id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 november 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081126.12 Rolnummer: 2008RK35 Rechtsgebied: Familierecht Invoerdatum: 2009-01-28 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-02 18:24 Fiche De afhandeling van de afname van een som geld op de gemeenschappelijke bankrekening dient te gebeuren binnen het kader van de vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap. Zolang de echtscheiding tussen partijen niet definitief is, behouden elk van de echtgenoten immers de gewone bestuursregeling van het huwelijksvermogen. Het is niet dat iedere echtgenoot tijdens het huwelijk tegenover de andere op strikte wijze verantwoording verplicht is. Diegene die dit beweert zal dienen aan te tonen dat door de afname er gehandeld werd in strijd met het doelgebonden karakter van de bestuursregeling van het huwelijksvermogensrecht. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJK - Verplichtingen en sancties - Dringende en voorlopige maatregelen Vrije woorden: voorlopige maatregelen tijdens de echtscheiding - afhalen gelden gemeenschappelijke bankrekening - geen stricte verantwoording verplicht Tekst van de beslissing MB APPELLANT tegen de beschikking van de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, zetelend in kort geding, d.d. 14 januari 2008 vertegenwoordigd door mr. G. Janssens loco mr. J. Verstraeten, advocaat te 3000 Leuven, Vaartstraat 68-70; TEGEN : LVB GEÏNTIMEERDE vertegenwoordigd door mr. Paul Benijts, advocaat te 2200 Herentals, Lierseweg 271-273; Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder de bestreden beschikking, op 14 januari 2008 op tegenspraak tussen de partijen uitgesproken door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, zitting houdend in kort geding, waarvan geen betekening voorligt en waartegen tijdig en geldig naar de vorm hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 4 februari
- Gelet op het incidenteel beroep. 1.- De partijen zijn gehuwd op datum van 17 juli 1992 voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te Herentals en uit hun huwelijk werden geen kinderen geboren. Er ontstonden echtelijke moeilijkheden en partijen leven feitelijk gescheiden sinds september
- Op 12 september 2007 heeft LVB een procedure in echtscheiding ingeleid en MB gedagvaard om te verschijnen voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout in kort geding teneinde voorlopige maatregelen te horen uitspreken, wat aanleiding gaf tot de bestreden beschikking. Tevens heeft MB op datum van 10 december 2007 een tegeneis ingesteld tot het bekomen van voorlopige maatregelen. Tot op heden is nog geen echtscheiding tussengekomen. 2.- In de bestreden beschikking van 14 januari 2008 werden de navolgende maatregelen genomen : Øeen afzonderlijk verblijf voor partijen, Øeen onderhoudsgeld van 500,- EUR per maand aan LVB persoonlijk vanaf 1 september 2007, geïndexeerd, Øde aanstelling van een notaris voor het opstellen van een getrouwe inventaris, Øeen vervreemdingsverbod op de gemeenschappelijke goederen, Øeen gebruiks- en genotrecht aan beide partijen van de roerende goederen in hun bezit met inbegrip van de moto SUZUKI, waarvan het gebruik aan MB wordt toegekend. Wat betreft de vorderingen aangaande de dieren werd de zaak in voortzetting gesteld. 3.- Het hoger beroep is beperkt en strekt bij hervorming van de be-streden beschikking te horen zeggen voor recht : Øappellant dient geen onderhoudsgeld te betalen voor LVB persoonlijk, Øgeïntimeerde is gehouden een bedrag van 300,- EUR per maand te betalen voor de verzorging van de paarden en 50,- EUR per maand voor het onderhoud van de honden. In beroepsconclusies vordert appellant bijkomend om de verdere aflossing van het voertuig CHEVROLET, Jeep, door LVB te doen betalen. 4.- De geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vraagt de bevestiging. Zij vordert in conclusies bij wijze van incidenteel beroep een onderhoudsgeld van 750,- EUR per maand voor haar persoonlijk. BEOORDELING 5.- De heer MB, appellant, is definitief arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt naar eigen zeggen een invaliditeitsuitkering van 1.052,48 EUR per maand. Voorheen was hij tevens werkzaam als hoefsmid in bijberoep. Ingevolge een hernia van de nekwervels zegt hij niet meer in staat te zijn zonder hulp van derden om paarden te beslaan. Hij verblijft in de echtelijke woning en betaalt de hypothecaire lening af aan 322,- EUR per maand. 6.- Mevrouw LVB, geïntimeerde, was gedurende dertig jaar te werk gesteld als arbeidster bij de koekjesfabrikant GBVBA. Zij kon in de periode van 25 mei 2007 tot 30 september 2007 beschikken over een ziekte-uitkering van 33,69 EUR per dag. Op 15 april 2008 werd haar staat van invaliditeit voorlopig erkend tot 30 juni 2008 en zij ontvangt een bedrag van 893,36 EUR per maand. Tot mei 2008 heeft LVB verbleven in de woning van haar broer. Zij huurt thans een studio waarvoor zij maandelijks 375,- EUR betaalt. Zij is bereid de lening voor het voertuig CHEVROLET maandelijks met een bedrag van 375,92 EUR verder af te lossen. Bovendien werd zij door haar operatie geconfronteerd met zware medische kosten. 7.- Derhalve gelet op het voorgaande is een maandelijks onderhoudsgeld van 500,- EUR noodzakelijk maar voldoende om LVB toe te laten om de levensstijl aan te houden die zij zou hebben gehad indien er geen scheiding was geweest. 8.- Aangezien de paarden niet langer door MB verzorgd worden, dringt hij dienaangaande niet verder aan. De honden van het ras 'American Staffords' verblijven echter nog steeds bij hem. Zolang geïntimeerde weigert in te staan voor de verzorging en onderhoud van haar honden, wenst hij ten onrechte hiervoor vergoed te worden ten belope van 50,- EUR per maand. 9.- De afhandeling van de afname van de som van 6.000,- EUR door LVB op de gemeenschappelijke bankrekening dient te gebeuren binnen het kader van de vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap. Zolang de echtscheiding tussen partijen niet definitief is, behouden elk van de echtgenoten immers de gewone bestuursregeling van het huwelijksvermogen. Het is niet dat iedere echtgenoot tijdens het huwelijk tegenover de andere op strikte wijze verantwoording verplicht is. Het komt derhalve aan MB toe, die dit beweert, om alsdan aan te tonen dat door de afname er gehandeld werd in strijd met het doelgebonden karakter van de bestuursregeling van het huwelijksvermogensrecht (zie ook Cass. 29 mei 2008, T.Familierecht, 2008/8, 143 met noot Fr. Buyssens). 10.- Wat betreft de rechtsplegingvergoeding maken de beide partijen overeenkomstig de wet van 21 april 2007 met betrekking tot de verhaalbaarheid van de kosten en de erelonen van de advocaat en het KB van 26 oktober 2007 aanspraak op een basisbedrag van 1200,- EUR. O M D I E R E D E N E N : H E T H O F, Rechtsprekend op tegenspraak; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep toelaatbaar doch ongegrond; Recht doende binnen de perken ervan; Bevestigt de bestreden beschikking; Wijst het meer en anders gevorderde af. Verwijst ieder der partijen in de helft van de kosten van het hoger beroep, deze volgens opgave in conclusie begroot aan de zijde van appellant op 139,- EUR en slaat de rechtsplegingvergoeding om. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van ZESENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT waar aanwezig waren : de heer P. ADRIAENSEN dd. Voorzitter de heer J. MERTENS DE WILMARS Raadsheer mevrouw A. VAN MUYLDER Raadsheer mevrouw G. VERSYPT Griffier G. VERSYPT A. VAN MUYLDER J. MERTENS DE WILMARS P. ADRIAENSEN PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081126.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div