← België

ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081217.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 17 december 2008 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081217.11 Rolnummer: 35 P 2008 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-09-23 Raadplegingen: 143 - laatst gezien 2026-07-02 18:33 Fiche

  1. Overeenkomstig artikel 2 van het Strafwetboek kan een nieuwe strafwet niet worden toegepast op misdrijven gepleegd na de inwerkingtreding ervan, uitgezonderd indien deze nieuwe wet milder is. Aldus dient te worden nagegaan of de ten laste gelegde feiten strafbaar waren onder de oude wet en of zij nog steeds strafbaar zijn onder de nieuwe wet. Vervolgens dient, in voorkomend geval, de voor de beklaagde meest gunstige wet te worden toegepast. De feiten, zoals zij eerder strafbaar waren onder het oud artikel 77bis van de Vreemdelingenwet, zijn thans nog steeds strafbaar, met dien verstande dat thans bijkomend als constitutief bestanddeel de aard van de beoogde exploitatie is voorzien. Voorheen werd elke vorm van beoogde exploitatie geviseerd: er werd immers geen belang gehecht aan de beoogde exploitatie. Dat bepaalde constitutieve bestanddelen van het oude misdrijf thans verzwarende omstandigheden zijn geworden is niet relevant.
  2. De bijzonder kwetsbare positie van de slachtoffers van mensenhandel ten gevolge van hun onwettige of precaire administratieve toestand of ten gevolge van zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid betekent dat zij in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze hebben dan zich te laten misbruiken. Deze beoordeling vereist de identificatie van de slachtoffers. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Toepassing in tijd strafrecht STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen de persoon - Mensenhandel Vrije woorden:
  3. Stafrecht - Mensenhandel - Nieuwe wetgeving - Toepassing van de strafwet in de tijd - Constitutieve bestanddelen - Verzwarende omstandigheden
  4. Strafrecht - Mensenhandel - Bijzonder kwetsbare positie - Geen andere echte en aanvaardbare keuze dan zich te laten misbruiken - Identificatie van de slachtoffers Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 380 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 381 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 382 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: Het cassatieberoep tegen dit arrest werd verworpen bij arrest van 21 april 2009, P.09.0097.N Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, 10 december 2008 te Antwerpen, veertiende kamer (...)
  5. De wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de versterking van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers heeft op ingrijpende wijze de ten aanzien van ten laste gelegde feiten van mensenhandel toepasselijke strafwetgeving gewijzigd. De tenlasteleggingen A, H, J, N en P dienen te worden heromschreven naar de thans van toepassing zijnde misdrijfomschrijvingen, het zij als volgt: "Zich schuldig te hebben gemaakt aan mensenhandel, zijnde de werving, het vervoer, de overbrenging, de huisvesting, de opvang van een persoon, de wisseling of de overdracht van de controle over hem teneinde ten aanzien van deze persoon de misdrijven te laten plegen die bedoeld worden in de artikel 379, 380 §1 en §4, en 383bis §1, met de verzwarend omstandigheid, - dat daarbij misbruik werd gemaakt van de bijzonder kwetsbare positie waarin een persoon verkeert ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand of ten gevolge van zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid zodanig dat de betrokken persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze had dan zich te laten misbruiken, - dat van de betrokken activiteit een gewoonte werd gemaakt, en - dat het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betrof ongeacht of de schuldige de hoedanigheid van leidend persoon had of niet". (Artikelen 433quinquies §1, 1° en §2 en artikel 433 septies 2°, 6° en 7°). Overeenkomstig artikel 2 van het Strafwetboek kan een nieuwe strafwet niet worden toegepast op misdrijven gepleegd na de inwerkingtreding ervan, uitgezonderd indien deze nieuwe wet milder is. Aldus dient te worden nagegaan of de ten laste gelegde feiten strafbaar waren onder de oude wet en of zij nog steeds strafbaar zijn onder de nieuwe wet. Vervolgens dient, in voorkomend geval, de voor de beklaagde meest gunstige wet te worden toegepast. De feiten, zoals zij eerder strafbaar waren onder het oud artikel 77bis van de Vreemdelingenwet, zijn thans nog steeds strafbaar, met dien verstande dat thans bijkomend als constitutief bestanddeel de aard van de beoogde exploitatie is voorzien. Voorheen werd elke vorm van beoogde exploitatie geviseerd: er werd immers geen belang gehecht aan de beoogde exploitatie. Dat bepaalde constitutieve bestanddelen van het oude misdrijf thans verzwarende omstandigheden zijn geworden is niet relevant. Wel zal, opdat deze feiten thans als misdrijf kunnen worden aangehouden, dienen te worden onderzocht of de thans als verzwarende omstandigheden voorziene feiten van het misbruik maken van de bijzonder kwetsbare situatie waarin een persoon verkeert ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand of ten gevolge van zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid, bewezen zijn. Nu de nieuwe wet deze feiten zwaarder straft, dient de oude wet te worden toegepast wat de bestraffing betreft. Schuldvraag.
  6. De feiten van menshandel werden allen ten laatste op 16 maart 2004 gepleegd, en dus voor de nieuwe Wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de versterking van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers. Er dient dus te worden onderzocht of de betrokken in de tenlasteleggingen genoemde slachtoffers in een bijzonder kwetsbare positie verkeerden ten gevolge van hun onwettige of precaire administratieve toestand of ten gevolge van zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid. Thans is in de gewijzigde wetgeving die van dit constitutief element een verzwarende omstandigheid heeft gemaakt, woordelijk toegevoegd dat die kwetsbare positie zodanig moet zijn dat de betrokken persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze had dan zich te laten misbruiken. Ook voor de toepassing van de oude wetgeving en dus ter beoordeling van het bestaan van het misdrijf mensenhandel werd een vrijheidsbeperking als beoordelingselement van de bijzonder precaire toestand aanvaard: de betrokken slachtoffers moesten met andere woorden feitelijk in hun mogelijkheden anders te kiezen beperkt zijn door een kwetsbare situatie waarin ze zich bevonden tengevolge van hun onwettige of precaire administratieve toestand of ten gevolge van zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid. Met betrekking tot de in de tenlasteleggingen H.3, J, N en P genoemde slachtoffers kan dit onmogelijk worden nagegaan. Ze werden immers niet geïdentificeerd. Met betrekking tot de andere betreffende tenlasteleggingen kan wel worden nagegaan of betrokken nominatim genoemde personen in een bijzonder kwetsbare positie verkeerden ten gevolge van hun onwettige of precaire administratieve toestand of ten gevolge van zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid. Het staat vast dat er geen sprake is van zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid. Er is dan ook geen bijzonder kwetsbare positie bewezen als gevolg hiervan. Rest enkel nog een eventuele onwettige of precaire administratieve toestand. Uit de verklaringen van de meeste slachtoffers kan nauwelijks een bijzonder kwetsbare positie waarin zij zich zouden hebben bevonden, worden afgeleid (verklaringen van: A. G., die bevestigt met kennis van zaken en gewild te hebben gekozen om naar België te komen en er zich te prostitueren: stukken 2333-2340 strafdossier; I. S., stukken 1461-1463 strafdossier; Z. H., stukken 1467-1469 strafdossier; K. S., stukken 1472-1473 strafdossier; verklaring A. O. stukken 1476-1478 strafdossier; R. R., stukken 1482-1484 strafdossier; G. P., stukken 1488-1489; P. B., stuk 1493-1494 strafdossier; C. V., stukken 1498-1500; I. G., stukken 1505-1511 strafdossier; H. S., strafdossier 1513-1511; Z. P., stuk 228 strafdossier; A. Z., stuk 233 strafdossier; E. K., stukken 3161-3167 strafdossier). Dat zij een groot deel van de ontvangsten uit hun prostitutie dienden af te staan was voor hen nauwelijks een probleem. Zij hielden er nog steeds een naar hun maatstaven hoog inkomen aan over, dat in elk geval afdoende was om in hun bestaan behoorlijk te voorzien. Het feit dat zij tot 75% van de ontvangsten diende af te staan, beperkte hun vrijheid van handelen niet zodanig dat zij daardoor werden genoodzaakt te kiezen voor de prostitutie. Hun verklaringen worden, wat hun eventuele bijzonder kwetsbare positie betreft, niet tegengesproken door het verdere onderzoek. Een aantal slachtoffers is weliswaar afkomstig uit twee Roemeense weeshuizen, die evenwel alleen normaal intelligente jongens of meisjes huisvesten en die in een nazorg voorzien. Bij het ene weeshuis konden de meerderjarigen naar een verblijfplaats of naar een werkplaats en in het andere worden ze niet aan hun lot overgelaten. Geen verder onderzoek naar deze door de verbalisanten gedane vaststellingen is tussengekomen. Het feit dat uiteraard de meisjes uit de weeshuizen zich aangetrokken voelen tot de hoge verdiensten die zij kunnen realiseren door zich te prostitueren, brengt hen daarom nog niet in een bijzondere kwetsbare positie (rogatoire commissie naar Roemenië stukken 3052-3055 strafdossier). Zij vormen enkel, zoals vele van hun leeftijdsgenoten, een kwetsbare groep in de samenleving. Verder is in hun land van herkomst geen sprake van een onwettige of precaire administratieve toestand. Voor velen van hen was er bovendien geen onwettig verblijf in België. Zij werden minstens niet uitgewezen (onder meer Z. H., stuk 1470 strafdossier; K. S., stuk 1474 strafdossier; R. R., stuk 1486 strafdossier; G. P., stuk 1491; P. B., stuk 1496 strafdossier; C. V., stuk 1501 strafdossier; I. G., stuk 1509 strafdossier). Overigens kon de eventuele precaire verblijftoestand in België hen er niet van weerhouden naar Roemenië terug te keren. Sommigen zijn bovendien na afloop van hun toeristenvisum teruggekeerd naar Roemenië, en vervolgens teruggekomen. Het is evenmin bewezen dat de identiteitspapieren van de betrokken meisjes werden afgenomen (cfr. onder meer de vaststellingen van de verbalisanten op 21 juni 2003, stukken 223-225). Het gebrek aan sociale bescherming is eerder gerelateerd aan de door hen uitgeoefende prostitutie, waartoe zij niet echt werden gedwongen. Deze precaire administratieve toestand ingevolge de door hen uitgeoefende prostitutie, heeft hen niet in een bijzonder kwetsbare positie gebracht. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2008:ARR.20081217.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.