id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 19 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081119.10 Rolnummer: 2008RK70 Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2009-07-30 Raadplegingen: 128 - laatst gezien 2026-07-02 20:00 Fiche 1.De wetgever heeft in casu bij Wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij uitdrukkelijk bepaald dat enkel de Commissie tot Bescherming van de Maatschappij bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tot invrijheidstelling van geïnterneerden. In dringende gevallen kan de voorzitter van de Commissie de invrijheidstelling van de geïnterneerde gelasten. Beroep is enkel mogelijk bij de Hoge Commissie. Een voorziening in Cassatie werd eveneens mogelijk gemaakt. De wetgever heeft geen rechtsmacht toegekend aan de burgerlijke rechter, noch in eerste aanleg, noch in beroep, noch in dringende gevallen.
- Aangezien geen algemene normen voorhanden zijn om te beoordelen of in een bepaalde instelling aangepaste opvang en hulp wordt verleend, kan het Hof als kort gedingrechter enkel een marginale toetsing doen over de concrete individuele omstandigheden waarin een geïnterneerde zich bevindt. Enkel wanneer zou blijken dat er geen enkele aangepaste opvang of hulp wordt geboden en de geïnterneerde het lot van een gewone gevangene moet ondergaan, zou dienen geconcludeerd worden dat art. 5.1 van het EVRM geschonden wordt. Het is niet aan het Hof om zich als kort gedingrechter uit te spreken over de vraag of de psychologische en psychiatrische begeleiding en behandeling, die de geïnterneerde ontegensprekelijk krijgt, al dan niet een aangepaste behandeling uitmaakt. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Voorzitter rechtbank - Kort geding (bevoegdheid voorzitter) STRAFRECHT - GEESTESSTOORNIS - Commissie tot bescherming maatschappij STRAFRECHT - GEESTESSTOORNIS - Internering Vrije woorden: internering - kort geding
- rechtsmacht inzake voorlopige invrijheidstelling
- vordering tot het bekomen van de nodige psychiatrische behandeling en begeleiding - schending art. 5.1 e EVRM - marginale toetsing Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, ACHTSTE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewe-zen: Inzake : 2008/RK/70 WVR APPELLANT tegen de beschikking van de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, zetelend in kort geding, d.d. 14 februari 2008 vertegenwoordigd door mr. B. Verhaegen loco mr. Peter Verpoorten, advocaat te 3945 Oostham, Heldenplein 42; TEGEN : De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de MINISTER VAN JUSTITIE, met burelen te 1000 Brussel, Waterloolaan 115; GEÏNTIMEERDE vertegenwoordigd door mr. Carl Raymaekers, advocaat te 2600 Antwerpen, Deken de Winterstraat 26; Gelet op de door de wet vereiste procedurestukken die worden over-gelegd, o.m. de op tegenspraak gewezen beschikking van de voor-zitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, zetelend in kort geding, van 14.2.2008, waarvan geen betekening voorligt en waartegen een naar termijn en vorm regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift in hoger beroep neergelegd op de griffie van het Hof op 14.3.
- De heer VR is sedert 14.11.1980 geïnterneerd ingevolge diverse be-schikkingen van de raadkamer te Leuven en een vonnis van de cor-rectionele rechtbank te Leuven wegens oplichting, valse naamdracht en diefstal. Hij heeft in de strafinrichting te Turnhout verbleven en verblijft thans in de strafinrichting te Merksplas sedert
- In die 28 jaar werd hij 18 maal op proef vrijgesteld. Telkenmale werd de heer VR opnieuw opgesloten, omdat hij herviel en/of zich niet aan de voorwaarden hield. Op 7.5.2007 verwierp de Commissie tot Bescherming van de Maat-schappij van Leuven zijn verzoek tot in vrijheidstelling op proef. Zij besliste tot behoud van de heer VR in de gevangenis te Merksplas in afwachting van een gestructureerde ambulante reclassering (met verblijf in een home) met ondertussen de noodzakelijke uitgangs-permissies (op uitnodiging en beperkt in tijd) en het maandelijks voorleggen van afbetalingsbewijzen van schulden. Zij besliste tevens dat een voorlopig bewindvoerder diende aangesteld te worden. Tegen deze beslissing werd geen rechtsmiddel aangewend. Op 3.12.2007 heeft de heer VR opnieuw een verzoek tot invrijheid-stelling ingediend. De Commissie tot Bescherming van de Maatschappij te Leuven be-sliste op 4.12.2007 tot behoud in Merksplas en het inwinnen van een second opinion bij psychiater dr. Dillen. Ook tegen deze beslissing werd geen rechtsmiddel aangewend. De expertise wordt uitgevoerd.
- Bij dagvaarding dd.19.10.2007, zoals gewijzigd bij besluiten, vorder-de de heer VR: - in hoofdorde de onmiddellijke voorlopige invrijheidstelling in af-wachting van een opname in een psychiatrische inrichting op straffe van een dwangsom, - subsidiair, de Belgische Staat tot uitvoering te bevelen van de vorige beslissing van de Commissie tot Bescherming van de Maat-schappij van Leuven van 7.5.2007, met name te voorzien in een gestructureerde ambulante reclassering (met verblijf in een home) op straffe van een dwangsom, - meer subsidiair, de Belgische Staat te bevelen om hem de nodige begeleiding en behandeling te bieden, hiertoe een psychiater en een psychiatrisch verpleegkundige aan te stellen, en dit op straffe van een dwangsom.
- Bij de bestreden beschikking oordeelde de eerste rechter : - dat hij wel degelijk rechtsmacht had om dringende maatregelen te nemen, ook inzake de voorlopige invrijheidstelling, op grond van de subjectieve rechten van de heer VR, - dat de vorderingen van de heer VR ontvankelijk doch ongegrond waren.
- Het hoger beroep van de heer VR strekt ertoe zijn oorspronkelijke vordering gegrond te horen verklaren. De Belgische Staat concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Zij stelt incidenteel beroep in teneinde voor recht te horen zeggen - dat de kort gedingrechter geen rechtsmacht heeft inzake een vordering tot (voorlopige) invrijheidstelling, - en dat de overige vorderingen ontoelaatbaar zijn. BEOORDELING INCIDENTEEL BEROEP - RECHTSMACHT INZAKE VORDERING TOT INVRIJ-HEIDSTELLING
- De Belgische Staat heeft incidenteel beroep ingesteld tegen de be-slissing van de eerste rechter dat hij als kort gedingrechter over de nodige rechtsmacht beschikte om een uitspraak te doen over een vordering tot voorlopige invrijheidstelling van een geïnterneerde. De Belgische Staat wijst er weliswaar terecht op dat overeenkomstig art. 584 Ger.W. de kort gedingrechter uitspraak kan doen in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt. De wetgever heeft in casu bij Wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij uitdrukkelijk bepaald dat enkel de Commissie tot Bescherming van de Maatschappij bevoegd is om kennis te ne-men van de vorderingen tot invrijheidstelling van geïnterneerden. Het is ook deze Commissie die beslist over de eventuele invrijheidstelling op proef (art. 18, eerste lid van voornoemde wet). Beroep is enkel mogelijk bij de Hoge Commissie (art. 19 bis). Een voorziening in Cassatie werd eveneens mogelijk gemaakt (art. 19 ter). Krachtens art. 18, tweede lid van voormelde wet kan de voorzitter van de Com-missie in dringende gevallen de invrijheidstelling van de geïnterneer-de gelasten. De beslissingen van voornoemde instanties vertonen duidelijk het karakter van een jurisdictionele beslissing, aangezien zij een nood-zakelijke aanvulling uitmaken van het vonnis of arrest dat de interne-ring voor onbepaalde tijd heeft gelast. (Cass., 12 juni 2008, nr. C.07.0294.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080612.4 inzake Hofmans/ Belgische Staat) Derhalve heeft de wetgever geen rechtsmacht toegekend aan de burgerlijke rechter, noch in eerste aanleg, noch in beroep, noch in dringende gevallen. De heer VR beroept zich in dit verband ten onrechte op een zgn. subjectief recht op een gepaste begeleiding en verzorging, die de Belgische Staat hem zou ontzeggen. Wat de mogelijke achterliggen-de reden (rechtsgrond) ook moge zijn, men kan niet voorbij aan het feit dat de heer VR een vordering tot invrijheidstelling heeft ingesteld (weze het ten voorlopige titel in afwachting van een opname in een psychiatrische inrichting) en dat de wetgever terzake alle rechts-macht heeft onttrokken aan de rechtbanken en hoven van beroep. Het incidenteel beroep van de Belgische Staat dient derhalve ge-grond te worden verklaard en de bestreden beschikking dient op dit punt te worden hervormd. INCIDENTEEL BEROEP - NIET TOELAATBAARHEID VAN DE OVERIGE VORDERINGEN
- De Belgische Staat werpt de niet-toelaatbaarheid op van de vordering tot uitvoering van de beslissing van de Commissie tot Be-scherming van de Maatschappij van 7.5.2007 (ambulante behande-ling met opname in een home) bij gebrek aan belang. Het Hof dient met de Belgische Staat evenwel vast te stellen dat voornoemde beslissing niet meer van kracht was op het moment dat de heer VR deze vordering instelde bij besluiten neergelegd op 17.1.
- De Commissie tot Bescherming van de Maatschappij had inmiddels reeds op 4.12.2007 een nieuwe beslissing genomen, waartegen de heer Van Roosbroeck geen rechtsmiddel heeft inge-steld. Het Hof is bijgevolg van oordeel dat deze vordering zonder meer zonder voorwerp is. Wat de subsidiaire vordering betreft tot het bekomen van de nodige behandeling door een psychiater en een psychiatrisch verpleeg-kundige, werpt de Belgische Staat eveneens de ontoelaatbaarheid op bij gebrek aan belang in hoofde van de heer VR. De Belgische Staat stelt dat de gevraagde maatregel te algemeen en te vaag is en hij dus geen belang heeft bij het instellen van een dergelijke vorde-ring. Het Hof is van oordeel dat de vordering als dusdanig toelaatbaar is. De heer VR heeft wel degelijk een belang bij de aanstelling van een psychiater teneinde een behandeling te bekomen. Of deze vordering gegrond dient te worden verklaard is een andere vraag. Deze laatste vordering dient alleszins toelaatbaar te worden ver-klaard. HOGER BEROEP - SUBSIDIAIRE VORDERING TOT HET BEKOMEN VAN DE NODIGE PSYCHIATRISCHE BEHANDELING EN BEGELEIDING - TEN GRONDE
- De heer VR steunt zijn vordering in ondergeschikte orde, met name tot het bekomen van een aangepaste psychiatrische behandeling, op zijn huidige dagdagelijkse situatie in de gevangenis van Merksplas. Hij stelt in een niet geschikte omgeving gevangen te worden gehou-den en klaagt een totaal gebrek aan psychiatrische behandeling aan, op het toedienen van medicatie na. De heer VR wijst erop dat een geesteszieke niet om het even waar mag worden opgesloten. Hij beroept zich op art. 5.1 van het Verdrag van de rechten van de Mens waarin is bepaald dat eenieder recht heeft op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Het Verdrag voorziet weliswaar enkele uitzonderingen, o.m. "in het geval van rechtmatige gevangenhouding van (...) geesteszieken (...)" (art. 5.1.e E.V.R.M.), maar de heer VR wijst er op dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in een uitspraak van 30.07.1998 (Aerts / Belgische Staat) nader heeft gepreciseerd dat in principe de detentie van een geesteszieke enkel rechtmatig kan zijn in het licht van art. 5.1.e E.V.R.M. indien zij wordt uitgevoerd in een hospitaal, kliniek of ande-re geschikte instelling. De heer VR stelt dat de gevangenis van Merksplas geen hospitaal of kliniek is en ook niet kan beschouwd worden als een "andere ge-schikte instelling", omdat zij niet voldoet aan de normen opgelegd bij K.B. van 23.10.1964 tot bepaling van de normen die door ziekenhui-zen en hun diensten moeten worden nageleefd, terwijl er zich aldaar 300 geesteszieken bevinden. Volgens de Belgische Staat is voormeld K.B. niet van toepassing op de gevangenis van Merksplas.
- Het Hof is van oordeel dat de gevangenis te Merksplas inderdaad niet als een ziekenhuis, noch als een dienst van een ziekenhuis kan worden beschouwd, ook al worden er geesteszieken opgenomen en in min of meerdere mate psychiatrisch verzorgd. Bijgevolg valt deze instelling ook niet onder de toepassing van de normering voor ziekenhuizen zoals opgelegd door voormeld K.B. van
- De minister van Volksgezondheid, die voormeld K.B. heeft uitgevaardigd is trouwens niet bevoegd inzake het gevangeniswezen en internerin-gen. De terzake bevoegde minister is de minister van Justitie. De Belgische Staat erkent dat er op dit ogenblik nog geen normen voor gevangenisinstellingen, waar geïnterneerden worden opge-nomen, bepaald zijn. Zij wijst er evenwel op dat er wel een de facto norm bestaat, onder de vorm van een zorgvuldig samengestelde zor-gequipe per instelling. In Merksplas blijkt er aldus een zorgequipe te bestaan, die instaat voor de verzorging van geïnterneerden, en een PSD-equipe, die instaat voor de expertise, onderzoek en behande-ling van de geïnterneerden (psychologen, maatschappelijk assisten-ten en psychiaters). Het Hof is met het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van oordeel dat geesteszieken niet zonder meer van hun vrijheid mogen worden beroofd. Zij dienen aangepaste opvang en hulp te verkrijgen in de instelling waar zij verblijven. Aangezien geen algemene normen voorhanden zijn om te beoorde-len of in een bepaalde instelling aangepaste opvang en hulp wordt verleend, kan het Hof als kort gedingrechter enkel een marginale toetsing doen over de concrete individuele omstandigheden waarin een geïnterneerde zich bevindt. Enkel wanneer zou blijken dat er geen enkele aangepaste opvang of hulp wordt geboden en de geïn-terneerde het lot van een gewone gevangene moet ondergaan, zou dienen geconcludeerd worden dat art. 5.1 van het EVRM ge-schonden wordt.
- De Belgische Staat wijst erop dat de heer VR in Merksplas in het Paviljoen C verblijft, zijnde het paviljoen specifiek voor geïnterneer-den, en dat hij een psychiater toegewezen heeft gekregen, met na-me dr. De Laender. De heer VR stelt dat hij op geen enkele wijze een aan hem aange-paste verzorging krijgt. Uit het medisch dossier door de Belgische Staat voorgebracht zou volgens hem blijken dat er enkel een aantal consultaties hebben plaatsgehad, die hij omschrijft als gesprekjes over hoe hij zich voelt en over het al dan niet aanpassen van zijn medicatie. Volgens de heer VR beantwoorden dergelijke consultaties niet aan het begrip therapie of doorgedreven psychiatrische verzor-ging. De Belgische Staat wijst op de diagnose die door de behandelende psychiater dr. De Laender telkens opnieuw werd gesteld, met name dat de heer VR een onverbeterlijk, eindeloos recidi-verende oplichter is, waarvoor in feite weinig psychiatrische behandelingsmogelijkhe-den bestaan en wiens behandeling nog wordt bemoeilijkt door een totaal gebrek aan ziekte- of probleeminzicht. De Belgische Staat wijst er bovendien op dat de heer VR in de peri-ode van 20.11.2006 tot 24.10.2007 dertien maal op consultatie is geweest bij psychiater dr. De Laender. Op 17.9.2007 werd hij nog uitgenodigd voor een gesprek, maar weigerde hij te komen. Op 7.10.2007 had hij wel contact met de psychiatrisch verpleegkun-dige. Volgens de Belgische Staat komt de heer VR in 2008 maande-lijks op consult bij de psychiater. De heer VR ontkent deze feitelijke gegevens niet, doch wijst erop dat niet de frequentie maar de inhoud van de consultaties van belang is. Hij stelt dat deze consultaties slechts korte gesprekjes zijn over hoe hij zich voelt met eventueel een aanpassing van zijn medicatie. De Belgische Staat wijst erop dat volgens het verslag van de psychiater de heer VR nooit inhoudelijke gesprekken wenst aan te gaan en ook nooit adviezen opvolgt. Het is niet aan het Hof om zich als kort gedingrechter uit te spreken over de vraag of de psychologische en psychiatrische begeleiding en behandeling, die de heer VR ontegensprekelijk krijgt, al dan niet een aangepaste behandeling uitmaakt. Het feit dat de oplichtersproble-matiek van de heer VR en zijn weinig meewerkende houding hem bijna onbehandelbaar maken, is evenzeer een feitelijk gegeven waarmee in casu dient rekening te worden gehouden bij de margina-le toetsing. Het Hof acht een plaatsbezoek, zoals gevraagd door de heer VR, dan ook niet nuttig. Gelet op al wat voorafgaat, dient te worden besloten dat er in casu geen flagrante inbreuk wordt gepleegd op het grondrecht van art. 5.1 van het EVRM. Het hoger beroep dient derhalve te worden afgewezen en de be-streden beschikking op dit punt bevestigd.
- Aangezien de heer VR werd toegelaten tot de kosteloze rechtsple-ging, dient in casu de rechtsplegingsvergoeding bepaald te worden op het minimumtarief van 75 EUR. O M D I E R E D E N E N : H E T H O F, Rechtsprekend op tegenspraak; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; Gehoord Substituut-Procureur-generaal D. De Waele in zijn advies dat omwille van de omstandigheden van de zaak onmiddellijk mon-deling ter terechtzitting werd gegeven en waarop partijen hebben kunnen repliceren; Verklaart het incidenteel beroep van de Belgische Staat ontvankelijk en in de hiernavolgende mate gegrond. Hervormt de bestreden beschikking en zegt voor recht dat de kort gedingrechter geen rechtsmacht heeft om te oordelen over de vorde-ring tot voorlopige invrijheidstelling (vordering in hoofdorde). Verklaart de oorspronkelijke vordering in uitvoering van de beschik-king van 7.5.2007 (vordering in subsidiaire orde) zonder voorwerp. Bevestigt de bestreden beschikking in zoverre ze de vordering in uiterst subsidiaire orde, ertoe strekkende de Belgische Staat te horen bevelen om hem de nodige begeleiding en behandeling te bieden, en hiertoe een psychiater en een psychiatrisch verpleeg-kundige aan te stellen, dit op straffe van een dwangsom, ontvankelijk heeft verklaard. Verklaart het hoger beroep van de heer VR ontvankelijk doch onge-grond. Verklaart de voormelde vordering in uiterst subsidiaire orde onge-grond. Bevestigt de bestreden beschikking op dit punt. Verwijst de heer VR tot de kosten van het hoger beroep in hoofde van de Belgische Staat begroot op 75 EUR rechtsplegingsvergoe-ding. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van NEGENTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT waar aanwezig waren : de heer P. ADRIAENSEN dd. Voorzitter de heer J. MERTENS DE WILMARS Raadsheer mevrouw A. VAN MUYLDER Raadsheer mevrouw G. VERSYPT Griffier G. VERSYPT A. VAN MUYLDER J. MERTENS DE WILMARS P. ADRIAENSEN PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081119.10 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080612.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div