id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 03 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081203.13 Rolnummer: 2007AR2791 Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2010-01-28 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-07-02 18:26 Fiche Het rechtsverval met toepassing van art. 8 1° lid WLVO is van persoonlijke aard, zodat de verzekeraar het bewijs moet leveren dat de gronden van verval bestaan bij de verzekerde die op de begunstiging van de waarborg aanspraak maakt. De omstandigheid dat ouders, op grond van het wettelijk vermoeden van art. 1384, 2de lid B.W., burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor de schadeverwekkende onrechtmatige daden van hun minderjarige kinderen houdt niet in dat deze personen zelf opzettelijk hebben gehandeld. De grondslag van de aansprakelijkheid van ouders is immers gegrond op een vermoeden van fout in de opvoeding en niet op een intentionele handeling van deze civielrechtelijke aansprakelijke personen. De opzettelijke fout van de verzekerde, zoals bedoeld in art. 8, 1° lid WLVO, is bijgevolg niet gelijk te schakelen met de opzettelijke fout van een andere persoon waarvoor deze verzekerde civielrechtelijk aansprakelijk is. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Vader - Moeder HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Schadeverzekering - Aansprakelijkheidsverzekering HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Regresvordering Vrije woorden: Verzekeringen - rechtsverval - opzettelijke fout van een minderjarige medeverzekerde - tegenstelbaarheid aan de civielrechtelijk aansprakelijke ouder - art. 8.1 WLVO Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2007/AR/2791 NATEUS VERZEKERINGEN NV, met maatschappelijke zetel te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 79, KBO-nummer 0404.484.654 appellante, vertegenwoordigd door Mr. VERMEIREN Rudi, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Sanderusstraat 25 tegen het vonnis gewezen op 26 juni 2007 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tegen
- R.B.,
- N.A., geïntimeerden, beiden vertegenwoordigd door Mr. SWINNEN Marc, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Beeldhouwersstraat 22 ***
- Wat voorafgaat 1.
- Op 2 maart 1996 brak brand uit in de woning van R.B. , gelegen te Antwerpen, ... straat , waarbij vier van haar zes kinderen om het leven kwamen. Bij vonnis van 20 juli 1998 oordeelt de jeugdrechtbank te Antwerpen dat de - toen nog minderjarige - zoon van R.B. deze brand opzettelijk had aangestoken. R.B. wordt, als burgerlijk verantwoordelijke partij op grond van art. 1384, 2e lid B.W. aansprakelijk geacht voor de schadelijke gevolgen van deze brand, waaronder de schade aan de woning van de buren, het echtpaar W.J. . Dit vonnis wordt bij arrest van het Hof van beroep te Antwerpen van 3 december 1998 bevestigd. 1.
- Bij dagvaarding van 2 september 1996 vordert de NV AG 1824, de brandverzekeraar van het echtpaar W.J., de veroordeling van R.B., zowel in eigen naam als in haar hoedanigheid van wettelijk beheerder over de persoon en goederen van haar minderjarige zoon A.A. , tot het betalen van een provisionele vergoeding van 134.849 BEF (3.342, 82 EUR). Het echtpaar W.J. komt op 16 september 1996 zelf vrijwillig tussen in deze procedure en vraagt de veroordeling van R.B.in de voormelde hoedanigheden tot het betalen van een provisionele som van 100.000 BEF (2.478, 94 EUR). Bij tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 21 oktober 1996 wordt R.B. bij verstek veroordeeld tot het betalen aan de NV AG 1824 van de provisionele som van 134.849 BEF (zijnde de som door deze brandverzekeraar uitgekeerd aan zijn verzekerden) en wordt voor de definitieve schadebegroting de heer Van Den Bergh aangesteld als deskundige. Bij beschikking in kort geding van 18 december 1996 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel wordt dit vonnis gemeen verklaard aan de brandverzekeraar van mevrouw R.B., de NV De Medische (thans NV Nateus Verzekeringen) voor zover hierin een deskundige wordt aangesteld en wordt deze deskundige met een bijkomende opdracht aangesteld. De deskundige legt op 2 oktober 1997 zijn verslag ter griffie neer. Bij akte van 5 november 1998 doet de NV AG 1824 afstand van geding tegen R.B., die deze afstand bij akte van 2 februari 2007 aanvaardt. Het echtpaar W.J. zet de procedure wel verder en dagvaardt op 17 juni 2002 de ondertussen meerderjarige geworden kinderen van R.B. , m.n. A.A. (° 27 september 1981) en N.A. (° 26 mei 1980) in tussenkomst vermits deze, samen met hun moeder, mede-eigenaars zijn van het schadeverwekkende pand. Zij vorderen de hoofdelijke veroordeling van deze partijen alsook van de NV De Medische tot het betalen van een mindergenot, dat zij begroten op 24.987, 67 EUR, te vermeerderen met interesten en kosten. Op 26 oktober 2006 leggen A.A en N.A. zelf een akte van gedinghervatting in deze procedure neer. 1.
- Parallel met deze procedure wordt tussen partijen eveneens een verzetprocedure gevoerd. Op 5 februari 1997 verschijnen R.B. , zowel in eigen naam als in haar hoedanigheid van wettelijk beheerder over de persoon en goederen van A.A. , de NV AG 1824 en het echtpaar W.J. vrijwillig voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. In het proces-verbaal van vrijwillige verschijning verklaart R.B.dat zij verzet wenst aan te tekenen tegen het verstekvonnis van 2 september
- In deze procedure komt de NV De Medische op 26 februari 1997 vrijwillig tussen en vraagt, in eerste instantie, de bevestiging van de aanvullende expertise zoals bevolen door de Brusselse rechter in kort geding. In deze procedure vordert het echtpaar W.J. , bij conclusies van 30 maart 1998, de solidaire veroordeling van R.B. , zowel in eigen naam als in haar hoedanigheid van wettelijk beheerder over de persoon en de goederen van haar dochter N.A.en haar zoon A.A., en van de NV De Medische tot (o.m.) de sloping van het pand en de betaling van een schadevergoeding. Bij conclusie van 29 oktober 1999 vordert R.B. , de zaak te voegen met het parallelle dossier en haar brandverzekeraar te veroordelen tot het betalen van een provisionele vergoeding van 1 BEF (0, 02 EUR) materiële schade en 1 BEF (0, 02 EUR) morele schade. Deze zaak wordt op de zitting van 1 december 2003 ambtshalve weggelaten van de algemene rol. Na herinschrijving vordert het echtpaar W.J. van de voormelde partijen een vergoeding voor het mindergenot van 24.987, 67 EUR, te vermeerderen met interesten en kosten. Bij conclusie van 19 juni 2006 vorderen R.B., N.A. en A.A. de NV Nateus Verzekeringen (voorheen NV De Medische) te veroordelen tot het betalen aan R.B. de som van 82.195, 37 EUR, te vermeerderen met interesten en kosten, tot het betalen van de vordering van het echtpaar W.J. en tot vrijwaring voor alle sommen waartoe zij veroordeeld zou kunnen worden. Op 26 oktober 2006 leggen N.A. en A.A. ook in deze procedure een akte van gedinghervatting neer. Bij brief van 26 januari 2007 bevestigt de NV AG 1824 dat zij in deze verzetprocedure eveneens afstand van geding heeft gedaan. 1.
- Bij tussenvonnis van 20 maart 2007 voegt de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen beide zaken samen, verleent zij akte van de gedinghervatting door N.A. en A.A. , en verleent zij akte van afstand van geding door de NV AG
- Alvorens ten gronde te oordelen stelt de eerste rechter vast dat er onduidelijkheid bestaat over de vraag wie de (mede-)eigenaar is van het pand, gelegen in de ... straat
- Zij heropent dan ook de debatten teneinde partijen toe te laten te verduidelijken of ook N.A. en A.A. mede-eigenaar zijn, zo ja ten belope van welk deel, en of deze partijen eveneens een vordering hebben ingesteld ten aanzien van de NV Nateus Verzekeringen. 1.
- Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 26 juni 2007 verklaart de vordering van het echtpaar W.J. toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond door R.B., N.A. en A.A. hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een som van 24.987, 67 EUR, te vermeerderen met interesten en kosten. De vordering van dit echtpaar tegen de NV Nateus Verzekeringen wordt toelaatbaar doch ongegrond verklaard. De eerste rechter overweegt dat het niet is betwist dat R.B.en haar twee nog resterende kinderen, N.A. en A.A., mede-eigenaars waren van het pand gelegen in de Violetstraat 49, dat de schade van het echtpaar W.J. het gevolg is van de gebrekkige toestand van dit pand en dat door deze toestand hinder in de zin van art. 544 B.W. werd veroorzaakt aan het aanpalende pand. De vordering, in zoverre ingesteld tegen de brandverzekeraar van deze partijen, wordt met toepassing van art. 78 §1 Wet Landverzekeringsovereenkomst afgewezen vermits de gevorderde schade - m.n. het mindergenot - zich manifesteerde vanaf augustus 1996 (ogenblik waarop de woning van W.J. onbewoonbaar werd) terwijl de verzekeringsovereenkomst, door de opzegging bij aangetekende brief van 14 mei 1996, met ingang van 15 juni 1996 geen uitwerking meer had. Op dezelfde grond verklaart de eerste rechter de vordering in vrijwaring van de consorten B.-A. voor de aanspraken van het echtpaar W.J. ongegrond. Wat de vordering tot vergoeding van de eigen schade van de consorten B.-A. betreft, overweegt de eerste rechter dat de verschillende mede-eigenaars, in overeenstemming met art. 37 Wet Landverzekeringsovereenkomst, slechts een belang hebben ten belope van de waarde van hun deel. Zij verwerpt aldus de stelling van R.B. dat zij, als verzekeringsnemer, aanspraak kan maken op de volledige vergoeding van de schade. Gelet op dit gegeven diende te worden nagegaan of R.B. tijdig een vordering heeft ingesteld tegen de brandverzekeraar in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen A.A. en N.A.. Anders dan de NV Nateus Verzekeringen is de eerste rechter van oordeel dat de dagvaarding die R.B. zowel in eigen naam als in haar hoedanigheid van wettelijk beheerder over de persoon en goederen van haar twee kinderen op 29 december 1997 liet betekenen, beschouwd kan worden als een aanmelding van het schadegeval door deze kinderen waardoor de verjaringstermijn werd gestuit. Zij acht de vordering van N.A. en A.A. dan ook nog niet verjaard. Verder stelt de eerste rechter dat de NV Nateus Verzekeringen zich enkel ten aanzien van A.A. (die de brand opzettelijk heeft gesticht) en niet ten aanzien van de andere begunstigen kan beroepen op art. 8, 1e lid Wet Landverzekeringsovereenkomst dat bepaalt dat de verzekeraar niet verplicht kan worden dekking te geven aan hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt. De totale vergoedbare schade wordt begroot op 64.906, 29 EUR, te vermeerderen met verwijlinteresten vanaf 11 september 1997, waarop R.B.en N.A. aanspraak kunnen maken in verhouding tot hun aandeel in het goed, m.n. 7/12e in blote eigendom en 5/12e in vruchtgebruik respectievelijk 5/24ste in blote eigendom. Hierop worden de debatten heropend teneinde deze partijen toe te laten een cijfermatige berekening te maken van hun aandeel in de waarde van het onroerend goed. 1.
- De NV Nateus Verzekeringen stelt, bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 12 oktober 2007, een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in tegen dit vonnis. De zaak werd behandeld op de zitting van 4 november
- Eisen in hoger beroep 2.
- De NV Nateus Verzekeringen, hierna Nateus genoemd, vordert, bij hervorming van het beroepen vonnis, de vordering van R.B. ongegrond te verklaren en deze van N.A. verjaard minstens ongegrond te verklaren, en deze partijen te verwijzen in de gerechtskosten. 2.
- R.B. en N.A. concluderen tot de bevestiging van het bestreden vonnis. Ondergeschikt verzoeken zij Nateus te veroordelen tot het betalen aan R.B.van de som van 82.195, 37 EUR, te vermeerderen met de vergoedende interesten (aan de wettelijke interestvoet) vanaf 2 maart 1996 tot de dag van de volledige betaling.
- Beoordeling 3.
- Verjaring van de vordering, ingesteld door Nadia Adhar 3.1.
- Nateus werpt in de eerste plaats op dat de vordering, in zoverre ingesteld door N.A., met toepassing van art. 34 §1, 1e al. Wet Landverzekeringsovereenkomst, is verjaard. Luidens deze bepaling bedraagt de verjaringstermijn voor elke rechtsvordering, voortvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst, drie jaar. Deze termijn neemt in beginsel een aanvang vanaf het voorval dat de rechtsvordering doet ontstaan en verstrijkt in elk geval - behoudens bedrog - vijf jaar na dit schadegeval. Volgens Nateus heeft N.A. haar vordering voor het eerst gesteld bij besluiten van 19 april 2007, zijnde meer dan vijf jaar na de datum van het schadegeval (de brand van 2 maart 1996). 3.1.
- N.A. werpt tegen dat de verjaring van de vordering rechtsgeldig gestuit werd door de dagvaarding die R.B. op 26 december 1997 aan de NV De Medische (rechtsvoorgangster van Nateus) heeft laten betekenen. In deze dagvaarding stelde R.B.immers zowel in eigen naam als in naam van haar - op dat ogenblik - minderjarige dochter N.A. een vordering in tegen haar brandverzekeraar. 3.1.
- Overeenkomstig art. 35 §3 Wet Landverzekeringsovereenkomst wordt, indien het schadegeval tijdig is aangemeld, de verjaring gestuit tot op het ogenblik dat de verzekeraar aan de wederpartij schriftelijk kennis heeft gegeven van zijn beslissing. Samen met de eerste rechter is het Hof van oordeel dat de dagvaarding, betekend op 26 december 1997, beschouwd kan worden als een tijdige aanmelding van het schadegeval door zowel R.B. als haar twee kinderen, N.A. en A.A. . Nateus toont niet aan dat zij na deze aanmelding aan deze twee laatste partijen een beslissing in verband met de verzekeringsdekking schriftelijk heeft ter kennis gebracht. Blijkbaar gebeurde dit voor het eerst bij "aanvullende conclusie na tussenvonnis" van 24 april
- Nateus toont dan ook niet aan dat de stuiting op 19 april 2007 was opgehouden zodat de vordering, ingesteld door N.A. niet is verjaard. Aan deze vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door het gegeven dat tot 19 april 2007 niet uitdrukkelijk werd vermeld dat R.B. eveneens optrad als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen. Hieruit kan immers niet worden afgeleid dat deze kinderen afstand van hun vordering, ingesteld bij dagvaarding van 26 december 1997, zouden hebben gedaan. De beslissing van de eerste rechter om de vordering, ingesteld door N.Ad., ontvankelijk te verklaren, wordt dan ook bevestigd. 3.
- Gegrondheid van de vorderingen, ingesteld door R.B. en N.A. 3.2.
- Ten gronde houdt Nateus voor dat zij niet tot dekking gehouden kan zijn vermits het schadegeval opzettelijk werd veroorzaakt. Zij beroept zich hierbij op art. 8, 1e al. Wet Landverzekeringsovereenkomst dat luidt: "niettegenstaande enig andersluidend beding, kan de verzekeraar niet verplicht worden dekking te geven aan hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt". Vast staat dat A.A. de brand in de woning opzettelijk heeft gesticht. Dit is definitief vastgesteld in het arrest van de jeugdkamer van het Hof van beroep te Antwerpen van 3 december
- In dit arrest werd ook R.B. , met toepassing van art. 1384, 2de lid B.W., veroordeeld in haar hoedanigheid van burgerlijk aansprakelijke partij voor het opzettelijk misdrijf, gepleegd door haar - op dat ogenblik nog minderjarige - zoon. Volgens Nateus staat het aldus vast dat het schadegeval opzettelijk werd veroorzaakt door één van de verzekerden (de inwonende zoon), vermeld in de polis. Deze opzettelijke handeling is, volgens de verzekeraar, tegenstelbaar aan R.B. vermits zij voor deze handeling van haar zoon burgerlijk verantwoordelijk is gesteld. 3.2.
- Uit de bewoordingen van het voormelde art. 8, 1e al., m.n. de verwijzing naar "hem die het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt" blijkt dat de afwezigheid van dekking slechts kan gelden voor degene die de schade opzettelijk heeft veroorzaakt en niet voor andere verzekerden of begunstigden die vreemd zijn aan de vrijwillige uitlokking van het schadegeval. Aanvaard wordt dat deze tekst geen uitsluiting met algemene draagwijdte betreft, doch een grond tot persoonlijk verval van recht, gesteund op kwade trouw van de verzekerde, inhoudt. Hieruit volgt dat het loutere feit dat één van de - volgens het "lexicon" van de algemene polisvoorwaarden - verzekerden van de polis het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt, niet verhindert dat andere verzekerden of begunstigden dan degene die het schadegeval heeft uitgelokt, zich kunnen beroepen op de verzekeringsdekking. Nateus lijkt dit ook te erkennen (tweede conclusie in hoger beroep, p. 5 onderaan). Zij stelt evenwel dat in casu R.B.niet "vreemd" is aan het opzettelijk schadegeval vermits zij hiervoor, bij arrest van 3 december 1998, burgerrechtelijk aansprakelijk is gesteld. Volgens Nateus volgt hieruit dat de opzettelijke handeling van haar - toen minderjarige - zoon aan R.B. tegenstelbaar is. Het Hof treedt dit standpunt niet bij. Zoals aangegeven, is het rechtsverval met toepassing van art. 8, 1e lid Wet Landverzekeringsovereenkomst van persoonlijke aard, zodat de verzekeraar het bewijs moet leveren dat de gronden van verval bestaan bij de verzekerde die op de begunstiging van de waarborg aanspraak maakt. Anders dan Nateus lijkt voor te houden, houdt de omstandigheid dat ouders, op grond van het wettelijk vermoeden van art. 1384, 2de lid B.W., burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor de schadeverwekkende onrechtmatige daden van hun minderjarige kinderen niet in dat deze personen zelf opzettelijk hebben gehandeld. De grondslag van de aansprakelijkheid van de ouders is immers gegrond op een vermoeden van fout in de opvoeding, en niet op een intentionele handeling van deze civielrechtelijk aansprakelijke personen. De opzettelijke fout van de verzekerde zoals bedoeld in art. 8, 1e lid Wet Landverzekeringsovereenkomst is bijgevolg niet gelijk te schakelen met de opzettelijke fout van een andere persoon waarvoor deze verzekerde civielrechtelijk aansprakelijk is. Hieruit volgt dat, bij gebreke van bewijs dat R.B.het schadegeval opzettelijk heeft veroorzaakt, Nateus gehouden is ten aanzien van deze verzekerde de waarborg te verlenen, ook al is deze persoon burgerrechtelijk aansprakelijk voor een andere verzekerde die de schade opzettelijk veroorzaakte. Deze gehoudenheid geldt a fortiori ten aanzien van N.A., die als zuster van de brandstichter, volledig vreemd is aan het opzettelijk handelen van haar broer. Terecht heeft de eerste rechter hierbij de stelling van Nateus verworpen dat het feit dat A.A. de brand opzettelijk heeft gesticht voor zowel zijn moeder als zijn zuster geen toevallig, onzeker en onverwacht risico uitmaakte. Zoals reeds uiteengezet, houdt de omstandigheid dat R.B. burgerrechtelijk aansprakelijk werd gesteld voor deze brandstichting immers niet in dat zij zelf een opzettelijke handeling heeft gesteld. 3.
- Schadebedragen 3.3.
- In ondergeschikte orde betwist Nateus de gevorderde schadevergoeding en voert aan dat zij slechts een bedrag van 51.973, 47 EUR ("voor aftrok van de slijtage (30%)") verschuldigd is. Onduidelijk is dan ook welk bedrag Nateus precies meent verschuldigd te zijn. Verder dient te worden vastgesteld dat, volgens het beroepen vonnis, op 7 mei 1997 een proces-verbaal van schatting werd opgemaakt, ondertekend door (o.m.) de expert van Nateus en waarin blijkbaar andere cijfers zouden overeengekomen zijn. Dit proces-verbaal wordt door geen van de partijen neergelegd. Ook andere stukken die de schadebegroting verantwoorden, ontbreken. Het Hof ziet zich dan ook verplicht de debatten te heropenen teneinde partijen toe te laten een duidelijk standpunt in te nemen over de gevorderde bedragen. 3.3.
- Hierbij dient tevens te worden vastgesteld dat R.B.en N.A.de door de eerste rechter gevraagde cijfermatige berekening van hun aandeel in de waarde van het onroerend goed, gelegen te 2060 Antwerpen, ... straat , niet hebben voorgelegd. Met toepassing van art. 1068, 1e lid Ger.W. is door het hoger beroep het geschil in zijn geheel aanhangig gemaakt bij de appelrechter en dient dit Hof zich bijgevolg uit te spreken over de uiteindelijk aan elk van de initieel eisende partijen verschuldigde bedragen. Bijgevolg dient het Hof, net als de eerste rechter, de debatten te heropenen teneinde R.B.en N.A. eveneens toe te laten de gevraagde cijfermatige berekening te maken en Nateus toe te laten hierover standpunt te laten innemen. OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni
- Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Verder recht doend ten gevolge van de devolutieve werking van het hoger beroep. Beveelt, alvorens ten gronde te oordelen over de schadebegroting, de heropening van de debatten en verzoekt partijen met toepassing van art. 775 Ger.W. hun schriftelijke opmerkingen en hun verweer hierover uit te wisselen en aan het Hof te overhandigen als volgt: · voor R.B.en N.A. ten laatste op 31 januari 2009 · voor Nateus ten laatste op 31 maart 2009 · voor R.B.en N.A.ten laatste op 30 april
- Zegt dat partijen over het onderwerp van de heropening van debatten zullen worden gehoord ter terechtzitting van 9 juni 2009 om 14.50 uur. Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 3 december
- waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter A. VERHAERT Raadsheer I. COUWENBERG Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS I. COUWENBERG A. VERHAERT F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081203.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div