← België

ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080917.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 17 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080917.4 Rolnummer: 2007AR1073 Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2008-12-11 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-02 17:55 Fiche Een partij kan een vergoeding vorderen voor schade, geleden door foutieve berichtgeving over haar producten in een radio-uitzending, voor de rechtbank van de plaats waar het radio-station is gevestigd. De plaats waar de uitzending werd ontvangen noch de plaats waar de uitzending werd verricht is bevoegdheidsbepalend. Eveneens bevoegd is de rechter van de plaats waar de schade, beweerdelijk geleden als gevolg van de berichtgeving, zich aanvankelijk manifesteerde. De wet toepasselijk op de onrechtmatige daad bepaalt of de eisende partij rechtsreeks schade heeft geleden in het land van de geadieerde rechter, in oorzakelijk verband met de beweerde fout, alsook de omvang van deze schade. Inzake onrechtmatige daad is renvoi niet toegelaten. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - EUROPEES EN INTERNATIONAAL GERECHTELIJK RECHT - Executie en Bevoegdheid - Verordening EG nr. 44/2001 van 22 december 2000 - Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - Bevoegdheid GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemeen (internationaal privaatrecht - algemene beginselen) Vrije woorden: Buitencontractuele aansprakelijkheid - Wereldwijde foutieve berichtgeving via radio-uitzendingen - Internationale bevoegdheid van de Belgische rechter - Grensoverschrijdend onrechtmatig handelen - Grensoverschrijdende schade - omvang van de toepasselijke wet - uitsluiting van renvoi Nota: H.v.J., 7 maart 1995, C-68/93, Jur.H.v.J. 1995,I-415 H.v.J., 19 september 1995, C-364/93, Jur.H.v.J. 1995,I-2719 H.v.J., 10 juni 2004, C-168/02, Jur.H.v.J. 2004,I-2719 Tekst van de beslissing Nummer: Rep. nr.: 2008/ Zitting van: 17 september 2008 Eindarrest Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2007/AR/1073 DAFRA PHARMA NV, met maatschappelijke zetel te 2300 TURNHOUT, Slachthuisstraat 30, KBO-nummer 0459.676.862, appellante, vertegenwoordigd door Mr. ROODHOOFT Jan, advocaat te 2200 HERENTALS, Lierseweg 238 tegen de vonnissen gewezen op 14 november 2005 en 02 oktober 2006 door de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout tegen RADIO FRANCE INTERNATIONALE NV, vennootschap naar Frans recht, met maatschappelijke zetel te 75016 PARIJS - FRANKRIJK, Avenue du Président Kennedy 116, ingeschreven in het handelsregister te Parijs, onder het nummer B 326 981 156, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. Ch. KNOCKAERT loco Mr. LEGROS Pierre, advocaat te 1000 BRUSSEL, Avenue Emile De Mot 19 ***

  1. Wat voorafgaat. 1.
  2. Dafra Pharma is een onderneming, gevestigd in Turnhout, waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de ontwikkeling en verdeling van curatieve geneesmiddelen tegen malaria. Eén van deze geneesmiddelen, genaamd "Arinate", is een geneesmiddel op basis van artesunate. Als derivaat van artemisinin is het product actief tegen malaria. Dafra Pharma verspreidt dit geneesmiddel o.m. op de Afrikaanse markt. Op het einde van februari 2003 zijn in het Ziekenhuiscentrum van Nouakchot (Mauretanië) vijf malaria-patiënten overleden, waarna het Ministerie van Gezondheid en Sociale Aangelegenheden van Mauretanië, bij beslissing van 27 februari 2003, het gebruik van anti-malaria geneesmiddelen op basis van artesunate, waaronder Arinate, schorste. In haar radio-uitzending van 28 februari 2003 heeft Radio France Internationale een boodschap verspreid waarin zou gezegd zijn dat Arinate alleen de oorzaak was van de stervensgevallen. Er werd een Mauretaans chirurg van het getroffen ziekenhuis geïnterviewd die de vrees zou hebben geuit voor een epidemie alsook de hoop dat de schorsingbeslissing snel zou verspreid worden zodat de patiënten opnieuw Nivaquine, een ander anti-malaria middel, zouden gaan gebruiken. Over een eveneens geschorst malariamedicijn Arsumax van het Franse Sanofi Syntelabo zou niets gezegd zijn. Radio France Internationale heeft een zendbereik en, naar verluidt, ook een luisterend publiek in de Afrikaanse landen, die een markt zijn voor Dafra Pharma. Volgens Dafra Farma wezen latere wetenschappelijke studies uit dat de sterfte niet te wijten was aan geneesmiddelen op basis van artesunate maar wel het gevolg waren van een virale infectie, meer bepaald de Congo Krim - hemorragische koorts. De schorsing van het gebruik van o.m. Arinate werd door het Ministerie van Gezondheid en Sociale Aangelegenheden van Mauretanië opgeheven bij beslissing van 2 maart
  3. Volgens Dafra Pharma is Radio France Internationale door haar berichtgeving van 28 februari 2003 tekort gekomen aan haar plicht van voorzichtigheid en objectiviteit als journalist. Zij stelt dat de fout van Radio France Internationale er meer in het bijzonder in bestond dat zij in haar berichtgeving vermeldde dat Arinate de oorzaak was van de sterfte, terwijl de ware oorzaak op het ogenblik van haar uitzending nog niet gekend was en meer antimalaria geneesmiddelen op basis van artesunate geschorst waren. Dafra Pharma verweet Radio France Internationale ook haar bronnen niet te hebben geverifieerd. Deze tekortkomingen worden door Dafra Pharma omschreven als een fout in de zin van art. 1382 B.W. waardoor haar zowel materiële als morele schade werd toegebracht. 1.
  4. Op 12 december 2003 is de NV Dafra Pharma overgegaan tot dagvaarding van Radio France Internationale, vennootschap naar Frans recht, om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout. Zij vorderde de veroordeling van de gedaagde partij tot de betaling van een schadevergoeding van 222.000 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding, alsook tot de afgifte van een gecertificeerde kopie van het geheel van de radio-uitzendingen m.b.t. de feiten in kwestie op straffe van een dwangsom van 5.000 EUR per dag. De gevorderde hoofdsom werd samengesteld uit gederfde winst (150.000 EUR), morele schade (25.000 EUR) en kosten van een perscampagne (47.000 EUR). In de loop van het geding werd deze eis nog uitgebreid met een vergoeding van 2.552, 86 EUR voor de vertaling van stukken en van 14.737, 42 EUR voor juridische bijstand van een advocaat. Radio France Internationale heeft haar aansprakelijkheid betwist. Voorafgaandelijk werd echter de internationale bevoegdheid van de eerste rechter betwist alsmede de toepasselijkheid van het Belgische recht op het geschil. 1.
  5. Het eerste beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 14 november 2005 heeft gezegd voor recht dat de bevoegdheid van de Belgische rechter beperkt is tot de beoordeling van de schade die Dafra Pharma in België rechtstreeks heeft geleden als gevolg van de verspreiding van het radioprogramma van Radio France Internationale op 28 februari
  6. Tevens heeft de eerste rechter voor recht gezegd dat op het deel van de eis van Dafra Pharma waarvoor de Belgische rechter bevoegd is, het Belgische recht dient te worden toegepast. De zaak werd voor verdere instructie op een latere datum in voortzetting geplaatst. De eerste rechter liet zijn beslissing terzake van de internationale bevoegdheid steunen op art. 5.3 van de Verordening 44/2001 (hierna EEX-Vo) op grond waarvan de bevoegdheid werd aanvaard van de rechter van de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis rechtstreeks schade heeft veroorzaakt. Derhalve werd enkel bevoegdheid aanvaard in de mate dat de gewraakte radio-uitzending rechtstreeks in België schade heeft toegebracht aan de beweerde schadelijder. De bevoegdheid werd afgewezen in zoverre de ingediende eis zou slaan op in België geleden schade ten gevolge van winstderving of omzetdaling van het product in kwestie op Afrikaanse markten. M.b.t. het toepasselijke recht oordeelde de eerste rechter op grond van het (oude) art. 3, 1ste lid B.W. dat het recht van toepassing is van de plaats waar de onrechtmatige daad werd begaan. Zo kwam de eerste rechter tot het Franse recht. Dit recht toegepast, met inbegrip van de Franse IPR-regels, besloot de eerste rechter evenwel tot een renvoi. Naar Frans recht zou de wet moeten worden toegepast van de plaats waar de onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan, doch zo begrepen dat daaronder zowel de plaats van het schadeveroorzakend feit als de plaats van de schadeverwekking kan worden verstaan. Aldus werd besloten tot de toepassing van het Belgisch materieel recht. 1.
  7. Het tweede beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 2 oktober 2006 heeft de eis van Dafra Pharma ongegrond verklaard en heeft deze partij verwezen in de kosten van het geding. De eerste rechter oordeelde dat geen fout werd gevonden in het optreden van Radio France Internationale in zoverre deze met spoed het nieuws verspreidde en een interview uitzond met een geneesheer van het getroffen ziekenhuis, die zelf (en niet de journalist) de verantwoordelijkheid draagt voor zijn uitspraken. Evenmin achtte de eerste rechter een onzorgvuldig bronnenonderzoek bewezen. Wel beging Radio France Internationale, volgens de eerste rechter, een fout door geen inspanningen te leveren om het standpunt van Dafra Pharma te vernemen en weer te geven. Het oorzakelijk verband tussen deze fout en de beweerde schade werd echter niet bewezen verklaard. Ten overvloede merkte de eerste rechter op dat Dafra Pharma niet slaagde in het bewijs van haar schade in België. 1.
  8. De NV Dafra Pharma, hierna appellante genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in tegen beide voornoemde vonnissen bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 11 april
  9. De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 18 juni
  10. De eisen in hoger beroep. 2.
  11. Appellante vordert dat haar oorspronkelijke eis bij hervorming van het beroepen vonnis integraal gegrond zou worden verklaard. Zij verzoekt: " - vast te stellen dat geïntimeerde een fout heeft begaan in de zin van art. 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek door in haar uitzendingen van 28 februari 2003 de berichten te verspreiden volgens dewelke ARINATE de oorzaak was van de vastgestelde overlijdens in februari 2003 in het Ziekenhuiscentrum van Nouakchot, - geïntimeerde te veroordelen om aan concluante euro 220 000 te betalen als schadevergoeding, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten aan 7% vanaf de datum van dagvaarding, - geïntimeerde te veroordelen om aan concluante euro 2 552,86 te betalen als vergoeding voor de vertaling van de stukken, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten aan 7% vanaf de datum van het vonnis, - geïntimeerde te veroordelen om aan concluante de honoraria van haar raadsman te betalen ten belope van euro 14 737,42, dan wel ondergeschikt en provisioneel euro 12 737,42, telkens te vermeerderen met de gerechtelijke interesten aan 7% vanaf de datum van het vonnis, - geïntimeerde te veroordelen tot de betaling van de kosten, met inbegrip van de kosten van dagvaarding en de rechtsplegingsvergoeding, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten aan 7% vanaf de datum van het vonnis". Ondergeschikt vraagt appellante een deskundigenonderzoek te bevelen naar de door haar geleden schade ten gevolge van de handelwijze van geïntimeerde. 2.
  12. Radio France Internationale, hierna geïntimeerde genoemd, verzoekt het Hof zich uit te spreken over de bevoegdheid van de Belgische rechter en minstens het hoger beroep van appellante ongegrond te verklaren en het beroepen vonnis van 2 oktober 2006 te bevestigen met verwijzing van appellante in de kosten van het hoger beroep. Zij heeft een tegeneis ingesteld en vordert appellante te veroordelen tot de betaling van een schadevergoeding van 5.000 EUR wegens tergend en roekeloos hoger beroep.
  13. De beoordeling. 3.
  14. Internationale bevoegdheid van de Belgische rechter 3.1.1 Geïntimeerde heeft vóór elk verweer ten gronde de internationale bevoegdheid van de Belgische rechter betwist om kennis te nemen van de vordering van appellante. Bijgevolg dient eerst te worden nagegaan of appellante terecht een Belgische rechtbank heeft geadieerd. Gezien geïntimeerde gevestigd is in een EG-lidstaat zijn de bevoegdheidsregels opgenomen in de EEX-Vo (EG-verordening nr. 44/2001, PB.L. 2001, 12/1) toepasselijk. Deze verordening geldt, als opvolger van het EEX-verdrag, voor vorderingen die - zoals in casu - ingesteld zijn na 1 maart
  15. 3.1.
  16. Appellante stelt dat, met toepassing van art. 5 §3 EEX-Vo, de Belgische rechtbanken bevoegd zijn. Luidens deze bepaling kan het slachtoffer van een onrechtmatige daad zijn vordering aanhangig maken voor de rechtbank van het rechtsgebied "waar het schadeverwekkend feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen". Met verwijzing naar het Bier-arrest van het Hof van Justitie (H.v.J., 30 november 1976, nr. 21/76, Jur.H.v.J. 1976, 1735) heeft appellante uiteengezet dat deze plaats zowel de plaats van het onrechtmatige handelen (locus acti) als de plaats van de schade (locus damni) omvat. Volgens appellante situeren beide plaatsen zich in België zodat de Belgische rechtbanken in elk geval bevoegd zijn om haar vordering tot het bekomen van de gevorderde schadevergoeding te beoordelen. 3.1.
  17. In de eerste plaats houdt appellante voor dat de gewraakte radio-uitzending waarin de informatie over het geneesmiddel Arinate op foutieve wijze werd meegedeeld, ook in België werd verspreid en beluisterd, zodat de onrechtmatige daad (locus acti) tevens in België werd gepleegd. 3.1.3.
  18. Geïntimeerde betwist dat de betrokken nieuwsuitzendingen in België konden worden ontvangen en beluisterd. Appellante legt evenwel uittreksels van de website van geïntimeerde neer waarin zij zich profileert als een radiozender die "wereldwijd" kan worden ontvangen. Hierin worden tevens de mogelijkheden vermeld om Radio France Internationale in Europa, en meer bepaald in België, te ontvangen. Ook in de door geïntimeerde neergelegde "voorstelling van de groep RFI", stelt geïntimeerde dat zij 45 miljoen luisteraars bereikt met (o.m.) 58 dagelijkse journaals over de internationale en Franse actualiteit "edities bestemd voor de luisteraars in Afrika, het Nabije en Midden-Oosten, Europa, Azië en de Amerika's" (eigen cursivering). Anders dan geïntimeerde voorhoudt, wordt dit gegeven niet ontkracht door de verklaring van de heer Atrault (personeelslid van geïntimeerde), waarin deze attesteert dat de uitzendingen van geïntimeerde op het ogenblik van de betrokken feiten (m.n. februari 2003) in België niet kon worden ontvangen. Integendeel, uit deze verklaring blijkt dat er wel degelijk - mits aangepaste apparatuur - ontvangst in België mogelijk was. Verder kan uit de verklaring van een andere medewerker van geïntimeerde, de heer Couve, worden afgeleid dat de journaals "Afrika" van RFI blijkbaar eveneens beschikbaar waren op de website (www.rfi.fr), weze het op verzoek en slechts gedurende een duur van 24 uur na hun hertziaanse uitzending. 3.1.3.
  19. De stelling van appellante dat door deze mogelijke ontvangst van de gewraakte radio-uitzending in België, het onrechtmatig handelen zich in België heeft voorgedaan, kan evenwel niet worden bijgetreden. Zo heeft het Hof van Justitie in het Shevill-arrest, met betrekking tot internationale persdelicten, een eigen, verdragsautonome invulling gegeven van de plaats van de onrechtmatige daad, zoals bedoeld in art. 5 §3 EEX-verdrag (thans EEX-Vo)(H.v.J., 7 maart 1995, nr. C-68/93, Jur.H.v.J. 1995, I-415). Concreet stelde het Hof van Justitie in dit arrest dat, in geval van een grensoverschrijdend persdelict, het schadeveroorzakende feit wordt gepleegd op de plaats waar de uitgever van de betrokken publicatie is gevestigd (ro 24). Vast staat dat de uitleggingsarresten van het Hof van Justitie met betrekking tot de bepalingen van het EEX-verdrag/EEX-Vo een grote autoriteit genieten. Zo wordt aangenomen dat het Hof van Justitie, door een bepaalde norm te interpreteren in wezen "expliciteert" wat reeds ab initio in deze norm vervat lag zodat de aldus geïnterpreteerde norm ook voor andere rechtscolleges dan het rechtscollege dat de prejudiciële vraag stelde, bindend is. Hieruit volgt dat dit Hof rekening dient te houden met de uitleggingsarresten van het Hof van Justitie, waaronder het voormelde Shevill-arrest. Terecht werpt appellante op dat de feiten in deze zaak niet volledig gelijklopend zijn met deze, aan de basis van het Shevill-arrest. Anders dan deze partij ziet het Hof evenwel geen reden om een onderscheid te maken tussen lasterlijke (en dus foutieve) berichtgeving over een natuurlijke persoon en onzorgvuldige berichtgeving over een geneesmiddel, temeer nu in beide gevallen de oorsprong van de verspreiding van de berichtgeving op één plaats kan worden gelokaliseerd, m.n. de plaats van vestiging van de "uitgever" van het bericht. Algemeen wordt ook aangenomen dat de Shevill-rechtspraak eveneens geldt voor foutieve (niet noodzakelijk lasterlijke) berichtgeving, verspreid via andere media zoals radio of televisie. Het feit dat appellante, anders dan mevrouw Shevill, een vergoeding voor zowel materiële als morele schade vordert, is hierbij eveneens irrelevant (in dezelfde zin: Shevill-arrest, ro 23). Hieruit volgt dat, anders dan appellante voorhoudt, de plaats waar de uitzending werd ontvangen en beluisterd niet bevoegdheidsbepalend is. Evenmin bevoegdheidsbepalend is de plaats waar de uizending werd verricht. De opmerking van appellante dat - volgens haar - de radioberichten niet vanuit Frankrijk werden verzonden doch wel vanuit Mauretanië is bijgevolg niet ter zake dienend. Wel situeert de plaats van het onrechtmatig handelen (locus acti), zoals bedoeld in art. 5 §3 EEX-Vo, zich in het land waar het radio-station (Radio France Internationale), verspreider van het gewraakte bericht, is gevestigd, zijnde Frankrijk. 3.1.
  20. In de tweede plaats houdt appellante voor dat de schade in elk geval in België werd geleden (locus damni). Concreet voert appellante aan dat, door de negatieve berichtgeving over haar product Arinate, haar reputatie in België - de plaats van haar vestiging - is aangetast. Naast deze morele schade, die zij begroot op 25.000 EUR, stelt appellante ook materiële schade te hebben geleden door de wereldwijde daling van haar verkoopcijfers alsook door de noodzaak om een kostelijke perscampagne te voeren. Deze materiële schade wordt in zijn totaliteit begroot op 197.000 EUR. Volgens appellante zijn de Belgische rechtbanken bevoegd om over deze volledige schade-eis uitspraak te doen. Ook deze stelling kan niet worden bijgetreden. 3.1.4.
  21. Immers, in het voormelde Shevill-arrest heeft het Hof van Justitie een belangrijke verfijning toegebracht aan het Bier-arrest voor het geval de schade, veroorzaakt door het onrechtmatig handelen, zich in verschillende staten voordoet. Appellante ontkent niet dat dit in casu het geval is. In dit geval is de rechter van de plaats van de schade enkel bevoegd om te oordelen over de schade die zich - beweerdelijk - in zijn land heeft voorgedaan. Deze beperking dringt zich op vanuit de doelstelling die art. 5 §3 EEX-Vo nastreeft, m.n. het vrijwaren van de nauwe band die bestaat tussen het geschil en een bepaalde rechtbank. Het is immers de rechter van de staat waar zich de schade voordoet die het best geschikt is om over het bestaan en de omvang van dit deel van de schade te oordelen. Bovendien mag art. 5 §3 EEX-Vo niet zo ruim worden uitgelegd dat de algemene bevoegdheidsregel van art 2 EEX-Vo (forum rei) zou worden uitgehold of dat een systematisch forum actoris (rechtbank van de woonplaats van de eisende partij) zou worden gecreëerd. Hieruit volgt dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat hij slechts over het deel van de schade dat zich in België heeft gemanifesteerd, kan oordelen en niet bevoegd is voor schade, voortvloeiend uit eenzelfde feit maar verwezenlijkt in andere landen. 3.1.4.
  22. Ook "de plaats waar de schade zich heeft gemanifesteerd" (locus damni) is in de rechtspraak van het Hof van Justitie verder omschreven. Zo komt enkel de schade die zich aanvankelijk manifesteerde in aanmerking, en niet de vermogensschade die de eisende partij als gevolg daarvan heeft geleden (vgl. H.v.J., 19 september 1995, nr. C-364/93, Jur.H.v.J. 1995, I-2719). Hetzelfde geldt indien de schade bestaat uit het verlies van onderdelen van een vermogen. In dit geval dient de locus damni te worden gesitueerd in de staat waar dat verlies is ingetreden en niet op de plaats waar de schadelijder woont of waar zich het "centrum van zijn vermogen" bevindt (vgl. H.v.J., 10 juni 2004, nr. C-168/02, Jur.H.v.J. 2004, I-2719). Enkel de plaats waar de "eerste" schade zich heeft voorgedaan, is bijgevolg relevant en niet de plaats waar de schade zich laat voelen en waarneembaar wordt. Bijgevolg is de Belgische rechter - zoals de eerste rechter eveneens terecht vaststelde - enkel bevoegd om de rechtstreekse schade, in België beweerdelijk geleden als gevolg van de berichtgeving door geïntimeerde, te beoordelen. 3.1.4.3.Vastgesteld wordt dat appellante voorhoudt dat, door de gewraakte radio-uitzending, in België haar reputatie is aangetast. Tevens stelt zij ook in België rechtstreekse materiële schade te hebben geleden gezien haar bestuurders en werknemers een belangrijk deel van hun tijd dienden te besteden aan "rampbestrijding", met verwaarlozing van hun normale activiteiten tot gevolg. Ook zou de omzet van Arunate in België zijn gedaald en diende zij een grote perscampagne te organiseren. De Belgische rechter is bevoegd om deze (aldus beperkte) vorderingen te beoordelen. 3.
  23. Recht toepasselijk op het grensoverschrijdend onrechtmatig handelen 3.2.
  24. Of geïntimeerde een fout in de zin van art. 1382 B.W. heeft begaan, of appellante inderdaad in België rechtstreekse schade heeft geleden door dit beweerd onrechtmatig handelen alsook, desgevallend, de omvang van deze schade, dient te worden beoordeeld door het recht toepasselijk op het grensoverschrijdend onrechtmatig handelen. Het is ook deze wet die bepaalt wie de bewijslast draagt van de constitutieve elementen van de onrechtmatige daad. 3.2.
  25. Vastgesteld wordt dat appellante haar vordering heeft ingeleid vóór de inwerkingtreding van het IPR-wetboek (Wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht, B.S. 27 juli 2004). Met toepassing van (oud) art. 3 §1 B.W. geldt naar (oud) Belgisch IPR het recht van het land waar het schadeverwekkend feit zich voordoet (lex loci delicti). Anders dan appellante lijkt voor te houden, dient bijgevolg niet te worden onderzocht met welk land het geschil de meeste aanknopingspunten vertoont. Bij grensoverschrijdende delicten - zoals in casu - waarbij de plaats van het onrechtmatig handelen en de plaats waar de schadelijke gevolgen intreden niet samenvallen, geniet de wet van de daad (de lex loci actus) de voorkeur. Hieruit volgt dat het Franse recht toepasselijk is op de vordering van appellante. 3.2.
  26. Appellante werpt op dat, met toepassing van de herverwijzing (renvoi), het Belgische recht van toepassing dient te worden verklaard. Anders dan de eerste rechter, is het Hof van oordeel dat renvoi inzake onrechtmatige daad niet is toegelaten (vgl. Cass. 30 oktober 1981, Arr.Cass. 1981-'82, nr. 152). Dit betekent dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade, veroorzaakt door een onrechtmatige daad in Frankrijk gepleegd, beheerst blijft door de Franse wet, ook al is het - beweerde - slachtoffer in België gevestigd en situeert minstens een deel van de schade zich, volgens dit slachtoffer, in België. De omstandigheid dat de Franse rechtbanken (op basis van het Franse IPR) de Belgische wet zouden toepassen in het overeenkomstig geval kan op zich geen afwijking van de regel in België verantwoorden. 3.2.
  27. Geïntimeerde verzoekt het Franse recht van toepassing te verklaren op het geschil en houdt hierbij voor dat zij in casu onderworpen is aan de Franse "perswet" van 28 juli 1881, door haar gekwalificeerd als een politiewet. Vastgesteld wordt dat appellante geïntimeerde een onnauwkeurige berichtgeving verwijt, meer bepaalt stelt appellante dat geïntimeerde door haar berichtgeving van 28 februari 2003 is tekort gekomen aan haar plicht van voorzichtigheid en objectiviteit als journalist. Onduidelijk is (en door geïntimeerde niet verder toegelicht) in welke mate de ingeroepen "perswet" een invloed heeft op de beoordeling van dit beweerd foutief handelen. Het Hof is dan ook van oordeel dat de vordering van appellante wordt geregeerd door de bepalingen van de Franse Code Civil. 3.
  28. Vordering van appellante tot het vergoeden van de schade, veroorzaakt door het beweerd foutief handelen van geïntimeerde 3.3.
  29. Luidens art. 1382 Franse C.C. dient een persoon, die door zijn fout schade berokkent aan een ander, deze schade te vergoeden ("Tout fait quelconque de l'homme, qui cause à autrui un dommage, oblige celui par la faute duquel il est arrivé, à le réparer"). Zoals uiteengezet, zijn de Belgische rechtbanken enkel bevoegd om het bestaan en de omvang van rechtstreeks in België geleden schade, veroorzaakt door de radio-uitzending van 28 februari 2003, te beoordelen. Geïntimeerde betwist dat appellante door de beweerde foutieve berichtgeving rechtstreekse schade in België heeft geleden. Met toepassing van art. 1315 Franse C.C, in samenlezing met art. 9 Franse Nouveau Code de procédure civile, is het aan appellante, als eisende partij, om aan te tonen dat geïntimeerde een fout heeft begaan in oorzakelijk verband met door haar geleden schade. Tevens dient zij de omvang de beweerdelijk geleden schade te bewijzen. 3.3.
  30. Appellante voert in hoofdorde aan dat haar reputatie door de verspreiding van de gewraakte radio-uitzending, waarin werd gesteld dat haar geneesmiddel Arinate verantwoordelijk was voor sterfgevallen, in België - het land waar zij haar hoofdzetel heeft - is aangetast. Volgens appellante staat dan ook vast dat zij, door deze foutieve berichtgeving, in België rechtstreeks schade heeft geleden. 3.3.2.
  31. Een eerste schadepost betreft, volgens appellante, de minderverkoop van het geneesmiddel Arinate. Zoals reeds herhaaldelijk aangegeven, is dit Hof enkel bevoegd om te oordelen over de schade geleden door minderverkoop van dit product in België. Eventuele schade geleden door de minderverkoop van Arinate in andere landen, met een daling van de omzet en de winst in de Belgische hoofdzetel tot gevolg, dient als "gevolgschade" te worden gekwalificeerd en kan niet door de Belgische rechtbanken worden beoordeeld. Ter zake dient te worden vastgesteld dat appellante het geenszins aannemelijk maakt dat de gewraakte radio-uitzending die - zoals eveneens reeds aangegeven - slechts mits aangepaste apparatuur in België kon worden beluisterd, tot een daling van de verkoop van Arinate (een curatief geneesmiddel tegen malaria) in België heeft geleid. Dit blijkt niet uit het door haar neergelegd overzicht van de "verkoopscijfers arinate 100mg en 50 mg". In dit overzicht, dat een opsomming bevat van de verschillende landen waar dit geneesmiddel wordt verkocht, wordt België immers niet vermeld. Ook in haar besluiten geeft appellante aan dat zij met Arinate een marktpositie heeft "in de landen waar malaria nog vaak voorkomt, zo o.a. in Afrika en in bepaalde landen van Zuid-Amerika en Azië". Appellante kan moeilijk ontkennen dat malaria in België geen vaak voorkomende ziekte is. Tekenend hierbij is dat de persconferentie, die appellante stelt te hebben gehouden om haar reputatie te redden, enkel in "meerdere landen van Afrika" (beroepsbesluiten, p.6, nr. 15) werd georganiseerd doch niet in België. Het Hof treedt de beslissing van de eerste rechter dan ook bij dat appellante niet aantoont dat de verkoop van Arinate in België zou zijn gedaald, noch dat deze beweerde schadepost op 150.000 EUR dient te worden begroot. 3.3.2.
  32. In de tweede plaats stelt appellante dat de Belgische bestuurders en werknemers een belangrijk deel van hun tijd en energie dienden te besteden aan de rampbestrijding, met verwaarlozing van hun normale activiteiten tot gevolg. Ook houdt appellante voor dat zij genoodzaakt was grote perscampagnes te organiseren om te trachten de gevolgen van de berichtgeving van geïntimeerde te beperken. Zoals appellante zelf aangeeft, zijn ook deze schadeposten een "gevolg" van de schade, geleden door de minderverkoop van het geneesmiddel Arinate in het buitenland, meer bepaald in de Afrikaanse landen. Hierbij dient te worden gewezen op het feit dat appellante enkel uitreksels van (Afrikaanse) kranten neerlegt, waarin melding wordt gemaakt van persconferenties, gehouden in diverse landen van Afrika door de heer Jansen (algemeen directeur van Dafra Pharma), de heer Macinanké (directeur van de afdeling Afrika en Caraïben) en de heer Ntoumou-Madzou, plaatselijke vertegenwoordiger. Van persconferenties, gehouden in België, om de dalende verkoop van Arinate in België tegen te gaan, ligt geen bewijs voor. Appellante toont dan ook niet aan rechtstreekse materiële schade in België te hebben geleden door de berichtgeving van geïntimeerde. Voor de beoordeling van eventuele (vermogens)schade die appellante stelt te hebben geleden als gevolg van de schade die zich aanvankelijk manifesteerde in deze Afrikaanse landen, is dit Hof niet bevoegd. 3.3.2.
  33. Ten slotte vordert appellante een vergoeding voor de aantasting van haar eer, goede naam en aanzien in België, door haar ex aequo et bono begroot op 72.000 EUR. Zoals reeds aangegeven, volstaat het gegeven dat appellante poneert dat haar goede naam in België is aangetast om de Belgische rechtbanken voor dit onderdeel van de vordering bevoegd te maken. Ten gronde dient appellante evenwel nog steeds het bewijs te leveren dat haar reputatie inderdaad werd aangetast en dat deze schade 72.000 EUR bedraagt. Dit bewijs wordt niet geleverd. Concreet voert appellante aan dat "Belgische NGO's, overheden, concurrenten, apothekers, medici en het publiek in het algemeen (appellante) en haar personeelsleden hebben aangesproken, dan wel hebben gemeden of met de vinger gewezen na de verspreiding van het schadelijke bericht door geïntimeerde". Deze stelling wordt evenwel door geen enkel objectief gegeven ondersteund. Zoals de eerste rechter terecht heeft opgemerkt, liggen geen brieven of stukken voor waaruit dit blijkt. Evenmin worden verslagen voorgelegd van de algemene vergadering of de raad van bestuur van appellante waar deze kwestie werd besproken. Verder dient hierbij te worden gewezen op het feit dat de informatie over Arinate, meegedeeld in de gewraakte radio-uitzending d.d. 28 februari 2003 (die slechts mits aangepast apparatuur in België kon worden ontvangen) reeds op 2 maart 2003 werd recht gezet. Appellante maakt het geenszins aannemelijk dat haar reputatie in België op deze korte tijdspanne volledig "aan diggelen werd geslagen". 3.3.
  34. Hieruit volgt dat appellante niet bewijst in België rechtstreeks schade te hebben geleden door de radio-uitzending van geïntimeerde van 28 februari
  35. Haar vordering tot vergoeding van deze schade dient dan ook te worden afgewezen. 3.
  36. Vordering van appellante tot het vergoeden van de vertaalkosten Appellante vordert eveneens een vergoeding van 2.552, 86 EUR voor de vertaalkosten. Zij lijkt aan te geven dat deze kosten eveneens veroorzaakt zijn door het foutief handelen van geïntimeerde. Opnieuw dient te worden opgemerkt dat dit Hof enkel bevoegd is om te oordelen over de in België geleden schade die het rechtstreekse gevolg is van de verspreiding van de gewraakte radio-uitzending. Uit het voorgaande volgt dat appellante niet aantoont rechtstreekse schade te hebben geleden in België door het beweerd foutief handelen van geïntimeerde. Ook de gevorderde vertaalkosten kunnen niet als "rechtstreekse schade" worden gekwalificeerd. De vordering van appellante tot het vergoeden van de vertaalkosten voor stukken, aangewend in deze procedure, dient dan ook eveneens te worden afgewezen. 3.
  37. Vordering van appellante tot het vergoeden van de advocatenkosten 3.5.
  38. Appellante vordert tevens een vergoeding van 14.737, 42 EUR, minstens een provisionele som van 12.737, 42 EUR, voor de honoraria van haar raadsman, verbonden aan de procedure in eerste aanleg. Voor zover deze schadepost betrekking heeft op beweerdelijk in België geleden rechtstreekse schade, dient te worden vastgesteld dat appellante deze rechtstreekse schade niet bewijst. In zoverre deze schadepost betrekking heeft op de overige beweerdelijk geleden schade, betreft het gevolgschade waarvoor dit Hof niet bevoegd is. 3.5.
  39. Ook geïntimeerde lijkt, bij tegeneis, een vergoeding van 7.500 EUR te vorderen als tussenkomst in de kosten van zijn raadsman. Vastgesteld wordt dat geïntimeerde tevens het basistarief van de rechtsplegingsvergoeding, zoals voorzien in de wet van 21 april 2007, vordert. Aangenomen wordt dat sinds de inwerkingtreding van deze wet de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen omvat, zodat deze kosten niet meer op een andere wijze kunnen worden gevorderd. Wel kan een dergelijke vergoeding nog worden gevorderd voor de advocatenkosten, verbonden aan de procedure in eerste aanleg. In eerste aanleg heeft geïntimeerde deze vordering evenwel niet ingesteld. 3.
  40. Vordering van geïntimeerde wegens tergend en roekeloos beroep Geïntimeerde vordert een schadevergoeding, ex aequo et bono begroot op 5.000 EUR wegens het instellen van een tergend en roekeloos beroep. Uit het voorgaande volgt dat de argumenten van appellante in hoger beroep het Hof niet overtuigen om de beslissingen van de eerste rechter te wijzigen. Dit neemt echter niet weg dat geïntimeerde niet aantoont dat appellante het hoger beroep heeft ingesteld op een tergende en roekeloze wijze, of dat appellante van bij de aanvang diende te weten dat haar stelling kansloos was in hoger beroep. Deze tegeneis van geïntimeerde wordt dan ook ongegrond verklaard. 3.
  41. Gerechtskosten 3.7.
  42. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellante ongegrond is. Deze partij wordt, als de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de gerechtskosten. 3.7.
  43. Partijen hebben hun eisen tot verwijzing van de tegenpartij in de proceskosten aangepast. Hierbij vorderen zij de toekenning van het basistarief van de rechtsplegingsvergoeding, zoals voorzien in de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, en vastgelegd in het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding. Rekening houdend met de omvang van de vordering van appellante (oorspronkelijk eisende partij) beloopt de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep 5.000 EUR. OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni
  44. Verklaart het hoger beroep van appellante toelaatbaar doch ongegrond. Bevestigt de beroepen vonnissen op de hierboven aangegeven gronden. Verwijst appellante in de proceskosten in hoger beroep vereffend aan de zijde van geïntimeerde op 5.000 EUR rechtsplegingsvergoeding Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 17 september
  45. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. VAN HAELST Raadsheer I. COUWENBERG Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS I. COUWENBERG K. VAN HAELST F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080917.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.