id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 15 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081015.7 Rolnummer: 2007AR2650 Rechtsgebied: Overige - Handelsrecht Invoerdatum: 2010-01-28 Raadplegingen: 147 - laatst gezien 2026-07-02 18:06 Fiche Wie de verwezenlijking van een onrechtmatig voordeel nastreeft of het herstel vordert van het verlies daarvan, heeft geen rechtmatig belang. De onrechtmatige toestand waarin een eisende partij zich bevindt, heeft evenwel niet noodzakelijk tot gevolg dat alle ermee verbonden voordelen, bij het behoud waarvan de eiser een belang heeft, door onrechtmatigheid zijn aangetast. Het feit dat het tuinhuis zonder de vereiste vergunningen was geplaatst, heeft niet tot gevolg dat het belang van de eigenaar (en diens verzekeraar) bij het herstel van de beschadiging van dit tuinhuis een onrechtmatig belang zou zijn. De vordering tot vergoeding van de (zaak)schade beoogt immers het herstel van het nadeel dat de schadelijder ondergaat in een deel van zijn patrimonium en streeft op zichzelf niet het behoud na van een toestand in strijd met de openbare orde, noch het herstel van enige winst die met een dergelijke toestand gepaard gaat. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Belang HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Zaakverzekering Vrije woorden: Toelaatbaarheid van de eis - vordering tot vergoeding van zaakschade lastens brandverzekeraar - (on)rechtmatig belang - onvergund bouwwerk Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2007/AR/2650 STEENHOUWERIJ H.B. EN ZONEN BVBA, appellante, vertegenwoordigd door Mr. A. VAN HOVE loco Mr. WUYTS Guido, advocaat te 2200 HERENTALS, Lierseweg 238 tegen het vonnis gewezen op 18 april 2005 door de Rechtbank van koophandel te Turnhout tegen
- VIVIUM VERZEKERINGEN NV, na overname door ING INSURANCE NV van VIVIUM NV, zoals gepubliceerd in BS van 23.10.2007, met maatschappelijke zetel te 1210 BRUSSEL, Koningstraat 153, KBO-nummer 040.500.094, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. DEPROUW Jo, advocaat te 2400 MOL, Kruisven 51
- B.V. VLEESHANDEL J. V.D.F., geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. DEPROUW Jo, advocaat te 2400 MOL, Kruisven 51 ***
- Wat voorafgaat 1.
- Op 13 juli 1998 ontstond brand in een "zomerhuisje" gelegen naast het zwembad, dat eigendom was van de NV Vleeshandel J. V.D.F.. In mei 1998 werd door de BVBA Steenhouwerij H.B.en Zonen in dit zomerhuis een open haard en schouw geplaatst. Volgens V.D.F. is de brand ontstaan de dag na het eerste gebruik van deze open haard. 1.
- Bij beschikking van 24 september 1998 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout wordt deskundige Claessens aangesteld met als opdracht (o.m.) advies te verlenen over de oorzaak van de brand alsook de schade te ramen. In zijn eindverslag besluit de deskundige dat "de oorzaak van de brand is gelegen in zelfontbranding door pyrolyse van de houten keperwand achter de haard, gevolg van de constructiewijze en wandopbouw achter de haard. Daarover werd beslist door de constructeur van de haard, die zelf het initiatief nam om de wand op te bouwen zonder mogelijkheid van luchtcirculatie, wat zou verhinderd hebben dat de temperatuur van de houten kepers te hoog opliep". 1.
- Op 11 mei 2001 laten de NV Vleeshandel J. V.D.F. en haar brandverzekeraar de NV De Vaderlandse (na naamswijziging NV ING Verzekeringen en na overname NV Vivium Verzekeringen), hierna partij V.D.F. genoemd, een dagvaarding betekenen aan de BVBA Steenhouwerij H.B. en Zonen om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout. Hierin vorderen zij deze partij, op grond van art. 1382 B.W., te veroordelen tot het betalen van de som van 1.150.000 BEF (28.507, 76 EUR) aan de verzekeraar en van de som van 5.129.224 BEF (127.150, 14 EUR - later verhoogd tot 167.024, 59 EUR) aan de schadelijder, beide bedragen te vermeerderen met interesten en kosten. Bij vonnis van 18 november 2002 verzendt deze rechtbank de zaak naar de rechtbank van koophandel. 1.
- Het beroepen vonnis van de rechtbank van koophandel van Turnhout van 18 april 2005 verklaart de vordering van partij V.D.F. ontvankelijk in zoverre deze betrekking heeft op de vergoeding van de materiële schade, veroorzaakt aan het tuinhuisje en de inboedel. De eerste rechter verwerpt aldus de stelling van de BVBA Steenhouwerij H.B. dat een vordering tot vergoeding van schade in of aan een illegaal bouwwerk onontvankelijk dient te worden verklaard. Wel acht de eerste rechter het passend, alvorens over de ontvankelijkheid van de vordering tot vergoeding van de gebruiksderving en/ of het mindergenot van dit tuinhuis te oordelen, de debatten te heropenen teneinde de BVBA Steenhouwerij H.B. toe te laten aan te tonen dat dit tuinhuis effectief zonder bouwvergunning werd opgericht. Met verwijzing naar de vaststellingen van deskundige Claessens acht de eerste rechter de BVBA Steenhouwerij H.B. aansprakelijk voor het ontstaan van de brand. Anders dan de BVBA is de eerste rechter van oordeel dat over dit onderdeel van het deskundigenverslag (m.n. de beoordeling van de technische oorzaken van de brand) partijen voldoende tegenspraak hebben kunnen voeren en dat de rechten van verdediging van de BVBA Steenhouwerij H.B. ter zake niet werden geschonden. Dit is niet het geval voor de schaderaming van deze deskundige waarover, volgens de eerste rechter, geen tegenspraak is gevoerd. Alvorens uitspraak te doen over de begroting van de schade, stelt de eerste rechter deskundige Denis Claessens aan teneinde hierover een aanvullend verslag neer te leggen. Deze deskundige wordt, bij vonnis van 26 september 2005, vervangen door Hubert Claessens. Deze deskundige legt op 14 april 2006 zijn verslag neer. 1.
- De BVBA Steenhouwerij H.B. en Zonen stelt, bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 24 september 2007, een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in tegen dit vonnis van 18 april
- De zaak werd behandeld op de zitting van 17 september
- Eisen in hoger beroep 2.
- De BVBA Steenhouwerij H.B. en Zonen, hierna appellante genoemd, vordert, bij hervorming van het beroepen vonnis, de initiële vorderingen onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren en de NV ING Verzekeringen en de NV Vleeshandel J. V.D.F. te verwijzen in de kosten. Tevens verzoekt zij deze partijen in solidum te veroordelen tot het betalen van de som van 10.243, 51 EUR, te vermeerderen met interesten. 2.
- De NV Vivium Verzekeringen en de BV Vleeshandel J. V.D.F. (die voor zoveel als nodig het geding herneemt), hierna geïntimeerden genoemd, concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vorderen appellante te verwijzen in de kosten. Tevens vorderen zij appellante te veroordelen tot het betalen aan de schadelijder de som van 21.387, 30 EUR en aan de verzekeraar de som van 101.844, 29 EUR, beide bedragen te vermeerderen met interesten.
- Beoordeling 3.
- Ontvankelijkheid van de vordering van geïntimeerden 3.1.
- Appellante werpt in de eerste plaats op dat de vordering, ingesteld door geïntimeerden, onontvankelijk is bij gebreke van een rechtmatig belang zoals vereist door art. 17 Ger.W. Hierbij voert zij aan dat geïntimeerden de betaling vorderen van een vergoeding voor het verlies van een onrechtmatig voordeel, m.n. het eigendomsrecht en het genot van een illegaal opgetrokken tuinhuis. Volgens appellante beogen geïntimeerden, door het nastreven van een schadevergoeding voor het tuinhuis, immers het behoud van een onwettig voordeel. Uit de neergelegde stukken blijkt dat het door brand geteisterde tuinhuis zonder de vereiste vergunningen werd opgetrokken. Dit wordt door geïntimeerden ook niet betwist. Wel voeren zij aan dat het feit dat schade wordt toegebracht aan een illegaal bouwsel niet verhindert dat de eigenaar-schadelijder een ontvankelijke vordering tot het vergoeden van deze schade kan instellen tegen de aansprakelijke derde. Vast staat dat wie de verwezenlijking van een onrechtmatig voordeel nastreeft of het herstel vordert van het verlies daarvan geen rechtmatig belang heeft. De onrechtmatige toestand waarin een eisende partij zich bevindt, heeft evenwel niet noodzakelijk tot gevolg dat alle ermee verbonden voordelen, bij het behoud waarvan de eiser een belang heeft, door onrechtmatigheid zijn aangetast. Er moet immers vermeden worden dat een persoon die - al dan niet intentioneel - schade berokkent aan in strijd met de stedebouwkundige voorschriften opgerichte vaste inrichtingen, in elk geval vrijuit zou gaan. Het Hof treedt de stelling van geïntimeerden bij dat het feit dat het tuinhuis zonder de vereiste vergunningen was geplaatst niet tot gevolg heeft dat het belang van de eigenaar (en diens verzekeraar) bij het herstel van de beschadiging van dit tuinhuis een onrechtmatig belang zou zijn. De vordering tot vergoeding van de (zaak)schade beoogt immers het herstel van het nadeel dat de schadelijder ondergaat in een deel van zijn patrimonium en streeft op zichzelf niet het behoud na van een toestand in strijd met de openbare orde, noch het herstel van enige winst die met een dergelijke toestand gepaard gaat. De eerste rechter heeft deze vordering tot vergoeding van de zaakschade dan ook terecht ontvankelijk verklaard. 3.1.
- Appellante houdt in de tweede plaats voor dat tweede geïntimeerde, de BV V.D.F. - tot 31 juli 2002 vereffenaar van de NV Vleeshandel J. V.D.F., niet aantoont dat zij de betrokken rechtsvordering uit het patrimonium van de vereffenende vennootschap heeft overgenomen. Zij stelt dan ook dat deze partij niet aantoont dat zij over de vereiste hoedanigheid beschikt, minstens het nodige belang heeft om te vorderen. In het door geïntimeerden neergelegde "bijzonder verslag van de Raad van bestuur van de NV Vleeshandel J. V.D.F. per 22 april 2002" wordt melding gemaakt van het feit dat de vordering wegens brandschade zal worden gecedeerd aan de BV Vleeshandel J. V.D.F. ter gedeeltelijke aflossing van de nog lopende leningschuld. In de jaarrekening van 2002 van de BV wordt deze vordering ook onder de rubriek "financiële vaste activa" vermeld. Tweede geïntimeerde stelt dan ook "voor zoveel als nodig" het geding te hernemen. Aangenomen wordt dat, wanneer de overdrager in een geding betrokken is met de debiteur, de cessionaris het geding niet mag hervatten voor de kennisgeving van de overdracht conform art. 1690 B.W. In principe wordt de cessionaris dan ook slechts titularis van de schuldvordering, en van het accessoire ius agendi na het vervullen van de formaliteiten van de voormelde bepaling. De vereiste kennisgeving kan evenwel in eenzelfde akte gebeuren als de hervatting van geding, in casu bij conclusie van 15 mei
- Beide beogen immers hetzelfde, met name de verwittiging van de schuldenaar en tegenstrever in een hangende procedure. Hieruit volgt dat tweede geïntimeerde over de hoedanigheid en het belang, vereist door art. 17 Ger.W., beschikt. 3.
- Eerbiediging van de tegenspraak door de deskundige 3.2.
- Ten gronde werpt appellante op dat tijdens het verloop van het deskundigenonderzoek haar rechten van verdediging werden geschonden. Concreet verwijt zij de deskundige, in strijd met verzoek van beide partijen, geen tweede aanvullend voorverslag te hebben overlegd doch wel onmiddellijk een definitief eindverslag. Volgens appellante werd haar aldus de kans ontnomen "tot het overmaken van opmerkingen betreffende nieuw te onderzoeken stellingen, onder meer aangereikt door de nieuwe gegevens uit het overgelegde strafdossier". De eerste rechter heeft deze stelling gedeeltelijk gevolgd en heeft m.n. een aanvullende deskundigenonderzoek bevolen voor de schaderaming. Appellante voert evenwel aan dat ook met betrekking tot de vaststelling van de oorzaken van de brand haar recht op tegenspraak werd geschonden. 3.2.
- Luidens (oud) art. 978 Ger.W. geeft de deskundige na afloop van de verrichtingen kennis van zijn bevindingen aan de partijen, wier opmerkingen hij aantekent. Dit voorverslag dient inhoudelijk de vaststellingen alsook het standpunt van de deskundige weer te geven. Het moet met andere woorden een ontwerp van eindverslag zijn. De verplichting tot het voorleggen van een voorverslag heeft tot doel de partijen de gelegenheid te geven hun opmerkingen te maken en aldus de tegenspraak te eerbiedigen. De deskundige kan, op grond van de opmerkingen van partijen, eventueel een bijkomend plaatsbezoek of aanvullend onderzoek verrichten. 3.2.
- Bijgevolg is het aan appellante om aan te tonen dat zij, na het voorleggen van het voorverslag, kennis heeft gekregen van nieuwe gegevens die een aanvullend onderzoek naar de oorzaken van de brand noodzakelijk maakten en dat deskundige Claessens, met miskenning van haar rechten van verdediging, niet op dit verzoek is ingegaan. Dit bewijs wordt niet geleverd. Vastgesteld wordt dat deskundige Claessens op 1 december 1998 zijn voorverslag aan partijen heeft overgemaakt met het verzoek hun opmerkingen tegen 31 december 1998 kenbaar te maken. Dit verslag is opgesteld na twee bijeenkomsten op de plaats van het schadegeval waarop beide partijen, bijgestaan door een raadsman en technisch raadgever, aanwezig waren. Volgens het voorverslag zijn tijdens deze tweede samenkomst de mogelijke oorzaken van de brand overlopen, werd de wandopbouw achter de haard gecontroleerd en werd - aan de hand van de verliesstaat van architect Micheels - de schade aan het gebouw en de inboedel overlopen. Na beide plaatsbezoeken komt de deskundige op gemotiveerde wijze tot het besluit dat de oorzaak van de brand gelegen is in zelfontbranding door pyrolyse van de houten keperwand achter de haard. 3.2.3.
- Appellante verwijt de deskundige in de eerste plaats slechts twee mogelijke oorzaken, bij onmiddellijke eliminatie van alle andere mogelijke oorzaken, te hebben onderzocht. Zoals aangegeven, blijkt uit het voorlopig verslag dat tijdens het tweede plaatsbezoek (waarop alle partijen, bijgestaan door technische raadslieden, aanwezig waren) de mogelijke oorzaken van de brand werden herleid tot pyrolyse en kortsluiting. Appellante toont niet aan dat zij na dit voorverslag kennis kreeg van andere gegevens die een eventuele andere oorzaak aannemelijk maakte en die bijgevolg door de deskundige aanvullend diende te worden nagegaan. Anders dan appellante lijkt voor te houden, kan uit het geseponeerde strafdossier evenmin worden afgeleid dat er andere, nog te onderzoeken, oorzaken van de brand zouden zijn. Integendeel, de verbalisanten verklaren uitdrukkelijk dat zij nergens enig spoor kunnen vinden dat zou kunnen wijzen op enige misdadige inbreng bij de brand. 3.2.3.
- In de tweede plaats stelt appellante dat de deskundige niet alle feitelijkheden in ogenschouw zou hebben genomen en zich, zonder enige bevraging of verder onderzoek, zou hebben laten afschepen door niet-mededeling van stukken. Volgens appellante zou uit deze stukken blijken dat de constructiewijze achter de haard en de keuze van de haard volledig bepaald werd door de architect, in akkoord met de bouwheer. Zij verzoekt de deskundige de positie van deze architect, de heer Rys, nader te onderzoeken. Teneinde meer duidelijkheid te krijgen over de precieze omstandigheden van het schadegeval, verzoekt appellante de deskundige tevens kennis te nemen van het strafdossier alsook van het verslag van de brandweer. Thans verwijt appellante deskundige Claessens deze bijkomende onderzoeksdaden niet te hebben gesteld. In zijn eindverslag weerlegt de deskundige de verschillende kritieken, aangevoerd door appellante, waaruit, minstens impliciet maar zeker, blijkt dat hij bijkomende onderzoeksdaden voor het bepalen van de oorzaken van de brand niet noodzakelijk acht. Meer bepaald wijst de deskundige uitdrukkelijk op het feit dat het plan, opgesteld door de heer Rijs, geen plan is voor de oprichting van een constructie doch wel voor de inrichting van een tuinhuis. Het plan van de haard werd wel degelijk opgesteld door appellante en het is de opsteller van dit plan die, volgens de deskundige, in de fout is gegaan. Verder wijst de deskundige op het gegeven dat geen van de partijen tijdens het plaatsbezoek erop gewezen heeft dat er mogelijks kwaad opzet in het spel kon zijn en dat, op basis van zijn eigen vaststellingen, de sporen van de brand aantoonden dat de brand is ontstaan in de haard of vlak daarboven. Appellante toont niet aan dat uit het strafonderzoek of uit de vaststellingen van de brandweer andere gevolgtrekkingen konden worden afgeleid, zodat het de deskundige niet verweten kan worden de resultaten van dit strafonderzoek/de bevindingen van de brandweer niet te hebben opgevraagd. 3.2.3.
- Ten slotte verwijt appellante de deskundige op niet gefundeerde wijze te hebben besloten dat de brand haar oorzaak vond in pyrolyse in de houten keperwand, wat - volgens appellante - gebeurde op basis van een deductieve, louter theoretische redenering. Deze stelling is weinig ernstig. Zo blijkt uit het deskundigenverslag dat deskundige Claessens, rekening houdend met de concrete plaatsgesteldheid en na eliminatie van andere mogelijke oorzaken, op grond van weloverwogen redenen, de hypothese van zelfontbranding door pyrolyse aannam. De deskundige geeft ook in zijn voorverslag de redenen weer waarop hij zich steunt om deze hypothese te aanvaarden. In haar opmerkingen op dit voorverslag bekritiseert appellante deze gevolgtrekking zonder evenwel aan te geven wat dan wel de - door de deskundige nog te onderzoeken - oorzaak van de brand zou kunnen zijn. De deskundige, die geen verdere onderzoeksdaden heeft gesteld, kan dan ook geen miskenning van de rechten van verdediging worden verweten. 3.2.3.
- Volledigheidshalve merkt het Hof hierbij op dat het feit dat beide partijen de deskundige verzoeken een nieuw verslag "in voorlezing" neer te leggen, de deskundige geenszins verplicht dit te doen. Zoals reeds aangegeven, verplicht (oud) art. 978 Ger.W. de deskundige (die geen vrijstelling heeft gekregen van deze formaliteit) een voorverslag neer te leggen waarop partijen hun opmerkingen kunnen maken. Dit is in casu gebeurd. Van enige schending van de rechten van verdediging is dan ook geen sprake. Bovendien kan uit de briefwisseling van appellante worden afgeleid dat haar verzoek tot het opmaken van een bijkomend voorverslag voornamelijk betrekking had op de schaderaming "vermits de cijfers in de eerste verslaggeving niets anders dan voorbehoud in zich inhielden" zodat "omtrent de schade en de schadecijfers aldus niet de minste tegenspraak mogelijk is geweest". 3.
- Vaststelling van de oorzaak van het schadegeval 3.3.
- Appellante werpt tevens op dat de deskundige ten onrechte tot het besluit is gekomen dat de brand in het tuinhuis te wijten was aan zelfontbranding door pyrolyse van de houten keperwand achter de haard. 3.3.
- Volgens appellante blijkt uit het schadebeeld, zoals vastgesteld door o.m. de verbalisanten, dat de brand binnen moet zijn ontstaan, bijv. door het heropflakkeren van een smeulend vuur in de open haard. Zij verwijt de deskundige deze hypothese zelfs niet te hebben onderzocht. 3.3.2.
- Vastgesteld wordt dat de politieagenten en de brandweerlieden zich niet uitspreken over de oorzaak van de brand noch over de plaats waar deze brand precies zou zijn ontstaan. De aanwezige officier van de brandweer verklaart zelfs uitdrukkelijk dat het voor hem onmogelijk is om advies te geven vermits het gehele tuinhuisje is uitgebrand. Wel stellen de verbalisanten vast dat het dak van het tuinhuisje de meeste schade vertoont rondom de inox-schouwpijp van de open haard. Ook in de achterwand van het tuinhuis is een groot gat gebrand dat zich pal aan de achterzijde van de schoorsteenmantel situeert. De verbalisanten stellen tevens vast dat deze achterwand langs de binnenzijde werd voorzien van een brandwerende plaat die evenwel ter hoogte van het gat totaal is weggebrand. Anders dan appellante lijkt voor te houden, zijn deze vaststellingen niet in tegenspraak met de stelling van de deskundige dat de beginnende brandhaard zich op deze plaats in de achterwand situeert, waarna de vlammen aan de binnenzijde via het vuur vatten van het keperwerk het daktimmerwerk hebben bereikt en tot een uitslaande brand hebben geleid (deskundigenverslag p. 16). Geen van de door appellante geconsulteerde deskundigen (Smets en Standaert) weerleggen trouwens deze stelling. Aan deze vaststelling wordt ook geen afbreuk gedaan door het gegeven dat de verbalisanten het merendeel van de glasscherven van de ruiten aan de buitenzijde hebben teruggevonden en dat sommige van deze scherven bolvormig waren, wat zou kunnen wijzen op een warmteontwikkeling binnenin het pand. Het is immers aannemelijk dat het vuur, na het wegbranden van o.m. de brandwerende plaat, ook binnen in het tuinhuis heeft gewoed. 3.3.2.
- Ten onrechte verwijt appellante de deskundige de hypothese van een opflakkering van een nog smeulend haardvuur zelfs niet te hebben onderzocht. Uit het deskundigenverslag blijkt dat deskundige Claessens tijdens de tweede samenkomst met partijen en hun respectieve technische raadslieden, rekening houdend met de brandsporen, twee mogelijke oorzaken van de brand heeft weerhouden m.n. de spontane ontbranding van de houten wand achter de haard ingevolge pyrolyse en de ontbranding van de wand boven de haard ingevolge kortsluiting. Blijkbaar heeft geen van de partijen op dat ogenblik gewezen op andere mogelijke oorzaken zoals kwaad opzet, blikseminslag, ... . Evenmin werd door appellante aangedrongen op een onderzoek naar de mogelijkheid dat de brand was ontstaan door een heropflakkerende haard. Verder blijkt uit het brandverslag van de politie dat men in de nabijheid van de brandhaard geen brandbare materialen heeft teruggevonden. Het tegendeel wordt door appellante ook niet aannemelijk gemaakt. Gecombineerd met het gegeven dat de vloer bestond uit arduinen tegels, heeft de deskundige deze mogelijke brandoorzaak dan ook terecht verworpen. 3.3.
- Met verwijzing naar verslagen opgesteld door ir. Smets en ir. Standaert werpt appellante verder op dat de door deskundige Claessens aangenomen hypothese van pyrolyse technisch wetenschappelijk volledig fout is. Meer bepaald verwijt zij de deskundige geen of te weinig rekening te hebben gehouden met omgevingsfactoren zoals bijv. de binnentemperatuur tijdens het branden van de open haard. 3.3.3.
- Voorafgaand dient te worden opgemerkt dat zowel het verslag van ir. Smets als dit van ir. Standaert opgesteld werden op vraag van appellante en bijgevolg niet dezelfde waarborgen van objectiviteit bieden als het verslag opgesteld door gerechtsdeskundige Claessens. 3.3.3.
- Volgens ir. Smets kunnen "in de reële omstandigheid van enig normaal zelfs "zwaar" stoken de voorwaarden voor pyrolyse niet zijn vervuld" en dat "a fortiori bij zulk stookproces geen pyrolyse meer mogelijk was om 5h30 de opvolgende dag zodat toch wel aan andere oorzaken dient te worden gedacht". Welke oorzaken, rekening houdend met de vastgestelde brandsporen in de haard en het gat in de achterwand dat zich pal aan de achterzijde van de schoorsteenmantel situeert, mogelijkerwijze wel in aanmerking komen, wordt door deze ingenieur niet verder verduidelijkt. Ir. Smets werpt op dat het aanhouden van een haardvuur op 1.200° C in een ruimte van 50 m² zeer snel tot temperaturen ver boven de 30° C leidt en dat, afhankelijk van de hoeveelheid verbrand hout, redelijkerwijze kan gesteld worden dat binnen het uur de 30° C binnentemperatuur wordt bereikt. In zijn verslag van 29 juni 2002 wordt deze stelling (die ingaat tegen de vaststelling van deskundige Claessens dat een temperatuur van 1.200° C voor een houtvuur zeker niet abnormaal is) evenwel louter geponeerd en niet verder uitgewerkt. Wel werkt Smets 3 mogelijke hypotheses uit waarbij de stookperiodes worden beperkt en waarbij periodes met louter smeulend haardvuur worden ingelast. Geen van deze hypothesen wordt evenwel door objectieve gegevens ondersteund. Bovendien gaan deze uit van de - niet bewezen - stelling dat de temperatuur in het tuinhuis bij het aanhouden van een haardtemperatuur van 1.200° C tot (ver) boven de 30° C zou stijgen en dat de heer V.D.F. een dergelijke binnentemperatuur niet zou hebben gewenst. 3.3.3.
- Appellante legt thans eveneens een "rapport" van ir. Standaert neer, opgesteld op 29 augustus 2007 en verduidelijkt in een nota van ir. Smets van 2 september
- Dit rapport wordt door appellante in extenso geciteerd alsook de gevolgtrekking van ir. Smets dat "bovenstaande toelaat te stellen dat de toelichting opgenomen in het verslag van de heer D. Claessens niet toelaat te stellen dat de brand medio juli 1998 is ontstaan ingevolge pyrolyse van een houten keper en dat het minstens erg onwaarschijnlijk is dat medio juli 1998 pyrolyse is opgetreden in de houten keper achter de open haard gelegen en dit dan ca. 7 uren na gebruik van de open haard". Appellante verduidelijkt evenwel niet in welke mate de simulaties van ir. Standaert de besluitvorming van deskundige Claessens weerleggen. Zo wordt vastgesteld dat ir. Standaert uitgaat van de hypothese dat in het tuinhuis gedurende 6 uur 3 kg hout/uur is verbrand wat zou resulteren in een vermogen van ca. 12.600 W voor een volledige haard. Een dergelijk stookprogramma leidt tot onaanvaardbaar hoge binnentemperaturen (van 31° C na 1 uur tot 52° C na 6 uur). Ir. Standaert schetst verder een binnentemperatuurverloop variërend tussen 21° C en 26° C, wat zou overeenstemmen met een gemiddeld vermogen van 3.106 W. Onduidelijk (en niet verder toegelicht) is waarom ir. Standaert zijn simulaties heeft uitgewerkt op grond van deze uitgangshypothese, waarvan niet is aangetoond dat deze overeenstemt met het reële stookgedrag van de heer V.D.F. op 13 juli
- Evenmin toont appellante aan dat deze hypothese overeenstemt met de uitgangsgegevens, weerhouden in het verslag van deskundige Claessens (deskundigenverslag p.16 onderaan). Dit lijkt niet het geval te zijn vermits volgens de simulatie van ir. Standaert de keper nog een temperatuur van ca. 450° C bereikte na 8 uur terwijl volgens de grafiek, opgesteld door deskundige Claessens, op dat ogenblik "temperaturen van meer dan 200° C werden bereikt". 3.3.3.
- Het Hof is dan ook van oordeel dat de gegevens, opgenomen in deze eenzijdig opgestelde verslagen, onvoldoende zijn om de gemotiveerde besluitvorming van deskundige Claessens over de brandoorzaak te weerleggen. 3.3.
- Ten slotte werpt appellante op dat geïntimeerden niet aantonen dat de opbouw van de haard niet volgens de regels van de kunst zou zijn uitgevoerd. Zij wijst hierbij op het gegeven dat één van haar aangestelden op eigen initiatief een brandwerende plaat heeft toegevoegd aan het oorspronkelijk concept, zoals opgemaakt door de heer Rijs. Uit het deskundigenverslag blijkt dat de oorzaak van de brand, met name de zelfontbranding door pyrolyse van de houten keperwand achter de haard, het gevolg is van de constructiewijze en wandopbouw achter de haard. Meer bepaald werd door de constructeur van de haard het initiatief genomen om de wand op te bouwen zonder mogelijkheid van luchtcirculatie, wat zou verhinderd hebben dat de temperatuur van de houten kepers te hoog opliep. Appellante kan niet ontkennen dat zij de haard heeft gebouwd. Zij kan zich hierbij niet verschuilen achter de - niet bewezen - stelling dat zij de werken heeft uitgevoerd zoals voorzien in de plannen van de heer Rijs. Als een aannemer-specialist diende appellante immers ook zelf te oordelen of het ontwerp van de haard, gelet op de concrete plaatsgesteldheid, wel verenigbaar was met de regels van het vak. Vast staat dat dit niet is gebeurd. De beslissing van de eerste rechter om appellante aansprakelijk te achten voor de brand wordt dan ook bevestigd. 3.
- Schadebedragen 3.4.
- Uiterst ondergeschikt betwist appellante de schadebedragen, zoals geraamd door deskundige Hubert Claessens. In het beroepen vonnis van 18 april 2005 heeft de eerste rechter ir. Denis Claessens aangesteld met als opdracht een schaderaming van het gebouw en de inboedel op te stellen. Deze deskundige is, bij vonnis van 26 september 2005, vervangen door Hubert Claessens. Geen van de partijen betwist de noodzaak tot het aanstellen van een deskundige voor het beoordelen van de schade, veroorzaakt door de brand van 13 juli
- Deze onderzoeksmaatregel wordt dan ook bevestigd. Met toepassing van art. 1068, 2e lid Ger.W. dient het Hof de zaak terug te verwijzen naar de eerste rechter. Deze terugverwijzing geldt voor de verdere afhandeling van het geschil, ook indien - zoals blijkbaar in casu - de onderzoeksmaatregel inmiddels is uitgevoerd. Het is bijgevolg de eerste rechter die zal moeten beoordelen of de deskundige zijn opdracht naar behoren heeft uitgevoerd en of de door deze deskundige vastgestelde schadebedragen kunnen worden aanvaard. 3.4.
- Hieruit volgt tevens dat het incidenteel beroep van geïntimeerde om, bij hervorming van het beroepen vonnis, appellante te veroordelen tot het betalen van de som van 21.387,30 EUR aan tweede geïntimeerde en de som van 101.844,29 EUR aan eerste geïntimeerde, in de actuele stand van zaken eveneens dient te worden afgewezen vermits de beoordeling van dit incidenteel beroep een onderzoek vereist van de onderzoeksverrichtingen van deskundige Claessens. 3.
- Gerechtskosten 3.5.
- Beide partijen hebben hun eisen tot verwijzing van de tegenpartij in de proceskosten aangepast. Hierbij vorderen zij de toekenning van het basistarief van de rechtsplegingsvergoeding, zoals voorzien in de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, en vastgelegd in het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding. Rekening houdend met de omvang van de vordering van geïntimeerden (oorspronkelijk eisende partij) beloopt de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep 5.000 EUR. 3.5.
- Uit het voorgaande volgt dat zowel het hoger beroep van appellante als het incidenteel beroep van geïntimeerde ongegrond is. Gelet op dit gegeven acht het Hof het passend appellante te verwijzen in de kosten van het hoger beroep en de rechtsplegingsvergoedingen te compenseren. OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni
- Verleent akte aan de BV Vleeshandel J. V.D.F. van haar gedinghervatting. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch in de actuele stand van zaken ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen. Verzendt de zaak naar de eerste rechter voor verdere behandeling. Verwijst appellante in haar eigen kosten van het hoger beroep en compenseert de rechtsplegingsvergoedingen. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 15 oktober
- waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. VAN HAELST Raadsheer I. COUWENBERG Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS I. COUWENBERG K. VAN HAELST F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081015.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div