id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 28 mei 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080528.2 Rolnummer: 275 P 2008 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2008-06-17 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-02 17:34 Fiche 1. De curator is een persoon belast met een openbare dienst en derhalve een persoon die een openbaar ambt uitoefent in de zin van artikel 240 van het Strafwetboek. 2. De door de rechtbank van koophandel bij toepassing van artikel 177sexies van de bij koninklijk besluit van 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, thans artikel 182 van het Wetboek van vennootschappen, aangestelde vereffenaar is eveneens een persoon is die een openbaar ambt uitoefent in de zin van artikel 240 van het Strafwetboek. 3. Verduistering bedoeld door artikel 240 van het Strafwetboek is een aflopend misdrijf dat zich voltrekt op het ogenblik dat hij die de gelden die hij uit kracht of uit hoofde van zijn bediening onder zich heeft, heeft verduisterd, dit wil zeggen heeft afgewend van hun normale bestemming. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare orde door ambtenaren - Verduistering STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Faillissement Vrije woorden: Openbaar ambtenaar - Ontrouw in het beheer door de curator Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 240 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: Tegen de beslissing werd geen cassatieberoep aangetekend Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep te Antwerpen (9de kamer) heeft op 28 mei 2008 het volgende arrest uitgesproken: [...] 4. De omschrijving van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten 4.1. De feiten der tenlastelegging A.I. en A.II..
- i)Met de eerste rechter (F° 3, derde en vierde laatste alinea) is het Hof van oordeel dat de beklaagde respectievelijk als curator (tenlastelegging A.II.) en als door de rechtbank van koophandel bij toepassing van artikel 177sexies van de bij koninklijk besluit van 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen (thans artikel 182 van het Wetboek van vennootschappen) aangestelde vereffenaar een persoon is die een openbaar ambt uitoefent in de zin van artikel 240 van het Strafwetboek. ii/1) Er kan geen betwisting over bestaan dat de curator een persoon is belast met een openbare dienst. Hij wordt immers door de openbare macht (meer bepaald de rechtbank van koophandel) gelast met de bewaring en het beheer van een ingevolge faillietverklaring onbeheerd vermogen en hij dient onder toezicht van de rechtbank van koophandel en de rechter-commissaris het patrimonium van de gefailleerde te beheren, dit vermogen weder samen te stellen, dit vermogen te realiseren en de opbrengst vervolgens te verdelen met inachtname van de wettelijke regels van de voorrang. ii/2) Ook de vereffenaar die bij toepassing van artikel 177sexies van de bij koninklijk besluit van 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen (thans artikel 182 van het Wetboek van vennootschappen) door de rechtbank van koophandel wordt aangesteld om de vereffening te organiseren van een niet meer actieve vennootschap waarvan de rechtbank de ontbinding heeft bevolen, is een persoon belast met een openbare dienst. Hij wordt door de rechtbank aangewezen, brengt bij de rechtbank verslag uit en legt in voorkomend geval aan de rechtbank een overzicht voor van de waarden van de vennootschap en het gebruik ervan, volgt de door de Koning uitgewerkte procedure voor de consignatie van de activa van de vennootschappen en het is ten slotte de rechtbank die de afsluiting van de vereffening uitspreekt. iii) In de tekst van artikel 240 van het Strafwetboek, zoals van toepassing tot de wijziging door artikel 3 § 1 van de Wet van 10 februari 1999 betreffende de bestraffing van corruptie, was voorzien dat "ieder openbaar officier of ambtenaar, ieder met een openbare dienst belast persoon" dit misdrijf kon plegen. Met deze wetswijziging heeft de wetgever geopteerd voor de algemene omschrijving van "iedere persoon die een openbaar ambt uitoefent" voorhoudende dat zo de tekst meer verteerbaar kon worden gemaakt en controverses over het toepassingsgebied konden worden voorkomen. De wetgever heeft bij de parlementaire besprekingen uitdrukkelijk aangegeven dat het geenszins de bedoeling was om het personeel toepassingsgebied van deze bepaling te wijzigen (Parl. St. Senaat, 1997-98, nr. 107/4, 10-11 en 107/5, 13 ; Parl. St. Kamer, 1997-98, nr. 1664/3, 5 en 13). Zij die te beschouwen zijn als personen met een openbare dienst vallen dus ontegensprekelijk onder de notie "iedere persoon die een openbaar ambt uitoefent". De omstandigheid dat de curator en de door de rechtbank van koophandel aangestelde vereffenaar voor niet meer actieve vennootschappen hun ambt slechts tijdelijk en specifiek voor een bepaalde onderneming uitoefenen doet aan die vaststelling geen afbreuk. Er is dan ook geen reden om de feiten der tenlasteleggingen A.I. en A.II. te heromschrijven als een inbreuk op artikel 491 van het Strafwetboek. 4.2. De tijdsbepaling van de feiten der tenlasteleggingen
- i)Het Openbaar Ministerie bij het Hof heeft zowel wat betreft de feiten der tenlastelegging A als B een aanpassing gevraagd van de algemene tijdsbepaling, die zowel voor de tenlasteleggingen A.I., A.II. als B was voorzien (cf. nota van het Openbaar Ministerie, punt 1). ii/1) Verduistering is een aflopend misdrijf dat zich voltrekt op het ogenblik dat hij die de gelden die hij uit kracht of uit hoofde van zijn bediening onder zich heeft verduisterd, dit wil zeggen heeft afgewend van hun normale bestemming. ii/2) M.b.t. de feiten der tenlastelegging A.I. is blijkens de dossiergegevens de verduistering - voor zover bewezen - te situeren op niet nader te bepalen data tussen 15 december 1999 (tijdstip van aanstelling als vereffenaar) en 11 maart 2006 ii/3) M.b.t. de feiten der tenlastelegging A.II. is blijkens de dossiergegevens de verduistering - voor zover bewezen - te situeren tussen 24 april 2001 en 11 maart 2006. De door de Onderzoeksrechter te Brussel in het voordeel van de failliete boedel vrijgegeven gelden zouden door de beklaagde zijn aangewend voor persoonlijke uitgaven op 25 april 2001, 10 januari 2002, 15 maart 2002, 5 juli 2002, 16 juli 2002, 24 oktober 2002, 12 mei 2003, 16 juni 2003, 9 juli 2003, 20 augustus 2003, 3 oktober 2003, 4 november 2003, 29 december 2003, 22 januari 2004, 17 maart 2004, 11 mei 2004, 18 mei 2004, 9 juli 2004, 19 juli 2004, 31 augustus 2004, 5 oktober 2004, 9 november 2004, 19 januari 2005, 25 februari 2005, 1 maart 2005, 4 april 2005, 28 april 2005, 11 mei 2005, 3 juni 2005, 14 juni 2005, 13 juli 2005, 3 augustus 2005, 26 september 2005 en 10 maart 2006 (st. 469 en 570). iii) De aan de beklaagde met de tenlastelegging B verweten ontrouw in zijn beheer als curator van het faillissement van RAMOIL BVBA bestaat in de hem verweten verduisteringen, die door hun aard een aflopend karakter hebben. De beklaagde wordt blijkens de beschikking tot verwijzing (st. 647) en de als dagstelling geldende dagvaarding (st. 651) niet vervolgd voor andere daden van ontrouw in het beheer, zoals het niet opstellen van activiteitenverslagen of door de ontvangen gelden niet te hebben geplaatst op een aparte faillissementsrekening (cf. nota van het Openbaar Ministerie, punt 1). Er kan dan ook niet worden ingegaan op het door het Openbaar Ministerie bij dit Hof geformuleerde verzoek om de tenlastelegging B te omschrijven als een voortdurend misdrijf.
- iv)De tijdsbepaling van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten moet dan ook als volgt worden aangepast : - tenlastelegging A.I. : "tussen 15 december 1999 en 11 maart 2006, op niet nader te bepalen data, in meerdere malen" ; - tenlasteleggingen A.II. en B : "tussen 24 april 2001 en 11 maart 2006, in meerdere malen, het laatste feit gepleegd zijnde op 10 maart 2006" ; [...] PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080528.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div