id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 11 juni 2008 ECLI nr: ECLI:B
§1, 2° W.B.N.
voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Mol. De Procureur des Konings te Turnhout bracht op 30 mei 2007 een negatief advies uit wegens het niet voldoen aan de bepalingen van art. 7bis W.B.N., zoals ingevoegd bij art. 379 van de wet van 27 december
- Bij vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout dd. 25/10/2007 werd dit negatief advies gegrond verklaard.
- vorderingen in beroep Tegen dit vonnis tekende de heer T. hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 22/11/
- Hij vordert de inwilliging van zijn oorspronkelijke vordering.
- ontvankelijkheid Er wordt geen betekening voorgelegd van het be-streden vonnis en partijen houden voor dat het niet betekend is. Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en ter-mijn en derhalve ontvankelijk, waarover geen betwisting.
- beoordeling
- Het blijkt uit de neergelegde stukken dat de moeder van de heer T., met name mevrouw T. K., geboren te xx, ingeschreven te xx, de Belgische nationaliteit heeft en dat de aanvrager zelf meerderjarig is, zodat hij voldoet aan de in art.
§1, inzonderheid 2°, W.B.N.
gestelde grond-voorwaarden.
- Bij artikel 379 van de Wet van 27 december 2006 werd in het Wetboek van Belgische Nationaliteit (W.B.N.) onder hoofdstuk I Algemene bepalingen, een artikel 7bis ingevoegd, ingevolge art. 388 van toepassing vanaf de dag waarop de wet in het Belgisch Staatsblad werd bekend gemaakt, in casu 28 december 2006 en luidend als volgt: artikel 7bis §1 Om een verzoek of een aanvraag tot het beko-men van de Belgische nationaliteit te kunnen indienen, moet de vreemdeling op het ogenblik van het indienen van dit verzoek of het afleggen van deze verklaring in wettelijk verblijf zijn. §2 Onder wettelijk verblijf wordt verstaan, de situatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven of die gemachtigd is zich er te vestigen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Deze bepaling is algemeen, wat blijkt uit de bewoordingen zelf en de plaats in de wet onder de hoofding algemene bepalingen, en bijgevolg van toepassing op alle verderop in de wet vermelde vormen van nationaliteitsverklaringen.
- Vóór de invoeging van art. 7bis W.B.N. legde de wetgever voor de categorie vreemdelingen bedoeld in art.
§1, 2° W.B.N.
geen vereiste van verblijf in België op, zodat de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen aan het Arbitragehof de prejudiciële vraag stelde of er geen discrimi-natie ontstaat wanneer er voor de in het buiten-land geboren vreemdeling van wie een ouder op het tijdstip van de verklaring de Belgische nationa-liteit bezit (art.
§1
, 2° W.B.N.) geen verblijfsvoorwaarde geldt, terwijl vergelijkbare categorieën van kandidaat-Belgen (art.
§1, 1°, art.
13, 1° en 2° en art. 14 W.B.N.) wel aan een verblijfsvoorwaarde moeten voldoen. Hierop overwoog het Arbitragehof in zijn arrest van 25 mei 2005: Weliswaar is de keuze die wordt geboden aan de meerderjarige vreemdeling die in het bui-tenland is geboren en van wie een ouder op het tijdstip van de verklaring de Belgische nationaliteit bezit, om de Belgische natio-naliteit te verkrijgen onder de enige voor-waarden van artikel
§1
, 2°, niet ver-antwoord wanneer zijn situatie wordt verge-leken met die van andere categorieën van vreemdelingen, die in de prejudiciële vraag zijn vermeld en waarvoor wel een hoofdver-blijf in België is vereist. Het komt echter de wetgever toe een einde te maken aan die discordantie. (overweging B3, Arbitragehof 25 mei 2005; zie ook VAN DE PUTTE M., CLEMENT J., Arbitragehof drukt wetgever met neus op discriminatie in "snel-Belg"-wet, in Tijdschrift voor Vreemdelin-genrecht, 2006, 18 - 20) Met de invoering van artikel 7bis W.B.N. is de wetgever bijgevolg tegemoetgekomen aan de overwe-gingen van het genoemde arrest van het Arbitrage-hof, door een algemene verblijfsvoorwaarde in te voeren, waardoor de genoemde discordantie thans is weggewerkt. 4. Ten onrechte houdt de heer T. voor dat de toepas-sing van art. 7bis W.B.N. niet strookt met de inhoud van het huidige art.
W.B.N. en meer-bepaald met volgende toevoegingen: in §1, 2° Indien de aangever zijn hoofdverblijfplaats in het buitenland heeft, moet hij aantonen werkelijke banden met zijn Belgische ouder of adoptant te hebben bewaard en moet deze ouder of adoptant zijn hoofdverblijfplaats in België hebben op het tijdstip van de ver-klaring. §2, 3de lid In het geval voorzien in §1, 2°, en indien de aangever zijn hoofdverblijf in het bui-tenland heeft, wordt zijn verklaring afge-legd voor het hoofd van de diplomatieke zen-ding of de Belgische beroepsconsulaire post van deze hoofdverblijfplaats. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat de wijzi-gingen waarnaar verwezen wordt nog niet van toe-passing waren op het ogenblik van de nationali-teitsverklaring op 10 april 2007. Art.
§1, 2° en §2, 3de lid W.B.N.
werden immers gewijzigd bij de wet van 27 december 2006 en ingevolge art. 388 van dezelfde wet zijn deze wijzigingen van toepassing met ingang van een door de Koning te bepalen datum, welke bij K.B. van 17 mei 2007 bepaald werd op 1 juni 2007. Ten overvloede kan bovendien vastgesteld worden dat de toepassing van de genoemde toevoegingen aan art.
W.B.N. niet onverenigbaar zijn met de toepassing van de algemene voorwaarde van art. 7bis W.B.N.: een vreemdeling die zijn hoofdver-blijf in het buitenland heeft, kan immers tege-lijk gemachtigd zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden of een vestiging in België, zonder op dat ogenblik effectief zijn hoofdver-blijfplaats in België te hebben. De faciliteit om de nationaliteitsverklaring af te leggen voor een diplomatieke of consulaire post van deze buiten-landse hoofdverblijfplaats of de bijkomende voor-waarde om alsdan de banden met de Belgische ouder of adoptant te bewijzen, zijn hiermede evenmin onverenigbaar.
- De heer T. toont niet aan dat hij toegelaten of gemachtigd is om voor een langere termijn dan drie maanden in het Rijk te verblijven of gemach-tigd om er zich te vestigen, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 be-treffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Tevergeefs verwijst de heer T. immers naar het feit dat hij bij schrijven dd. 08/04/2007 gericht aan de Burgemeester te Mol op grond van art. 9.3 van de Vreemdelingenwet machtiging heeft gevraagd tot een tijdelijk verblijf. Zelfs indien zulk verblijf zou toegekend zijn, wat te dezen niet wordt aangetoond, is dit niet gelijk te stellen met een wettelijk verblijf zoals voorzien in art. 7bis §2 W.B.N.
- De heer T. voldoet derhalve niet aan de voorwaar-de van art. 7bis W.B.N., zodat zijn verzoek tot verkrijging van de Belgische nationaliteit niet kan ingewilligd worden. Het bestreden vonnis dient bijgevolg bevestigd te worden. OM DIE REDENEN: HET HOF, na beraad, Recht sprekend op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Ontvangt het hoger beroep, doch verklaart het ongegrond. Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis. Verwijst appellant in de gerechtskosten van de procedure in hoger beroep. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van : ELF JUNI TWEEDUIZENDENACHT waar aanwezig waren : B. LUYTEN Raadsheer, Wnd. Voor-zitter D. VAN OVERLOOP Raadsheer W. BRANDS Plaatsvervangend Raadsheer N. VAN DE VIJVER Griffier PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080611.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div