id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081008.5 Rolnummer: 998 P 2006 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2008-11-17 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-07-02 18:03 Fiche 1 1. Het is niet bewezen dat beklaagden zich wetens en willens geldelijke voordelen hebben willen verschaffen, waarop zij zeker geen aanspraak konden maken. Daardoor is ook het bedrieglijk opzet, vereist voor de ten laste gelegde misdrijven van valsheid in geschriften, niet bewezen. Beklaagden hebben zich nooit voordelen willen verschaffen waarvan het met zekerheid vaststaat dat zij wisten dan wel dienden te weten er zeker en zonder enige twijfel geen aanspraak op te kunnen maken. Het privé-gebruik, dat in strijd met de werkelijkheid door beklaagde occasioneel wordt genoemd, is wel degelijk een onttrekking van het betrokken toestel aan zijn bestemming. Beklaagde handelde met bedrieglijk inzicht en wilde het toestel dat hem niet toebehoorde privé gebruiken omdat zijn eigen toestel defect was. 2. Beklaagde R. B. heeft als ambtenaar een belang genomen in een verrichting waarover hij ten tijde van de handeling geheel of ten dele het toezicht had. Of beklaagde E. D.H. zijn private belangen heeft bevorderd is niet relevant: hij is immers mededader en de betrokken verschoningsgrond betreft dan ook enkel beklaagde R. B.. Beklaagde E. D.H. wordt alleen onder de tenlastelegging B vervolgd zijn medewerking te hebben verleend aan het door beklaagde R. B. gepleegde misdrijf van belangenneming, zoals omschreven in artikel 245 van het Strafwetboek. Zijn tussenkomsten waren noodzakelijk en hij had de mogelijkheid en macht die schilderijen niet te laten aankopen door de V.Z.W. 3. Het ondertekende grievenschrift van de Procureur des Konings en de mededeling hiervan door de Procureur-Generaal, doen geen afbreuk aan de plicht van het Hof zijn saisine volledig uit te putten en dus te moeten oordelen over de strafvordering zoals die door de respectievelijke hogere beroepen aanhangig werd gemaakt. In zijn beoordeling is het Hof daarbij niet gebonden door enig standpunt ingenomen door de vervolgende partij. Het Openbaar Ministerie beschikt niet meer over de strafvordering eens die aanhangig is gemaakt bij het Hof. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Valsheid - In geschriften STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare orde door ambtenaren - Verduistering STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare orde door ambtenaren - Belangenneming Vrije woorden: 1. strafrecht - valsheid in geschrifte - verduistering - opzet - bijzonder opzet 2. strafrecht - belangenneming - strafbare deelneming - verschoningsgrond 3. strafrecht - strafvordering - geen vrije beschikking van het O.M. over de strafvordering Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: In deze zaak werd door O.T. cassatieberoep aangetekend, zodat, in afwachting hiervan, de betreffende beschikkingen van het arrest werden weggelaten. Fiche 2 4. In zijn ter terechtzitting van 25 juni 2008 overgelegde conclusie zet beklaagde enerzijds uiteen zich neer te leggen bij de beoordeling van de Rechtbank voor de misdrijven waaraan hij schuldig werd bevonden en enkel de hervorming te benaarstigen wat de sanctie betreft en anderzijds dat wat de aangehouden misdrijven van valsheid in geschrifte betreft er geen benadeling zou zijn geweest en er nooit de intentie zou zijn geweest om fraude te plegen of een omkoping te camoufleren. Het is onduidelijk welke rechtsgevolgen beklaagde aan deze overwegingen hecht. De aldus door beklaagde opgeworpen middelen zijn tegenstrijdig, minstens onduidelijk zodat er geen rekening mee dient te worden gehouden. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWET - Grondwettelijke machten - Rechterlijke macht - art. 144-159 - Motiveringsplicht - art. 149 Vrije woorden: 4. strafrecht - tegenstrijdigheid in de middelen - buiten beschouwing te laten Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 149 Nota: In deze zaak werd het door O.T. aangetekend cassatieberoep afgewezen bij arrest van 3 maart 2009. Zie ook R. DECLERCQ, Beginselen van Strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2007, 743. Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, 8 oktober 2008 te Antwerpen, veertiende kamer (...) 11. De schuld van beklaagde F. N. aan de hem in de zaak met notitienummer AN45.IN.100168-03 sub A.I, A.II, B.I en B.II ten laste gelegde feiten, zoals in voorkomend geval verbeterd, is niet bewezen gebleven door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. De schuld van beklaagde N. A. aan de haar in de zaak met notitienummer AN45.IN.100168-03 sub A.I, A.II en B.II ten laste gelegde feiten, zoals in voorkomend geval verbeterd, is niet bewezen gebleven door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. De schuld van beklaagde F. V. aan de hem in de zaak met notitienummer AN45.IN.100168-03 sub B.III ten laste gelegde feiten is niet bewezen gebleven door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting. Beklaagden worden van deze hen ten laste gelegde feiten dan ook vrijgesproken. 12. Beklaagden F. N. en F. V. beschikten elk over een op jaarbasis in functie van hun ambt gelimiteerde kostenvergoeding. De betrokken vergoeding diende te worden aangewend ter betaling van aan hun ambt eigen kosten. Aan deze beklaagden wordt niet verweten de hun toegekende limiet te hebben overschreden. Overigens zou in dat geval de overschrijding zijn toegerekend op hun wedde. Hen wordt verweten deze hen toegekende vergoeding te hebben aangewend voor andere uitgaven dan deze die als "kosten eigen aan het ambt" konden worden beschouwd. Het zeer uitgebreide onderzoek heeft geen zekerheid opgeleverd met betrekking tot deze notie "kosten", waarvoor de vergoeding kon worden aangewend. Er dient in tegendeel te worden vastgesteld dat zowel bij de politiek verantwoordelijken als bij de betrokken ambtenaren geen eensgezindheid bestond nopens de invulling van dit begrip. Er dient zelfs te worden vastgesteld dat bij de aanwerving van de brandweercommandant deze onkostenvergoeding als een vorm van verloning werd voorgesteld, afgescheiden van het eigenlijke loon (onderkaft 15 in farde 7/11 van het strafdossier). Evenmin heeft het onderzoek enige informatie opgeleverd met betrekking tot de fiscale afhandeling van deze onkostenvergoeding, en met name in welke mate de in dit raam gedane uitgave al dan niet als voordeel in natura diende te worden beschouwd. Tenslotte blijkt uit het onderzoek dat geen opportuniteitscontrole binnen de stedelijke structuren was voorzien op de kosten, die werden gefinancierd middels deze onkostenvergoeding. Het is dan ook niet bewezen dat beklaagden zich wetens en willens geldelijke voordelen hebben willen verschaffen, waarop zij zeker geen aanspraak konden maken. Daardoor is ook het bedrieglijk opzet, vereist voor de ten laste gelegde misdrijven van valsheid in geschriften, niet bewezen. Beklaagden hebben zich nooit voordelen willen verschaffen waarvan het met zekerheid vaststaat dat zij wisten dan wel dienden te weten er zeker en zonder enige twijfel geen aanspraak op te kunnen maken. 13. De overwegingen van de burgerlijke partij stad Antwerpen, en met name dat de betrokken onkostenvergoeding geen loon was of is, kan aan het bovengestelde geen afbreuk doen. Het staat overigens enkel vast dat deze onkostenvergoeding soms als een deel van het loon werd voorgesteld. De door deze burgerlijke partij aangehaalde feitelijke omstandigheden zijn niet afdoende om zonder enige twijfel aan te nemen, dat beklaagden zich wetens en willens geldelijke voordelen hebben willen verschaffen, waarop zij zeker geen aanspraak konden maken. Notitienummer AN25.RC.548-03 (zaak II, vonnis van 25 mei 2007 (931 P 2007)). 14. De schuld van beklaagde F. N. aan de hem in de zaak met notitienummer AN25.RC.548-03 sub C.I.
- e)ten laste gelegde feiten is niet bewezen geworden, door het strafonderzoek en het ter terechtzitting gevoerde onderzoek. De eerste rechter heeft terecht beklaagde van dit feit vrijgesproken. Het toestel werd aangekocht voor de chauffeur van beklaagde F. N. . Het enkele feit dat deze bestemming mogelijkerwijze niet "valt te verantwoorden met de doelstelling van de V.Z.W. S.", zoals de burgerlijke partij Stad Antwerpen, als opvolger van de V.Z.W. S., in haar conclusies (blz. 3) beweert, bewijst nog niet dat beklaagde, als dader of mededader, het heeft verduisterd en dat het bedrieglijk opzet bewezen zou zijn. 15. De schuld van beklaagde F. N. aan de hem in de zaak met notitienummer AN25.RC.548-03 sub A.I, A.III, C.I.a), b),
- c)en
- d)ten laste gelegde feiten, zoals in voorkomend geval gepreciseerd, is bewezen gebleven, door het strafonderzoek en het ter terechtzitting gevoerde onderzoek. Beklaagde heeft de betrokken niet verbruikte goederen teruggegeven dan wel vergoed. Wat de verbrekingsvergoeding voor de vervanging van zijn voertuig betreft (tenlasteleggingen A.I en C.I.b)) verklaarde beklaagde zelf dat het een budgetoverschrijding naar aanleiding van de verandering van een dienstvoertuig betrof (stuk 1/46, farde 2/11 van het strafdossier). 16. De schuld van beklaagde E. O. aan de hem in de zaak met notitienummer AN25.RC.548-03 sub A.II.a),
- b)en c), A.IV.
- a)en
- b)en D ten laste gelegde feiten, zoals in voorkomend geval gepreciseerd en heromschreven, is bewezen gebleven door het strafonderzoek en het ter terechtzitting gevoerde onderzoek. 17. De schuld van beklaagde F.V. aan de hem in de zaak met notitienummer AN25.RC.548-03 sub C.III.a), c), d),
- e)en
- f)ten laste gelegde feiten zijn niet bewezen geworden door het strafonderzoek en het ter terechtzitting gevoerde onderzoek. Beklaagde werd terecht door de eerste rechter van deze feiten vrijgesproken. De schuld van beklaagde F.V. aan de hem in de zaak met notitienummer AN25.RC.548-03 sub C.III.
- b)ten laste gelegde feit, is wel bewezen gebleven door het strafonderzoek en het ter terechtzitting gevoerde onderzoek. Het is afdoende bewezen en het wordt overigens niet ontkend dat beklaagde het televisietoestel naar huis heeft medegenomen omdat zijn toestel defect was. Anders dan beklaagde overweegt in zijn conclusies op pagina 52 bovenaan is het privé-gebruik, dat in strijd met de werkelijkheid door beklaagde occasioneel wordt genoemd, wel degelijk een onttrekking van het betrokken toestel aan zijn bestemming. Beklaagde handelde met bedrieglijk inzicht en wilde het toestel dat hem niet toebehoorde privé gebruiken omdat zijn eigen toestel defect was. Notitienummer AN45.IN.100784-03 (zaak III, vonnis van 25 mei 2007 (931 P 2007)). 18. De schuld van beklaagde E. D. H. aan de hem in de zaak met notitienummer AN45.IN.100784-03 sub A ten laste gelegde feiten is niet bewezen gebleven door het gevoerde strafonderzoek en het ter terechtzitting gevoerde onderzoek. Hij wordt van dit feit vrijgesproken. De V.Z.W. is eigenaar van de betrokken schilderijen geworden en het is niet bewezen dat het bedrag van 3.250,00 euro onverantwoord zou zijn, zodat het niet aangetoond is dat dit bedrag of een fractie ervan van zijn normale bestemming zou zijn afgeleid. De aankoop van schilderijen door de politieschool is op zich niet als afwijkend te beschouwen en paste binnen het beleid zoals vastgelegd door de onderscheiden beleidsorganen. Het deskundigenverslag, dat overigens enkel vaststelt dat het bedrag van 3.250,00 euro niet in verhouding stond met de waarde van de kunstwerken, overtuigt het Hof niet. Overigens wordt beklaagde vervolgd het volledig bedrag te hebben verduisterd, terwijl het zeker niet bewezen is dat de schilderijen totaal geen waarde hebben. 19. De schuld van beklaagde E. D.H., als mededader zoals bedoeld in artikel 66 van het Strafwetboek, aan de hem in de zaak met notitienummer AN45.IN.100784-03 sub B ten laste gelegde feiten is bewezen gebleven door het gevoerde strafonderzoek en het ter terechtzitting gevoerde onderzoek. De prijs en de waarde van de betrokken schilderijen is te dezen, en met name met betrekking tot het sub B ten laste gelegde misdrijf irrelevant. Medebeklaagde R. B. heeft zijn private belangen bevorderd door zijn schilderijen te kunnen verkopen aan de V.Z.W. P., terwijl hij stadsontvanger was en aangesteld als deskundige en financieel adviseur in de raad van bestuur van deze V.Z.W. Dat hij in de raad van bestuur niet stemgerechtigd was en dat hij, zoals beklaagde E. D.H. het in zijn ter terechtzitting van 26 juni 2008 neergelegde conclusie verwoordt, niet behoorde tot de beleidsorganen, neemt niet weg dat hij als stadsontvanger en financieel expert feitelijk, en in samenwerking met beklaagde E. D.H., die de directeur was, heeft gewogen op de betrokken beslissing om zijn schilderijen te laten aankopen door de V.Z.W. Beklaagde R. B. heeft als ambtenaar een belang genomen in een verrichting waarover hij ten tijde van de handeling geheel of ten dele het toezicht had. Beklaagde E. D.H. heeft zijn medewerking aan de betrokken aankoop verleend. Hij wist dat medebeklaagde R. B. stadsontvanger was en was aangesteld om toezicht uit te oefenen op financieel gebied. Niet relevant is te dezen of hij al dan niet openlijk gehandeld heeft, nu het immers vaststaat dat beklaagde R. B. zijn private belangen heeft bevorderd. In de omschrijving van de tenlastelegging B wordt dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook weggelaten. Of beklaagde E. D.H. zijn private belangen heeft bevorderd is niet relevant: hij is immers mededader en de betrokken verschoningsgrond betreft dan ook enkel beklaagde R. B.. Beklaagde E. D.H. wordt alleen onder de tenlastelegging B vervolgd zijn medewerking te hebben verleend aan het door beklaagde R. B. gepleegde misdrijf van belangenneming, zoals omschreven in artikel 245 van het Strafwetboek. Hem wordt dit niet in eigen hoofde ten laste gelegd. Overigens houdt hij zelf voor ten private titel te hebben gehandeld als directeur van de politieschool. Evenmin van belang is de overweging dat de betrokken V.Z.W. privaatrechtelijk zou zijn: beklaagde wordt immers als mededader schuldig bevonden aan het hem sub B ten laste gelegde. 20. Beklaagde E. D.H. was directeur van de betrokken V.Z.W. en heeft in die hoedanigheid te dezen uitdrukkelijk gewogen op de beslissing tot aankoop van de betrokken twee schilderijen van de stadsontvanger. Zijn tussenkomsten waren noodzakelijk en hij had de mogelijkheid en macht die schilderijen niet te laten aankopen door de V.Z.W. In zijn ter terechtzitting van 26 juni 2008 neergelegde conclusies zet hij overigens zelf uiteen in te hebben gestaan voor de praktische uitvoering van de door het directiecomité genomen beslissingen en daartoe een financiële bevoegdheid te hebben gehad tot 250.000,- oude Belgische frank (blz. 4, alinea 5/). Dat beklaagde binnen zijn bevoegdheden heeft gehandeld neemt zijn schuld niet weg aan het hem sub B ten laste gelegde. Of de aankoop van de betrokkenen schilderijen van medebeklaagde R. B. werd besproken en beslist in de betrokken beleidsorganen, zoals benoemd door beklaagde in zijn ter terechtzitting van 26 juni 2008 neergelegde conclusie, is niet relevant, nu dit uiteraard niet verhindert dat beklaagde deze beslissing heeft geïnitieerd en als directeur meer dan de andere leden op de betrokken beslissing heeft gewogen. Beklaagde heeft niet enkel als uitvoerder van een door anderen genomen beslissing de aankoop verricht van de beide schilderijen. Overigens is er in de notulen geen sprake van een dergelijke bespreking en zet beklaagde zelf uiteen dat hij bevoegd was om zelfstandig de betrokken schilderijen aan te kopen. De door beklaagde in conclusies aangehaalde feitelijke omstandigheden (blz. 15 vierde alinea) om een gebrek aan kennis van het door medebeklaagde R. B. begane misdrijf te staven, overtuigen geenszins. Zij missen ter zake elke relevantie. Notitienummer AN25.RC.705-03 (vonnis van 9 juni 2006 (998 P 2006)). 21. Beklaagde E. D.H. overweegt in de aanvang van zijn ter terechtzitting van 26 juni 2008 overgelegde conclusies: "Afgaande op het door de Procureur des Konings, aanwezig in eerste aanleg ondertekende grievenschrift d.d. 20.6.2006, medegedeeld door de Procureur-Generaal bij brief van 8 oktober 2007, zijn de hierboven vermelde vrijspraken als definitief te aanzien, minstens niet meer betwist door het Openbaar Ministerie". Het is niet geheel duidelijk welk rechtsgevolg dit middel inhoudt. In elk geval kan dit middel en de erin aangehaalde feitelijke gegevens, en met name het ondertekende grievenschrift van de Procureur des Konings en de mededeling hiervan door de Procureur-Generaal, geen afbreuk doen aan de plicht van het Hof zijn saisine volledig uit te putten en dus te moeten oordelen over de strafvordering zoals die door de respectievelijke hogere beroepen aanhangig werd gemaakt. In zijn beoordeling is het Hof daarbij niet gebonden door enig standpunt ingenomen door de vervolgende partij. Het Openbaar Ministerie beschikt niet meer over de strafvordering eens die aanhangig is gemaakt bij het Hof. 22. De schuld van beklaagde E. D.H. aan de hem in de zaak met notitienummer AN25.RC.705-03 sub A.I.b), A.I.c), A.I.d), A.I.e), A.I.f), A.II.c), A.II.e)1), A.II.e)2), A.II.e)3), A.IV, B.I, B.II, B.III, B.IV, B.V, B.VI en F.II. ten laste gelegde feiten, zoals hoger in voorkomend geval gepreciseerd, is niet bewezen gebleven door het gevoerde strafonderzoek en het ter terechtzitting gevoerde onderzoek. De materialiteit van de betrokken feiten en dus en onder meer enige waarheidsvermomming is niet afdoende bewezen. Of de aangerekende onkosten in verband met de dienstreis naar Los Angeles inderdaad de verblijfskosten van de echtgenote van beklaagde betroffen is niet afdoende bewezen (A.I.
- b)en A.I.c)). Evenmin is het bewezen of de betrokken onder A.II.
- c)vermelde facturen inderdaad volledig fictief zijn, nu het in elk geval vaststaat dat prestaties werden geleverd, waarvan de beoordeling op hun kwantiteit en kwaliteit thans niet aan de orde is. Ook met betrekking tot de factuur vermeld onder A.IV is geen waarheidsvermomming bewezen. Tenslotte is er van geen vervalsing sprake in de tenlasteleggingen A.I.
- e)en F.II: het enkelvoudig kleven van "ontvangstbewijzen en kassaticketten voor restaurantuitgaven en relatiegeschenken, op een wit blad" maakt op zich geen valsheid uit. Door beklaagde werd het parkingticket niet vervalst, doordat op het blad, waarop het ticket werd gekleefd, een handgeschreven vermelding werd gemaakt. Van waarheidsvermomming is dan ook geen sprake. Bovendien werden de thans ter discussie gestelde gefactureerde prestaties en onkostenvergoedingen die door beklaagde ten laste van de V.Z.W. werden gevraagd, blijkbaar nooit betwist en blijft alleen de discussie of de gevraagde vergoedingen dan wel aangerekende onkosten overeenkomstig de tussen partijen gemaakte afspraken werden aangerekend. Het is met andere woorden niet afdoende bewezen of beklaagde al dan niet gerechtigd was de betrokken kosten of vergoedingen aan de V.Z.W. aan te rekenen. Onder meer met betrekking tot de aanrekening van lesuren (A.I.
- d)en A.I.f)) was het blijkbaar bij het coördinatiecentrum van de V.Z.W. P. geweten dat klassen werden samengevoegd, werd het blijkbaar aanvaard dat beklaagde het aanwezigheidsregister niet invulde en werden de uren aangerekend die toebedeeld en gepland waren. Het vereiste bedrieglijk opzet is dan ook niet afdoende bewezen. Ook met betrekking tot de facturen vermeld onder de tenlastelegging sub A.II.
- c)is niet afdoende bewezen wat er werd afgesproken. Even grote onzekerheid bestaat met betrekking tot de beweerde onder tenlastelegging A.II.
- e)aangehouden waarheidsvermomming, die dan ook niet als bewezen kan worden aanzien. Niet duidelijk is immers welke afspraken er werden gemaakt. Bovendien werd de betrokken arbeidsovereenkomst, vermeld onder A.II.e)2) wel getekend door de Burgemeester (stukken 7/171 en 170 van het strafdossier, farde 2/5). Het addendum daarentegen werd niet door haar getekend (cfr. verklaring van V. H. stukken 7/145-147 van het strafdossier, farde 2/5). De door de burgerlijke partij in de ter terechtzitting van 25 juni 2008 neergelegde conclusie gemaakte juridische overwegingen, en onder meer nopens het statuut van deze beklaagde, doen hieraan geen afbreuk en bewijzen op zich niet het bedrieglijk opzet. De onder de tenlastelegging B.I vermelde verduistering van restaurant- en andere uitgaven is om hoger vermelde redenen evenmin bewezen. Beklaagde E. D.H. heeft zich niet wetens en willens geldelijke voordelen willen verschaffen, waarop hij zeker geen aanspraak kon maken. Het is niet afdoende en zonder enige twijfel bewezen dat deze uitgaven geen kosten eigen aan het ambt zijn. Beklaagde beschikte verder binnen de V.Z.W. P. over een voertuig en een tankkaart en het is niet afdoende bewezen dat dit voertuig en de tankkaart niet voor privé-doeleinden mochten worden gebruikt. De overige verduisteringen onder de tenlastelegging B zijn om de hoger aangehaalde redenen evenmin bewezen. 23. De schuld van beklaagde E. D.H. aan de hem in de zaak met notitienummer AN25.RC.705-03 sub A.II.b)1, A.II.b)2, A.II.d), A.III, D, E. en F.I, uitgezonderd het gebruik van het onder de tenlastelegging F.I vermelde vervalst stuk, ten laste gelegde feiten, zoals in voorkomend geval gepreciseerd en heromschreven, is bewezen geworden door het gevoerde strafonderzoek en het ter terechtzitting gevoerde onderzoek. Met betrekking tot de onder A.II.b)1) en A.II.b)2) vermelde reizen heeft beklaagde het private karakter ervan verhuld door gewag te maken van "educatieve internationale zendingen", om aldus kosten, andere dan de tankkosten en de voertuigkosten, ervan te kunnen verhalen op de V.Z.W. P. . Van enige omkering van een bewijslast is geen sprake en het gegeven dat beklaagde tijdens een privé-reis collega's ontmoet of "universiteiten, professoren of faculteiten" ontmoet of bezoekt, maakt deze reis nog niet tot een dienstreis. Beklaagde heeft verder samen met beklaagde E. O. willen verhullen dat de betrokken uitrustingen en werken, waarvan de facturen onder A.II.
- d)en A.III melding maken, bestemd waren voor de privé-woning van beklaagde E. D.H., zodat de betrokken kosten niet te zijnen laste zouden vallen en dat privé-werken op die manier zouden betaald worden uit publieke fondsen, waarvan beklaagden uiteraard wisten dat deze niet voor privé-doeleinden konden worden aangewend. Het onder de tenlasteleggingen F.I omschreven misdrijf, uitgezonderd het gebruik van het valse stuk, werd gepleegd met het oogmerk om fiscale bepalingen te overtreden. Of de betrokken vervalste stukken al dan niet in de boekhouding werd opgenomen door de boekhouder van beklaagde dan wel verwerkt werden in zijn belastingsaangifte neemt niet weg dat beklaagde de stukken vervalste met de enkele bedoeling ze bij de aangifte te voegen om zijn aangifte te zijnen gunste ten onrechte te beïnvloeden, goed wetende dat hij daarop niet gerechtigd was. Nu het niet bewezen is dat hij gebruik heeft gemaakt van de vervalste stukken, wordt enkel de vervalsing zelf aangehouden. De op de bladzijden 3 en 4 van zijn ter terechtzitting van 26 juni 2008 overgelegde conclusie gegeven uitleg voor deze handelswijze blijft volstrekt ongeloofwaardig: de erin weergegeven nobele bedoelingen vereisen geen materiële vervalsing van de betrokken factuur. Bovendien is deze uitleg strijdig met de eigen vaststelling van beklaagde dat zijn boekhouder weigerde de factuur in te brengen bij de aangifte omdat het een dienstreis betreft, die immers werd betaald door de V.Z.W. P. . Het is niet enkel omdat ze thuishoorde in de boekhouding van de V.Z.W. P. maar ook omdat ze door deze werd betaald, dat de boekhouder weigerde de factuur in te brengen in de boekhouding van beklaagde. Overigens zet beklaagde in deze passage van zijn conclusies ook uiteen dat de vliegreis van zijn echtgenote afzonderlijk werd betaald en gefactureerd en dat haar verblijfkosten ter plaatse met liquide middelen werden betaald. Dat zij op dezelfde hotelkamer sliep als beklaagde E. D. H. en deze kost integraal door de V.Z.W. P. werd betaald is evident, zodat met betrekking tot deze kost geen uitsplitsing diende tussen te komen. Beklaagde E. D.H. heeft zich laten omkopen door beklaagde E. O. . Het is afdoende bewezen dat eerste beklaagde erop rekende dat de aan zijn privé-woning uitgevoerde werken gratis zouden worden uitgevoerd. Partijen hebben aanvankelijk geen afwachtende houding aangenomen. De facturen van de leveranciers, zoals vermeld onder de tenlasteleggingen A.II.
- d)en A.III werden daarom vervalst. Dat achteraf door beklaagde E. O. toch een factuur werd opgesteld aan beklaagde E. D.H. doet hieraan geen afbreuk. Het betreft immers aflopende misdrijven, zodat het herstel van de begane strafbare fout geen invloed meer heeft op het gepleegd zijn van het betrokken misdrijf. Dat deze factuur werd opgesteld wordt door het Hof niet in aanmerking genomen tot bewijs van de frauduleuze intenties van beklaagden E. D.H. en E. O. . Zij worden overigens vrijgesproken van het sub A.IV ten laste gelegde feit. De onderscheiden constitutieve bestanddelen van de misdrijven sub D en E zijn door het gevoerde strafonderzoek wel afdoende bewezen geworden. Geen twijfel is gerezen. Beklaagde had belangen in de N.V. SCP en hij heeft voor de V.Z.W. P. een opdracht aan deze vennootschap gegund. Met betrekking tot deze hem ten laste gelegde misdrijven werpt beklaagde overigens geen middelen op tot betwisting ervan, behoudens dat hij hiervan werd vrijgesproken en het Openbaar Ministerie in deze vrijspraak zou hebben berust. Het Hof verwijst ter zake naar het hoger onder randnummer 21 uiteengezette. 24. De schuld van beklaagde E. O. aan de hem in de zaak met notitienummer AN25.RC.705-03 sub A.IV ten laste gelegde feiten is niet bewezen geworden door het gevoerde strafonderzoek en het ter terechtzitting gevoerde onderzoek. Hij werd hiervan dan ook terecht door de eerste rechter vrijgesproken. De schuld van beklaagde E. O. aan de hem in de zaak met notitienummer AN25.RC.705-03 sub A.II.d), A.III en C ten laste gelegde feiten, zoals heromschreven, is bewezen gebleven door het gevoerde strafonderzoek en het ter terechtzitting gevoerde onderzoek. In zijn ter terechtzitting van 25 juni 2008 overgelegde conclusie zet beklaagde enerzijds uiteen zich neer te leggen bij de beoordeling van de Rechtbank voor de misdrijven waaraan hij schuldig werd bevonden en enkel de hervorming te benaarstigen wat de sanctie betreft en anderzijds dat wat de aangehouden misdrijven van valsheid in geschrifte betreft er geen benadeling zou zijn geweest en er nooit de intentie zou zijn geweest om fraude te plegen of een omkoping te camoufleren. Het is onduidelijk welke rechtsgevolgen beklaagde aan deze overwegingen hecht. De aldus door beklaagde opgeworpen middelen zijn tegenstrijdig, minstens onduidelijk zodat er geen rekening mee dient te worden gehouden. Het Hof verwijst verder naar de redengeving onder randnummer 23 en herneemt deze voor zover ze betrekking heeft op de ten laste van beklaagde E. O. gelegde feiten. Straftoemeting. (...) Verbeurdverklaringen en doorhalingen. 29. Ingevolge hoger gemaakte beoordeling wordt de doorhaling bevolen van de ter griffie onder O.S. 8947/03 sub 1 en sub 2 neergelegde en vals bevonden facturen. Er is geen feitelijke grond voorhanden om een wederrechtelijk verkregen vermogensvoordeel ten laste van beklaagden F. N. en E. O., zoals schriftelijk in eerste aanleg gevorderd door het Openbaar Ministerie (stuk 802, deel 10/11) verbeurd te verklaren. Naar het door beklaagde E. O. uit het misdrijf van de omkoping verkregen voordeel werd geen cijfermatig onderzoek gevoerd. De verwijzing door het Openbaar Ministerie in zijn schriftelijk vordering heeft betrekking op de bij R. B. uitgevoerde werken, die ten laste van de N.V. P., en dus onrechtstreeks van beklaagde E. O. zijn gebleven, en vormt dus eerder een nadeel dan een voordeel. Of beklaagde E. O. dan wel de N.V. P. enig voordeel hebben gehaald uit de omkoping is dan ook niet bewezen, laat staan dat geweten is hoe groot dit voordeel zou zijn geweest. Beklaagde F. N. heeft de prijs van de meubelen ten bedrage van 11.082,00 euro terugbetaald aan de V.Z.W. S. . (...) Burgerlijke partijen. Notitienummer AN45.IN.100168-03 (zaak I, vonnis van 25 mei 2007 (931 P 2007)). 31. Gelet op de vrijspraken in deze zaak is het Hof zonder bevoegdheid om over de in deze zaak gestelde burgerlijke partijstellingen te oordelen. Notitienummer AN25.RC.548-03 (zaak II, vonnis van 25 mei 2007 (931 P 2007)). 32. De burgerlijke partij S. A. vordert thans als opvolger van de V.Z.W. S. ten laste beklaagde F. N. een schadevergoeding van 20.128,18 euro, waarvan reeds 11.082,00 euro werd voldaan, zodat zij maar de veroordeling van deze beklaagde vordert tot betaling van een bedrag van 9.046,18 euro, meer de vergoedende intresten aan 7% vanaf de datum der feiten, de gerechtelijke intresten en de kosten. Het terugbetaalde bedrag heeft betrekking op de vergoeding van de schade uit het feit C.I.d). De camera bedoeld in het feit C.I.
- a)werd door deze beklaagde terugbezorgd. Het feit C.I.
- e)is niet bewezen, zodat het Hof met betrekking tot dit onderdeel van de burgerlijke partijstelling niet bevoegd is. Enkel de schade ontstaan uit de feiten C.I.
- b)en
- c)is bewezen en dient nog te worden vergoed. Dat beklaagde het betrokken voertuig heeft terugbezorgd doet geen afbreuk aan het feit dat het bedrag van de verbrekingsvergoeding ten onrechte ten laste van de V.Z.W. S. werd gelegd. De vordering is dan ook ontvankelijk en gegrond ten bedrage van 6.530,00 euro, meer de vergoedende intresten en de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 24 oktober 2002. Beklaagde wordt dienvolgens ook veroordeeld om aan deze burgerlijke partij een op het basisbedrag begrote rechtsplegingvergoeding te betalen. 33. Ten aanzien van beklaagde F. V. verzoekt de burgerlijke partij V.Z.W. T. bij ter terechtzitting van 25 juni 2008 neergelegde conclusies, dat haar akte zou worden verleend dat zij afstand doet van haar vordering en heden geen vordering meer stelt. Het behoort de burgerlijke partij hiervan akte te verlenen. Notitienummer AN45.IN.100784-03 (zaak III, vonnis van 25 mei 2007 (931 P 2007)). 34. Het Hof is zonder bevoegdheid ten aanzien van de burgerlijke partijstelling tegen beklaagde E. D.H. in zoverre ze is gestoeld op de tenlastelegging A. De vordering van de burgerlijke partij Stad Antwerpen als opvolger van de V.Z.W. P. tot betaling van een schadevergoeding 3.250,00 euro is ontvankelijk doch ongegrond. Het betreft het materieel verlies en met name de prijs die de V.Z.W. P. heeft betaald voor de twee schilderijen van beklaagde R. B., terwijl het niet vaststaat dat er ten gevolge van het aangehouden misdrijf sub B enig materieel verlies is geleden. De gevorderde vergoeding van 1,00 euro voor geleden morele schade is ontvankelijk doch ongegrond. Het is niet bewezen dat de Stad A. in eigen naam en als rechtsopvolger van de V.Z.W. P. daardoor in haar reputatie werd geschaad. Het Hof verwijst verder naar het hierna uiteengezette. Notitienummer AN25.RC.705-03 (vonnis van 9 juni 2006 (998 P 2006)) 35. Te dezen is de Stad A. in eigen naam en als rechtsopvolger van de V.Z.W. P. betrokken. Het Hof stelt wel vast dat de beide burgerlijke partijen thans blijkbaar dezelfde vorderingen stellen. Onder meer in het petitum van de ter terechtzitting 25 juni 2008 neergelegde conclusie wordt geen onderscheid meer gemaakt. Voor zover deze burgerlijke partijstellingen zijn gestoeld op de tenlasteleggingen A.I.b), A.I.c), A.I.d), A.I.e), A.I.f, A.II.c, A.IV en B dient het Hof zich zonder bevoegdheid te verklaren: beklaagde werd immers vrijgesproken van deze tenlasteleggingen. Voor zover deze burgerlijke partijstellingen zijn gestoeld op de tenlastelegging A.I.a), dat zich vereenzelvigt met F.I, A.II.d), en A.III. zijn de betrokken onderdelen van de burgerlijke vordering ontvankelijk doch ongegrond. Het is immers niet bewezen dat deze misdrijven de schade hebben veroorzaakt waarvan de burgerlijke partijen vergoeding vorderen. Het is niet bewezen dat de burgerlijke partijen de facturen vermeld onder A.II.d. en A.III. hebben voldaan en het misdrijf sub F.I. heeft geen betrekking op een onterechte doorrekening van kosten aan de V.Z.W. P. . Het betreffen integendeel kosten eigen aan de V.Z.W. P. . De morele schade waarvoor een vergoeding te belopen van 1,00 euro wordt gevraagd, is evenmin bewezen. Beklaagde kan niet in het algemeen verantwoordelijk worden gesteld voor de negatieve mediabelangstelling, die bovendien, gelet op de vrijspraken, minstens gedeeltelijk niet gegrond blijkt te zijn, indien men aanneemt dat de door beklaagde E. D.H. begane fouten de oorzaken zouden zijn van deze negatieve mediabelangstelling. De burgerlijke partij duidt overigens ook niet aan welke door beklaagde begane fouten als verantwoordelijk voor de negatieve mediabelangstelling dienen te worden aangewezen. De burgerlijke partij maakt ook gewag van een houding die beklaagde E. D.H. zou hebben aangenomen, maar duidt niet aan wat deze houding dan wel is geweest en verbindt deze houding evenmin aan enige ten laste van beklaagde bewezen verklaarde misdrijven. De vordering van de beide burgerlijke partijen dient dan ook, voor zover het Hof bevoegd is er kennis van te nemen, te worden afgewezen als ongegrond. De burgerlijke partij bewijst niet schade te hebben geleden die werd veroorzaakt door de ten laste van beklaagde bewezen verklaarde misdrijven. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081008.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div