← België

ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080430.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 30 april 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080430.6 Rolnummer: 2007AR2184 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-12-11 Raadplegingen: 152 - laatst gezien 2026-07-02 17:24 Fiche De grondrechten, zoals deze die door appellanten worden aangewezen, gaan oorspronkelijk uit van de verticale verhouding tussen de burger en de overheid of het openbaar gezag. Ze zijn geworteld in de Grondwet en in mensenrechtenverdragen en slaan in beginsel op publieke rechten die de burgers t.o.v. de overheid toekomen. De waarden, die door diezelfde grondrechten beschermd worden, betreffen fundamentele waarden in de samenleving zodat ze doorwerken in de interpersoonlijke relaties en derhalve ook bescherming verdienen binnen de privaatrechtelijke sfeer. In zoverre omschrijven de grondrechten niet alleen mensenrechten maar ook persoonlijkheidsrechten, waarvan personen de rechtsbescherming kunnen inroepen en, daarmee verbonden, de nakoming ervan ten overstaan van andere personen door middel van rechterlijke tussenkomst kunnen afdwingen. In die zin genieten de voormelde grondrechten ook een horizontale werking of een derdenwerking tussen de burgers onderling. Deze derdenwerking functioneert echter onrechtstreeks. Aan de onrechtstreekse derdenwerking wordt uitwerking gegeven door middel van de strafrechtelijke beteugeling of door middel van de civielrechtelijke sanctionering met toepassing van de algemene zorgvuldigheidsnorm (art. 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek). UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Schending grondrechten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Rechten en vrijheden Vrije woorden: Grondrechten - horizontale werking/afdwingbaarheid tussen burgers - foutbegrip - algemene zorgvuldigheidsnorm Tekst van de beslissing Nummer: Rep. nr.: 2008/ Zitting van: 30 april 2008 Eindarrest Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2007/AR/2184 1.M.E., en zijn echtgenote

  1. F.O., beiden handelend zowel in eigen naam als in hun hoedanigheid van wettige vertegenwoordigers van hun minderjarige dochter J.E., appellanten, beiden vertegenwoordigd door Mr. COVELIERS Hugo, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Edelinckstraat 17 tegen het vonnis gewezen op 28 juni 2007 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tegen H.B., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. PLATTEAU Johan, advocaat te 2020 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 210 ***
  2. Wat voorafgaat. 1.
  3. Op 8 november 2006 hebben M.E. en zijn echtgenote F.O., handelend in eigen naam en als wettige vertegenwoordigers van hun minderjarige dochter J.E. een dagvaarding uitgebracht tegen H.B. om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Zij hebben in die dagvaarding uiteengezet dat H.B. door de strafrechter (Hof van beroep Antwerpen 11 maart 2003) veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van 4 jaar wegens feiten van verkrachting en andere zedendelicten door hem gepleegd op F.O. en de minderjarige J.E.. Zij hebben voorgehouden dat H.B. zijn straf heeft ondergaan en terug in vrijheid werd gesteld (op 13 oktober 2006), waarna hij zijn intrek heeft genomen bij zijn gezin en in zijn woning te .... Deze woning is gelegen op korte afstand van de woning van de familie E. die woont te ... . Volgens de consorten E. worden moeder en dochter dagelijks geconfronteerd met hun verkrachter die zich uitdagend zou gedragen. Volgens hen is aldus een mensonwaardige situatie ontstaan die strijdt met hun grondrechten (art. 22, 22bis en 23 Grondwet, het kinderrechtenverdrag, het EVRM). Zij vorderden dat aan H.B. het verbod zou worden opgelegd om zich nog te vertonen binnen een straal van 5 km rond hun woning onder de verbeurte van een dwangsom van euro 1 000 per overtreding. 1.
  4. H.B. heeft betwist dat hij zich na zijn vrijlating op één of andere wijze foutief zou hebben gedragen tegenover de aanleggers. Hij heeft voorgehouden zijn straf te hebben ondergaan en ook de morele vergoedingen aan de slachtoffers van zijn misdrijven te hebben uitgekeerd. 1.
  5. Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 28 juni 2007 heeft de eis van de consorten E. toelaatbaar doch ongegrond verklaard. De aanleggers werden verwezen in de proceskosten. De eerste rechter oordeelde dat de strafrechter zich reeds uitsprak over de morele schade van aanleggers uit oorzaak van de misdrijven van H.B. en dat het gevorderde strekt tot herstel van morele schade veroorzaakt door diezelfde misdrijven. Vermits, volgens de eerste rechter, niet werd bewezen dat de schade in kwestie andere schade is dan degene waarover de strafrechter reeds uitspraak deed, was de eis niet toewijsbaar. De eerste rechter haalde ook aan dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het gevraagde verbod en dat geen bewijs is geleverd van de beweerde foutieve gedragingen van de gedaagde. 1.
  6. M.E. en F.O., handelend als voormeld, hierna appellanten genoemd, stelden een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 25 juli
  7. De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 18 maart
  8. De eisen in hoger beroep. 2.
  9. Appellanten vorderen dat hun oorspronkelijke eis bij hervorming van het beroepen vonnis integraal zou worden toegekend. Zij verzoeken geïntimeerde te verwijzen in de proceskosten van beide aanleggen. 2.
  10. H.B. , hierna geïntimeerde genoemd, concludeert tot de afwijzing van het hoger beroep van appellanten als ongegrond met hun verwijzing in de proceskosten en vordert hen te veroordelen tot de ten onrechte geïnde dwangsommen en uitvoeringskosten. Geïntimeerde heeft bij tegeneis in hoger beroep de veroordeling gevorderd van appellanten tot de betaling van een schadevergoeding van euro 3 000 wegens tergend en roekeloos hoger beroep. 2.
  11. Appellanten vorderen de afwijzing van de tegeneis van geïntimeerde.
  12. De beoordeling. De aard van de vordering van appellanten 3.
  13. Appellanten drukken hun eis uit als volgt: "... te zeggen voor recht dat aan H.B.een verbod wordt opgelegd zich aan concluanten te vertonen of zich te vestigen binnen een straal van 5 kilometer van de woning van zijn slachtoffers J.E. en F.O.. Geïntimeerde te veroordelen tot verbeurte van een dwangsom van 1 000 euro per keer dat hij zich binnen deze straal vertoont..." Appellanten houden voor de herstelling te vorderen van de schade die zij lijden door het foutieve optreden van geïntimeerde, erin bestaande dat hij na het ondergaan van zijn gevangenisstraf terug is gaan wonen op nauwelijks 100m van hun woonplaats. Zij laten de beweerde herstelverplichting steunen op hun, door geïntimeerde geschonden grondrechten wegens de schending zelf van die grondrechten en/of wegens de aquiliaanse aansprakelijkheid van geïntimeerde. In eerste aanleg werd geoordeeld dat de eis van appellanten betrekking heeft op het herstel van morele schade, die voortkomt uit de misdrijven van geïntimeerde en die reeds voorwerp was van de beoordeling door de strafrechter. De eerste rechter heeft verwezen naar het strafgeding ten laste van geïntimeerde, waarin appellanten zich burgerlijke partij hebben gesteld en zowel in eigen naam als namens hun minderjarige dochter J.E. vergoeding verkregen voor o.m. de morele schade, ontstaan uit oorzaak van de misdrijven van geïntimeerde. Geïntimeerde treedt de redengeving van de eerste rechter bij. Hij voegt eraan toe dat hij voor de misdrijven in kwestie strafrechtelijk definitief werd veroordeeld en dat hij zijn straf ondertussen heeft ondergaan. Hij voegt daar nog aan toe dat appellanten, volgens hem, een bijkomende straf vorderen. 3.
  14. Geïntimeerde voert ten onrechte aan dat het gevorderde een bijkomende straf zou impliceren. De vordering van appellanten beoogt alleen het privaatrechtelijk herstel van, volgens hen, door geïntimeerde geschonden subjectieve rechten. De feitelijke grondslag van hun eisen betreft gebeurtenissen na de misdrijven, waarvoor geïntimeerde werd vervolgd en veroordeeld, en zelfs nadat hij de hem daarvoor opgelegde straf had ondergaan. Het gevorderde betreft een specifieke vorm van schadeherstel die de rechter als de meest aangewezen herstelmaatregel kan beoordelen en die kan bestaan in een bevel of een verbod om bepaalde handelingen te stellen. Zo'n eis staat volledig los van de toepassing van de strafwet en van de uitoefening van de strafvordering. Het gezag van het rechterlijk gewijsde . 3.
  15. Volgens de eerste rechter vorderen appellanten het herstel van dezelfde morele schade, waarover de strafrechter reeds oordeelde. De eis van appellanten zou daarom niet kunnen worden ingewilligd. Krachtens art. 25 van het Gerechtelijk Wetboek verhindert het gezag van het rechterlijk gewijsde dat een vordering opnieuw wordt ingesteld. Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich volgens art. 23 van het Gerechtelijk Wetboek niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Daarbij wordt vereist dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid is gedaan. De strafrechter heeft geoordeeld over de eis van appellanten, optredend in dezelfde hoedanigheid als in onderhavige zaak, ingesteld tegen geïntimeerde tot vergoeding van de morele schade die zij leden uit oorzaak van de misdrijven van geïntimeerde. Daarover werd slechts door het arrest van dit Hof van 11 juni 2003 definitief geoordeeld ten aanzien van tweede appellante in eigen naam voor de morele schade die zij leed door de feiten waarvan zij zelf het slachtoffer was. Over de eisen tot morele schadevergoeding van appellanten in hun hoedanigheid van vertegenwoordigers van hun minderjarige dochter en in hun eigen naam voor de schade die zij leden bij weerkaatsing ten gevolge van het leed van hun dochter, werd door dit Hof uitspraak gedaan bij wijze van veroordeling van geïntimeerde tot betaling van provisionele schadevergoedingen. Deze uitspraak sloeg in eerste orde op de morele schade die bestond op het ogenblik van die uitspraak. Volgens de bewoordingen van voormeld arrest werd ook rekening gehouden met toekomstige morele schade die nog zou voortkomen uit de aan geïntimeerde ten laste gelegde feiten, die zich pas na de uitspraak zou manifesteren of naar omvang slechts dan begrootbaar zou zijn. Het wordt door geïntimeerde echter niet aangetoond dat de schade die thans het voorwerp vormt van de onderhavige schade-eis van appellanten, door de eerste rechter reeds als toekomstige schade werd beoordeeld. Niet alleen is niet aangetoond dat de feiten die appellanten thans ten grondslag van hun schadeclaim leggen, en die zich voltrokken jaren na de uitspraak van de strafrechter, reeds voorwerp waren van het debat voor de strafrechter, maar er is bovendien niet aangetoond dat deze feiten op het tijdstip van de uitspraak van de strafrechter met voldoende zekerheid vaststonden. Het was louter hypothetisch dat geïntimeerde zich na de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf opnieuw zou vestigen in de omgeving van de woonplaats van appellanten. Geïntimeerde blijft dan ook in gebreke te bewijzen dat de onderhavige eis van appellanten hetzelfde voorwerp heeft als de destijds door hen ingediende eisen als burgerlijke partij, dat de strafrechter, zelfs indien de toegekende vergoedingen ook sloegen op toekomstige schade, reeds oordeelde over de vorderingen die appellanten te dezen indienen, en dat het gezag van het rechterlijk gewijsde dat kleeft aan het arrest van dit Hof van 11 juni 2003 de onderhavige vorderingen in de weg zouden staan. De bescherming van de grondrechten. 3.
  16. Appellanten houden voor dat geïntimeerde, nadat hij zijn gevangenisstraf had ondergaan, zich terug heeft gevestigd in hun onmiddellijke omgeving, in dezelfde straat, zeven huizen verwijderd van hun eigen woning. Zij verklaren sedertdien op straat geregeld geconfronteerd geweest te zijn met geïntimeerde. Zij voeren aan dat dergelijke, voor hen bijzonder kwetsende confrontaties met hun verkrachter onvermijdelijk in de toekomst nog zeer frequent zullen voorkomen. Zij beweren dat geïntimeerde zich daarbij provocerend gedraagt. Appellanten laten gelden dat deze toestand, die nog steeds voortduurt, een schending inhoudt van hun grondrechten, meer in het bijzonder: - van hun recht op de eerbiediging van hun privé-leven en van hun gezinsleven (art. 22 van de Grondwet), - van het recht van de minderjarige J.E. op de eerbiediging van haar morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit (art. 22bis van de Grondwet), - van hun recht op een menswaardig leven, inzonderheid m.b.t. een behoorlijke huisvesting en hun culturele en maatschappelijke ontplooiing (art. 23 van de Grondwet). Appellanten verwijzen eveneens naar hun rechten zoals beschermd door art. 8 EVRM en art. 17 BUPO. Appellanten maken aanspraak op de horizontale werking van de door hen aangewezen grondrechten. 3.
  17. De grondrechten, zoals deze die door appellanten worden aangewezen, gaan oorspronkelijk uit van de verticale verhouding tussen de burger en de overheid of het openbaar gezag. Ze zijn geworteld in de Grondwet en in mensenrechtenverdragen en slaan in beginsel op publieke rechten die de burgers t.o.v. de overheid toekomen. De waarden, die door diezelfde grondrechten beschermd worden, betreffen fundamentele waarden in de samenleving zodat ze doorwerken in de interpersoonlijke relaties en derhalve ook bescherming verdienen binnen de privaatrechtelijke sfeer. In zoverre omschrijven de grondrechten niet alleen mensenrechten maar ook persoonlijkheidsrechten, waarvan personen de rechtsbescherming kunnen inroepen en, daarmee verbonden, de nakoming ervan ten overstaan van andere personen door middel van rechterlijke tussenkomst kunnen afdwingen. In die zin genieten de voormelde grondrechten ook een horizontale werking of een derdenwerking tussen de burgers onderling. Deze derdenwerking functioneert echter onrechtstreeks. De rechtstreekse horizontale werking zou impliceren dat iedere inbreuk op de grondrechten in kwestie in de privaatrechtelijke sfeer ipso facto de plicht tot rechtsherstel zou doen ontstaan op het gevaar af alzo in vele gevallen o.m. het aansprakelijkheidsrecht buiten werking te stellen. Aan de onrechtstreekse derdenwerking wordt uitwerking gegeven door middel van de strafrechtelijke beteugeling (bv. art. 392 e.v. Strafwetboek) of door middel van de civielrechtelijke sanctionering met toepassing van de algemene zorgvuldigheidsnorm (art. 1382-1383 van het Burgerlijk Wetboek). Voor deze laatste norm, die te dezen voor toepassing in aanmerking komt, moet het gewraakte feitelijke gedrag van betrokkene worden getoetst aan het optreden van een normaal voorzichtig en bedachtzaam persoon, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden. Inbreuk op de algemene zorgvuldigheidsnorm. 3.
  18. Appellanten menen dat geïntimeerde onrechtmatig handelt door provocerend optreden sedert hij op 13 oktober 2006, na het ondergaan van zijn gevangenisstraf, terug is gekeerd in zijn oude omgeving, d.i. in hun nabijheid. Zij houden voor dat geïntimeerde hen dagelijks uitdaagt. Zij beweren dat geïntimeerde hen door zijn optreden erop zou wijzen dat de feiten van verkrachting door henzelf werden uitgelokt en dat hij daarvan het onschuldig slachtoffer werd. Zij voeren aan dat geïntimeerde nog steeds verkondigt dat het hem toegelaten is vrouwen als minderwaardig te beschouwen en dus seksueel te misbruiken. Geïntimeerde betwist dat hij een provocerende houding zou hebben aangenomen. Hij beweert dat hij iedere confrontatie uit de weg gaat. Het vaststaande feit buiten beschouwing gelaten dat geïntimeerde onmiddellijk na het einde van zijn gevangenisstraf terug is komen wonen in de nabijheid van appellanten, falen laatst genoemden in hun bewijs van andere feiten die zij als provocerend en kwetsend omschrijven. Aldus blijft enkel de vraag over of geïntimeerde een onrechtmatigheid pleegde en nog pleegt louter door sedert 13 oktober 2006 terug te komen wonen en te blijven wonen op zijn voormalige woonplaats, op zeven huizen in dezelfde straat waarin appellanten wonen. 3.
  19. Het blijkt dat geïntimeerde vóór en ten tijde van de feiten waarvoor hij vervolgd en veroordeeld werd, woonde te ... . Hij kocht deze woning op 30 mei
  20. Hij vestigde er zijn woonplaats vanaf 10 september 1996 en woont er sedertdien samen met zijn echtgenote en, inmiddels, 5 kinderen. Het blijkt eveneens dat appellanten vóór, ten tijde van de misdrijven van geïntimeerde waarvan zij het slachtoffer werden, en nu nog wonen te ... , of zeven huizen verwijderd van de woonplaats van geïntimeerde. Geïntimeerde heeft een gevangenisstraf ondergaan van 4 jaar en keerde vanaf 13 oktober 2006 terug naar zijn gezin op voormelde woonplaats. Geïntimeerde werd alsdan geconfronteerd met botsende grondrechten en op zich rechtmatige belangen. Enerzijds weet hij, of moet hij alleszins weten, dat de terugkeer naar zijn woonplaats onvermijdelijk aanleiding geeft tot, al was het maar toevallige confrontaties met zijn slachtoffers. Hij heeft trouwens niet betwist dat deze ontmoetingen reeds hebben plaats gehad. Hij weet, of moet alleszins weten dat deze ontmoetingen, hoe toevallig en vluchtig ook, psychisch leed veroorzaken bij zijn slachtoffers, in het bijzonder bij de minderjarige J.E.. Anderzijds staat geïntimeerde voor de noden en de behoeften van zijn gezin. Het is ontegensprekelijk dat zijn gezinsleden een rechtmatig en door geïntimeerde in acht te nemen belang kunnen laten gelden door het behoud van hun sedert jaren gevestigde woonplaats, waar zij hun sociale integratie hebben uitgebouwd. Het is aan de zijde van geïntimeerde tevens een rechtmatig verlangen zich na zijn gevangenisstraf terug met zijn gezin te herenigen. Zich elders alleen vestigen zou de feitelijke scheiding van zijn gezin meebrengen. Een gezamenlijke verhuizing zou de desintegratie van zijn gezinsleden, weg van hun vertrouwde omgeving, veroorzaken. De verhuizing van geïntimeerde zou bij zijn gezinsleden, die op een andere maar ook reële wijze slachtoffer zijn van zijn misdrijven, belangrijke bijkomende materiële en morele schade veroorzaken. Appellanten tonen niet aan dat een normaal voorzichtig en bedachtzaam persoon, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden van botsende rechten en plichten zoals dit te dezen het geval is voor geïntimeerde, anders zou handelen dan geïntimeerde heeft gedaan en nog doet, met name zich na zijn gevangenisstraf terug te gaan vestigen bij zijn gezin in zijn eigen woning, ook al is dit in de omgeving van de woonplaats van zijn slachtoffers. Bij gebrek aan bewijs van het foutieve karakter van het aan geïntimeerde verweten optreden, is de eis van appellanten niet gegrond. De tegeneis van geïntimeerde - tergend en roekeloos geding 3.
  21. Geïntimeerde vordert de veroordeling van appellanten tot de betaling van een schadevergoeding van euro 3 000 wegens tergend en roekeloos procederen. Deze tegeneis is overduidelijk ongegrond. Appellanten zijn uitgegaan van de realiteit van morele schade ten gevolge van de confrontatie met geïntimeerde. In hun overtuiging dat die schade werd veroorzaakt door de fout van geïntimeerde, schuilt geen roekeloze of tergende houding. Zij hebben een rechtmatig belang nagestreefd, ook al zijn ze niet geslaagd in het bewijs van de beweerde fouten van geïntimeerde. Tegeneis van geïntimeerde - de terugbetaling van geïnde dwangsommen en uitvoeringskosten. 3.
  22. Geïntimeerde vordert in het vorderende gedeelte van zijn conclusie in hoger beroep appellanten te veroordelen tot: "... ten onrechte geïnde dwangsommen en de uitvoeringskosten daaraan verbonden". Geïntimeerde laat na zijn eis te begroten. Klaarblijkelijk betreft het dwangsommen die door appellanten werden geïnd bij uitvoering van de beschikking in kort geding van 14 februari
  23. Deze dwangsommen zijn geïnd op grond van een geldige titel en zijn veroorzaakt door de niet-naleving door geïntimeerde van een rechterlijk bevel. Het is geenszins aangetoond door geïntimeerde dat deze sommen ten onrechte werden geïnd. Daaraan doet de uitspraak over de grond van de zaak niet af. De proceskosten. 3.
  24. Partijen hebben ter terechtzitting van 18 maart 2008 hun eisen tot verwijzing van de tegenpartij in de proceskosten aangepast en vorderen de toekenning van het basistarief van de rechtsplegingsvergoeding bij de toepassing van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, en het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding. Rekening houdend met de afwijzing van het hoger beroep doch ook met de afwijzing van de tegeneis worden de kosten van het geding in hoger beroep tussen partijen verdeeld in die zin dat het rolrecht ten laste van appellanten blijft en de rechtsplegingsvergoedingen worden gecompenseerd. OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni
  25. Verklaart het hoger beroep van appellanten toelaatbaar doch ongegrond. Bevestigt het beroepen vonnis in alle beschikkingen op grond van voormelde gewijzigde redengeving. Verklaart de tegeneisen van geïntimeerde toelaatbaar doch ongegrond. Verwijst appellanten en geïntimeerde ieder in een deel van de proceskosten in hoger beroep in die mate dat het rolrecht van euro 186 ten laste van appellanten blijft en de rechtsplegingsvergoedingen elkaar compenseren. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 30 april
  26. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. VAN HAELST Raadsheer I. COUWENBERG Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS I. COUWENBERG K. VAN HAELST F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080430.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.