burgerlijke partij zich beroept is vervat in het algemeen belang. Het inwilligen van de vordering van de burgerlijke partij zou neerkomen op het erkennen van de actio popularis. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Slachtoffers en benadeelden - Burgerlijke vordering STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Verzet (strafrecht) - Algemeen STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Algemeen (bewijs (strafrecht) STRAFRECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (STRAFZAKEN) - Huiszoeking - Algemeen STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Jacht en visvangst - Jacht - Vlaams Gewest Vrije woorden: Strafrecht - vogelbescherming - verzet - rechten van verdediging - Antigoon-toets - huiszoeking - verbeurdverklaring - actio popularis Nota: Tegen de beslissing werd geen cassatieberoep aangetekend Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep te Antwerpen (9de kamer) heeft op 23 april 2008 het volgende arrest uitgesproken: [...] 3. De rechtsgeldigheid van de initiële dagvaarding van de eerste beklaagde

  1. i)De eerste beklaagde blijkt sinds 24 augustus 2004 ingeschreven te zijn op het adres [...]. De inverdenkingstelling van de eerste beklaagde werd aan dit adres toegestuurd (st. 57 en 60). Ook de oproepingen in het kader van de vordering tot regeling der rechtspleging (st. X), die allen dateren van vóór 24 maart 2005, werden aan dat adres toegestuurd (st. XI en XIV).
  2. ii)De eerste beklaagde blijkt sinds 24 maart 2005 te zijn afgeschreven naar het buitenland voor het adres [...] (st. 10 en 37 rechtspleging eerste aanleg). iii) De als dagstelling geldende dagvaarding voor de openbare terechtzitting van 14 februari 2006 werd wat betreft de eerste beklaagde betekend aan de procureur des Konings te Tongeren voorhoudend dat de betrokkene geen gekende woon- of verblijfplaats had in België noch in het buitenland (st. 15 rechtspleging eerste aanleg). Het is deze dagvaarding die aanleiding gaf tot het verstekvonnis d.d. 4 april 2006 (st. 24 rechtspleging eerste aanleg).
  3. iv)Deze dagvaarding werd dan ook niet betekend aan de in het buitenland gekende verblijfplaats van de eerste beklaagde en de betekening ervan geschiedde dan ook onregelmatig.
  4. v)Ingevolge het door de eerste beklaagde aangetekende verzet d.d. 25 april 2006 (st. 25-26 rechtspleging eerste aanleg) tegen het verstekvonnis d.d. 4 april 2006 werd de zaak opnieuw voor de strafrechter gebracht en ingevolge de ontvankelijkverklaring van het verzet van de eerste beklaagde bestaat het verstekvonnis d.d. 4 april 2006 niet langer. De eerste beklaagde kreeg via de verzetsprocedure alle mogelijkheden om zijn verdediging te voeren. De omstandigheid dat hij onregelmatig werd gedagvaard en dat lastens hem ten onrechte een verstekvonnis werd verleend, heeft hem geenszins beroofd van zijn recht van verdediging. Ook de aandacht die door bepaalde pers blijkbaar aan het verstekvonnis werd gegeven, belemmert deze beklaagde op geen enkele wijze in de organisatie van zijn verdediging. De eerste beklaagde kon en kan de hem door artikel 6.3. ERMV verleende rechten, waarvan de naleving moeten worden beoordeeld in het licht van het gehele strafproces, bij de behandeling op verzet en thans ook voor dit Hof ten volle uitoefenen. De andersluidende zienswijze van de eerste beklaagde (cf. beroepsbesluiten, p. 5-7) moet als onjuist worden verworpen.
  5. vi)Aangezien het verstek niet te wijten was aan de eerste beklaagde maar aan de onregelmatige betekening van de dagvaarding moeten de met het verstek verband houdende kosten ten laste van de Belgische Staat worden gelaten, zoals terecht door de eerste beklaagde werd aangevoerd (cf. beroepsbesluiten, p. 7). Dat geldt overigens ook voor de kosten van de dagvaarding voor de openbare terechtzitting van 18 oktober 2005 die wat betreft de eerste beklaagde eveneens ten onrechte aan de procureur des Konings werd betekend (st. 6-7 rechtspleging eerste aanleg). 4. Relevante feitelijke gegevens zoals die uit het strafdossier blijken
  6. i)Nadat een houtvester van de afdeling Bos en Groen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap op 11 oktober 2004 telefonisch was ingelicht dat beide beklaagden betrokken zouden zijn bij het onderbrengen van in Wallonië gevangen vogels en nadat nadere informatie was ingewonnen (st. 1 en 51) werden op bevel van de gevorderde Onderzoeksrechter te Tongeren (st. 2-4) op 15 oktober 2004 huiszoekingen uitgevoerd te [...] H., X-laan 37 en te [...] T., X-steenweg 32.
  7. ii)Door bevoegde opsporingsambtenaren werd het volgende vastgesteld : - de beide beklaagden kwamen omstreeks 14.50 uur toe aan het pand X-laan 37 (grote loods met kantoorachtige voorbouw waar de eerste beklaagde was ingeschreven - st. 51) met de personenwagen OPEL CORSA met nummerplaat XXX XXX ingeschreven op naam van de vriendin van de eerste beklaagde (st. 6) ; - het voertuig PEUGEOT BREAK van de tweede beklaagde stond voor dit pand (st. 51) ; - beide beklaagden begonnen onmiddellijk na hun aankomst met het uitladen van de vogels en het materiaal (st. 6 en 51), waarna de opsporingsambtenaren tussenkwamen ; - in de koffer van de personenwagen OPEL CORSA werden drie grotere sportzakken aangetroffen met daarin 14 lokkooitjes met daarin telkens één lokvogel. Het betrof volgens de gevorderde vogeldeskundige 5 mannelijke goudvinken, 3 vrouwelijke goudvinken, 1 appelvink, 2 sijzen, 1 putter en 2 barmsijzen waarvan er één geringd was (ringnr. BOF20034502C017). Verder werd een plastic witte hamer en verspreid over 2 transportmuiten 14 goudvinken, 1 putter, 6 sijzen en 1 barmsijs aangetroffen. Deze vogels waren niet geringd en vertoonden een onrustig gedrag (st. 50) ; - in een mouwloze groene terreinvest toebehorend aan de tweede beklaagde en die achter het voertuig OPEL CORSA op de stoep lag, zat een mistnet opgerold in de originele verpakking (st. 50) ; - bij de huiszoeking in het pand X-laan 37, meer bepaald in de kamer rechts beneden in de voorbouw, werden naast vogelkooien met niet beschermde vogels tevens 9 lege lokkooitjes, 2 lege transportmuiten en een grote transportmuit met daarin niet geringde en dus illegale goudvinken

(9)en een putter
(1)aangetroffen ; - bij de huiszoeking in de woning van de tweede beklaagde (in de kelder) werden 2 slagijzers voor het opstellen van een slagnet aangetroffen (st. 5 en 48). iii/1) De tweede beklaagde werd verhoord op 15 oktober 2004. Hij gaf toe dat hij die dag vanaf 07.00 u 's morgens in Wallonië (st. 37-39) de eerste beklaagde had vergezeld bij het vangen van vogels, dat de gebruikte lokvogels van de eerste beklaagde waren en dat de gevangen vogels voor de eerste beklaagde bestemd waren. iii/2) De tweede beklaagde gaf verder toe dat het mistnet dat in zijn jaszak werd aangetroffen zijn eigendom was en op 15 oktober 2004 was gebruikt om vogels te vangen (st. 38). iii/3) M.b.t. de bij de huiszoeking in zijn woonst aangetroffen ijzers
(2)om een slagnet te monteren, verklaarde de tweede beklaagde dat hij die niet meer gebruikte (st. 37). Deze slagijzers - metalen beugels die worden bewogen d.m.v. een spiraalveer - waren volgens de verbalisanten nodig voor de opstelling van een slagnet (st. 47).
  1. iv)De eerste beklaagde werd verhoord op 18 oktober 2004. Hij hield voor dat hijzelf geen vogels was gaan vangen maar dat hij de tweede beklaagde in de omgeving van Aarlen/Attert had afgezet en vervolgens had opgehaald. De lokvogels en de 2 transportmuiten zouden van de tweede beklaagde zijn geweest die ze in het voertuig van de vriendin van de eerste beklaagde zou hebben overgeladen. De negen goudvinken die in de woonst van de eerste beklaagde werden aangetroffen waren afkomstig van een eerdere vangst door de tweede beklaagde en hij zou aan de eerste beklaagde hebben gevraagd om deze te verzorgen (st. 32-34).
  2. v)De tweede beklaagde heeft op 28 oktober 2004 zijn verklaring d.d. 15 oktober 2004 herroepen in die zin dat hij de verklaring van de eerste beklaagde d.d. 18 oktober 2004 bevestigde (st. 28 en 47).
  3. vi)De tweede beklaagde houdt thans voor dat zijn eerste verklaring (15 oktober 2004) wel degelijk met de werkelijkheid overeenstemde en dat zijn tweede verklaring (28 oktober 2004) onder druk van de eerste beklaagde werd afgelegd (cf. beroepsbesluiten tweede beklaagde, p. 2). 5. De huiszoeking op het adres x-laan 37 te H. en de regelmatigheid van de bewijsvoering
  4. i)Door de Onderzoeksrechter werd een huiszoekingsbevel afgeleverd voor de woning en aanhorigheden gelegen te [...] H., x-laan 37 (st. 3). De eerste beklaagde heeft het huiszoekingsbevel op 15 oktober 2004 om 14.55 u getekend voor kennisname (st. 9). Bij zijn verhoor op 18 oktober 2004 heeft hij geen opmerkingen gemaakt omtrent de uitgevoerde huiszoeking (st. 31-34). Het is pas op 9 november 2004, na een op 4 november 2004 geformuleerd verzoek tot het afleggen van een aanvullende verklaring (st. 47) dat hij voorhield dat er op het huisnummer 37E een zoeking gebeurde zonder huiszoekingsbevel (st. 31), verweer dat werd herhaald in besluiten (cf. beroepsbesluiten, p. 7-8).
  5. ii)Volgens de door de verbalisanten verstrekte informatie droeg de enige toegangsdeur tot de voorbouw van het onroerend goed het huisnummer 37, gaf die enige voordeur toegang tot één hall waarin alleen kamers met binnendeuren (een keuken, een zitkamer en de kamer met de vogelkooien) op uitkwamen en stonden al die binnendeuren open. Aan de voorgevel van het pand waren wel drie brievenbussen aanwezig wat overeenstemde met de door het gemeentebestuur verstrekte informatie dat het onroerend goed kon worden verhuurd in vier delen (st. 45). iii) Het is dus niet duidelijk - en de eerste beklaagde behoudt op dit vlak eveneens het stilzwijgen - welk gedeelte van de woning en aanhorigheden precies onder de aanduiding Industrielaan 37E vielen. Op basis van de gegevens waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dus niet dat bewijsmateriaal werd aangetroffen en in beslag genomen in een ruimte waarvoor geen huiszoekingsbevel (of een geschreven toestemming) werd verleend.
  6. iv)Zelfs indien zou worden aangenomen dat bewijsmaterieel werd verzameld ingevolge een huiszoeking in het woninggedeelte gekend onder Industrielaan 37E en dat dit bewijsmateriaal op onrechtmatige wijze zou zijn verkregen, leidt dit gelet op de concrete elementen van dit dossier niet tot een bewijsuitsluiting. Immers : - in de gevallen waarin de wetgever niet uitdrukkelijk heeft bepaald welke het lot is van onrechtmatig bekomen bewijs - wat hier het geval is - komt het dit Hof toe de toelaatbaarheid ervan te beoordelen in het licht van de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR, rekening houdende met de elementen van de zaak in haar geheel genomen inbegrepen de wijze waarop het bewijs werd verkregen en de omstandigheden waarin die onrechtmatigheid werd begaan ; - er kan slechts tot bewijsuitsluiting worden besloten - behoudens in het geval de wetgever de nietigheidssanctie zelf zou hebben voorzien, wat hier niet het geval is - wanneer de bewijsverkrijging is aangetast door een gebrek waardoor de betrouwbaarheid ervan wegvalt of waardoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht ; - bij deze afweging kan onder meer rekening worden gehouden met één of meer van de volgende omstandigheden : het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid ; de weerslag op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm zijn beschermd ; de omstandigheid dat de overheid die met de opsporing, het onderzoek en de vervolging van misdrijven is belast al dan niet de onrechtmatigheid opzettelijk heeft begaan; de omstandigheid dat de ernst van de inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt ; het feit dat het onrechtmatig verkregen bewijs alleen een materieel element van het bestaan van de inbreuk betreft ; het feit dat de onregelmatigheid die aan de vaststelling voorafging of daarmee gepaard ging volstrekt onevenredig is met de ernst van die inbreuk ; - het is voor het Hof duidelijk dat in het dossier door de voorgestane onrechtmatigheid geenszins de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal werd aangetast en dat evenmin het recht op een eerlijk proces in gevaar werd gebracht. Er bestaat omtrent de aard en het aantal van de aangetroffen voorwerpen geen betwisting en evenmin over het gegeven dat de eerste beklaagde die onder zich had. De beklaagden kunnen nog steeds elk verweer voeren en hun recht van verdediging werd door de begane onrechtmatigheid op geen enkele wijze ingeperkt ; - het staat vast dat de verbalisanten de voorgestane onrechtmatigheid niet opzettelijk hebben begaan maar dat die een gevolg is van de plaatsgesteldheid (één voordeur, een inrichting die op geen enkele wijze wees op het betrekken van het pand door meerdere afzonderlijk wonende personen). Bovendien heeft de eerste beklaagde die bij het uitvoeren van de huiszoeking aanwezig was en die het huiszoekingsbevel voor kennisname had getekend de verbalisanten op geen enkel ogenblik gewezen op het gegeven dat zij een gedeelte van het onroerend goed betraden, waarvoor geen huiszoekingsbevel was verleend. [...] 8. De straftoemeting [...] iv/1) De bijzondere verbeurdverklaring inzake de inbreuken op het koninklijk besluit van 9 september 1981 betreffende de bescherming van de vogels in het Vlaamse Gewest wordt wat betreft de in beslag genomen vogels en wat betreft de netten, de strikken, het lokaas en de andere tuigen geregeld door artikel 31, eerste lid van de Jachtwet van 28 februari 1882. Deze bepaling schrijft voor de feiten die worden bestraft overeenkomstig artikel 34 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991 de verbeurdverklaring van deze goederen voor. Het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu bevat geen eigen regeling inzake de bijzondere verbeurdverklaring zodat de gemeenrechtelijke regeling van de artikelen 42, 1° en 43 van het Strafwetboek van toepassing is. iv/2) Niettegenstaande de aangetroffen vogels reeds op 15 oktober 2004 werden vrijgelaten (st. 49) overeenkomstig artikel 10 § 2, eerste lid van het koninklijk besluit van 9 september 1981 betreffende de bescherming van de vogels in het Vlaamse Gewest dient het Hof bij toepassing van artikel 31, eerste lid van de jachtwet van 28 februari 1882 lastens de beide beklaagden de bijzondere verbeurdverklaring te bevelen van de 14 lokvogels (5 mannelijke goudvinken, 3 vrouwelijke goudvinken, 1 appelvink, 2 sijzen, 1 putter en 2 barmsijzen), de 22 achter het voertuig OPEL CORSA aangetroffen vogels (14 goudvinken, 1 putter, 6 sijzen en 1 barmsijs) en lastens de eerste beklaagde van de 10 in de woning van de eerste beklaagde aangetroffen vogels (9 goudvinken en 1 putter). iv/3) Op dezelfde gronden dient het Hof de bijzondere verbeurdverklaring uit te spreken lastens de eerste en de tweede beklaagde van de 14 lokkooitjes (n° 2 van de staat van ter plaatse in beslag genomen overtuigingsstukken - st. 42) en lastens de tweede beklaagde van het mistnet (n° 1 van de staat van ter plaatse in beslag genomen overtuigingsstukken - st. 42) en de 2 slagijzers voor een slagnet (n° 1 van de staat van ter plaatse in beslag genomen overtuigingsstukken - st. 41). Deze in beslag genomen goederen worden bewaard bij de Houtvesterij te Hasselt (st. 48 en 49). iv/4) Bij toepassing van de artikelen 42, 1° en 43 van het Strafwetboek dient het Hof de bijzondere verbeurdverklaring te bevelen lastens de eerste beklaagde van de ter plaatse in beslag genomen (st. 42 en 49) twee transportmuiten, drie sporttassen en de plastic hamer (n° 4, 5 en 6 van de staat van ter plaatse in beslag genomen overtuigingsstukken - st. 42), zijnde voorwerpen die gediend hebben om de feiten der tenlasteleggingen A.1. (zoals heromschreven), D.1. (zoals heromschreven) en D.2. (zoals heromschreven) te plegen en die eigendom zijn van de eerste beklaagde. iv/5) Het Hof kan de bijzondere verbeurdverklaring van het voertuig OPEL CORSA 1.2. S met nummerplaat xxx xxx, bouwjaar 00/00/0000, chassisnummer xxx, dat ter plaatse werd in beslag genomen op 15 oktober 2004 (st. 43) en werd gestald bij GARAGE ROBERT, Industrielaan 35G te HOESELT (st. 49) niet bevelen. De verwijzing door het Openbaar Ministerie in de ter openbare terechtzitting van 9 januari 2008 neergelegde nota naar de artikelen 8 en 31, tweede lid van de Jachtwet van 28 februari 1882 is niet dienstig omdat een voertuig dat enkel werd gebruikt om de vogels te vervoeren niet onder te brengen is onder de omschrijving "de netten, de strikken, het lokaas en de andere tuigen" van artikel 31, eerste lid van de Jachtwet van 28 februari 1882. Artikel 8 van de Jachtwet is niet van toepassing op de inbreuken bedoeld door artikel 34 van het jachtdecreet van 24 juli 1991. Een bijzondere verbeurdverklaring overeenkomstig de artikelen 42, 1° en 43 van het Strafwetboek is evenmin mogelijk : weliswaar staat vast dat het voertuig heeft gediend of bestemd was tot het plegen van de feiten der tenlasteleggingen A.1. (zoals heromschreven), C.1. (zoals heromschreven en beperkt tot 14 lokkooien en 1 mistnet) en D.1. (zoals heromschreven) doch er blijkt niet met zekerheid dat de veroordeelden (of één van hen) eigenaar zijn (
  7. is)van dit voertuig. Enig onderzoek naar het eigendomsstatuut van dit voertuig (aankoopfactuur, betaling van de koopprijs, verzekeringsstatuut) werd niet verricht en het blijkt sinds 2 maart 2004 te zijn ingeschreven op naam van J N., zijnde de vriendin van de eerste beklaagde (st. 3 onderkaft verzoekschrift FRANCHIMONT), zodat niet is aangetoond dat de eerste beklaagde er eigenaar van is. [...] 9. De burgerlijke vordering
  8. i)Door het bevoegde orgaan van VOGELBESCHERMING VLAANDEREN VZW werd op 11 december 2004 beslist om zich lastens de beide beklaagden burgerlijke partij te stellen (gevoegd dossier TG.63.99.40-05). Deze VZW stelde zich voor de eerste rechter burgerlijke partij.
  9. ii)In de mate dat de vordering van deze burgerlijke partij is gesteund op de feiten waarvoor thans vrijspraak wordt verleend (wat betreft de eerste beklaagde : de feiten der tenlasteleggingen A.2. (zoals heromschreven), B.1. (zoals heromschreven), E.1. (zoals heromschreven) en E.2. (zoals heromschreven) ; wat betreft de tweede beklaagde : de feiten der tenlasteleggingen B.1. (zoals heromschreven), B.2. (zoals heromschreven) en E.1 (zoals heromschreven) is het Hof niet bevoegd om van die vordering kennis te nemen. iii/1) Door de burgerlijke partij wordt voorgehouden dat de bewezen verklaarde feiten haar zowel moreel als materieel hebben benadeeld en zij wijst daarvoor naar haar statutaire doelstellingen zoals onder meer omschreven in de artikelen 1, 2, 3 a),
  10. b)en
  11. h)en 7 van haar statuten (st. 16 rechtspleging eerste aanleg ; gevoegd dossier TG.63.99.40-05). iii/2) Volgens artikel 1 van de statuten is de burgerlijke partij actief in het Vlaamse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Zij heeft volgens artikel 2 tot doel om in het werkingsgebied iedere actie of activiteit te ontplooien die bijdraagt tot de verbetering van de bescherming, het behoud, het welzijn, het statuut, het leefgebied en de studie van iedere in het wild levende vogelsoort die voortkomt in het werkingsgebied, waarbij het geen rol speelt of deze soort behoort tot de Vlaamse, Europese of mondiale avifauna en zij heeft tevens tot doel de gemeenschappelijke belangen, rechten en eisen van leden op het vlak van vogelbescherming en wat ermee samen gaat, ook in rechte, te verdedigen. Daartoe kan de vereniging volgens artikel 3 a),
  12. b)en
  13. h)zonder beperking en met alle mogelijke wettelijke middelen iedere daad stellen en bepaalde prioriteiten nastreven waaronder het beperken van de oorzaken van het verminderen en of uitsterven van iedere in het wild levende vogel- en andere diersoort en hun ondersoorten, de strikte toepassing eisen - voor zover wettelijk toegelaten - van iedere wettelijke beschikking, van welke aard ook, met betrekking tot de bescherming en of het behoud van wilde soorten en alle nuttige stappen zetten bij bevoegde overheden, controlebeambten, verbaliserende en gerechtelijke instanties om een strikte toepassing van de wettelijke beschermingsmaatregelen van de wilde soorten te bekomen. Volgens artikel 7 van de statuten heeft de vereniging eveneens tot doel om haar doelstellingen in rechte te verdedigen en te verwezenlijken en om vergoeding te eisen wegens schade toegebracht aan in het wild levende vogelsoorten en hun leefgebieden en wanneer vogels of andere wilde diersoorten onterecht gevangen, bejaagd of op een andere wijze geschaad worden. iv/1) Het Hof moet de stelling van de beklaagden dat niet is aangetoond dat de burgerlijke partij schade heeft geleden in de zin van artikel 3 van de Voorafgaande Titel bij het Wetboek van Strafvordering (cf. beroepsbesluiten eerste beklaagde, p. 10-12 ; beroepsbesluiten tweede beklaagde, p. 3) bijtreden. iv/2) Een rechtspersoon zoals de burgerlijke partij kan in beginsel wel degelijk persoonlijke schade lijden hetzij materieel via de aantasting van haar vermogen hetzij moreel via een aantasting van haar goede naam of reputatie. iv/3) Het Hof moet echter vaststellen dat de thans te beoordelen vordering van de burgerlijke partij niet strekt tot de vergoeding van dergelijke schade. Zij beoogt in wezen slechts de vergoeding voor de schade die werd aangebracht aan de collectieve belangen ter verdediging waarvan de burgerlijke partij werd opgericht. Een aantasting van die belangen levert voor de burgerlijke partij geen persoonlijke schade op. Noch de artikelen 23 en 27 van de Grondwet, noch artikel 11 EVRM, noch artikel 714 van het Burgerlijk Wetboek, noch de Wet van 12 januari 1993 dat aan milieuverenigingen bepaalde vorderingsrechten heeft toegekend, noch het Verdrag van Aarhus, noch de richtlijn 2004/35/EG m.b.t. milieuaansprakelijkheid (cf. beroepsbesluiten burgerlijke partij, p. 7), noch de geciteerde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en de Raad van State (cf. beroepsbesluiten burgerlijke partij, p. 9), noch de geciteerde andersluidende rechtspraak van hoven en rechtbanken (cf. beroepsbesluiten burgerlijke partij, p. 10) laten toe tot een ander oordeel te komen. Niet relevant is dat de burgerlijke partij "een rechtsgeldig, moreel belang" nastreeft of nog dat een rechtspersoon morele schade kan leiden (cf. beroepsbesluiten, p. 7) doch wel dat zij als rechtspersoon zelf geen eigen schade heeft geleden. Het eigen belang waarop de burgerlijke partij zich beroept is vervat in het algemeen belang. Het inwilligen van de vordering van de burgerlijke partij zou neerkomen op het erkennen van de actio popularis. De vordering van de burgerlijke partij moet dan ook als onontvankelijk worden afgewezen zonder dat het Hof dient in te gaan op de overige door de partijen omtrent de burgerlijke vorderingen aangevoerde argumenten.
  14. v)De kosten van de burgerlijke vordering blijven ten laste van de burgerlijke partij. [...] PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080423.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.