id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 20 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081020.12 Rolnummer: 248 P 2008 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-03-17 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-02 18:08 Fiche Artikel 66,5de lid van het Strafwetboek stelt de aanzetting op zich niet strafbaar : enkel indien de aanzetting werd gevolgd door het plegen van het misdrijf kan er sprake zijn van strafbare deelneming conform artikel 66,5de lid van het Strafwetboek. Bovendien moet het feit waartoe werd aangezet, een misdrijf zijn. De aanzetting moet verder rechtstreeks zijn. Er moet een oorzakelijk verband te leggen zijn tussen de gepleegde misdrijven en de aanzetting daartoe. De aanzetting moet verder bijzonder zijn : zij moet het misdrijf, dat gepleegd werd, tot voorwerp hebben. Tenslotte veronderstelt de aanzetting een positieve bij de wet voorziene daad, voorafgaand of begeleidend aan het misdrijf. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Deelneming Vrije woorden: Strafrecht - Aanzetting - Artikel 66, 5de lid Sw. - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 66 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, 20 oktober 2008 te Antwerpen, vijftiende kamer (...) Door de verwijzingsbeschikking is de rechtbank ten gronde gevat om na te gaan of de eerste en de tweede beklaagde zich in de periode van 21 februari 2000 tot en met 27 november 2002 schuldig hebben gemaakt aan het aanzetten tot de feiten die zich op 26 en 27 november 2002 in Antwerpen afspeelden en die als misdrijven werden gekwalificeerd (art. 66, laatste lid van het Strafwetboek), en of de eerste en de tweede beklaagde zich als dader en/of mededader aan deze feiten hebben schuldig gemaakt (art. 66, 2de lid van het Strafwetboek). - aanzetting tot misdaden of wanbedrijven, zelfs voor het geval dat die aanzetting zonder gevolg is gebleven (art. 66, 5de lid SWB) - hetzij door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering rechtstreeks te hebben meegewerkt, hetzij door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd (art. 66, 2de lid SWB). 4.1. Draagwijdte artikel 66,5de lid van het Strafwetboek : 4.1.
- a)de aanzetting moet gevolg gehad hebben : Ten onrechte oordeelden de eerste rechters dat de beklaagden voor het uitlokken van de misdrijven, opgesomd in de tenlasteleggingen A tot en met L, kunnen worden veroordeeld zelfs indien hun aanzetting zonder gevolg is gebleven. Artikel 66,5de lid van het Strafwetboek stelt de aanzetting op zich niet strafbaar : enkel indien de aanzetting werd gevolgd door het plegen van het misdrijf kan er sprake zijn van strafbare deelneming conform artikel 66,5de lid van het Strafwetboek. Indien de aanzetting zonder gevolg is gebleven, kan dergelijke aanzetting alsnog strafbaar zijn indien zulks uitdrukkelijk in het Strafwetboek of in bijzondere wetgeving is voorzien. Zo bestraft artikel 1 van de wet van 25 maart 1891 de openbare aanzetting tot misdaden en van sommige (limitatief opgesomde) wanbedrijven, wanneer deze aanzetting zonder gevolg is gebleven. Er dient in huidig dossier derhalve te worden nagegaan of de misdrijven vermeld in de tenlasteleggingen waarvoor de beklaagden op basis van artikel 66,5de lid SWB als aanzetter worden vervolgd, ook effectief werden gepleegd. Het is voldoende vast te stellen dat deze misdrijven werden gepleegd om strafbare deelneming overeenkomstig artikel 66,5de lid Strafwetboek mogelijk te maken. Het is dus irrelevant of de materiële uitvoerders/daders van de bedoelde misdrijven werden geïdentificeerd, vervolgd en/of veroordeeld om de schuld in hoofde van de eerste en de tweede beklaagde te beoordelen (in deze zin ook C.J. Vanhoudt en W. Calewaert, Belgisch Strafrecht, Story, 1976, 1196). 4.1.
- b)het feit waartoe werd aangezet, moet een misdrijf zijn : Er moet vaststaan dat de feiten, vermeld onder de verschillende tenlasteleggingen, als misdrijven moeten worden beschouwd, en objectief strafbaar zijn (zie ook C. Dupont en R. Verstraeten, Handboek Belgisch Strafrecht, 1990, 572). 4.1.
- c)de aanzetting moet rechtstreeks zijn : Er moet een oorzakelijk verband te leggen zijn tussen de gepleegde misdrijven en de aanzetting daartoe. Hierbij dient in hoofde van de aangezette te worden nagegaan of het misdadig voornemen bij hem is ontstaan of - indien het reeds in zekere mate vooraf bestond - verder werd ontwikkeld door de aanzetting. 4.1.
- d)de aanzetting moet bijzonder zijn : De aanzetting moet het misdrijf, dat gepleegd werd, tot voorwerp hebben. Zij moet gericht zijn op de verwezenlijking van een welbepaald misdrijf, vermits wordt uitgegaan van een wilsovereenstemming tussen de dader en de deelnemer. 4.1.
- e)positieve daad bij de wet voorzien, voorafgaand of begeleidend aan het misdrijf : Strafbare deelneming, vervat onder artikel 66,5de lid van het Strafwetboek veronderstelt het verrichten van een positieve daad. Zelfs wanneer de betrokkene weet dat indien hij zou handelen, het misdrijf niet zou plaatsgrijpen, dan vormt deze onthouding geen vorm van deelneming (met dien verstande dat de betrokkene geen rechtsplicht om te handelen had) (in die zin C.J. Vanhoudt en W. Calewaert, Belgisch Strafrecht, Story, 1976, 1207). Er dient verder voor de gepleegde misdrijven te worden nagegaan wanneer zij werden gepleegd : indien zij werden gepleegd vooraleer hiertoe enige aanzetting vanwege de eerste en tweede beklaagde is geweest, kan hiervoor uiteraard geen strafbare deelneming worden weerhouden. Om strafbare deelneming bewezen te achten, dient de aanzetting de misdrijven vooraf te gaan of tijdens het plegen ervan te gebeuren. 4.2. Toetsing van hoger aangehaalde vereisten op de tenlasteleggin- gen : De beklaagden worden vervolgd als strafbare deelnemers overeenkomstig artikel 66,5de lid van het Strafwetboek voor de tenlasteleggingen A.I en A.II.
- a)en b), B.I.
- a)en b), B.II, C.I.
- a)tot en met k), C.II.
- a)tot en met f), D.I.
- a)en b), D.II.
- a)tot en met d), E.I, E.II, I.I.
- a)tot en met m), I.II, J.I en J.II, K.I.b), K.II en L. 4.2.
- a)Uit de elementen van het strafdossier blijkt dat al deze tenlasteleggingen, met uitzondering van tenlastelegging B.II, gebaseerd zijn op effectief gepleegde strafbare feiten. Het staat dus vast dat de aanzetting, indien bewezen, in ieder geval gevolg heeft gehad, en er geen sprake is van toepassing van artikel 1 van de Wet van 25 maart 1891 (dat aanzetting die zonder gevolg bleef strafbaar stelt). Met betrekking tot de tenlastelegging B.II dient het Hof vast te stellen dat de aan deze tenlastelegging onderliggende feiten (materiële dader B. T. F. was in het bezit van een zware klinker die hij onder zijn jas verborg en trachtte zich aan de politiecontrole te onttrekken) niet als weerspannigheid zoals omschreven onder tenlastelegging B kunnen worden weerhouden, noch onder enig andere strafbare omschrijving vallen. De eerste en de tweede beklaagde dienen dus voor de tenlastelegging B.II te worden vrijgesproken. 4.2.
- b)Uit de elementen van het strafdossier blijkt voorts dat alle hoger aangehaalde tenlasteleggingen (met uitzondering van hoger aangehaalde tenl. B.II) misdrijven uitmaken. Dat op basis van het voorliggende strafdossier niet kan worden nagegaan of de materiële daders van deze strafbare feiten ook effectief werden vervolgd en/of bestraft, is bij de beoordeling van de strafbare deelneming aan deze misdrijven irrelevant. Vele van deze feiten werden overigens gepleegd door minderjarigen. Van vele andere feiten bleven de daders onbekend. Het staat evenwel afdoende vast uit de in het strafdossier voorhanden gegevens dat het hier handelt om objectief strafbare misdrijven. 4.2.
- c)De vereisten dat de aanzetting rechtstreeks moet zijn (met name dat er een oorzakelijk verband moet liggen tussen de aanzetting en de gepleegde misdrijven), bijzonder (gericht op de verwezenlijking van een welbepaald misdrijf) en voorafgaand of begeleidend aan het misdrijf moet zijn, zullen hierna per misdrijf en in hoofde van elk van beide beklaagden afzonderlijk worden onderzocht. 4.3. Eerste beklaagde A.D. : Gelet op de incriminatieperiode is de vervolging klaarblijkelijk mede gebaseerd op de thesis dat de rellen op 26 en 27 november 2002 zijn ontstaan of geëscaleerd omwille van het gedachtegoed dat de eerste beklaagde in de geesten van de bij de rellen betrokken personen, voornamelijk jongeren heeft ingeprent. De incriminatieperiode van de feiten loopt immers vanaf de oprichting van het AEL (eerst onder de benaming Al Rabita), 21 februari 2000, tot en met 27 november 2002. Zoals hoger gesteld propageerde A.J.D. de strijd tegen de onderdrukking en verzet tegen racistische bejegening van de Arabische bevolking. Naar aanleiding van verschillende incidenten werd dit standpunt minstens vanaf begin november 2002 - bij het opstarten van de ‘burgerpatrouilles' - vertaald naar verzet tegen de Antwerpse politiediensten die als racistisch werden afgeschilderd. Uit de elementen van het strafdossier blijkt evenwel duidelijk dat getracht werd om de wijze waarop A. J. D. tot dit verzet aanzette, angstvallig binnen het wettelijk kader te houden. Er ligt geen bewijs voor dat voorafgaand aan de rellen van 26 en 27 november 2002 werd opgeroepen om naar onwettige middelen te grijpen. Hoewel onmiskenbaar vaststaat dat A. J. D. in de periode voorafgaand aan de rellen het bestaande ongenoegen niet enkel verwoordde maar ook aanscherpte en uitvergrootte, is niet aangetoond dat hij zijn achterban in het AEL aanzette tot het plegen van misdrijven in het algemeen, en dus ook niet tot die misdrijven die in huidige vervolging worden vermeld. Dit betekent dat de eerste beklaagde alleszins dient vrijgesproken te worden van de misdrijven die bij de rellen werden gepleegd vooraleer hij ter plaatse kwam, op 26 november 2002 omstreeks 20.13u (st. 260 en 939 van het strafdossier). Het betreft hier meer bepaald de tenlasteleggingen A.I, B.I.
- a)en b), C.I.h), C.I.
- i)en D.I.a). Voor de overige tenlasteleggingen dient onderzocht of de gedragingen van de eerste beklaagde op 26 november 2002 onder de noemer van strafbare deelneming vallen. Uit de politionele verslaggeving blijkt dat de groepen die zich bevonden aan de Eliaertstraat - Turnhoutsebaan op het ogenblik dat A. J. D. daar ter plaatse kwam (omstreeks 20.13u op 26/11/2002), onder controle waren gebracht door de ordediensten en er geen misdrijven meer werden gepleegd. De gemoederen geraakten evenwel opnieuw verhit door zijn aankomst (st. 267, verklaring S.). Inspecteur A. A., lid van het Bravo peloton bij de ordedienst, verklaarde dat hij zag dat A. D. bij zijn aankomst even rustig met enkele jongeren sprak. De inspecteur bevestigde formeel dat A. J. D. dan opmerkelijk luider in het algemeen Arabisch zegde : "Laat u niet doen door de politie, er is maar één God Allah genaamd". A. J. D. riep dan, nog steeds in het algemeen Arabisch, naar de andere groep die door de ordediensten van de eerste groep gescheiden werd gehouden : "Blijf samen, samen zijn wij sterk tegen de politie", waarna hij in het Marokkaans dialect riep : "Al wie ons niet volgt, is een schijnheilige, zij zijn de oorzaak van de dood van onze broeder, vecht terug !" (st. 240-241 van het strafdossier). In conclusies en mondelinge debatten tracht de eerste beklaagde de geloofwaardigheid van deze getuige in diskrediet te brengen door te stellen dat A. A. niet in de buurt zou zijn geweest en zich zou hebben laten misbruiken om een valse verklaring af te leggen. De beklaagde verwijst hiervoor naar een artikel van de heer L. D. W. in het weekblad ‘Knack' nr. 17 van 23 april 2008 en de getuigenis die de heer L. D. W. ter terechtzitting onder eed kwam afleggen. De heer L. D. W., aan wie de beklaagde blijkbaar een volledige kopie van het strafdossier bezorgde, haalt in zijn artikel en zijn getuigenis onder eed een verklaring van een anonieme politieagent aan die stelt de hele tijd in de buurt van A. J. D. te zijn gebleven en op geen enkel moment te hebben geweten dat A. J. een grote groep jongeren zou hebben toegesproken behalve één keer toen hij zei : " Laat je niet vangen. Blijf rustig." De anonieme politieagent stelt verder dat de allochtone agent die een bezwarende verklaring over A. J. heeft afgelegd, niet in de buurt was, en zich wellicht heeft laten misbruiken om een valse verklaring af te leggen." (kopie van het artikel op 26 mei 2008 ter zitting van dit Hof neergelegd). Nochtans blijkt uit de verklaring die getuige Luc Lamine ter terechtzitting van dit Hof onder eed aflegde dat een agent in veiligheidskledij hem is komen zeggen dat er opruiende taal werd gebruikt door A. in een vreemde taal, hetgeen de geloofwaardigheid van de verklaring van A. A. bevestigt. Ook inspecteur S. bevestigde dat één van zijn collega's hem ter plaatse attendeerde op de opruiende taal van A. J. . Bovendien dateert het eerste proces-verbaal van A. A. van daags na de feiten en werd het per drager op 28/11/2002 aan het Openbaar Ministerie bezorgd, zodat er bijzonder weinig tijd was voor beïnvloeding. Het argument van eerste beklaagde dat het niet mogelijk zou zijn om de jongeren op te hitsen in het Arabisch of in het Marokkaanse dialect omdat zij dit niet spreken, houdt geen steek : één van de streefdoelen van het AEL sinds de oprichting ervan in februari 2000, is precies de eigen taal te behouden zodat het volstrekte nonsens is thans te beweren dat de personen die in de omgeving van A. J. D. vertoefden, de Arabische taal niet machtig zouden zijn. Bovendien betrof het merendeel van de aanwezigen bij de betoging jongeren die in familiale kring nog steeds het Arabisch of Marokkaans spreken. Het Hof hecht geloof aan de verklaring van A. A. . Verder staat vast, en dit wordt overigens niet ontkend, dat A. J. D. op een gegeven ogenblik op agressieve wijze en op verheven toon vanuit de groep waarin hij zich als leider profileerde, dreigde tegen de toenmalige korpschef van de politie L. L. om een betoging van 10.000 man te organiseren. Hoewel de beklaagde stelt dat dit geen dreiging kan zijn vermits een betoging volstrekt legaal is, blijkt uit de context waarin deze woorden zijn gevallen én dat een illegale betoging werd bedoeld én deze betoging eigenlijk een dreiging met rellen inhield. Uit de vaststellingen en verklaringen (o.m. st. 25a, 267 en 938 van het strafdossier) blijkt dat de groep rond A. J. D. opnieuw was opgehitst en een georganiseerde charge ondernam tegen het politiekordon. Toen deze groep naar de moskee trok, liet hij een spoor van vernielingen na. De woorden van A. J. D., die in het openbaar werden gesproken, hebben ertoe geleid dat de groep waarin hij zich bevond, zich opnieuw ging verzetten tegen de politie en opnieuw tot baldadigheden overging. Toegespitst op de afzonderlijke tenlasteleggingen die nog dienen te worden onderzocht, stelt het Hof evenwel vast dat enige tenlastelegging met betrekking tot weerspannigheid, die het rechtstreekse en bijzondere gevolg van de hierboven aangehaalde aanzetting zou zijn, niet in de vervolging is begrepen. De feiten vermeld onder tenlastelegging B.I.
- a)en
- b)en D.I.
- a)werden gepleegd vóór enige aanzetting. De feiten aan de Quinten Matsijslei omstreeks 23.27u, vermeld onder tenlastelegging D.I.b), kunnen niet in rechtstreeks verband gebracht worden met de aanzetting. Waar de aanzetting niet enkel rechtstreeks moet zijn maar ook bijzonder, kunnen de vernielingen van voertuigen, ramen en huizen (tenl. C en D) die door de relschoppers onderweg naar de moskee werden aangebracht, niet worden beschouwd als te zijn uitgelokt door A. J. D., die tot deze specifieke misdrijven niet heeft opgeroepen. Hoewel A. J. D. bij de groep die een spoor van vernieling trok, aanwezig was en hij zeker het morele gezag bezat om deze misdrijven te voorkomen en/of stoppen, kan het gegeven dat hij dit niet heeft gedaan niet strafrechtelijk worden gesanctioneerd. Strafbare deelneming veronderstelt immers een positieve daad en de onthouding houdt derhalve geen vorm van deelneming in. Ook de feiten die vermeld worden onder de tenlastelegging E.I, waarbij een baksteen werd geworpen op de voet van een politieagent Marien Patrick, die hierdoor een teen brak, kunnen niet worden weerhouden als uitgelokt door de woorden van A. J. D. die vermoedelijk niet door de daders van deze feiten werden gehoord. Deze feiten speelden zich immers om 21.30u aan de Turnhoutsebaan af, terwijl de groep rond A. J. D. op dat ogenblik aan of in de moskee Bilal in de Van Montfoortstraat was. De tenlastelegging K.I.
- b)handelt over de bedreiging die een persoon uit de onmiddellijke entourage van A. J. D. zou hebben geuit ten aanzien van de politieagent die hem met peperspray bespoot. Er kan niet weerhouden worden dat de uitspraken van A. J. D. een uitlokking zouden hebben gevormd tot deze bedreiging. De eerste beklaagde A. J. D. dient derhalve te worden vrijgesproken van de strafbare deelneming aan de tenlasteleggingen C.I.a), b), c), d), e), f), g),
- j)en k), D.I.b), E.I, I.I.
- a)tot en met I.I.m), J en K.I.b). Wat betreft de feiten van 27 november 2002 is niet aangetoond dat opnieuw door A. J. D. werd aangezet om tegen de politie te vechten noch om enig ander misdrijf te plegen. Uit het strafdossier blijkt enkel dat de eerste beklaagde in de namiddag naar de moskee is gegaan maar van daaruit onmiddellijk terug naar zijn woning is getrokken. Het kan ook niet worden weerhouden dat de ophitsende woorden die de eerste beklaagde daags voordien uitsprak, de rechtstreekse aanzet hebben gevormd voor de rellen die op 27 november 2002 weer oplaaiden en aanleiding gaven tot talrijke misdrijven. De eerste beklaagde A. J. D. dient dan ook vrijgesproken te worden van de strafbare deelneming aan de tenlasteleggingen A.II, C.II.
- a)tot en met f), D.II.
- a)tot en met d), E.II.a),
- b)en c), I.II, K.II en L. Ook medeplichtigheid (artikel 67 van het Strafwetboek) kan niet worden weerhouden nu ook voor deze vorm van strafbare deelneming vereist is dat er in hoofde van de medeplichtige kennis en opzet aanwezig is. Resten de tenlasteleggingen H en K.I.a), waarin aan de eerste beklaagde A. J. D. ten laste wordt gelegd L. L., korpschef van de Politie Antwerpen in de uitoefening van diens bediening te hebben gesmaad (tenl. H), en hem door gebaren of zinnebeelden te hebben bedreigd met een aanslag op personen of op eigendommen (tenl. K.I.a)). Voor deze tenlasteleggingen wordt de eerste beklaagde niet vervolgd als aanzetter, maar als dader, zoals blijkt uit stuk 25a waarnaar in de tenlasteleggingen wordt verwezen. L. L. verklaarde ter terechtzitting van dit Hof op 26 mei 2008 onder eed dat hij nooit de indruk heeft gehad dat A. J. hem heeft willen beledigen, smaden en/of bedreigen. Waar één van de constitutieve bestanddelen van zowel het misdrijf ‘smaad' (artikel 276 van het Strafwetboek) als het misdrijf ‘bedreigingen door gebaren of zinnebeelden' (artikel 329 van het Strafwetboek) erin bestaat dat de dader het opzet moet hebben om de beschermde persoon belachelijk te maken of hem te bedreigen, kunnen gelet op hoger aangehaalde verklaring van L. L. deze tenlasteleggingen in hoofde van de eerste beklaagde niet worden weerhouden. 4.4. Tweede beklaagde A. A. : De tweede beklaagde was samen met de eerste beklaagde medeoprichter van de organisatie Al Rabita, het latere AEL. Hij was de voorzitter van het AEL in België en werkte nauw samen met A. J. D;, zodat hij als diens rechterhand kan worden beschouwd. Ook voor A. A., die mee het voortouw nam met betrekking tot de organisatie en de bekendmaking van de ‘burgerpatrouilles' en daarbij kritiek op de Antwerpse ordediensten niet schuwde in zijn verklaringen aan de pers, geldt dat uit het onderzoek niet is aangetoond dat hij voorafgaand aan de rellen van 26 en 27 november 2002 in het openbaar opriep om naar onwettige middelen te grijpen. Het is in zijnen hoofde net zomin als voor de eerste beklaagde bewezen dat hij vooraf de achterban in het AEL aanzette tot het plegen van misdrijven in het algemeen, en dus ook niet tot die misdrijven die in huidige vervolging worden vermeld. Anders dan de eerste beklaagde, was de tweede beklaagde reeds in een vroeg stadium bij de rellen aanwezig. Eveneens anders dan de eerste beklaagde zijn er in hoofde van A. A. geen duidelijke verklaringen over uitspraken die hij in het openbaar zou hebben gedaan teneinde de toehoorders en manifestanten op te ruien. In het interview dat de tweede beklaagde voor de televisie gaf (st. 21 van het strafdossier) uitte hij weliswaar zijn ongenoegen over de politie en het gerecht in het algemeen maar riep hij niet op tot verzet of het plegen van enig misdrijf. Hij haalde ook jongeren weg wanneer dezen in gesprek waren met bepaalde politieagenten, met de woorden dat de leiding van de politie instructies zou hebben gegeven dat er geen dialoog mag worden gevoerd met hen (= de jongeren). Hoewel dergelijke uitspraken ongetwijfeld ertoe kunnen leiden dat jongeren zich gesterkt voelen in hun verzet tegen de politie, kan niet worden weerhouden dat er uitlokking zou gebeurd zijn naar de welbepaalde misdrijven zoals in de dagstelling voorzien, en waartoe door A. A. rechtstreeks zou zijn aangezet. Dit betekent dat ook de tweede beklaagde dient vrijgesproken te worden van de misdrijven die bij de rellen werden gepleegd op 26/11/2002. Het betreft hier meer bepaald de tenlasteleggingen A.I, B.I.
- a)en b), C.I.
- a)tot en met k), D.I.
- a)en b), E.I, I.I.
- a)tot en met m), J en K.I.b). In tegenstelling tot de eerste beklaagde was de tweede beklaagde A. A. ook bij de rellen van 27 november 2002 aanwezig, waar hij weer een aantal maal in de kijker van de politie kwam door op ostentatieve wijze te protesteren tegen vermeend provocatief gedrag (o.m. st. 2/402 van het strafdossier). Dit getuigde in hoofde van de tweede beklaagde andermaal niet van veel verantwoordelijkheidszin waar zijn gedrag er geenszins toe bijdroeg om de gemoederen te bedaren en de rust te herstellen. Ook hier dient evenwel te worden vastgesteld dat niet is aangetoond dat A. A. op enigerlei wijze in het openbaar zou hebben opgeroepen tot het plegen van enig misdrijf. De tweede beklaagde A. A. dient derhalve eveneens te worden vrijgesproken van de tenlasteleggingen A.II, C.II.
- a)tot en met f), D.II.
- a)tot en met d), E.II.a),
- b)en c), I.II, K.II en L. Met betrekking tot de tenlasteleggingen H en K.I.
- a)stelt het Hof vast dat de tweede beklaagde bij deze feiten niet aanwezig was en deze feiten op geen enkele wijze heeft uitgelokt, zodat A. A. noch als aanzetter noch als dader of mededader voor deze tenlasteleggingen in aanmerking komt. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081020.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div