id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 19 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090319.13 Rolnummer: 1291 P 2008 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-04-24 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-07-02 19:26 Fiche Artikel 29 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis is slechts van toepassing op de voor het onderzoek vereiste oproepingen en betekeningen en geldt dus tot het einde van het gerechtelijke onderzoek UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Verzet (strafrecht) - Algemeen STRAFRECHT - BEVOEGDHEID - RECHTSPLEGING - RECHTSMIDDELEN STRAFGERECHTEN - Correctionele rechtbank - Verzet (strafrecht) - Rechtspleging STRAFRECHT - VOORLOPIGE HECHTENIS - Algemeen (voorlopige hechtenis) Vrije woorden: adres kennisgeving adreswijziging inschrijving betekening dagvaarding verstek verstek niet te wijten aan beklaagde borgsom teruggave borgsom Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - 29 Tekst van de beslissing 3.
- Beklaagde heeft verstek laten gaan ter zitting van de correctionele rechtbank te Antwerpen d.d. 15 november 2007 (stuk 525). In de dagvaarding houdende dagstelling tot deze zitting (cf. stuk 518) en in de eindvordering van de procureur des Konings die heeft geleid tot de verwijzingsbeschikking van de raadkamer (stukken 508-514), was beklaagde verkeerdelijk vermeld als "***AL" in plaats van "***AT". Bijgevolg kon de gerechtsdeurwaarder beklaagde niet terugvinden in het Rijksregister. Beklaagde werd dienvolgens gedagvaard op het adres A*straat * te 1090 Jette . Dit adres maakte het voorwerp uit van zijn adreskeuze d.d. 1 juni 2004, nadat hij bij beschikking van de raadkamer d.d. 28 mei 2004 in vrijheid was gesteld tegen de betaling van een borgsom van 2.500,00 euro (stuk 86 bundel voorlopige hechtenis beklaagde). 3.
- In het verstekvonnis d.d. 13 december 2007 werd de schrijfwijze van de naam van beklaagde rechtgezet, waarop de gerechtsdeurwaarder op 8 mei 2008 is overgegaan tot de betekening van het verstekvonnis op het adres 1070 Anderlecht, B*straat *, waar beklaagde op dat moment was ingeschreven (stuk 3 procedurebundel eerste aanleg). Vervolgens heeft beklaagde op 22 mei 2008, vanuit dat adres, verzet aangetekend. 3.
- Blijkens het thans door beklaagde bijgebrachte stuk was hij vanaf 5 april 2006 ingeschreven te Etterbeek, G*laan * en vanaf 30 juli 2007 te Anderlecht, B*straat *. Sinds 6 november 2008 is hij ingeschreven te Schaarbeek, C*straat *. Beklaagde heeft zijn adreswijzigingen na zijn invrijheidsstelling niet ter kennis gebracht van het openbaar ministerie. 3.
- Artikel 29 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis bepaalt dat de voorlopig in vrijheid gestelde persoon moet aangeven op welk adres hem nadien de voor het onderzoek vereiste oproepingen en betekeningen kunnen worden gedaan. Tot op het ogenblik dat hij per aangetekende brief aan het openbaar ministerie een wijzigingsbericht doet geworden, worden de oproepingen en betekeningen geldig op die plaats gedaan. 3.
- Deze bepaling is echter slechts van toepassing op de voor het onderzoek vereiste oproepingen en betekeningen en geldt dus slechts tot het einde van het gerechtelijk onderzoek, meer bepaald tot de definitieve regeling van de rechtspleging door het onderzoeksgerecht. Voor de oproepingen en betekeningen die nadien gebeuren, waaronder de dagstelling voor de correctionele rechtbank na verwijzing, dienen de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek te worden gevolgd (zie ook Parl. St. Senaat, verslag, nr. 658 - 2 (1988-1989), 104-105), ten deze inzonderheid de artikelen 32, 33, 35, 36 en
- 3.
- Door de verkeerde spelling van de naam van beklaagde kon de gerechtsdeurwaarder niet voldoen aan de toepasselijke bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, zodat beklaagde niet rechtsgeldig werd gedagvaard tegen de zitting van 15 november
- Bijgevolg is het verstek van beklaagde op die zitting niet aan hem te wijten en had hij ook een wettige reden van verschoning voor zijn afwezigheid, in de zin van artikel 35 § 4, vijfde lid, Wet Voorlopige Hechtenis. Beklaagde is verder op alle proceshandelingen verschenen, zodat er geen aanleiding bestaat om de borgsom toe te wijzen aan de Staat. 3.
- Vermits beklaagde slechts veroordeeld wordt tot een hoofdgevangenisstraf met uitstel, de ondergane voorlopige hechtenis uitgezonderd, is zijn vordering tot teruggave van de borgsom gegrond (art. 35 § 4, vierde lid, Wet Voorlopige Hechtenis). Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.