id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 05 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081105.9 Rolnummer: 1314 P 2006 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-04-22 Raadplegingen: 133 - laatst gezien 2026-07-02 18:14 Fiche Het door de voorzitter van een privaatrechtelijke en met ledengelden gefinancierde vakorganisatie van politiepersoneel ten persoonlijke titel afwenden van fondsen toebehorend aan de vakorganisatie moet worden omschreven als misbruik van vertrouwen (art. 491 Sw.) en niet als verduistering door een openbaar ambtenaar (art. 240 Sw.). De daarmee gepaard gaande valsheden moeten worden omschreven als valsheden in private geschriften (art. 196 Sw.) en niet als valsheden gepleegd door een openbaar ambtenaar (art. 194-195 Sw.). Uit onder meer de omvang van de in bars gedane uitgaven, de vaak afgeronde bedragen, de frequentie van de bezoeken en de aard van de bezochte etablissementen leidt het Hof af dat de door de voorzitter van de vakorganisaties met een VISA-kaart gedane uitgaven gebeurden tot eigen voordeel en zonder enig nut voor de rechtspersoon en zo het misdrijf misbruik van vertrouwen opleveren. Gelden, waarvan de voorzitter het precair bezit had werden op bedrieglijke wijze aangewend en afgewend van het doel waarvoor ze waren bestemd. Gebruikmaken van de VISA-kaart werd het precair bezit omgezet in een bezit animo domini. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen openbare trouw - Valsheid - In geschriften STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen eigendommen - Misbruik van vertrouwen Vrije woorden: Verduistering - Misbruik van vertrouwen - Het afwenden van gelden van een privaatrechtelijke rechtspersoon in het voordeel van een bestuursorgaan. Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 196 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: Het beroep van beklaagde werd verworpen bij arrest van 7 april 2009 Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep te Antwerpen - 9de kamer - heeft het volgende arrest gewezen: (...) BETICHT VAN: te Antwerpen en elders in het arrondissement Antwerpen en bij samenhang te Etterbeek, in het arrondissement Brussel en bij samenhang elders in het Rijk, in meerdere malen, tussen 27 april 2000 en 25 februari 2002, A. Als openbaar officier of ambtenaar, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, valsheid gepleegd te hebben in de uitoefening van zijn bediening, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door vervalsing van akten, geschriften of handtekeningen, hetzij door onderschuiving van personen, hetzij door geschriften, in openbare registers of andere openbare akten na het opmaken of het afsluiten ervan, gesteld of ingevoegd en met hetzelfde bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden van het gezegd vals stuk gebruik gemaakt te hebben, wetende dat het vals was; namelijk niet nader bepaalde stukken, valselijk in de boekhouding doen opnemen van onkostennota's zoals zij in kopie aanwezig zijn in het dossier onder de stukken 27 tot en met 12, meerbepaald en onder andere buitensporige uitgaven in bars, vereffend middels het gebruik van de Visa kaart van hoger genoemde V.Z.W. als zijnde eigen aan de dienst terwijl dit hoegenaamd niet het geval is, met het bedrieglijk opzet de feiten onder tenlastelegging B te plegen, ten nadele van de vereniging zonder winstoogmerk Nationaal Syndicaat van het Politie- en Veiligheidspersoneel, de van valsheid betichte stukken niet ter griffie gedeponeerd zijnde doch in kopie aanwezig in het dossier (stukken 27 tot en met 12); B. Als persoon die een openbaar ambt uitoefent, openbare of private gelden, geldswaardige papieren, stukken, effecten, akten, roerende zaken, welke hij uit kracht of uit hoofde van zijn bediening onder zich heeft, verduisterd te hebben, namelijk hierna vermelde geldsommen, ten nadele van de V.Z.W. Nationaal Syndicaat van het Politie- en Veiligheidspersoneel, I. geldsommen van 465880 BEF en 121,90 EURO door gebruik te maken van de Visa kaart van hoger genoemde V.Z.W. die bestemd was voor het vereffenen van representatiekosten van deze V.Z.W. en middels gebruik van de sub tenlastelegging A vermelde valse stukken II. een geldsom van 123 831 BEF door middels vermelde valse stukken en het gebruik van de Visa kaart van hoger genoemde V.Z.W. die bestemd is om representatiekosten te betalen, twee hotelrekeningen voor overnachtingen en maaltijden betaald te hebben terwijl dezelfde gelden hem terugbetaald werden door brandverzekeraar ... als vergoeding van een schadegeval, meer bepaald op 28 april 2000 de som van 12 125 BEF in het S. hotel (zie stuk 25 dossier) en op 12 mei 2000 de som van 111 706 BEF in het M.D. hotel (zie stuk 26 dossier) en middels de sub tenlastelegging A gekwalificeerde valse stukken; (...) 4. De omschrijving van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten
- i)Uit de omschrijving van de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten blijkt dat de beklaagde deze - in zoverre bewezen - zou hebben gepleegd als openbaar officier of ambtenaar (tenlastelegging A) en als persoon die een openbaar ambt uitoefent (tenlasteleggingen B.I. en B.II).
- ii)Uit de dossiergegevens en uit de debatten blijkt dat: - de beklaagde sinds 28 juni 1972 deel heeft uitgemaakt van de rijkswacht (laatst in de graad van adjudant-chef) en vanaf 1 januari 2001 van de federale politie als hoofdinspecteur en dit tot zijn pensionering per 1 juni 2003 (st. 37-39) ; - de beklaagde nationaal voorzitter was van de VZW NSPV van oktober 1984 tot einde februari 2002 (st. 49) ; - de VZW NSPV wordt gefinancierd met ledengelden en niet met overheidsgelden, zij het dat de leden aanspraak kunnen maken op een syndicale premie. iii) Aangezien niet blijkt dat de beklaagde de voor de tenlasteleggingen A, B.I. en B.II. vereiste hoedanigheid bezit en dat wel blijkt dat de hem verweten feiten zouden zijn gepleegd bij de werking van een privaatrechtelijke rechtspersoon die geen opdracht van algemeen belang vervulde, dienen deze feiten als volgt te worden heromschreven : - feit A, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, valsheid te hebben gepleegd in bankgeschriften of in private geschriften, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of achteraf in de akten in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die deze akten ten doel hadden op te nemen of vast te stellen en met hetzelfde bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden van dit stuk gebruik te hebben gemaakt wetende dat het vals was (inbreuk op de artikelen 193, 196, 197 ,213 en 214 van het Strafwetboek), namelijk (...) - feit B, ten nadele van de VZW Nationaal Syndicaat van het Politie- en Veiligheidspersoneel, goederen, gelden, koopwaren, biljetten, kwijtingen, geschriften van om het even welke aard, die een verbintenis of een schuldbevrijding inhouden of teweegbrengen en die hem overhandigd zijn onder de verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, bedrieglijk te hebben verduisterd of verspild (inbreuk op artikel 491 van het Strafwetboek) (...).
- iv)De partijen werden in kennis gesteld van de door het Hof doorgevoerde heromschrijving en konden dienaangaande standpunt innemen. De beklaagde wordt na deze heromschrijvingen nog steeds voor dezelfde feiten vervolgd. Het Hof ziet geen redenen om de feiten der tenlastelegging B te heromschrijven als misbruik van vennootschapsgoederen of oplichting. Het Hof zal dan ook de argumenten die de beklaagde m.b.t. deze omschrijvingen heeft ontwikkeld (beroepsbesluiten, p. 27-33) niet ontmoeten. (...) 6. De beweerde onontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling
- i)Door de beklaagde wordt voorgehouden dat de raad van bestuur van de tweede burgerlijke partij niet heeft beslist tot een burgerlijke partijstelling noch tot de burgerlijke partijstelling ter zitting (beroepsbesluiten, p. 2, punt 1) en dat zowel de klacht met burgerlijke partijstelling zelf, de burgerlijke partijstelling ter zitting en het hoger beroep door de tweede burgerlijke partij onontvankelijk zijn (beroepsbesluiten, p. 3-5). ii/1) Op 5 februari 2003 stelde P.V. H. zich in eigen naam en in zijn hoedanigheid van voorzitter van de VZW NSPV burgerlijke partij voor de Onderzoeksrechter te Brugge en dit lastens de beklaagde wegens oplichting, misbruik van vertrouwen en inbreuken op de wet van de VZW's (st. 31). In de bijgevoegde klachtbrief werd de beklaagde verweten niet gerechtvaardigde en niet toegestane uitgaven te hebben gedaan (st. 29-30). ii/2) Overeenkomstig een gelijkluidende vordering d.d. 12 februari 2003 van het Openbaar Ministerie voor feiten van oplichting, misbruik van vertrouwen en misbruik van vennootschapsgoederen ten nadele van de VZW NSPV (st. 3-4) heeft de raadkamer te Brugge bij beschikking d.d. 14 februari 2003 de Onderzoeksrechter te Brugge ontlast (st. 2). Nadat het dossier bij kantschrift d.d. 16 februari 2003 aan de procureur des Konings te Antwerpen was toegestuurd, vorderde deze op 20 februari 2003 lastens de beklaagde een gerechtelijk onderzoek wegens oplichting, misbruik van vertrouwen en misbruik van ven nootschapsgoederen. jij) Uit de klacht met burgerlijke partijstelling zelf en uit de bijgevoegde stukken (st. 31) blijkt dat zich twee burgerlijke partijen hebben gesteld: - enerzijds PVH in eigen naam; - anderzijds PVH zijn hoedanigheid van voorzitter van het NSPV VZW, of met andere woorden deze rechtspersoon vertegenwoordigd door de eerste burgerlijke partij, die beiden hebben voorgehouden door de aangeklaagde feiten benadeeld te zijn en één euro provisionele schadevergoeding te vorderen.
- iv)De door de beklaagde ontwikkelde argumentatie kan geen betrekking hebben op de eerste burgerlijke partij. Deze burgerlijke partij - natuurlijke persoon heeft zich burgerlijke partij gesteld voorhoudend dat hij werd benadeeld door de feiten voorwerp van de burgerlijke partijstelling. Er kan omtrent de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling van de eerste burgerlijke partij dan ook geen twijfel bestaan. v/1) De tweede burgerlijke partij is een VZW waarvan het doel in artikel 3 van haar statuten is omschreven. Volgens artikel 18 van de statuten vertegenwoordigt de raad van bestuur de vereniging in alle gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen met inbegrip van beschikkingsdaden en alles wat niet tot de bevoegdheid van de algemene vergadering behoort en verbindt zij de vereniging ook geldig, zonder dat een bijzondere machtiging van de algemene vergadering is vereist (stuk 256). v/2) Door de tweede burgerlijke partij werd op 18 mei 2004 een schrijven gericht aan de Onderzoeksrechter. In dit document werd door de ondertekenende leden van de raad van bestuur aangegeven dat de eerste burgerlijke partij wel degelijk gemachtigd was om zowel in persoonlijke naam als in naam van de VZW klacht neer te leggen lastens de beklaagde, deze beslissing niet impliciet werd opgenomen in de notulen van de raad van bestuur doch er wel diverse malen besproken en de klacht slechts werd neergelegd nadat verschillende pogingen waren mislukt om de zaak in der minne met de beklaagde te regelen (st. 251). v/3) In een voor de eerste rechter neergelegd verslag van de raad van bestuur van de tweede burgerlijke partij d.d. 10 december 2002 (st. 310/1A) is het volgende te lezen: "Situatie V. K. (...) NV wordt gemandateerd voor nodige procedures i.v.m. zijn uitgaven". v/4) Anders dan de beklaagde is het Hof op basis van de voormelde stukken van oordeel dat wel degelijk blijkt dat het bevoegde orgaan binnen de tweede burgerlijke partij de beslissing heeft genomen om zich burgerlijke partij te stellen tegen de beklaagde. Er werd door de raad van bestuur onbetwistbaar een mandaat verleend om de nodige procedures te voeren - waaronder een klacht met burgerlijke partijstelling mag worden verstaan - tegen de beklaagde i.v.m. de door hem gedane uitgaven. Het is niet ernstig voor te houden dat de verwijzing naar "zijn uitgaven" niet zou slaan op de beklaagde maar op de eerste burgerlijke partij. Uit het verslag van de raad van bestuur d.d. 10 december 2002, gelezen in samenhang met de overige dossierstukken, blijkt ontegensprekelijk dat met "zijn uitgaven" de door de beklaagde gedane uitgaven werden bedoeld. Dat de praktische uitvoering van de principieel door de raad van bestuur genomen beslissing om in rechte te treden werd overgelaten aan de eerste burgerlijke partij in zijn hoedanigheid van voorzitter is noch strijdig met de statuten van de tweede burgerlijke partij noch met de VZW-wet.. vi/1) Volledigheidshalve moet het Hof opmerken dat zelfs in de - door het Hof verworpen - hypothese dat de klacht met burgerlijke partijstelling van de tweede burgerlijke partij onontvankelijk zou zijn, zulks niet leidt tot de onontvankelijkheid van de strafvordering en evenmin noopt tot de wering van de stukken gevoegd bij die klacht en de daaruit voortkomende stukken. vi/2) De beklaagde verliest immers uit het oog dat, nadat het dossier was toegestuurd aan de procureur des Konings te Antwerpen deze op 20 februari 2003 zelf een vordering nam tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek. Ingevolge die vordering - waarvan de regelmatigheid niet wordt betwist en ook niet te betwisten is - werd de strafvordering en de daarop volgende onderzoekshandelingen rechtsgeldig verricht. vi/3) Het loutere gegeven dat een klacht met burgerlijke partijstelling onontvankelijk zou zijn - zoals ten onrechte wordt beweerd door de beklaagde - leidt er niet toe dat de stukken gevoegd bij deze klacht uit de debatten zouden moeten worden geweerd. Deze stukken zelf zijn niet het product van enig misdrijf en de ontvanger van de stukken heeft door ze in ontvangst te nemen evenmin enig misdrijf begaan. vii) De op 10 december 2002 verleende machtiging biedt verder een voldoende grond opdat de VZW voor de eerste rechter, de burgerlijke vordering die ingevolge de klacht met burgerlijke partijstelling aanhangig was gemaakt, kon expliciteren en om vervolgens hoger beroep in te stellen tegen het bestreden vonnis. viii) Wat specifiek de verschijning van de tweede burgerlijke partij voor de eerste rechter en het hoger beroep tegen het bestreden vonnis betreft moet het Hof vaststellen dat die telkens gebeurden door een advocate. Die advocate verklaarde daarbij onder meer op te treden voor de tweede burgerlijke partij. Zij wordt dan ook overeenkomstig artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek wettelijk vermoed daartoe een regelmatig mandaat te hebben ontvangen van het daartoe bevoegde orgaan van de tweede burgerlijke partij, behoudens het tegenbewijs door de partij die de regelmatigheid van het mandaat betwist. De beklaagde levert dit tegenbewijs niet. 7. De beweerde schending van artikel 6 E.V.R.M.
- i)Ten onrechte wordt door de beklaagde voorgehouden dat artikel 6 E.V.R.M. en het beginsel van de wapengelijkheid zouden zijn geschonden door het niet bijbrengen van de verslagen van de controle-organen en het gegeven dat de tweede burgerlijke partij een selectie zou hebben gemaakt van stukken alvorens ze voor te brengen (beroepsbesluiten, p. 2, punt 4).
- ii)Het Hof acht zich op basis van het dossier, zoals het was samengesteld bij het in beraad nemen, voldoende voorgelicht. Uit diverse verklaringen van de leden van de raad van bestuur en van de financiële commissie, zoals hieronder toegelicht, blijkt ontegensprekelijk dat zij niet waren ingelicht over de precieze aard van de door de beklaagde gedane uitgaven en dat de toestemmingen en goedkeuringen waarop de beklaagde zich meent te kunnen beroepen niet aanwezig zijn. De voeging van de verslagen van deze organen kan in die omstandigheden dan ook niet bijdragen tot de waarheidsvinding. iii) Overigens moet het Hof vaststellen dat de raadsman van de burgerlijke partijen in graad van hoger beroep een aantal verslagen heeft gevoegd. Er zijn bovendien geen aanwijzingen dat de raadsman van de burgerlijke partijen opzettelijk stukken zou achterhouden die nuttig zouden kunnen zijn voor de beklaagde. Diens loutere beweringen op dat vlak (beroepsbesluiten, p. 15) volstaan niet.
- iv)De beklaagde heeft voor het Hof alle tegenspraak kunnen voeren. Zijn door artikel 6 EV.R.M. gewaarborgd recht en zijn recht van verdediging werden gerespecteerd. 8. De gegrondheid van de strafvordering 8.1. M.b.t. de tenlastelegging B.I. en B.II. (zoals heromschreven) - Algemeen
- i)De schuld van de beklaagde aan de feiten der tenlastelegging B.I. en B.II. (telkens zoals heromschreven) is ook voor het Hof bewezen gebleven, zij het wat betreft de tenlastelegging B.I (zoals heromschreven) beperkt tot een bedrag van 433.255 BEF. - Tenlastelegging B.I. (zoals heromschreven) ii/1) De uitgaven vermeld onder de tenlastelegging B.I. (zoals heromschreven) hebben gelet op de verwijzing naar de stukken vermeld onder de tenlastelegging A (st. 12-27) én de onder de tenlastelegging B.I. vermelde sommen (465.880 BEF en 121,90 euro) betrekking op : - een uitgave in B. V. voor 121,90 euro ; - een bedrag van 47.432 BEF als restant van een som van 200.000 BEF die werd aangewend voor de aankoop van een draagbare pc ; - een aantal uitgaven, hoofdzakelijk in bars, en nader aangeduid met gele fluorstift op de VISA-staten, zijnde: 23.05.2000 F.-O. A'pen (st. 26) 15.150 02.11.2000 C. Schilde (st. 23) 6.600 03.11.2000 C. Schilde (st. 23) 6.500, 10.000 en 10.100 07.11.2000 S.A'pen (st. 23) 2.600 08.11.2000 S. A'pen (st. 23) 16.000 28.11.2000 F. O.A'pen (st. 22) 7.350 28.11.2000 S. A'pen (st. 22) 11.000 06.12.2000 S. A'pen (st. 22) 11.100 18.12.2000 S. A'pen (st. 21) 28.500 22.12.2000 S. A'pen (st. 21) 11.100 28.12.2000 C.Schilde (st. 21) 10.100 en 6.000 02.01.2001 S. A'pen (st. 21) 28.500 09.01.2001 S.A'pen (st. 21) 17.500 15.01.2001 S.A'pen (st. 20) 17.500 28.01.2001 D.Waasm. (st. 20) 11.500 11.02.2001 B. Antwerpen (st. 19) 17.400 13.02.2001 C. Schilde (st. 19) 4.600 ??.03.2001 S. A'pen (st. 19) 11.000 10.03.2001 S. A'pen (st. 18) 11.000 23.03.2001 S. A'pen (st. 18) 11.100 01.05.2001 S. A'pen (st. 17) 17.600 08.06.2001 S. A'pen (st. 16) 22.000 18.06.2001 S. A'pen (st. 16) 11.000 28.06.2001 V. (st. 16) 18.530 29.06.2001 P. D. D. (st. 16) 2.360 29.06.2001 L. R. (st 16) 2.770 30.06.2001 V. Snaask. (st. 16) 10.100 30.06.2001 C.D.P. (st. 16) 8.865 24.07.2001 S. A'pen (st. 15) 24.100 ??.09.2001 S. A'pen (st. 14) 30.000 09.10.2001 C. Schilde (st. 14) 5.163 en 10.042 18.10.2001 S. A'pen (st. 13) 11.000 31.10.2001 B. S. A'pen (st. 13) 10.050 ii/2) De beklaagde wordt enkel voor die feiten vervolgd. Voor andere elementen die in het dossier ter sprake komen - zoals de aankoop van de draagbare pc zelf of het bezoek aan bars op andere tijdstippen, wordt de beklaagde niet vervolgd. Het Hof gaat dan ook niet in op de argumentatie die ter zake door partijen wordt ontwikkeld. jii) M.b.t. de uitgaven voor Bistro V., V., P. d. D., L. R. en Café D. P. is niet aangetoond dat deze uitgaven niet in het belang van de tweede burgerlijke partij werden verricht. De schuldigverklaring van de beklaagde kan er dan ook geen betrekking op hebben.
- iv)De door de beklaagde gegeven uitleg i.v.m. de som van 47.432 BEF als restant van het bedrag van 200.000 BEF (beroepsbesluiten, p. 24, punt (b)) is niet geheel ongeloofwaardig. Het tegendeel wordt noch door het Openbaar Ministeïie noch door de burgerlijke partijen bewezen. Ook hier geldt dat de schuldigverklaring van de beklaagde op dit bedrag geen betrekking kan hebben. v/1) De stelling van de beklaagde dat de door hem gedane en de met onder deze tenlastelegging geviseerde overige uitgaven (totaal bedrag 433.255 BEF) louter representatiekosten betreffen (beroepsbesluiten, p. 6) kan het Hof niet bijvallen. v/2) Uit de omvang van de gedane uitgaven, de vaak afgeronde bedragen, de frequentie van de bezoeken en de aard van de bezochte etablissementen blijkt duidelijk dat deze werden bezocht voor andere doeleinden dan "een glas en een dineetje op tijd en stond, een snack tussendoor met de medestanders" (beroepsbesluiten, p. 6) en is het gelet op deze elementen volstrekt ongeloofwaardig dat deze uitgaven betrekking hadden op restaurantrekeningen, zoals nochtans wordt beweerd (beroepsbesluiten, p. 9). De volstrekte ongeloofwaardigheid van de in beroepsbesluiten verstrekte uitleg dat de beklaagde met de VISA-kaart de uitgaven zou voldaan hebben voor restaurantbezoeken van medewerkers en dat dit de soms relatief hoge rekeningen verklaart (beroepsbesluiten, p. 9) wordt nog versterkt door het gegeven dat de beklaagde van dit element in zijn politionele verklaring geen melding heeft gemaakt (st. 43-49). v/3) M.b.t. de aard van de gelegenheden waar de beklaagde de overige uitgaven voorwerp van de tenlastelegging B.I. heeft gedaan volgens hem voor het merendeel voor drank (st. 43) - moet worden benadrukt dat de beklaagde het in zijn politionele verklaring zelf steeds had over bars (st. 44-46). Uit de politionele informatie blijkt verder dat de B. S. was gekend als een criminele ontmoetingsplaats waar prostitutie werd georganiseerd (st. 181 en 208), dat de S., F. O. en B. waren gekend als bars, dat de zaakvoerder van C.was gekend voor prostitutie en souteneurschap, dat D. was gekend als een ontuchthuis waar animeermeisjes werkten en dat ten slotte V., waar meestal 12 à 15 meisjes werkten, gekend was voor drugs en prostitutie (st. 207-208). v/4) Dat de beklaagde deze gelegenheden zou hebben bezocht in aanwezigheid van personen, van wie hij de naam niet wenst mee te delen maar steeds in het belang van de tweede burgerlijke partij, moet het Hof als volstrekt niet geloofwaardig verwerpen. v/5) Dat de beklaagde slopende onderhandelingen heeft gevoerd m.b.t. de mammoetwet en de nieuwe politiewetgeving is mogelijk maar niet dienstig voor de beoordeling van zijn schuld aan deze tenlastelegging (zoals beperkt). Het kan hem onmogelijk het recht hebben gegeven om gelden van de rechtspersoon, waarvan hij nationaal voorzitter was, tot eigen voordeel aan te wenden zonder dat die uitgaven enig nut vertoonden of konden vertonen voor de rechtspersoon. Het is niet aannemelijk dat de tweede burgerlijke partij haar financiële positie zou hebben verbeterd door de barbezoeken van de beklaagde, zoals nochtans door hem zelf beweerd in zijn politionele verklaring (st. 46). v/6) Dat de goedkeuring voor de gedane uitgaven manifest zou blijken uit de verslagen en de notulen van de raad van bestuur en van de financiële commissie - zoals wordt voorgehouden door de beklaagde (beroepsbesluiten, p. 7) kan het Hof niet onderschrijven. Uit de verklaringen van de leden van de raad en commissie blijkt dat er weliswaar een controlerecht en -mogelijkheid bestond maar dat dit door omstandigheden niet werd uitgeoefend: - zo verklaarde E. B., die werd verhoord op vraag van de beklaagde (st. 43) en die zichzelf omschreef als raadgever van de beklaagde en contactpersoon tussen hem en de leden van de raad van bestuur (st. 59), dat op de vergaderingen van de raad van bestuur niet altijd stukken voorhanden waren en er dan werd goedgekeurd op basis van (blind) vertrouwen zonder dat detailgegevens beschikbaar waren en dat de raad van bestuur niet op de hoogte was dat veelvuldig uitgaven in bars gebeurden. Hij verklaarde verder dat de raad van bestuur zelf niet op de hoogte was van het gebruik van een VISA-kaart en dat niet genoeg navraag werd gedaan naar de werkelijke aard van de kosten (st. 56-58) ; - L. D. G., commissaris van de financiële commissie van ongeveer 1985 tot 31 december 2001 legde een min of meer gelijkluidende verklaring af: de bespreking van de onkosten gebeurde op basis van de hoofd posten en niet gedetailleerd; indien de voorzitter binnen zijn budget bleef werden er weinig vragen gesteld over de representatiekosten; de stukken konden steeds worden ingezien maar dat was eerder uitzondering dan regel en hij wist zelfs niet dat er een VISA-kaart was en hij had nooit VISA-uitgavenstaten gezien (st. 64-65) ; - J. V. B., lid van de raad van bestuur, bevestigde dat in de raad van bestuur de kosten van de voorzitter niet gedetailleerd werden besproken maar wel als één grote uitgavenpost en hij evenmin wist dat de beklaagde over een VISA-kaart beschikte (st. 70-71) ; - hulpboekhouder J.-L. P. verklaarde (st. 152-154) dat hij bij de VISA-uitgaven voor de bars geen uitleg gekregen had van de beklaagde; - ook uit de verklaring van A. G., lid van de financiële commissie blijkt dat het controlerecht niet daadwerkelijk werd uitgeoefend maar een eerder theoretisch karakter had: het was praktisch niet mogelijk om in detail te controleren, de onkosten werden in hoofd posten voorgeschoteld zonder de details te vermelden, hij heeft nooit kostenstaten van de beklaagde gezien en hij wist zelfs niet dat er de beschikking was over een VISA-kaart (st. 175) ; - nationaal secretaris J. M. verklaarde dat hij de VISA-uitgavenstaten controleerde, maar dat hij dacht dat het restaurantuitgaven betrof (st. 212). v/7) Er werd door een lid van de financiële commissie uitdrukkelijk verklaard dat de uitgaven in bars niet zouden zijn goedgekeurd mocht de financiële commissie de aard ervan hebben gekend (st. 175). Ook de nationaal secretaris legde een verklaring met die strekking af (st. 211 ). v/8) Om dezelfde redenen is het gegeven dat de rekeningen van de tweede burgerlijke partij door de algemene vergadering werden goedgekeurd voor de jaren 2000, 2001 en 2002 en dat décharge werd verleend aan de bestuurders (beroepsbesluiten, p. 7) niet dienstig.
- vi)Er kan geen twijfel over bestaan dat de beklaagde deze gelden, waarvan hij het precair bezit had, op bedrieglijke wijze - dit wil zeggen in zijn eigen voordeel en tot zijn eigen genot - heeft aangewend en ze zo heeft afgewend van het doel waarvoor ze waren bestemd, namelijk het belang van de tweede burgerlijke partij. De beklaagde had wel degelijk voorafgaand het bezit ter bede van de gelden middels de VISA-kaart van de tweede burgerlijke partij en hij heeft dit precair bezit omgezet in een bezit animo domini: door de gelden, waarover hij als nationaal voorzitter de doelgebonden beschikking had, te gebruiken voor strikt persoonlijke doeleinden heeft hij zich deze gelden toegeëigend. Dat dergelijke feiten tot benadeling van de tweede burgerlijke partij kunnen leiden is evident. - De tenlastelegging B.II. (zoals heromschreven) vii) Uit de dossiergegevens blijkt dat het appartement van de beklaagde gelegen aan de ... te ... B. op 27 april 2000 werd geteisterd door brand (st. 223). Expert V.D.B. was van oordeel dat het appartement niet meer bewoonbaar was, zodat de beklaagde elders diende te logeren (st. 222). De beklaagde was verzekerd bij AGF De Schelde. In de polis was een vergoeding voor tijdelijke onbruikbaarheid onroerend goed voorzien en het maximumbedrag dat forfaitair voor hotelkosten kon worden uitbetaald bedroeg 150.000 BEF. De beklaagde ondertekende op 8 mei 2000 het proces-verbaal van minnelijke schatting waarbij hij zijn instemming betuigde met de forfaitaire vergoeding van 150.000 BEF voor de tijdelijke onbruikbaarheid van het onroerend goed (st. 219 en 221). De verzekeraar betaalde op 29 mei 2000 een eerste schijf uit van 975.812 BEF, waarin de vergoeding voor tijdelijke onbruikbaarheid was vervat (st. 220, 224 en 226-227). Op 31 mei 2000 werd door het bedrijf RECONTEC gefactureerd voor de reiniging van de inboedel van het appartement van de beklaagde (st. 85). viii) De beklaagde betaalde met de VISA-kaart van de tweede burgerlijke partij op 28 april 2000 een bedrag van 12.125 BEF voor zijn verblijf in het Scandic Hotel te Antwerpen in de nacht van 27 op 28 april 2000 (st. 102-104). Hij betaalde op 12 mei 2000 met deze VISA-kaart een bedrag van 111.706 BEF voor zijn verblijf in het Mercure Diamant Hotel te Antwerpen voor de periode van 28 april 2000 tot 12 mei 2000 (st. 107-112 en 226).
- ix)Ten onrechte wordt door de beklaagde voorgehouden dat de raad van bestuur zijn toestemming zou hebben gegeven voor deze uitgaven. Door E. B. werd weliswaar verklaard "Mij staat voor dat de Raad van Bestuur principieel akkoord was dat V. K. in het hotel verbleef en dat de kosten zouden gedragen worden door het NSPV. Ik verneem nu het bedrag" (st. 57) doch uit deze gedachte kan het Hof niet afleiden dat de raad van bestuur daadwerkelijk had beslist dat deze persoonlijke uitgave van V. K. zou worden ten laste genomen door de tweede burgerlijke partij. Immers: - volgens de eerste burgerlijke partij blijkt uit geen enkel verslag van de raad van bestuur dat de beklaagde op kosten van de vakbond voor de duur van de herstellingswerken op hotel mocht gaan (st. 116); - nationaal secretaris J. M. verklaarde dat de beklaagde hem weliswaar had gezegd dat hij elders zou gaan logeren met het akkoord van de verzekering, maar dat hij nooit toelating had gevraagd om de hotelkosten te betalen; - hulpboekhouder J.-L. P., die de betalingen had geboekt, maakte geen melding van een toelating van de raad van bestuur (st. 153) ; - A. G., lid van de financiële commissie, zegde er niet van op de hoogte te zijn geweest dat de hotelkosten na de brand in de woning van de beklaagde werden betaald door de vakbond (st. 175) en ook L. D. G. legde een dergelijke verklaring af.
- x)Door met gelden van de tweede burgerlijke partij, gebruikmakend van haar VISA-kaart deze strikt persoonlijke uitgaven te verrichten, heeft de beklaagde zich wel degelijk aan misbruik van vertrouwen schuldig gemaakt. 8.2. M.b.t. de tenlastelegging A (zoals heromschreven)
- i)Met deze tenlastelegging wordt de beklaagde verweten de boekhouding van de tweede burgerlijke partij te hebben vervalst (en daarvan gebruik te hebben gemaakt) door bepaalde door hem gedane uitgaven in de boekhouding te hebben opgenomen onder de noemer "uitgaven eigen aan de dienst" terwijl dit niet het geval was.
- ii)De onkostennota's waarvan sprake onder de tenlastelegging A (zoals heromschreven) worden dus zelf niet van valsheid beticht, doch de boekhouding waarin die onder een onjuiste omschrijving werden opgenomen. iii) Op basis van de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan kan niet met zekerheid worden uitgemaakt of de beklaagde in de boekhouding van de tweede burgerlijke partij de post van de uitgaven die hij ten persoonlijke titel heeft verricht met gelden van de tweede burgerlijke partij, met een niet waarheidsgetrouwe titel rubriek of rekening heeft omschreven of laten omschrijven. Hij moet dan ook voor de feiten der tenlastelegging A (zoals heromschreven) worden vrijgesproken. Het Hof zal dan ook de argumenten van de beklaagde m.b.t. deze tenlastelegging (beroepsbesluiten, p. 18-23) niet nader ontmoeten. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081105.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div