id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 01 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081001.8 Rolnummer: 181 P 2008 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2008-11-17 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 18:01 Fiche
- Ook al betreft de gelijkstelling van de verlengd minderjarige met een minderjarige beneden de vijftien jaar, uitsluitend 'zijn persoon en zijn goederen' (cfr. artikel 487bis, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek) en blijft inzake strafrecht en strafrechtspleging de werkelijke leeftijd van de verlengd minderjarige bepalend, neemt zulks niet weg dat voormeld vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen de dato 23 oktober 1997, waarbij de verlengd minderjarigverklaring van beklaagde werd uitgesproken -staat waarvan de opheffing nimmer is geschied- als vonnis inzake de staat en bekwaamheid, gezag van gewijsde heeft dat zich uitstrekt tot de motieven die de noodzakelijke ondersteuning ervan vormen. Mede gelet op wat voorafgaat en op het geheel van de in het dossier vervatte gegevens staat het vast dat beklaagde zich in een ernstige staat van geestesstoornis waardoor hij ongeschikt is tot het controleren van zijn daden bevindt en hij zich ook in zulke toestand bevond op het ogenblik van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten, zoals thans aangehouden.
- Overeenkomstig artikel 1386bis van het Burgerlijk Wetboek, worden de vorderingen tot schadevergoeding beoordeeld naar billijkheid, rekening houdend met de omstandigheden en met de toestand van de partijen. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - GEESTESSTOORNIS - Internering Vrije woorden:
- Strafrecht - voorwaarden internering - staat van verlengde minderjarigheid
- Schadevergoeding - 1386bis Burgerlijk Wetboek Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 486bis, 1386bis, Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: tegen deze uitspraak werd geen cassatieberoep aangetekend Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, 1 oktober 2008 te Antwerpen, veertiende kamer (...) Door de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting van het Hof is bewezen geworden dat beklaagde P. V.V. de hem ten laste gelegde feiten (zoals verbeterd) gepleegd heeft, doch slechts in zoverre ze gepleegd werden tussen 20 januari 2006 en 23 januari
- Feiten en verklaringen. Op 24 januari 2006 deed M. V.P., vader van N. V.P., geboren te Vilvoorde op 29 oktober 1990, bij de politie aangifte van het feit dat zijn dochter, over wie hij het hoederecht heeft, hem verteld had dat zij tijdens het afgelopen weekend (21-22 januari 2006) seksueel werd misbruikt door beklaagde, zijnde de huidige inwonende levenspartner van haar moeder M. V.R., bij wie het slachtoffer alsdan verbleef naar aanleiding van het uitoefenen van haar omgangsrecht. M V.P. verklaarde alsdan onder meer (stukken 8 en 9): - dat N. (ten tijde van de feiten vijftien jaar oud zijnde) hem verteld had dat beklaagde haar borsten had aangeraakt en gemasseerd en met zijn hand, bovenop haar kledij over haar vagina zou gewreven hebben. - dat N. erg was aangedaan en dat zij een gemakkelijke prooi is, vermits ze getroffen is door een blijvende ongeschiktheid van ten minste 66 percent (cfr. tevens attest de dato 10 maart 2004 van de FOD Sociale Zekerheid - stuk 7). N. V.P. verklaarde op 29 juni 2006 (audiovisueel verhoor) onder meer: - dat zij les volgt in het S. J. (school voor buitengewoon onderwijs te M.). - dat, toen zij laatst bij haar mama was, P., de vriend van haar mama, naast haar in de zetel kwam zitten en haar op haar kleren aanraakte op haar borsten en vagina. - dat P. haar vroeg of zij dit plezant vond, waarop zij antwoordde dat zij dit niet plezant vond, doch P. niet wou stoppen. - dat, toen zij wou weggaan uit de zetel, P. met gespreide armen en benen voor haar kwam staan om haar de weg te versperren. (stukken 34 tot en met 39). Er zijn geen objectieve redenen voorhanden die aan de rechtzinnigheid van voormelde verklaringen zouden doen twijfelen. Geen der in het dossier vervatte gegevens laat toe vast te stellen of aannemelijk te maken dat het slachtoffer een verhaal zou fantaseren of simuleren en/of dat er enigerlei suggestieve vraagstelling of onbewuste manipulatie is geweest vanwege de ondervrager en/of dat er bij het slachtoffer of derden enige motivatie zou voorhanden zijn om jegens beklaagde lasterlijke verklaringen af te leggen of te doen afleggen. Het slachtoffer spreekt zelfs in zekere zin "verontschuldigend" voor beklaagde, zoals "... Dat P. niet onder haar kleren was geweest toen hij haar betastte ..." (stuk 36). Het Hof is dan ook van oordeel dat het slachtoffer in haar verklaring een waarheidsgetrouw relaas heeft gedaan met betrekking tot de door beklaagde P. V.V. in het weekend van 21 en 22 januari 2006 op haar persoon gepleegde seksuele handelingen. De ten laste van beklaagde aangehouden feiten worden, ingevolge correctionalisering, gesanctioneerd met correctionele straffen bij toepassing van de artikelen 25, 80, vierde lid, 373, derde lid, 374 en 377 eerste en vierde lid van het Strafwetboek. Het Hof stelt vast dat beklaagde P. V.V. bij in kracht van gewijsde getreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen de dato 23 oktober 1997, op grond van artikel 487bis van het Burgerlijk Wetboek, in staat van verlengde minderjarigheid werd verklaard. Bij vonnis van dezelfde rechtbank de dato 5 februari 2004 werd, op grond van artikel 487quater van het Burgerlijk Wetboek, het ouderlijk gezag over beklaagde vervangen door de voogdij en werd gedaagde, meester N. V., advocaat, benoemd als voogd over beklaagde. Het privaatrechtelijk statuut van de verlengde minderjarigheid is van toepassing op ernstig mentaal gehandicapten. Krachtens de bepalingen van artikel 487bis van het Burgerlijk Wetboek: - kan een persoon van wie gebleken is dat hij wegens ernstige geestelijke achterlijkheid ongeschikt is en schijnt te zullen blijven om zichzelf te leiden en zijn goederen te beheren, in staat van verlengde minderjarigheid worden verklaard. - moet onder ernstige geestelijke achterlijkheid worden verstaan, een staat van geestelijke onvolwaardigheid, aangeboren of begonnen tijdens de vroege kinderjaren, en gekenmerkt door een uitgebleven ontwikkeling van de gezamenlijke vermogens van verstand, gevoel en wil. Ook al betreft de gelijkstelling van de verlengd minderjarige met een minderjarige beneden de vijftien jaar, uitsluitend "zijn persoon en zijn goederen" (cfr. artikel 487bis, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek) en blijft inzake strafrecht en strafrechtspleging de werkelijke leeftijd van de verlengd minderjarige bepalend, neemt zulks niet weg dat voormeld vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen de dato 23 oktober 1997, waarbij de verlengd minderjarigverklaring van beklaagde werd uitgesproken -staat waarvan de opheffing nimmer is geschied- als vonnis inzake de staat en bekwaamheid, gezag van gewijsde heeft dat zich uitstrekt tot de motieven die de noodzakelijke ondersteuning ervan vormen. Mede gelet op wat voorafgaat en op het geheel van de in het dossier vervatte gegevens staat vast dat beklaagde zich bevindt in een ernstige staat van geestesstoornis waardoor hij ongeschikt is tot het controleren van zijn daden en hij zich ook in zulke toestand bevond op het ogenblik van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten, zoals thans aangehouden. Mede gelet op: - de bevindingen, gerelateerd in het verslag de dato 7 september 2007 van Dr. Pieter Roosen, psychiater, namelijk: - dat de geestestoestand van beklaagde kan aanleiding geven tot een minder duidelijk normbesef op seksueel vlak, - dat, onder meer in het licht van de voorgeschiedenis van beklaagde -aan wie bij vonnis van de correctionele rechtbank te Mechelen de dato 8 juni 2001 probatie-opschorting werd verleend voor een termijn van vijf jaar wegens verkrachting op een kind beneden de volle leeftijd van veertien jaar doch boven de volle leeftijd van tien jaar- de begeleiding van beklaagde door een dienst gespecialiseerd in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten aangewezen is, - het uit dit alles blijkende reële gevaar voor recidive, stelt het Hof vast dat beklaagde actueel een gevaar voor de maatschappij uitmaakt. Het is derhalve aangewezen de veiligheidsmaatregel van de internering op te leggen. Civielrechtelijk. Zoals voormeld bevindt beklaagde zich thans in een staat van ernstige geestesstoornis die hem ongeschikt maakt voor de controle van zijn daden en bevond hij zich ook in zulke toestand op het ogenblik van het plegen van de hem ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten, zoals voormeld. Derhalve wordt, overeenkomstig artikel 1386bis van het Burgerlijk Wetboek, geoordeeld naar billijkheid, rekening houdend met de omstandigheden en met de toestand van de partijen. In de gegeven omstandigheden begroot het Hof: - de aan de burgerlijke partij M. V.P. in eigen naam toekomende schadevergoeding naar billijkheid op 250,00 euro. - de aan de burgerlijke partij M. V.P., qualitate qua toekomende schadevergoeding naar billijkheid op 1.000,00 euro. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081001.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.