← België

ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081105.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 05 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081105.6 Rolnummer: 2008RK117 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-12-03 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-07-02 18:14 Fiche 1.De bepalingen met betrekking tot het derdenverzet bevatten geen algemene regel met betrekking tot de termijn van verschijning. Ingeval een dagvaarding in derdenverzet gericht is tegen een beslissing gewezen in kort geding dient ervan uit gegaan te worden dat de termijn van artikel 1035 van toepassing is. Bij de beoordeling van de termijnen dient er immers rekening gehouden te worden dat de beschikking bij voorraad uitvoerbaar is en dat de in het ongelijk gestelde partij er helemaal geen belang bij heeft het instellen van een rechtsmiddel uit te stellen

  1. Volgens artikel 19, 1° Elektriciteitsdecreet kan de Vlaamse regering bij wijze van sociale openbare dienstverlening onder meer de ononderbroken levering van een minimale hoeveelheid elektriciteit opleggen ingeval van niet-betaling van de elektriciteitsfactuur, alsook de levering van elektriciteit aan huishoudelijke eindafnemers die niet over een geldig leveringscontract beschikken en de verzekerde bevoorrading van de afnemers ingeval de houder van een leveringsvergunning zijn verplichtingen niet nakomt. In het Vlaams besluit van 31 januari 2003 wordt als 'huishoudelijke afnemer' aanzien elke natuurlijke persoon die elektriciteit afneemt om te voorzien in zijn behoeften of die van de personen die samen met hem in de woning in kwestie gedomilicileerd zijn. Voor de toekomst bepaalt het Decreet van 25 mei 2007 met ingang van 1 januari 2009 een nieuwe definitie van 'huishoudelijke afnemer'. Een gemengde gebruiker die een professioneel contract heeft afgesloten voor de levering van elektriciteit op naam van een vennootschap zou volgens de gewijzigde definitie uitgesloten zijn. Dit decreet is echter nog niet in voege. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Derdenverzet - Rechtspleging derdenverzet PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ENERGIE - Elektriciteit Vrije woorden:
  2. derdenverzet tegen kortgedingbeschikking - termijn van verschijning - art. 1035 van toepassing
  3. energievoorziening - distributienetbeheerder - huishoudelijke afnemer - begrip - gemengde gebruiker Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, ACHTSTE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewe-zen: Inzake : 2008/RK/117 INTERCOMMUNALE MAATSCHAPPIJ VOOR ENERGIEVOOR-ZIENING ANTWERPEN (IMEA), burgerlijke vennootschap met handelsvorm van een opdrachthoudende vereniging, met zetel te 2000 Antwerpen, Grote Markt 1, ondernemingsnummer 0204.647.234; APPELLANTE tegen de beschikking van de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, zetelend in kort geding, d.d. 27 februari 2008 vertegenwoordigd door mr. P. Vanderherten loco mr. R. Lecoutre, advocaat te 2018 Antwerpen, De Damhoude-restraat 13; TEGEN : NV ANKARAMA met vennootschapszetel te 2018 Antwerpen, Lange Kievitstraat 104, ondernemingsnummer 0476.723.524; GEÏNTIMEERDE vertegenwoordigd door mr. Bruynseraede loco mr. F. Marck, advocaat te 2018 Antwerpen, Mechelsesteenweg 136; ***** Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder de bestreden beschikking, op 27 februari 2008 op tegenspraak tussen partijen uitgesproken door de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, waarvan geen betekening voorligt en waartegen tijdig en geldig naar vorm hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 22 april
  4. Gelet op het incidenteel beroep. 1.- De oorspronkelijke vordering gaat uit van de distributiebeheerder Intercommunale Maatschappij voor Energievoorziening Antwerpen (verder IMEA) en strekt ertoe in verzet de beschikking van de voorzit-ter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 28 novem-ber 2007 te niet te doen en de oorspronkelijke vordering af te wijzen en derhalve de oorspronkelijke verzoekster af te wijzen en haar te veroordelen tot alle kosten. ANKARAMA NV vordert bij tusseneis de terugbetaling van een be-drag van 435,10 EUR te vermeerderen met de wettelijke interesten vanaf 4 december
  5. 2.- De eerste rechter wijst het derdenverzet van IMEA af als toelaatbaar doch ongegrond en verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van tusseneis. 3.- Het hoger beroep strekt tot de vernietiging van deze beschikking en dienvolgens te zeggen voor recht dat IMEA terecht geïntimeerde op 26 november 2007 afgesloten heeft van haar distributienet. Appellante laat in essentie als grieven gelden dat ANKARAMA NV niet te aanzien is als een 'huishoudelijke afnemer' en bijgevolg geen aanspraak kan maken op een recht van verdere belevering van elek-triciteit aangezien zij geen leveringscontract heeft bij een commer-ciële elektriciteitsleverancier. 4.- De geïntimeerde concludeert tot de nietigheid en stelt impliciet maar zeker incidenteel beroep in wat betreft de ontvankelijkheid van het derdenverzet. Zij concludeert tot de afwijzing van IMEA haar vordering. Zij stelt dat de gemeenrechtelijke dagvaardingstermijn van 8 dagen niet gerespecteerd werd, wat op straffe van absolute nietigheid voor-geschreven is. Zij benadrukt dat er ten gronde geen achterstal is die een afsluiting kon rechtvaardigen en bovendien dat zij wel te be-schouwen is als een huishoudelijke afnemer. FEITEN 5.- De omstandigheden en doelstellingen van het geschil zijn in de be-streden beschikking uiteengezet, zodat het Hof ernaar verwijst. Het volstaat te herhalen dat ANKARAMA NV eigenaar is van het pand gelegen aan de Leewerikstraat 2 - Lange Kievitstraat 106 dat voorheen beleverd werd door Electrabel. Per brief van 30 augustus 2007 meldde IMEA dat zij het dossier van ANKARAMA NV wegens het niet betalen van de facturen Electrabel aan de Lokale Adviescommissie (verder LAC) zal voorleggen. Op 2 oktober 2007 besliste de LAC om een budgetmeter te plaatsen en indien ANKARAMA NV niet vóór 25 oktober 2007 reageerde de elektriciteitstoevoer te zullen schorsen. Op 26 november 2007 sloot IMEA de elektriciteitstoevoer af. Op eenzijdig verzoekschrift gaf de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen op 28 november 2007 het bevel om tot heraansluiting over te gaan onder verbeurte van een dwangsom van 7500,- EUR per dag vertraging. IMEA betwist thans op verzet dat zij verplicht kon worden een her-aansluiting van elektriciteit te bewerkstelligen zolang er geen af-spraken zijn met een nieuwe elektriciteitsleverancier BEOORDELING DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET DERDENVERZET 6.- Reeds voor de eerste rechter liet ANKARAMA NV gelden dat de gemeenrechtelijke dagvaardingstermijn van 8 dagen niet gerespec-teerd werd. Volgens haar verloopt de rechtspleging ingevolge het verzet tegen een beslissing op eenzijdig verzoekschrift vanaf dan tegensprekelijk zodat de gemeenrechtelijke procesregels van toe-passing waren. 7.- Bij exploot van 10 december 2007 tekende IMEA verzet-dagvaarding in kort geding aan met inleidingsdatum op 14 december
  6. Op de inleidingszitting zijn beide partijen verschenen en hebben in ge-zamenlijk akkoord overeenkomstig artikel 747, §1 Gerechtelijk wet-boek de conclusietermijnen geregeld. 8.- Naar luid van artikel 1047 en 1125 Gerechtelijk wetboek wordt de zaak bij dagvaarding gebracht voor de rechter die de bestreden be-slissing heeft gewezen. In artikel 1033 Gerechtelijk wetboek is er sprake dat al wie in niet dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussen-gekomen, verzet kan doen tegen de beslissing die zijn rechten benadeelt. 9.- Krachtens artikel 1042 Gerechtelijk wetboek zijn de regels van het geding toepasselijk op de rechtsmiddelen. In principe zouden de artikelen 707 tot 710 van toepassing zijn op de dagvaarding waarbij een derdenverzet wordt ingeleid, zodat de gewone termijn van dag-vaarding 8 dagen bedraagt. De bepalingen met betrekking tot het derdenverzet bevatten evenwel geen algemene regel met betrekking tot de termijn van verschijning. Ingeval een dagvaarding in derdenverzet gericht is tegen een beslis-sing gewezen in kort geding dient ervan uit gegaan te worden dat de termijn van artikel 1035 van toepassing is (zie ook: K. Wagner, Enke-le actuele problemen van derdenverzet: beslag, dagvaardingstermijn en taalgebruik, R.W., 2002-2003, 690-692; ENGLEBERT, J., Le délai d'opposition ou de tierce opposition à une décision de réfé-ré, J.L.M.B. 1990, 839-842). Bij de beoordeling van de termijnen dient er immers rekening gehou-den te worden dat de beschikking bij voorraad uitvoerbaar is en dat de in het ongelijk gestelde partij er helemaal geen belang bij heeft het instellen van een rechtsmiddel uit te stellen (zie ook: E. Krings, T.P.R., 1991, 1077, nr. 38). 10.- Derhalve is er geen schending van de dagvaardingstermijn op straffe van nietigheid voorgeschreven en is de sanctie van artikel 862, §1, 1° Gerechtelijke wetboek niet van toepassing. DE GEGRONDHEID 11.- Sedert het Vlaamse decreet van 17 juli 2000 houdende de organisa-tie van de elektriciteitsmarkt is een strikt onderscheid gemaakt tus-sen de activiteiten van de energieleveranciers, waaronder Electrabel, en deze van de onafhankelijke distributienetbeheerders, waaronder IMEA. De energieleveranciers verkopen elektriciteit en/of aardgas, die zij bij producenten aankopen en zelf produceren. De distributiebeheerders beheren, onderhouden en ontwikkelen de distributienetten die worden gebruikt om elektriciteit tot bij de klanten te brengen. 12.- Volgens artikel 11 van het Besluit van de Vlaamse regering van 15 juni 2001 met betrekking tot de distributiebeheerders voor elektriciteit mogen de netbeheerder en de werkmaatschappijen geen andere activiteiten ondernemen inzake productie en levering van elektriciteit dan de activiteiten, vermeld in de artikelen 7 en 19, 1°, van het Elek-triciteitsdecreet en in de technische reglementen. Hierdoor is het de netbeheerder niet toegelaten andere activiteiten inzake levering van elektriciteit te ondernemen behoudens de leve-ring van elektriciteit in het kader van een openbaredienstverplichting. Naar luid van artikel 19, 1° (laatst gewijzigd bij Decreet van 19 mei 2006) kan de Vlaamse regering bij wijze van sociale openbare dienstverlening onder meer de ononderbroken levering van een minimale hoeveelheid elektriciteit ingeval van niet-betaling van de elektriciteitsfactuur opleggen, alsook de levering van elektriciteit aan huishoudelijke eindafnemers die niet over een geldig leveringscon-tract beschikken en de verzekerde bevoorrading van de afnemers ingeval de houder van een leveringsvergunning zijn verplichtingen niet nakomt. 13.- In het Vlaams Besluit van 31 januari 2003 wordt als 'huishoudelijke afnemer' verstaan elke natuurlijke persoon die elektriciteit afneemt om te voorzien in zijn behoeften of die van de personen die samen met hem in de woning in kwestie gedomicilieerd zijn Voor de toekomst bepaalt het Decreet van 25 mei 2007 met ingang van 1 januari 2009 (gewijzigd door het Decreet van 18 juli 2008) dat als 'huishoudelijke afnemer' dient te worden aanzien elke natuurlijke persoon aangesloten op het distributienet op een spanning gelijk aan 1000 volt of minder, die elektriciteit afneemt om te voorzien in zijn behoeften of die van de personen die samen met hem in de woning in kwestie gedomicilieerd zijn, behoudens in het geval dat het leveringscontract voor de levering van elektriciteit op het afnamepunt in kwestie werd gesloten door een onderneming, zoals bedoeld in artikel 2, 3°, van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een kruispuntbank voor ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen. De reden voor deze wijziging lag juist in de onduidelijkheid voor de zogenaamde 'gemengde gebruikers' die een professioneel contract hebben afgesloten voor de levering van elektriciteit op naam van een vennootschap en die ingevolge de gewijzigde definitie zouden uitgesloten worden. De overgangsperiode moet hen instaat stellen zich te conformeren. 14.- ANKARAMA NV is derhalve terecht van oordeel dat de sociale open-baredienstverplichtingen wel op haar van toepassing waren en deze door IMEA niet correct werden nageleefd. De nieuwe definitie van 'huishoudelijke afnemer' was nog niet in voege. Zolang is elke natuurlijke persoon die elektriciteit afneemt om te voorzien in zijn behoeften gedekt. Dit stemt overeen met de visie van de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits en Gasmarkt (verder VREG). Het feit dat in kwestige pand slechts één enkele meetinstal-latie aanwezig is, belet niet dat de bovenste verdiepingen verhuurd zijn aan gezinnen met kinderen. Bovendien werd ANKARAMA NV door de elektriciteitsleverancier zelf aanzien als een residentiële af-nemer. 15.- Slechts bij 'klaarblijkelijke onwil' van de huishoudelijke afnemer, als de netbeheerder geen normale toegang heeft tot de woning of de budgetmeter en na een overeenkomstig gemotiveerd advies van de lokale adviescommissie, kan de netbeheerder afsluiten. Op 2 oktober 2007 besliste de LAC een budgetmeter te plaatsen. Deze beslissing werd aangetekend verzonden op 5 oktober 2007 met verzoek om een afspraak te maken met EANDIS en eveneens een betaalplan af te spreken vóór 25 oktober
  7. Gemeld werd dat in voorkomend geval EANDIS de elektriciteit zal schorsen. Blijkbaar werden de nog openstaande facturen gestort op datum van 30 oktober, 27 november en het eindsaldo op 4 december
  8. Vanaf 1 december 2008 heeft ANKARAMA NV een nieuwe commerciële leverancier. Nergens blijkt dat IMEA conform haar eigen reglementaire voorschriften (versie 13/11/2006) in geval van laattijdige betaling overgegaan is tot het verzenden van een ingebrekestelling aan de distributienetwerkbeheerder per aangetekende brief, de aansluiting te onderbreken 14 dagen na postdatum van deze brief. 16.- Bijgevolg staat de 'klaarblijke onwil' van ANKARAMA NV geenszins vast, zodat de beschikking van 28 november 2007 (mede gezien de nakende winterperiode) gehandhaafd moet blijven. 17.- Wat betreft de rechtsplegingvergoeding maken de beide partijen overeenkomstig de wet van 21 april 2007 met betrekking tot de ver-haalbaarheid van de kosten en de erelonen van de advocaat en het KB van 26 oktober 2007 aanspraak in gezamenlijk akkoord op een basisbedrag van 1200,- EUR. O M D I E R E D E N E N : H E T H O F, Rechtsprekend op tegenspraak; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep toelaatbaar doch ongegrond; Bevestigt het bestreden beschikking. Verwijst appellante in de kosten van het hoger beroep, deze volgens opgave in conclusie begroot aan de zijde van geïntimeerde op 1200,- EUR rechtsplegingvergoeding. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van VIJF NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT waar aanwezig waren : de heer P. ADRIAENSEN dd. Voorzitter de heer J. MERTENS DE WILMARS Raadsheer mevrouw A. VAN MUYLDER Raadsheer mevrouw G. VERSYPT Griffier G. VERSYPT A. VAN MUYLDER J. MERTENS DE WILMARS P. ADRIAENSEN PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081105.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.