id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 09 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081009.7 Rolnummer: 71 AGA 2007 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-04-21 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-02 18:03 Fiche De bewoordingen 'werkgever, zijn aangestelde of lasthebber' in de geviseerde wetsbepalingen staan een gecumuleerde aansprakelijkheid niet in de weg. De wet van 4 mei 1999 doet hieraan geen afbreuk en staat, bij gecumuleerde aansprakelijkheid, de vervolging van zowel de werkgever (rechtspersoon of natuurlijke persoon) als van de aangestelde of lasthebber - zijnde begrippen die in het sociaal strafrecht een eigen betekenis hebben - niet in de weg. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Algemeen (bijzondere strafwetten) Vrije woorden: Strafrecht - Sociaal strafrecht - Strafrechtelijk verantwoordelijke personen - Cumulatie Nota: Het cassatieberoep werd verworpen bij arrest van 10 maart
- Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, 9 oktober 2008 te Antwerpen, veertiende kamer (...) Beklaagde was ten tijde van de feiten gedelegeerd bestuurder/zaakvoerder van de N.V. S. I./voorheen B.V.B.A. I.-. B.V.B.A. S. I. . Hij had in die hoedanigheid de plicht een permanente en afdoende effectieve controle uit te oefenen op de verrichtingen van de vennootschap, hetgeen hij, zoals blijkt uit het geheel van de in het dossier vervatte gegevens, verzuimd heeft. Hij heeft aldus op zijn minst misdrijfscheppend en/of misdrijfbevorderend gehandeld. Beklaagde vermag geen dienstig verweer te putten uit de door hem aangevoerde omstandigheid dat, binnen het bedrijf, mevrouw J. D. G. de verantwoordelijke bediende was voor, onder meer, de personeelsadministratie, de opvolging van de boekhouding en de berekening van de lonen, en dat de heer S. instond voor de werkverdeling tussen de chauffeurs en voor het bijhouden van de prestatiebladen en de tachograafschijven. Geen der elementen van het dossier laat toe vast te stellen of aannemelijk te maken: - dat er in casu sprake was van een duidelijke en expliciete delegatie van bevoegdheden, waarvan het voorwerp duidelijk en precies was afgebakend en gekoppeld aan precieze instructies. - dat de voornoemde personeelsleden daadwerkelijk over het gezag en de vereiste middelen beschikten om hun opdracht uit te voeren en om binnen hun bevoegdheidssfeer normconform gedrag te kunnen handhaven. Bovendien heeft beklaagde hoe dan ook nagelaten regelmatig toezicht uit te oefenen op de uitvoering van de naar zijn zeggen gedelegeerde taken. Ook de door beklaagde aangevoerde omstandigheid dat de administratie van de onderneming werd verzorgd door de daartoe verantwoordelijke bediende, in samenspraak met en met opvolging door een sociaal secretariaat ("T.") is niet van aard zijn schuld aan de hem ten laste gelegde misdrijven weg te nemen, temeer nu het sociaal secretariaat enkel kon voortgaan op de feitelijke gegevens die het ontving van de klant en tevens afhankelijk was van het tijdstip waarop deze gegevens werden verstrekt. Geen der in het dossier vervatte gegevens laat toe vast te stellen of aannemelijk te maken dat het handelen of nalaten van beklaagde te dezen het gevolg was van een onoverwinnelijke dwaling of dat de feiten overmacht opleveren die zijn schuld uitsluit. Beklaagde voert verder aan: - dat, met betrekking tot alle hem te dezen ten laste gelegde feiten, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber door de wetgever wordt aangeduid als strafbare dader. - dat er sedert het in werking treden van de wet van 4 mei 1999 (op 2 juli 1999) een "autonome" strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon werd ingevoerd in het Belgisch strafrecht, rechtspersoon zijnde te dezen de werkgever de N.V. S. I.. - dat hij derhalve, gelet op voormelde wettelijke toerekening, als bestuurder/natuurlijke persoon van deze rechtspersoon (in eigen naam) niet als werkgever kan worden beschouwd en alleen al om deze reden dient vrijgesproken te worden. Deze door beklaagde geponeerde stelling refereert blijkbaar naar de zogenaamde "opslorpingstheorie" (of cascadesysteem), volgens dewelke het wettelijk toerekeningsmechanisme in het sociaal strafrecht, waarbij respectievelijk de werkgever, zijn aangestelde(n) of lasthebber(s) worden aangeduid als strafbare personen, een "rangorde" genereert tussen genoemde personen op het vlak van de vervolgbaarheid, waarbij de schuld van de meerdere die van de mindere zou dekken of, met andere woorden, dat de "verdergenoemde" in de wettelijke opsomming "werkgever, zijn aangestelde of lasthebber", slechts in aanmerking zou komen in geval van niet-vervolgbaarheid van een "eerder genoemde". Het Hof kan voormelde stelling niet bijtreden. De door beklaagde ingeroepen "opslorping" van de fout van de ondergeschikte door de fout van de meerdere blijkt op zich uit geen enkele wetsbepaling. De bewoordingen "werkgever, zijn aangestelde of lasthebber" in de geviseerde wetsbepalingen staan een gecumuleerde aansprakelijkheid niet in de weg. De wet van 4 mei 1999 doet hieraan geen afbreuk en staat, bij gecumuleerde aansprakelijkheid, de vervolging van zowel de werkgever (rechtspersoon of natuurlijke persoon) als van de aangestelde of lasthebber -zijnde begrippen die in het sociaal strafrecht een eigen betekenis hebben- niet in de weg. Ook na het in werking treden van deze wet kunnen verschillende personen strafrechtelijk verantwoordelijk zijn wanneer de facto wordt vastgesteld dat zij een fout hebben begaan, en mede rekening houdend met de bepalingen van artikel 5, tweede lid van het Strafwetboek, zoals opnieuw opgenomen bij de wet van 4 mei
- Ook de overige door beklaagde aangevoerde argumenten en/of de door beklaagde, onder meer, ter terechtzitting van het Hof neergelegde stukken (verklaring Fidan/personeelsregister) doen geen afbreuk aan voormelde besluitvormingen. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081009.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div