← België

ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090318.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 18 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090318.10 Rolnummer: 2008AR128 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-01-28 Raadplegingen: 181 - laatst gezien 2026-07-02 19:25 Fiche Artikel 1385 B.W. roept een wettelijk en onweerlegbaar vermoeden van schuld in het leven voor de autonome daad van het dier, dat schade heeft veroorzaakt en welke schuld aan de eigenaar of de bewaarder van dat dier wordt aangerekend. Om als bewaarder van een dier aansprakelijk te worden gesteld voor de door dat dier veroorzaakte schade is het voldoende dat de bewaarder, op het ogenblik van het schadetoebrengend feit, het meesterschap over het dier had, wat inhoudt dat hij de macht had om, zonder inmenging van de eigenaar, het dier te leiden en toezicht erover uit te oefenen, en dat hij dezelfde macht had als de eigenaar om het dier te gebruiken. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Dieren Vrije woorden: Buitencontractuele aansprakelijkheid - 1385 B.W. - dieren - meesterschap over het dier Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2008/AR/128 KBC-Verzekeringen NV, met maatschappelijke zetel te 3000 LEUVEN, Waaistraat 6, KBO-nummer 0403.552.563, appellante, vertegenwoordigd door Mr. LENAERTS Mit, advocaat te 3730 HOESELT, Tommenstraat 16 tegen het vonnis gewezen op 18 september 2007 door de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren tegen H.F., ... geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. Y. HOFMANS loco Mr. SCHIEPERS Piet en loco Mr. VANORMELINGEN Berthe, advocaten te 3700 TONGEREN, Henisstraat 15 ***

  1. Wat voorafgaat. 1.
  2. Op 23 december 2005 zijn H.F. enerzijds en NV KBC Verzekeringen anderzijds vrijwillig verschenen voor de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren. Mevrouw H.F. zet als haar versie uiteen dat zij op 15 juli 2005 omstreeks 15u20 gestampt werd door het paard van J.P., verzekerde van NV KBC Verzekeringen, en dat dit gebeurde bij het binnenbrengen van het paard in de paardenbox. Zij voert aan dat zij daarbij verwond werd in het aangezicht. Zij voert aan dat op dat ogenblik haar paarden normaal buiten dienden te staan en dat zij zich genoodzaakt zag, omdat niemand aanwezig was, zelf het paard van J.P. binnen te brengen in de box, alvorens haar eigen paard te kunnen berijden. Zij voert aan dat zij op het ogenblik van het schadegeval geenszins het meesterschap van het paard van de verzekerde van NV KBC Verzekeringen had. Zij voert aan dat J.P., de verzekerde van NV KBC Verzekeringen, voor haar schade aansprakelijk is op grond van artikel 1385 burgerlijk wetboek. Zij vordert een provisionele schadevergoeding van euro 500 en het bevelen van een onderzoeksmaatregel van deskundigenonderzoek met aanstelling van een geneesheer-deskundige. NV KBC Verzekeringen zet uiteen dat zij de aansprakelijkheidsverzekeraar buiten overeenkomst is van J.P., de eigenaar van het paard "Try Out", dat de schadeverwekkende daad stelde. Zij voert aan dat op de boerderij van de ouders van haar verzekerde vijf paarden op stal staan, 2 van J.P. zelf en 3 van de familie F. Zij voert aan dat haar verzekerde, eigenaar van het schadeverwekkend dier, op het ogenblik van het schadegeval het meesterschap over het dier niet had en dat geïntimeerde zelf het meesterschap over het dier had op het ogenblik van de schadeverwekkende daad van het dier. 1.
  3. In het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 18 september 2007 verklaart de eerste rechter de eis van H.F. gegrond door NV KBC Verzekeringen te veroordelen tot betaling van een provisionele schadevergoeding van euro 500 en door het bevelen van een onderzoeksmaatregel van deskundigenonderzoek met aanstelling van dokter Dessers. De eerste rechter oordeelt dat de derde niet-eigenaar van het dier slechts als bewaarder kan beschouwd worden als de eigenaar het volledige meesterschap over het dier werkelijk aan de derde heeft overgedragen. De eerste rechter oordeelt dat de loutere feitelijke macht die iemand over het dier heeft onvoldoende is om deze als bewaarder van het dier te beschouwen, en hij oordeelt dat H.F. niet over een niet-ondergeschikte bevoegdheid van leiding en toezicht beschikte. De eerste rechter oordeelt dat het feit dat er tussen partijen zou zijn afgesproken dat H.F. de paarden van de verzekerde van NV KBC Verzekeringen op stal diende te zetten wanneer zij haar paarden wou laten grazen en berijden, niet betekent dat de verzekerde van NV KBC Verzekeringen hierdoor het meesterschap over zijn paarden aan H.F. had overgedragen.
  4. Met een verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit Hof op 15 januari 2008 heeft NV KBC Verzekeringen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 18 september
  5. Het hoger beroep is gericht tegen H.F., hierna geheten geïntimeerde.
  6. De eisen in hoger beroep. 3.
  7. NV KBC Verzekeringen, hierna geheten appellante, vraagt om bij hervorming van het beroepen vonnis de eis van H.F., hierna geheten geïntimeerde, ongegrond te verklaren en haar te verwijzen in de kosten. Appellante vraagt in ondergeschikte orde de toelating met alle middelen van recht getuigen inbegrepen te bewijzen dat geïntimeerde haar paarden sedert vijf jaren stalt bij de verzekerde van appellante, dat zij soms ook de paarden van de verzekerde van appellante verzorgt, dat er een vaste afspraak is, van in het begin, dat wanneer geïntimeerde haar paard op de weide zet, ze eerst de paarden van de verzekerde van appellante op stal moet zetten, omdat het niet lukt met de paarden samen in de wei, en dat ze dit aldus zeer regelmatig doet. 3.
  8. Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.
  9. Ten aanzien van de toelaatbaarheid van het hoger beroep. Geïntimeerde betwist de toelaatbaarheid van het hoger beroep van appellante niet. Het Hof bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties van ontoelaatbaarheid. Het beroepen vonnis werd niet betekend.
  10. Nieuwe beoordeling van de vraag of de toepassingsvoorwaarden van artikel 1385 burgerlijk wetboek vervuld zijn voor de aansprakelijkheid van de verzekerde van appellante voor de schade in hoofde van geïntimeerde door de daad van het paard, waarvan hij eigenaar is. 5.
  11. Appellante is gegriefd doordat de eerste rechter niet heeft geoordeeld dat geïntimeerde als bewaarder van het dier zelf aansprakelijk is voor de door het dier veroorzaakte schade, nu op het ogenblik van het schadetoebrengend feit, volgens appellante, geïntimeerde het meesterschap over het dier had. De verzekerde van appellante betwist niet de eigenaar te zijn van het dier, dat de schade heeft veroorzaakt bij geïntimeerde. Het is niet betwist dat de verzekerde van appellante in het buitenland was op het ogenblik van de schadeverwekkende daad. Het is niet betwist dat de schadeverwekkende daad van het dier gebeurde op het ogenblik dat geïntimeerde het paard "Try out" vanuit de weide naar de paardenbox van "Try out" bracht, omdat zij zelf met haar eigen paard, dat op dezelfde boerderij gestald was, wou gaan rijden in die weide. 5.
  12. Artikel 1385 van het burgerlijk wetboek roept een wettelijk en onweerlegbaar vermoeden van schuld in het leven voor de autonome daad van het dier, dat schade heeft veroorzaakt en welke schuld aan de eigenaar of de bewaarder van dat dier wordt aangerekend. Om als bewaarder van een dier aansprakelijk te worden gesteld voor de door dat dier veroorzaakte schade is het voldoende dat de bewaarder, op het ogenblik van het schadetoebrengend feit, het meesterschap over het dier had, wat inhoudt dat hij de macht had om, zonder inmenging van de eigenaar, het dier te leiden en toezicht erover uit te oefenen, en dat hij dezelfde macht had als de eigenaar om het dier te gebruiken. 5.
  13. Het Hof oordeelt in de feiten dat geïntimeerde op het ogenblik van het schadetoebrengend feit de niet ondergeschikte macht had om, zonder inmenging van de eigenaar, het dier te leiden en toezicht erover uit te oefenen. Immers geïntimeerde heeft in de feiten op 15 juli 2004 het dier "Try out", zonder inmenging van de eigenaar, van uit de weide naar de paardenbox van het paard "Try out" geleid en heeft er toezicht over uitgeoefend en zij beschikte op het ogenblik van het schadetoebrengend feit over dezelfde macht als de eigenaar om te beslissen dat het dier zich op dat ogenblik moest verplaatsen van de weide naar de paardenbox. Zij besliste aldus over het gebruik van het dier op het ogenblik van het schadeverwekkende feit. Geïntimeerde besliste op 15 juli 2004 op het ogenblik van het schadetoebrengend feit zelf op welk ogenblik het paard "Try Out" van de weide naar de paardenbox moest terugkeren. Dat was louter afhankelijk van haar beslissing om haar paard in de weide te gaan berijden. De eigenaar van het dier was op het ogenblik van het schadetoebrengend feit onbetwist in het buitenland. Hij had het volledige meesterschap over het paard "Try out" op het ogenblik van het schadetoebrengend feit werkelijk aan geïntimeerde overgedragen. Het Hof oordeelt dat geïntimeerde op het ogenblik van het schadetoebrengend feit het meesterschap over het dier had. Het ging niet om een toevallige feitelijke detentie door geïntimeerde over het paard "Try Out". Het is geïntimeerde die op 15 juli 2004 besliste om haar paard in de weide te berijden en om dienvolgens het paard "Try out", eigendom van de verzekerde van appellante, uit de weide te halen en het naar zijn paardenbox te brengen. De verklaring van mevrouw E.T., die geen partij is in deze zaak, bevestigt de visie van appellante dat geïntimeerde niet de toevallige detentie had van het paard "Try out". Het paard van geïntimeerde is gestald op dezelfde boerderij. Het is niet betwist dat er niet meer dan vijf paarden gestald zijn, drie van de familie van geïntimeerde en twee van de verzekerde van appellante. Het is niet betwist dat die toestand vijf jaar bestond. Ook die concrete omstandigheden tonen aan dat het hier niet om een toevallige detentie gaat, maar om een niet ondergeschikte bevoegdheid van geïntimeerde om het paard "Try out" naar zijn box te brengen, wanneer geïntimeerde haar paard wil gaan berijden in de weide en om het paard "Try out" terug in de weide te brengen, wanneer het paard van geïntimeerde terug in de paardenbox staat. Het hoger beroep van appellante is gegrond.
  14. Ten aanzien van de gedingkosten. Het Hof verwijst geïntimeerde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide aanleggen aan de zijde van appellante. Appellante heeft zich dienen te verweren op een in geld waardeerbare vordering ten bedrage van euro 500, zijnde een bedrag tussen euro 250,01 en euro 750, zodat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep zoals gevorderd euro 200 bedraagt. OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni
  15. Verklaart het hoger beroep van appellante toelaatbaar en gegrond. Het beroepen vonnis hervormend. Verklaart de eis van geïntimeerde tegen appellante ongegrond. Verwijst geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen aan de zijde van appellante. Vereffent de kosten van beide aanleggen aan de zijde van appellante op: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: euro 364,40 - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: euro
  16. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 18 maart
  17. waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. VAN HAELST Raadsheer I. COUWENBERG Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS I. COUWENBERG K. VAN HAELST F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090318.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.