← België

ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080924.18

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080924.18 Rolnummer: 2008EV45 Rechtsgebied: Familierecht Invoerdatum: 2009-07-16 Raadplegingen: 132 - laatst gezien 2026-07-02 17:57 Fiche De procedure van 387ter§3 B.W. is een uitzonderingsprocedure en dient beperkend geïnterpreteerd nu zij het principe van de tegensprekelijkheid omzeilt. Uit de stukken moet blijken dat de weigerende partij daadwerkelijk werd aangemaand om haar verplichtingen na te komen. Er ligt geen betekening met bevel voor van de beschikking. Officiële briefwisseling tussen raadslieden kan geen authentieke akte van de instrumenterend gerechtsdeurwaarder vervangen. Uit de stukken moet tevens blijken dat de weigerende partij zich heeft verzet tegen de tenuitvoerlegging van de beslissing. Het volstaat niet om eenvoudig te stellen dat men zeer onwillig is om vrijwillig uitvoering te geven. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Ouderlijk gezag - Gezag op de persoon - Bewaring en toezicht Vrije woorden: Art. 387ter B.W. - dwangmaatregelen - voorwaarden Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, ACHTSTE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewe-zen: Inzake : 2008/EV/45 W.G. VERZOEKSTER (art. 387 ter § 3 B.W.) hebbende als raadsman mr. Sarah Geebelen, advocaat te 3680 Maaseik, Siemkensheuvel 20; ***** Gelet op het eenzijdig verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep op 22 augustus 2008 teneinde bij toepassing van artikel 387ter § 3 Burgerlijk wetboek bij voorrang uitspraak te doen boven alle andere zaken. 1.- Bij beschikking op 11 augustus 2008 op tegenspraak tussen de partij-en uitgesproken door de voorzitter van de rechtbank van eerste aan-leg te Tongeren, werd in afwachting van de sociale studie door de be-voegde justitie assistente de volgende verblijfsregeling opgelegd : - de minderjarige Maria heeft haar hoofdverblijf bij L.M. en dient op diens adres te worden ingeschreven in het bevolkingsregister als hebbende aldaar haar hoofdverblijfplaats, - het kind zal bij W.G. een secundair verblijf hebben als volgt : - om de veertien dagen van vrijdag 18 uur tot zondag 18 uur, - om de veertien dagen, namelijk in de week volgende op het weekend waarin er geen secundair verblijf was, van dinsdag 18 uur tot woensdag 18 uur, - het kind dient door de moeder afgehaald en teruggebracht te worden bij de vader. 2.- Tegen deze beschikking heeft W.G. hoger beroep ingesteld bij ver-zoekschrift neergelegd op 22 augustus 2008 (gekend 2008/RK/248) wat betreft de verblijfsregeling en omgangsrecht met het kind. Verzoekster vordert dat het kind Maria bij haar zou worden inge-schreven als hebbende aldaar haar hoofdverblijfplaats en te zeggen voor recht dat in deze zaak een co-ouderschapsverblijf wordt uitge-sproken met betrekking tot de dochter in die zin dat zij week om week afwisselend bij elk van de ouders zal verblijven, telkens één periode van één week, met wissel op vrijdag 19 uur. W.G. werpt op dat zij de laatste echtelijke woonst heeft moeten verla-ten ingevolge een onhoudbare situatie tussen partijen te wijten aan de gedragingen van L.M., die het niet kon nalaten zich zowel verbaal als fysiek agressief op te stellen tegenover haar. Op 20 augustus 2008 is de toestand dermate geëscaleerd dat zij de woning heeft moeten ver-laten uit schrik voor aantasting van haar fysieke integriteit waarna zij haar dochter niet meer gezien heeft. Volgens haar zijn er nochtans geen factoren aanwezig die zouden aantonen dat de moeder niet zou kunnen instaan voor Maria en dat er problemen zouden zijn in het ma-ternaal milieu. 3.- Ter zitting van het Hof van beroep is op 9 september 2008 akte ver-leend van het schriftelijk akkoord tussen partijen tot regeling van de conclusietermijnen en werd de zaak voor behandeling gesteld op zitting van 14 januari

  1. 4.- W.G. houdt voor dat de raadslieden van partijen, in afwijking van de beschikking, de navolgende regeling uitgewerkt hebben in een officiële briefwisseling van 11 en 12 augustus 2008 met dien verstande dat Maria bij de moeder zal verblijven : - van vrijdag 15 augustus om 18 uur tot zondag 17 augustus om 18 uur, - van dinsdag 19 augustus om 18 uur tot woensdag 20 augustus om 18 uur, - van vrijdag 29 augustus om 18 uur tot zondag 31 augustus om 18 uur, - van dinsdag 2 september om 18 uur tot zondag 3 september om 18 uur, - enzovoort. 5.- Bij eenzijdig verzoekschrift vraagt W.G. thans op grond van artikel 387ter § 3 juncto artikel 387ter § 1 Burgerlijk wetboek een dwangsom van 1500,- EUR op te leggen aan L.M. per overtreding van de in be-schikking van 11 augustus 2008 en officiële briefwisseling van 11 en 12 augustus 2008 overeengekomen regeling inzake het secundair verblijf van de dochter Maria en bijgevolg per weigering om de dochter op de overeengekomen tijdstippen mee te geven. W.G. beklaagt zich erover dat L.M., alhoewel ter zitting verklaard te hebben vrijwillig uitvoering te geven aan de beschikking, weigert uit-voering te geven aan de rechterlijke beslissing, reden waarom abso-luut noodzakelijk een dwangsom dient opgelegd. BEOORDELING 6.- Het artikel 387ter § 1 Burgerlijk wetboek ingevoegd bij wet van 18 juli 2006 voorziet dat : "Ingeval één van de ouders weigert de rechterlijke beslissingen met betrekking tot de huisvesting van de kinderen of het recht op persoonlijk contact uit te voeren, kan de zaak opnieuw voor de bevoegde rechter worden gebracht. In afwijking van artikel 569, 5 Gerechtelijk Wetboek, is de bevoegde rechter degene die de niet-nageleefde beslissing heeft gewezen, tenzij de zaak inmiddels bij een andere rechter aanhangig is gemaakt, in welk geval de vordering voor deze laatste wordt gebracht. De rechter doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken." 7.- Het toepassingsgebied van artikel 387ter Burgerlijk wetboek is beperkt tot de gevallen waarin reeds een rechterlijke beslissing met betrekking tot het verblijf van het kind of het recht op persoonlijk contact werd geveld, waarna deze beslissing door één van de ouders niet wordt uitgevoerd. Artikel 387ter Burgerlijk wetboek is van toepassing op alle beslissingen inzake de verblijfsregeling en het omgangsrecht, ongeacht welke de rechtbank is wiens beslissing uitgevoerd moet worden. Artikel 387ter § 1, 1ste lid Burgerlijk wetboek bepaalt dat ingeval één van de ouders weigert de rechterlijke beslissingen met betrekking tot de verblijfsregeling van het kind of het recht op persoonlijk contact uit te voeren, de zaak opnieuw voor de bevoegde rechter kan gebracht worden. 8.- Als beginsel wordt gesteld dat de rechter die de niet nageleefde beslissing heeft genomen, optreedt (art. 387ter § 1, 1ste lid B.W.). Indien echter de zaak, nadat de eerste rechter uitspraak heeft gedaan en er uitvoeringsmoeilijkheden optreden, inmiddels bij een andere rechter aanhangig werd gemaakt, dan dient de vordering inzake tenuitvoerlegging voor deze laatste rechter gebracht te worden (art. 387ter, §1, 1ste lid in fine B.W.). In geval van niet-uitvoering van een rechterlijke beslissing, kan de zaak derhalve terug aanhangig gemaakt worden bij de rechter die de niet nageleefde beslissing heeft geveld, in zoverre deze rechter temporeel nog bevoegd is. 9.- Aangezien artikel 387ter Burgerlijk wetboek van toepassing is op alle beslissingen inzake de verblijfsregeling en het recht op persoonlijk contact, ongeacht welke de rechtbank is wiens beslissing uitgevoerd moet worden, is geoordeeld dat het hof van beroep de bevoegde rechter is wanneer men uitvoeringsmaatregelen beoogt te verkrijgen na niet-naleving van een beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg waartegen hoger beroep voor het hof hangend is (zie ook Gent, 25 oktober 2007, NJW, 2008, 456 met noot G. Verschelden). 10.- Het voorliggend verzoekschrift betreft klaarblijkelijk de afzonderlijke procedure in geval van absolute noodzaak om bij eenzijdig verzoekschrift beroep te doen op de dwangmaatregelen als bedoeld in § 1, voorzien door art. 387ter § 3 Burgerlijk wetboek, zoals ingevoegd bij art. 4 van de wet van 18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoer-legging inzake huisvesting van het kind (B.S. 4 september 2006, 43971). 11.- W.G. wenst op eenzijdig verzoekschrift dat er een dwangsom zou worden opgelegd met betrekking tot de bestreden beslissing van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 11 augustus
  2. Ter staving van haar vordering verwijst W.G. naar de correspondentie tussen de raads-lieden in een officieel schrijven, waaruit zou moeten blijken dat L.M. de afspraken tussen partijen niet heeft nageleefd. 12.- Opdat op eenzijdig verzoekschrift dwangmaatregelen kunnen toege-kend worden dient aan een aantal grondvoorwaarden voldaan te worden. Er dient met name uit stukken te blijken dat: - de weigerende partij daadwerkelijk werd aangemaand om haar verplichtingen na te komen, - zij zich heeft verzet tegen de tenuitvoerlegging van de beslissing Dergelijk bewijs ligt niet voor. Er ligt geeneens een betekening met bevel voor van de beschikking van 11 augustus
  3. De procedure van art. 387 ter § 3 B.W. is een uitzonderlijke procedure. Zij omzeilt het principe van de tegensprekelijkheid. Daarom dienen de grondvoorwaarden beperkend geïnterpreteerd te worden. Een officiële briefwisseling tussen raadslieden kan ten deze geen authentieke akte van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder vervangen. Daarnaast dient verzoekster aan te tonen dat het in het belang van het kind nodig is om L.M. zijn recht op tegenspraak te ontzeggen bij het opleggen van dwangmaatregelen. Het volstaat niet eenvoudig te stellen dat hij zeer onwillig is om vrijwillig uitvoering te geven. Er kan ook nuttig worden verwezen naar art. 9.2 I.V.R.K. Daarin wordt het principe gevestigd dat in procedures zoals deze alle betrokken partijen de gelegenheid moeten krijgen om aan die proce-dures deel te nemen en hun standpunt naar voor te brengen. O M D I E R E D E N E N : H E T H O F, Rechtsprekend op eenzijdig verzoek; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; Verklaart het verzoek op grond van artikel 387 ter § 3 Burgerlijk wet-boek ongegrond. Laat de kosten ten laste van appellante. Aldus gedaan en uitgesproken in raadkamer op: VIERENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT waar aanwezig waren : de heer P. ADRIAENSEN dd Voorzitter de heer MERTENS DE WILMARS Raadsheer mevrouw A. VAN MUYLDER Raadsheer mevrouw G. VERSYPT Griffier G. VERSYPT A. VAN MUYLDER MERTENS DE WILMARS PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20080924.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.