id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090325.15 Rolnummer: 2007AR1653 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-01-28 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-02 19:27 Fiche
- De machtiging door de verzekerde aan zijn behandelende geneesheren gegeven om verklaringen af te leggen aan de raadgevende geneesheer van de verzekeraar betreft alleen de oorzaken van zijn overlijden en is niet ter zake dienend. Aan dit contractueel beding komt geen ruimere toepassing toe wegens het art. 95 WLVO. Deze wetsbepaling is van dwingend recht (art. 3 WLVO). Het attest van Dr. F.B. werd niet aan de verzekerde zelf afgegeven en wordt gezien het overlijden van de verzekerde, met zekerheid ook niet op haar verzoek, noch door een arts van haar keuze opgesteld. Het attest van Dr. F.B. wordt buiten het debat gehouden wegens schending van het medisch beroepsgeheim.
- Krachtens art. 121, 1ste lid WLVO heeft de begunstigde recht op de verzekeringsprestatie door het enkele feit van zijn aanwijzing als begunstigde. Dit recht wordt krachtens art. 121, 2de lid WLVO onherroepelijk door de aanvaarding van de begunstiging. Zolang de begunstiging niet is aanvaard, is ze herroepelijk. Het is niet ongebruikelijk dat, niettegenstaande de beoogde regeling in het voordeel van de hypothecaire schuldeiser, toch de begunstiging bij overlijden van de verzekeringnemer bedongen wordt in het voordeel van degene die bij dit overlijden de volle eigendom of het vruchtgebruik van de gehypothekeerde woning zullen verwerven, of ten gunste van de bloedverwanten tot de tweede graad. Bij dergelijke regeling wordt gewoonlijk rekening gehouden met het behoud door de verzekeringnemer van de fiscale voordelen van het langetermijnsparen (art. 145/4 W.I.B.). UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Landverzekering - Landverzekeringscontract in het algemeen Vrije woorden: Verzekeringen
- mededelingsplicht - medisch geheim
- beroepbaarheid begunstiging - fiscaal motief Nota: Art. 5 en 6 WLVO Art. 3 en 95 WLVO Art. 121 WLVO Art. 145/4 WIB Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: In zake: 2007/AR/1653 ZA VERZEKERINGEN NV, met maatschappelijke zetel te 2020 ANTWERPEN, Jan van Rijswijcklaan 162, KBO-nummer 0441.970.996 appellante, vertegenwoordigd door Mr. D. VERLINDEN loco Mr. BEYENS Dirk, advocaat te 2610 WILRIJK (ANTWERPEN), Jules Moretuslei 374-376 tegen het vonnis gewezen op 03 april 2007 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tegen
- P.P., ...,
- A.B., ... geïntimeerden, beiden vertegenwoordigd door Mr. Jeroen WASTEELS loco Mr. GRAULICH Henri, advocaat te 7800 ATH, Square Saint-Julien 19 ***
- Wat voorafgaat. 1.
- In een dagvaarding om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen hebben P.P. en A.B. ten aanzien van de n.v. ZA Verzekeringen uiteengezet dat zij de ouders zijn van L.P., ab intestato overleden te Ath op 07/07/
- Zij hebben voorgehouden dat de overledene krachtens een akte van opening van een hypothecair krediet van 04/03/2003 een hypothecaire lening had aangegaan bij de bvba Record (n.v. Record Bank). De lening beliep de som van euro 39
- Aan deze lening was een schuldsaldoverzekering verbonden, op 29/04/2003 onderschreven bij de n.v. ZA Verzekeringen (polisnr. 54671). Zij zegden dat zij conform die polis de begunstigden in eerste rang waren. ZA Verzekeringen zou echter de waarborg van de verzekering geweigerd hebben met toepassing van art. 6 Wet op de landverzekeringsovereenkomst omdat zij de nietigheid van de polis voorhield op grond van een opzettelijke verzwijging vanwege L.P. bij het sluiten van het contract in verband met haar gezondheidstoestand. Het blijkt dat L.P. overleed ten gevolge van een hersentumor. P.P. en A.B. hielden voor dat hun dochter bij de contractsluiting onwetend was van de ernstige ziekte die haar zou treffen, en dat er geen sprake was van enige verzwijging m.b.t. haar gezondheidstoestand. De hypotheekmaatschappij Record Bank zou dan ten laste van de aanleggers terugbetaling geëist hebben van de hypothecaire lening en zou de gedwongen uitvoering hebben aangevat. P.P. en A.B. vorderden de veroordeling van de n.v. ZA Verzekeringen tot betaling van de verzekeringswaarborg ten belope van het nog verschuldigd saldo op de hypothecaire lening, provisioneel begroot op euro 1 000 en tot de betaling van een schadevergoeding van euro 2
- In de loop van het geding hebben zij hun eis wat de gevorderde verzekeringswaarborg betreft uitgebreid tot het ontleend kapitaal van euro 39 500, provisioneel. Zij vorderden dan in hoofdorde dat ZA Verzekeringen zou veroordeeld worden tot de betaling van het saldo van de hypothecaire lening aan Record Bank en ondergeschikt tot de betaling aan hen van de voormelde som. 1.
- De gedaagde n.v. ZA Verzekeringen heeft zich verweerd door aan te voeren dat de polis werd overgedragen aan de nv Record Bank en de aanleggers derhalve niet meer konden vorderen op grond van hun begunstiging. ZA Verzekeringen liet eveneens gelden dat de polis nietig was wegens de opzettelijke verzwijging bij de contractsluiting door L.P. m.b.t. haar gezondheidstoestand. Volgens ZA Verzekeringen was de diagnose van de hersentumor alsdan reeds gesteld. 1.
- Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 03/04/2007 heeft de oorspronkelijke eis van P.P. en van A.B. gedeeltelijk gegrond verklaard door de n.v. ZA Verzekeringen te veroordelen tot de betaling aan laatstgenoemden van de som van euro 36 635,73, vermeerderd met de gerechtelijke interesten vanaf 30/03/2006 en met de kosten van het geding. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Der eerste rechter oordeelde dat P.P. en A.B. volgens de polis in de rangorde van de begunstigden voorrang hadden op de Record Bank en dat het feit dat de Record Bank de begunstiging uitdrukkelijk had aanvaard, terwijl dit niet het geval was aan de zijde van P.P. en A.B., er niet aan in de weg stond dat deze laatsten met voorrang aanspraak konden maken op de begunstiging vermits de overledene hun begunstiging nooit had herroepen. De eerste rechter oordeelde eveneens dat ZA Verzekeringen niet aantoonde dat wijlen L.P. bij het aangaan van de verzekering wist dat ze een hersentumor had, of daarvan reeds op de hoogte kon of moest zijn. De opzettelijke verzwijging werd derhalve niet bewezen geacht. Volgens de eerste rechter konden de aanleggers niet de veroordeling vorderen van ZA Verzekeringen tot de betaling aan de Record Bank van het saldo van de hypothecaire lening maar hadden ze wel recht op de verzekeringswaarborg zoals herleid met toepassing van de polisvoorwaarden ( euro 36 635,73). De bijkomende schadevergoeding werd door de eerste rechter afgewezen bij gebrek van een oorzakelijk verband tussen de schade ten gevolge van de wanbetaling tegenover de Record Bank en de houding die ZA Verzekeringen m.b.t. de uitkering van de verzekeringswaarborg aannam. 1.
- De n.v. ZA Verzekeringen, hierna appellante genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 05/06/
- De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 10/02/
- De eisen in hoger beroep. 2.
- Appellante vordert dat de oorspronkelijke eis van P.P. en van A.B. bij hervorming van het beroepen vonnis ontoelaatbaar, minstens ongegrond zou worden verklaard en dat zij zouden worden verwezen in de kosten van beide aanleggen. 2.
- P.P. en A.B., hierna geïntimeerden genoemd, verzoeken het hoger beroep van appellante ongegrond te verklaren en het beroepen vonnis te bevestigen. Zij vragen appellante te verwijzen in de kosten van hoger beroep.
- De beoordeling. De toelaatbaarheid van de eis van geïntimeerden. 3.
- Appellante verzoekt de eis van geïntimeerden bij hervorming van het beroepen vonnis ontoelaatbaar te verklaren. Tot steun van dit verweer haalt appellante aan dat geïntimeerden, volgens haar, geen begunstigden waren van de verzekeringsovereenkomst waarvan zij de nakoming vorderen. Zij houdt voor dat Record Bank op het tijdstip dat het verzekerd risico zich voltrok door het overlijden van de verzekerde, nog de enige begunstigde was. Daardoor ontbeerden geïntimeerden, nog steeds volgens appellante, het vereiste belang en de hoedanigheid om hun eis in te dienen. Zij besluit tot de ontoelaatbaarheid van die eis. De eerste rechter verklaarde de eis van geïntimeerden toelaatbaar. Geïntimeerden scharen zich achter deze beslissing. 3.
- Geïntimeerden hebben in de inleidende dagvaarding van 30/03/2006 voorgehouden dat zij als ouders de begunstigden in eerste rang waren van een schuldsaldoverzekering, die bestond tussen appellante en hun op 07/07/2004 overleden dochter L.P.. Zij voerden aan gerechtigd te zijn op de verzekeringsprestatie van appellante. Door die bewoordingen hebben geïntimeerden aangevoerd de titularis te zijn van een subjectief recht. De procespartij die voorhoudt persoonlijk titularis te zijn van een subjectief recht, heeft de hoedanigheid en het belang om haar eis in te dienen, ook al wordt het recht, waarop haar vordering steunt, betwist. Het onderzoek naar het bestaan en de omvang van het beweerde subjectief recht behoort tot de grond van de zaak. De geldigheid, dan wel de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst. 3.
- Het is niet betwist dat L.P. en appellante een verzekeringsovereenkomst "Hypo Cover ¨plus" nr. 54671 sloten. De desbetreffende onderhandse akte is gedagtekend op 29/04/
- Het betrof een schuldsaldoverzekering m.b.t. een hypothecaire lening van euro 39 200, die L.P. had aangegaan bij de Record Bank. Appellante heeft de verzekeringsprestatie, die eisbaar was geworden door het overlijden van L.P. op 0707/2004, geweigerd op grond van de beweerde nietigheid van de polis. Zij wreef L.P. opzettelijke verzwijging bij de contractsluiting aan in de zin van art. 5 en 6 Wet op de landverzekeringsovereenkomst en art. 3 van de algemene verzekeringsvoorwaarden. Volgens appellante werd bij L.P. op 01/04/2003 een hersentumor gediagnosticeerd en heeft betrokkene dit gegeven bij de contractsluiting verzwegen, niettegenstaande ze redelijkerwijze moest weten dat het van invloed kon zijn om de beoordeling van het risico door de verzekeraar. Met toepassing van art. 1315, 2de lid van het Burgerlijk Wetboek draagt appellante de bewijslast van de beweringen, die haar zouden bevrijden van haar verbintenis. De eerste rechter oordeelde dat appellante het vereiste bewijs niet leverde. Appellante is hierdoor gegriefd. Zij legt het hierna besproken aanvullend bewijsmateriaal voor. 3.
- Appellante brengt in hoger beroep volgende bijkomende bewijsstukken voor: - een attest van het La Madeleine-ziekenhuis te Ath van 16/09/2004, - een attest van oncoloog Dr. F. B. van 17/01/
- Geïntimeerden verzoeken het attest van Dr. F. B. uit de debatten te verwijderen wegens de schending van het medisch beroepsgeheim. Zij voeren bovendien aan dat het attest niet het door appellante verhoopte bewijs levert. 3.
- De informatie die Dr. F. B. in het attest van 17/01/2005 heeft verstrekt, slaat op de gezondheidstoestand van wijlen L.P. en is door deze arts verworven toen betrokkene hem raadpleegde en bij hem in behandeling was. Deze informatie valt dan ook in de regel onder het medisch beroepsgeheim. Appellante laat evenwel gelden dat de betrokkene L.P. de arts in kwestie zou hebben bevrijd van zijn geheimhoudingsplicht door middel van een door betrokkene ondertekende verklaring in het verzekeringsvoorstel van 04/04/2003, die luidt als volgt: "... (in vrije vertaling door het Hof) Ik verbind mij aan mijn behandelende geneesheren alle inlichtingen te vragen over mijn gezondheidstoestand, noodzakelijk voor het sluiten en het uitvoeren van de overeenkomst, en deze mede te delen aan de raadgevende geneesheer van ZA Verzekeringen. Ik machtig mijn behandelende geneesheren verklaringen af te leggen aan de raadgevende geneesheer van de verzekeraar wat de oorzaken van mijn eventueel overlijden betreft. Ik stem uitdrukkelijk in met de verwerking van de gegevens betreffende mijn gezondheid door de raadgevende geneesheer van ZA Verzekeringen, en door de dossierbeheerders, die tussenkomen in het raam van dit contract wanneer deze verwerking nodig is voor de aanvaarding, het beheer en de uitvoering van het contract. Deze verwerking is toegelaten door de wet van 08/12/1992, met betrekking tot de bescherming van de private levenssfeer." Geïntimeerden hebben niet betwist dat deze clausule deel uitmaakte van de verzekeringsovereenkomst in kwestie. Uit het voormelde beding blijkt alleen dat de verzekerde zich verbond om de omschreven informatie aan zijn behandelende artsen te vragen en om deze gegevens dan over te maken aan de raadgevende geneesheer van de verzekeraar. Deze werkwijze stemt grotendeels overeen met art. 95, 1ste en 2de lid Wet op de landverzekeringsovereenkomst. De machtiging door de verzekerde aan zijn behandelende geneesheren gegeven om verklaringen af te leggen aan de raadgevende geneesheer van de verzekeraar betreft alleen de oorzaken van zijn overlijden en is niet ter zake dienend. Het attest van Dr. F. B. werd niet aan de verzekerde zelf afgegeven en wordt gezien het overlijden van de verzekerde, met zekerheid ook niet op haar verzoek noch door een arts van haar keuze opgesteld. Het attest werd immers meer bepaald na het overlijden van de verzekerde op uitsluitend verzoek van de verzekeraar, niet aan haar raadgevend geneesheer maar aan haar zelf afgegeven. Aan dit contractueel beding komt geen ruimere toepassing toe wegens het art. 95 Wet op de landverzekeringsovereenkomst. Deze wetsbepaling is van dwingend recht (art. 3 Wet op de landverzekeringsovereenkomst) en wordt door geïntimeerden weliswaar impliciet doch zonder twijfel ingeroepen door de schending van het medisch beroepsgeheim ten aanzien van de verklaring van Dr. F. B. aan te voeren. Het Hof beslist het attest van Dr. F. B. buiten het debat te houden wegens schending van het medisch beroepsgeheim. 3.
- Het attest van het Madeleine-hospitaal te Ath van 16/09/2004 wijst op een ziekenhuisopname van L.P.van 09/04/2003 tot 15/04/
- Uit dit attest blijkt niet om welke reden de ziekenhuisopname geschiedde. Het is dan ook niet aangetoond dat er enig verband bestaat tussen deze opname en de ziekte die later tot het overlijden van de verzekerde zou leiden zodat het feit van die ziekenhuisopname niet bewijst dat betrokkene toen reeds aan die aandoening leed, noch dat ze wist of redelijkerwijze moest weten dat ze hieraan leed. Door die opname wordt evenmin bewezen dat betrokkene bij het invullen van de vragenlijst op 04/04/2003 reeds wist of redelijkerwijze moest weten dat ze op 09/04/2003 zou worden opgenomen in het ziekenhuis en dat ze wist of redelijkerwijze moest weten dat ze niet in goede gezondheid was. Het is bovendien ook niet aangetoond dat de (ongekende) reden van opname tot een verzwaring van het risico zou lijden, dat betrokkene dat wist of minstens redelijkerwijze moest weten. De opname geschiedde weliswaar na de invulling en de ondertekening door L.P. van het verzekeringsvoorstel doch vooraleer de polis tot stand kwam (verzekeringsaanbod van 29/04/2003). Het Hof besluit dat het voormelde attest niet leidt tot het bewijs van de door appellante beweerde opzettelijke verzwijging. 3.
- Het Hof stelt, met de eerste rechter vast, dat het feit dat L.P. op 07/07/2004 overleed ten gevolge van een hersentumor niet bewijst dat zij die aandoening reeds had of diende te weten dat ze die had toen zij het verzekeringsvoorstel invulde en ook niet op het tijdstip het sluiten van het verzekeringscontract. De door appellante beweerde opzettelijke verzwijging door L.P. in de zin van art. 6, § 1 Wet op de landverzekeringsovereenkomst en de voorgehouden nietigheid van de verzekeringsovereenkomst in kwestie blijven onbewezen. De aanspraak van geïntimeerden op de verzekeringsprestatie. 3.
- Appellante houdt voor dat enkel Record Bank als begunstigde van de polis aanspraak kon maken op de verzekeringsprestatie. In eerste aanleg werd geoordeeld dat ook geïntimeerden begunstigden van de polis waren en, gezien hun rangorde (1ste rang) aanspraak konden maken op de verzekeringsprestatie. Appellante betwist deze beoordeling en roept de overdracht van de begunstiging in het voordeel van Record Bank in. Geïntimeerden sluiten zich aan bij de beoordeling van de eerste rechter. 3.
- De onderhandse akte van 29/04/2003, inhoudende verzekeringsovereenkomst in kwestie (Hypo Cover Plus-polis nr. 54671 - annex 01/p.02), levert het afdoende bewijs van de begunstiging van volgende personen, vermeld volgens hun rangorde: "
- De ouders van de verzekeringnemer (noot van het Hof: dit zijn geïntimeerden)
- De wettelijke erfgenamen van de verzekeringnemer
- Record - Gent". Voormelde polis bevat in annex 01/p.03 een beding waarin de Record - Gent de begunstiging aanvaardt. Dit beding luidt in vrije vertaling van het Hof: "... Overeenkomstig het doel van huidige polis wordt de begunstiging afgestaan (in de vrije vertaling van appellante: overgedragen) aan RECORD - GENT, Wilsonplein 5/1, 9000 Gent, die deze aanvaardt als pand, ten belope van de bedragen die verschuldigd zijn op het ogenblik van het overlijden. De volgende bepaling wordt toegevoegd aan de algemene voorwaarden: in geval van niet-betaling van de bedragen die de verzekeringnemer nog verschuldigd is wegens de lening afgesloten bij de financiële instelling, die de schuldeiser-begunstigde is van huidige polis, geeft de verzekeringnemer onherroepelijk mandaat aan de financiële instelling om over te gaan tot afkoop van huidige polis, zonder enige tussenkomst en om de afkoopwaarde van de polis aan te wenden tot aanzuivering van alle bedragen die haar dan nog verschuldigd zouden zijn". Volgens appellante stemt deze clausule volledig overeen met de wil van L.P. die in het verzekeringsvoorstel de Record Bank reeds als enige begunstigde had aangewezen. In dat voorstel werden immers, eerst, de ouders van de verzekeringnemer als begunstigden aangewezen in het geval van overlijden van de verzekeringnemer, doch tegelijk werd er vermeld dat de begunstiging werd afgestaan of overgedragen aan Record ING. Volgens geïntimeerden doet deze clausule echter niet af aan de begunstiging die in hun voordeel bedongen was. 3.
- Krachtens art. 121, 1ste lid Wet op de landverzekeringsovereenkomst heeft de begunstigde recht op de verzekeringsprestatie door het enkele feit van zijn aanwijzing als begunstigde. Dit recht wordt krachtens art. 121, 2de lid Wet op de landverzekeringsovereenkomst onherroepelijk door de aanvaarding van de begunstiging. Het is niet betwist dat geïntimeerden niet zijn overgegaan tot de aanvaarding van de begunstiging vooraleer voormelde clausule met Record Bank werd bedongen. Geïntimeerden tonen slechts hun aanvaarding aan na de verwezenlijking van het verzekerd risico vanaf het ogenblik waarop zij aanspraak zijn gaan maken op de verzekeringsprestatie. Zolang de begunstiging niet is aanvaard, is ze herroepelijk. Volgens appellante is zo'n herroeping te dezen tussengekomen door de overdracht van de begunstiging in het voordeel van Record Bank. De verzekeringnemer kon zo geldig handelen zonder de instemming van geïntimeerden omdat zij hun begunstiging nog niet hadden aanvaard. De tegenwerpbaarheid van de voormelde clausule in annex 01/03 is door geïntimeerden niet betwist. Het kan niet betwijfeld worden dat de schuldsaldoverzekering werd gesloten om de terugbetaling aan de hypothecaire schuldeiser te verzekeren, o.m. in geval van wanbetaling of van overlijden van de verzekeringnemer. Dit doel werd, niettegenstaande de hypothecaire schuldeiser in de polis aanvankelijk slechts een begunstigde in derde rang was, toch bereikt door in het bijvoegsel de verzekering in pand te geven aan de hypothecaire schuldeiser en bovendien aan hem het recht van afkoop over te dragen. Het is niet ongebruikelijk dat, niettegenstaande de beoogde regeling in het voordeel van de hypothecaire schuldeiser, toch de begunstiging bij overlijden van de verzekeringnemer bedongen wordt in het voordeel van degene die bij dit overlijden de volle eigendom of het vruchtgebruik van de gehypothekeerde woning zullen verwerven, of ten gunste van de bloedverwanten tot de tweede graad. Het Hof merkt ten overvloede op dat bij dergelijke regeling gewoonlijk rekening wordt gehouden met het behoud door de verzekeringnemer van de fiscale voordelen van het langetermijnsparen (art. 145/4 W.I.B.). Het is, anders dan de eerste rechter aannam, dus niet onaannemelijk noch ongebruikelijk op dezelfde dag in een akte geïntimeerden te begunstigen en in een bijvoegsel van dezelfde dag de begunstiging ongedaan te maken in het voordeel van de hypothecaire schuldeiser. Kortom, appellante heeft aangetoond dat de begunstiging is afgestaan aan Record Bank, zodat geïntimeerden daar geen aanspraak meer op kunnen maken. Het hoger beroep van appellante komt gegrond voor. OM DIE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni
- Verklaart het hoger beroep van appellante n.v. ZA Verzekeringen toelaatbaar en gegrond. Wijzigt het beroepen vonnis. Verklaart de oorspronkelijke eis van P.P. en van A.B. ongegrond. Verwijst geïntimeerden in de proceskosten in beide aanleggen, aan de zijde van appellante vereffend op de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van euro 364,41, het rolrecht in hoger beroep van euro 186 en de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van euro 2
- Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van 25 maart
- waar aanwezig waren: F. PEETERS Voorzitter K. VAN HAELST Raadsheer I. COUWENBERG Raadsheer M. GIJSEMANS Griffier M. GIJSEMANS I. COUWENBERG K. VAN HAELST F. PEETERS PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090325.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.