id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 18 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080918.4 Rolnummer: 997 P 2007 Rechtsgebied: Strafrecht - Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2009-04-21 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-02 17:55 Fiche
- De enkele omstandigheid dat iemand tijdens het opsporingsonderzoek aan de verbalisanten technische bijstand verleent en in een later stadium van het vooronderzoek optreedt namens een burgerlijke partij, levert op zich geen processuele ongelijkheid op en volstaat niet om een redelijke twijfel te doen rijzen nopens de onpartijdigheid waarmee het onderzoek werd verricht en heeft niet de nietigheid van het door het onderzoek verkregen bewijs voor gevolg.
- Zowel de producenten als de verdelers van de nagemaakte films hebben door de praktijken van beklaagde schade geleden die een zeker karakter heeft. Nu evenwel deze schade, mede bij gebreke aan enige desbetreffende door beklaagde gevoerde boekhouding, niet voor wiskundig nauwkeurige begroting vatbaar is, kan ze slechts in billijkheid worden begroot. Het toekennen van een forfetaire som per in beslaggenomen illegale drager vormt daarbij de meest adequate wijze van herstel van de schade -in causaal verband met de respectievelijk ten laste van beklaagde bewezen verklaarde feiten- die het dichtst de reële schade benadert. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - VOORAFGAANDE TITEL Sv. - Slachtoffers en benadeelden - Burgerlijke vordering HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Auteursrecht en naburige rechten - Gemeenschappelijke bepalingen - Auteursrecht en naburige rechten - Rechtshandhaving - Sancties (strafrecht) Vrije woorden:
- Strafrecht - Namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten - Technische bijstand in het strafonderzoek door een latere burgerlijke partij - Rechtsgeldig
- Strafrecht - Namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten - Schadevergoedingen - Producenten en verdelers van films - Ex aequo te bono begrote vergoeding Nota: Het tegen dit arrest aangetekende cassatieberoep werd verworpen bij arrest van 3 maart
- Annotaties Publicaties: T. Strafr. 2008 - - 468-471 Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, 18 september 2008 te Antwerpen, veertiende kamer (...) Beklaagde wordt, luidens de vermeldingen van de inleidende rechtstreekse dagvaarding, onder de tenlastelegging sub C vervolgd wegens: - inbreuk op artikel 93 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken, waarbij wordt verboden, elke met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daad, waardoor een verkoper de beroepsbelangen van een of meer andere verkopers schaadt of kan schaden, feit, zo bewezen, gepleegd zijnde op 12 september
- - inbreuk op artikel 94 van de voormelde wet van 14 juli 1991, waarbij wordt verboden, elke met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daad, waardoor een verkoper de belangen van een of meer consumenten schaadt of kan schaden, feit, zo bewezen, gepleegd zijnde op 12 september
- Artikel 103 van voormelde wet van 14 juli 1991, zoals gewijzigd bij artikel 26 van de wet van 25 mei 1999 (Belgisch Staatsblad de dato 23 juni 1999) met ingang van 1 oktober 1999 ( artikel 28) bepaalde: "Met geldboete van ... worden gestraft, zij die te kwader trouw de bepalingen van deze wet overtreden, met uitzondering van ... en met uitzondering van de inbreuken bedoeld in de artikelen ... 93 ...". De feiten sub C, in zoverre de inbreuk op artikel 93 van voormelde wet van 14 juli 1991 betreffend, kunnen aldus sedert 1 oktober 1999 niet meer als een misdrijf worden aangehouden, zodat, ingevolge artikel 2, lid 2 van het Strafwetboek, de strafvordering hoofdens dit onderdeel van deze tenlastelegging is vervallen en beklaagde desbetreffend van rechtsvervolging dient te worden ontslaan. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de bepalingen van het huidige artikel 94/3 van de wet van 14 juli 1991, zoals vernummerd en vervangen bij artikel 14 van de wet van 5 juni 2007 (Belgisch Staatsblad van 21 juni 2007) met ingang van 1 december 2007 (artikel 44), bepalingen die identiek zijn aan deze, voorheen opgenomen in artikel 93, voormeld, nu het thans van toepassing zijnde artikel 103 van de wet van 14 juli 1991, zoals gewijzigd bij artikel 40 van de wet van 5 juni 2007 met ingang van 1 december 2007, bepaalt dat "met geldboete van ... worden gestraft, zij die te kwader trouw de bepalingen van deze wet overtreden, met uitzondering van ... en met uitzondering van de inbreuken bedoeld in de artikelen ... 94/3 ...". Voormeld artikel 94 van de wet van 14 juli 1991 zoals voorzien in de inleidende rechtstreekse dagvaarding onder zijn oorspronkelijke versie, werd als dusdanig niet meer opgenomen in de handelspraktijkenwet zoals deze van toepassing is sedert 1 december 2007 ingevolge de wet van 5 juni 2007 tot wijziging van de wet van 14 juli 1991, zodat beklaagde desbetreffend van rechtsvervolging dient te worden ontslaan. Betreffende de tenlasteleggingen sub A en B. Het Hof stelt vooreerst, met betrekking tot de feiten sub A, vast dat artikel 81 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, inmiddels werd vervangen bij artikel 29 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten (Belgisch Staatsblad van 18 juli 2007), in werking getreden op 1 oktober
- Wat de feiten sub B betreft stelt het Hof vast: - dat het tweede lid van artikel 10 van de wet van 30 juni 1994 houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's, werd opgeheven bij artikel 32 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten, voormeld. - dat artikel 11 van voormelde wet van 30 juni 1994 werd vervangen bij artikel 33 van voormelde wet van 15 mei
- Door voormelde wetswijzigingen werden de feiten zelf dezer tenlasteleggingen ongemoeid gelaten. De aldus in aanmerking genomen feiten zijn dezelfde als deze waarop de vervolging berust. Beklaagde en de burgerlijke partijen hebben desbetreffend met kennis van zaken hun (verweer)middelen kunnen aanvoeren. Ten gronde. Door de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting van het Hof is de schuld van beklaagde Z. J. aan de hem sub A.1, A.2 en B ten laste gelegde feiten (telkens zoals thans aangehouden) bewezen geworden. Feiten, verklaringen en vaststellingen. Op 12 september 2004 werden op de stand, uitgebaat door beklaagde op de "Vrije Mert" te Hamont Achel, door de lokale politie (zone Hano) diverse cd's en dvd's in beslag genomen. Beklaagde verklaarde alsdan: - dat hij er op zelfstandige basis, onder meer, cd's en dvd's verkoopt. - dat hij niet wist dat er illegaal gekopieerde exemplaren tussen zaten. - dat hij er kennis van nam dat deze goederen in beslag werden genomen voor verder onderzoek. (stuk 13). Uit verder nazicht omtrent de authenticiteit van de op 12 september 2004 in beslaggenomen goederen, verricht door J. V., vertegenwoordiger van de V.Z.W. BAF (Belgian Anti Piracy Federation) en van de V.Z.W. IFPI (Internationale Federatie van de Phonografische Industrie), is, zoals gerelateerd in diens verslag de dato 15 september 2004 (stukken 1 tot en met 11) onder meer gebleken: - dat 74 dvd's (Digital Versatile Disks), zijnde kopieën van officieel uitgekomen videofilms, geschreven op recordable dvd's, illegaal waren (feit A.1). - dat 16 cd's, zijnde kopieën van officieel uitgekomen videofilms, gebrand op recordable cd's in het formaat DIVX, illegaal waren (feit A.1). - dat één dvd (Spiderman 2), zijnde een tweede generatiekopie (kopie van een kopie) van een officieel uitgekomen playstation 2 game, illegaal was (feit B). - dat 14 cd's, zijnde kopieën van officieel uitgekomen computer games en/of computer software, illegaal waren (feit B). - dat van verschillende van de desbetreffende videofilms meerdere exemplaren werden aangetroffen. - dat 21 cd's (geluidsdragers), zijnde kopieën gemaakt door middel van een cd-writer geplaatst in een homecomputer of een onafhankelijk werkende writer, illegaal waren (feit A.1). Beklaagde verklaarde op 24 september 2004 onder meer (stuk 12): - dat hij kennis nam van het aantal "vals" bevonden exemplaren, zoals voormeld. - dat hij hiervan vrijwillig en definitief afstand deed. - dat hij niet wist dat er zoveel "valse" exemplaren tussen zijn voorraad staken. Bij huiszoeking in de woning van beklaagde te Beringen op 23 november 2004 werden aldaar, onder meer, 140 dvd's, 34 videofilms, een farde met 103 zelf gemaakte hoesjes en een PC ATX door de politie aangetroffen en in beslaggenomen voor verder onderzoek. Beklaagde verklaarde op 23 november 2004 onder meer (stuk 21): - dat hij sedert september 2001 regelmatig cd's, dvd's en andere spullen verkoopt op de vrije markt van Hamont Achel, per week voor vijftig tot honderdvijftig euro. - dat hij geen facturen kon voorleggen met betrekking tot de aankoop van enige cd of dvd die hij, steeds in aanbieding, aankocht in verschillende handelszaken. - dat hij geen dubbels had doch wel kopieën en back-ups heeft gemaakt van diverse cd's en dvd's, doch enkel voor eigen gebruik. - dat hij niet wist dat hij illegale cd's of dvd's aan het verkopen was. - dat hij ook in het bezit is van een 180-tal lege verpakkingen voor cd's of dvd's, een 35-tal onbeschreven dvd's en een 40-tal onbeschreven cd's, alsmede van een collectie van een 400-tal originele dvd's, deel uitmakend van zijn sedert 1994 aangelegde privé-verzameling. Uit verder nazicht omtrent de authenticiteit van de op 23 november 2004 in beslaggenomen goederen is, zoals gerelateerd in het verslag de dato 26 november 2004 van voornoemde J. Vandendriessche (V.Z.W.'s BAF en IFPI) onder meer gebleken (stukken 24 tot en met 36): - dat 28 dvd's, zijnde tweede generatiekopieën van officieel uitgekomen videofilms, illegaal waren (feit A.2). - dat bij 7 gecontroleerde dvd's het doosje, naast de originele dvd tevens een gekopieerde dvd bevatte met een tweede generatiekopie van de overeenstemmende officiële films. - dat 23 (muziek)dvd's of cd's, zijnde kopieën gemaakt door middel van een dvd-cd-writer geplaatst in een homecomputer en/of een onafhankelijk werkende writer, illegaal waren (feit A.2). Gelet op wat voorafgaat kan bezwaarlijk worden aangenomen dat beklaagde niet wist dat hij illegale cd's of dvd's te koop stelde en/of voor verkoop in voorraad had, gelet op onder meer: - het aanzienlijke aantal aangetroffen ongeoorloofde kopieën. - de omstandigheid dat hij beschikte over het nodige materiaal om kopieën en back-ups van cd's en dvd's te maken (onder meer onbeschreven cd's en dvd's, lege verpakkingen voor cd's of dvd's, zelf gemaakte hoesjes). - de omstandigheid dat bij een aantal originele dvd's in hetzelfde doosje een illegale kopie werd aangetroffen. - de omstandigheid dat van sommige filmtitels meerdere exemplaren bij hem werden aangetroffen, hetgeen mede wijst op de handel in namaak. - de omstandigheid dat beklaagde de (legale) herkomst van de kwestieuze goederen niet kan staven. Uit het geheel van de in het dossier vervatte gegevens en, onder meer, uit wat voorafgaat staat vast: - dat beklaagde ongeoorloofde kopieën van auteursrechtelijk beschermde videofilms, geluidsdragers en computerprogramma's in het economisch verkeer heeft gebracht op commerciële schaal en met het oogmerk om een economisch voordeel te realiseren en zich wederrechtelijk te verrijken en/of ze in voorraad had met het oog hierop. - dat beklaagde van meet af aan wist dat het om onrechtmatige kopieën ging. Ook de overige door beklaagde desbetreffend in beroepsconclusie aangevoerde argumenten, zoals onder meer: - dat hij regelmatig met zijn collega's-verkopers dvd's en cd's zou uitgewisseld hebben voor privé-doeleinden, - dat er geen bewijs zou voorliggen met betrekking tot enige effectieve verkoop van illegale cd's of dvd's, zijn, gelet op wat voorafgaat, niet van aard afbreuk te doen aan voormelde besluitvorming. Betreffende de door beklaagde aangevoerde onregelmatigheid van het onderzoek en de schending van het recht op een eerlijk proces. Het Hof kan beklaagde, hierin gevolgd door de eerste rechter, niet bijtreden in zijn desbetreffende stelling, onder meer, gebaseerd zijnde op de argumentatie: - dat het opsporingsonderzoek volledig zou gebaseerd zijn op de bevindingen van de heer J. Vandendriessche, consultant en operatieverantwoordelijke voor antipiraterij-acties bij de V.Z.W. BAF en de V.Z.W. IFPI, en aldus optredend als vertegenwoordiger van de burgerlijke partijen. - dat het onderzoek en/of de vervolging in feite zou gestuurd zijn door deze persoon, die rechtstreeks aan de basis van het onderzoek zou liggen. - dat een (tegen)onderzoek van de in beslaggenomen goederen omtrent hun al dan niet legaal karakter door een neutraal persoon onmogelijk zou zijn. - dat aldus het beginsel van wapengelijkheid en het recht van verdediging dermate zouden geschonden zijn dat een eerlijk proces te dezen is uitgesloten. Uit de in het dossier vervatte gegevens blijkt niet dat de heer J. V. aanwezig zou geweest zijn bij de controle op de markt (op 12 september 2004) of tijdens de huiszoeking (op 23 november 2004) of bij de verhoren van beklaagde. De rapporten van de heer J. V., die in casu niet als deskundige werd aangesteld, dateren, zoals voormeld, van respectievelijk 15 september 2004 en 26 november 2004 en uit niets blijkt dat het strafonderzoek te dezen pas zou zijn opgestart na een klacht of vaststelling gedaan door deze persoon. Het nazicht en het opstellen van een inventaris, waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen de authentieke en de illegale goederen, blijkt pas na de inbeslagnames (door de politie) te zijn geschied. Het Hof verwijst in dit verband, onder meer, naar het proces-verbaal van de politie (zone Beringen- Ham-Tessenderlo) de dato 2 december 2004 (stuk 37) waarin werd gerelateerd dat de medewerker van de V.Z.W. BAF, na afspraak, op 26 november 2004 ten burele kwam teneinde nazicht van de in beslaggenomen zaken. De tussenkomst van J. V. blijkt zich te hebben beperkt tot het optreden als technisch raadgever, zonder dat hierbij het onderzoek op enigerlei ongeoorloofde wijze werd gestuurd of beïnvloed of afbreuk werd gedaan aan de prerogatieven van het Openbaar Ministerie (Procureur des Konings) tot het waken over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyaliteit waarmee ze worden verzameld en tot vervolging van misdrijven, of inbreuk werd gemaakt op de grondrechten van beklaagde. De enkele omstandigheid dat iemand tijdens het opsporingsonderzoek aan de verbalisanten technische bijstand verleent en in een later stadium van het vooronderzoek optreedt namens een burgerlijke partij, levert op zich geen processuele ongelijkheid op en volstaat niet om een redelijke twijfel te doen rijzen nopens de onpartijdigheid waarmee het onderzoek werd verricht en heeft niet de nietigheid van het door het onderzoek verkregen bewijs voor gevolg. De door J. V. als "man van het vak" opgestelde rapporten hebben enkel betrekking op het al dan niet geoorloofd karakter van de reproducties, zoals dit kan blijken uit materiële kenmerken ervan die wijzen op een gebrek aan toestemming van de rechthebbenden met betrekking tot de gecontroleerde goederen. De feitenrechter is niet gebonden door de vaststellingen van deze technisch raadgever en beoordeelt vrij de feitelijke bewijswaarde van diens rapporten en de erin vervatte bevindingen. De in de tenlasteleggingen sub A en B geviseerde goederen werden in beslaggenomen en als overtuigingsstukken ter griffie neergelegd. Niets belette beklaagde ze aan een (tegen)onderzoek door een eigen technisch raadgever te laten onderwerpen. Beklaagde heeft omtrent de inhoud, volledigheid en objectiviteit van de rapporten van J. Vandendriessche voor de feitenrechter op afdoende wijze tegenspraak kunnen voeren. Het Hof stelt derhalve vast dat te dezen de voorwaarden van een eerlijk proces zijn vervuld voor het geheel van de gevoerde rechtspleging. Ook de overige door beklaagde desbetreffend in beroepsconclusie aangevoerde argumenten doen geen afbreuk aan voormelde besluitvorming. Bestraffing. (...) Civielrechtelijk. Vordering van de burgerlijke partijen sub 1 tot en met
- Deze burgerlijke partijen zijn de producenten van de desbetreffende originele films en als dusdanig titularis van de auteursrechten (onder meer het reproductierecht) op de in beslaggenomen films, namelijk totaliter 49 filmtitels, meer bepaald: (...) Zij hebben als producenten aanzienlijke bedragen geïnvesteerd in de productie, verdeling en exploitatie van de originele films, waarop hun naam figureert, en zij beschikken als auteurs, krachtens artikel 1 van de Auteurswet over exclusieve rechten, zoals het recht om het werk te (laten) reproduceren, verkopen, verhuren ..., prerogatieven die zij in casu, ingevolge de illegale praktijken van beklaagde, niet hebben kunnen uitoefenen. Zij hebben derhalve, als titularis van de auteursrechten op de bij beklaagde in beslaggenomen illegale filmreproducties, belang bij het instellen van hun vordering, nu zij, ingevolge de ten laste van beklaagde bewezen verklaarde desbetreffende feiten, geraakt werden in hun vermogen en goede naam. Bij de schadebegroting wordt, onder meer, rekening gehouden met de omstandigheid: - dat de auteur gerechtigd is een vergoeding te eisen voor een exploitatie die hij niet heeft kunnen verhinderen, nu hij het exclusief recht heeft om de reproductie en de exploitatie van zijn werk niet toe te staan of enkel toe te staan onder de door hem bepaalde voorwaarden. - dat beklaagde door zijn handelen te dezen de commercialisering heeft mogelijk gemaakt van producten van mindere kwaliteit en het de producenten onmogelijk maakte toezicht op de kwaliteit van hun producten uit te oefenen en aldus de goede naam en reputatie van de betrokken producten heeft aangetast. - dat beklaagde door zijn handelen de aantrekkingskracht van de originele producten heeft aangetast en heeft bijgedragen tot de banalisering en waardevermindering van producten die gekenmerkt worden door aanzienlijke investerings- en ontwikkelingskosten en tot een destabilisering van de reguliere markt van voormelde producten. - dat beklaagde door zijn handelen de exploitatie van de films door de producenten heeft gestoord, onder meer, wat hun onderhandelingspositie ten aanzien van de verdelers betreft, die ongetwijfeld wordt bemoeilijkt door het bestaan van een parallelle (illegale) markt. Vordering van de burgerlijke partijen sub 9 tot en met
- Deze burgerlijke partijen zijn de verdelers van de kwestieuze originele films in België en beschikken desbetreffend, nu de producenten slechts met één verdeler een overeenkomst afsluiten omtrent de verdeling van een bepaalde film in België, over het exclusieve recht om de films in België te verdelen, prerogatief dat zij wegens de illegale praktijken van beklaagde niet hebben kunnen uitoefenen. Zij hebben te dezen ingevolge deze praktijken, als verdelers schade geleden die verschillend is van de door de producenten geleden schade en voornamelijk bestaande uit het verlies aan inkomsten en de aantasting van hun investeringen en reputatie in de distributiesector. Zij hebben derhalve belang bij het instellen van hun vordering. Het betreft de hierna vermelde aantallen in beslaggenomen films: (...) Bij de schadebegroting wordt, onder meer, rekening gehouden met: - het verlies van het marktaandeel ingevolge de illegale praktijken van beklaagde, die een aantasting vormen van de exclusiviteit van de verdeling waarvoor een aanzienlijke prijs dient betaald die niet (meer) optimaal kan gerentabiliseerd worden. - de financiële en administratieve gevolgen, verbonden aan de noodzaak om, ingevolge illegale praktijken zoals deze door beklaagde werden gevoerd, bij te dragen tot de bestrijding van namaak. - het in het gedrang brengen van de reputatie, de commerciële geloofwaardigheid en de ernst van de distributieactiviteiten van de verdelers. Betreffende de door de burgerlijke partijen sub 1 tot en met 14 gevorderde bedragen. Alle voormelde elementen samen, maken een in geld waardeerbare schade uit in hoofde van deze burgerlijke partijen. Zowel de producenten als de verdelers hebben door de praktijken van beklaagde schade geleden die een zeker karakter heeft. Nu evenwel deze schade, mede bij gebreke aan enige desbetreffende door beklaagde gevoerde boekhouding, niet voor wiskundig nauwkeurige begroting vatbaar is, kan ze slechts in billijkheid worden begroot. Het toekennen van een forfetaire som per in beslaggenomen illegale drager vormt daarbij de meest adequate wijze van herstel van de schade -in causaal verband met de respectievelijk ten laste van beklaagde bewezen verklaarde feiten- die het dichtst de reële schade benadert. Aldus wordt de schade ex aequo et bono begroot op 125,00 euro per in beslaggenomen film waarvan de respectieve burgerlijke partijen de rechten bezitten in hun hoedanigheid van producenten, respectievelijk verdelers. Hierbij wordt rekening gehouden met het verlies aan inkomsten en met de andere schadeposten zoals hierboven uiteengezet. Voormeld bedrag komt als redelijk voor, nu het enkel, grosso modo, gebaseerd is op de gemiddelde prijs van een originele film die verhuurd wordt (125,00 euro) en slechts betrekking heeft op het gebruiksrecht ten persoonlijke titel door de legitieme gebruikers van de film en niet op het recht om de werken te reproduceren en in het verkeer te brengen voor commerciële doeleinden. Het Hof verwijst in dit verband (ten overvloede) naar de Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004, betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten (Publicatieblad van de E.U., 2 juni 2004, L 195), inzonderheid de overweging sub 26 en het artikel 13 (schadevergoeding), bepaling die door de Belgische wetgever met de wet van 10 mei 2007 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van de bescherming van intellectuele eigendomsrechten (Belgisch Staatsblad de dato 10 mei 2007 - Ed. 2 - artikel 13) werd omgezet door het invoegen van artikel 86bis in de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, dat bepaalt: "§
- Onverminderd §3 heeft de benadeelde recht op de vergoeding van elke schade die hij door een inbreuk op een auteursrecht of naburig recht lijdt. §
- Wanneer de omvang van de schade op geen andere wijze kan bepaald worden, kan de rechter de schadevergoeding in redelijkheid en billijkheid vaststellen op een forfetair bedrag". Gelet op wat voorafgaat zijn de schade-eisen van de burgerlijke partijen sub 1 tot en met 14 ontvankelijk en gegrond zoals hierna bepaald. Vordering van de burgerlijke partij de C.V.B.A. SABAM (Belgische Vereniging van Auteurs, Componisten en Uitgevers). Deze vordering is geënt op de bewezen feiten sub A (21 cd's - geluidsdragers - waaronder vier MP 3 's en 21 muziekdvd's). Deze burgerlijke partij heeft wel degelijk de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang om te dezen haar rechtsvordering in te stellen, nu: - zij, conform haar statuten (art. 1), tot doel heeft "het innen en verdelen, administreren en beheren, in de ruimste zin van het woord, van alle auteursrechten op Belgisch grondgebied alsook op de grondgebieden die vallen onder het toepassingsgebied van wederkerigheidsovereenkomsten afgesloten met zusterverenigingen, voor zichzelf, voor haar vennoten, voor mandanten en soortgelijke vennootschappen". - zij bij Ministerieel Besluit van 1 september 1995 werd gemachtigd om als beheersvennootschap in de zin van artikel 67 van de Auteurswet werkzaam te zijn op Belgisch grondgebied. - de beheersvennootschap de toestemming tot reproductie verleent onder de door haar te bepalen voorwaarden en zonder dat zij de rechthebbenden noodzakelijk moet raadplegen. - zij, als auteursvereniging en beheersvennootschap aldus tevens bevoegd is om, met het oog op het verdedigen van voormelde rechten, zo vereist in rechte op te treden, onder meer inzake namaak. Gelet op de desbetreffend in beslaggenomen cd's (namelijk 21, waaronder vier mp3's) en dvd's
(21)wordt de schade, geleden door deze burgerlijke partij in causaal verband met voormelde ten laste van beklaagde bewezen verklaarde feiten, in overeenstemming met de berekening van de burgerlijke partij in beroepsconclusie, begroot op in het totaal 23.177,93 euro in hoofdsom. Vordering van de burgerlijke partij de V.Z.W. IFPI Belgium (Internationale Federatie van de Phonografische Industrie). De vordering van deze burgerlijke partij is geënt op de ten laste van beklaagde bewezen verklaarde feiten sub A.1 en A.2 (21 cd's - geluidsdragers - en 23 (muziek) - cd's of dvds's). Deze burgerlijke partij heeft wel degelijk de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang om te dezen haar rechtsvordering in te stellen, nu zij, conform haar statuten, als vereniging de Belgische muziekproducenten groepeert en hun belangen behartigt. Het staat buiten kijf dat deze burgerlijke partij schade heeft geleden in causaal verband met de voormelde ten laste van beklaagde bewezen verklaarde feiten, nu: - ingevolge de illegale reproductie en/of verkoop van de kwestieuze muziekdragers, de leden van de burgerlijke partij de prijs ontberen die had kunnen geïnd worden bij ontstentenis van het misdrijf. - het imago van de leden van de burgerlijke partij wordt aangetast door opnames die veelal van inferieure kwaliteit zijn. Nu, bij gebreke aan desbetreffende meer concrete gegevens, de precieze omvang van de schade niet kan worden bepaald, deze schade in billijkheid wordt begroot op 25,00 euro per in beslaggenomen cd of dvd, hetzij 44 x 25,00 euro of 1.100,00 euro in hoofdsom. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080918.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div