← België

ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090326.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090326.1 Rolnummer: 1045 P 2008 Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2009-04-21 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-07-02 19:28 Fiche

  1. De strafrechter dient te oordelen over de aanhangig gemaakte feiten en kan zich niet onttrekken aan een beoordeling door een precisering door te voeren, die erin bestaat een deel van de feiten weg te laten.
  2. Het beoogde misdrijf is enkel ingevolge toevallige omstandigheden en bovendien onafhankelijk van de wil van beklaagde mislukt, en met name enerzijds, indien bewezen zou zijn dat H. E. M. niet aanwezig was op het ogenblik zelf van het schietincident, door de toevallige afwezigheid van laatstgenoemde en anderzijds doordat beklaagde, gelet op de concrete omstandigheden en zijn eigen bekwaamheden, er niet in geslaagd is doelmatig te schieten. Te dezen is er dan ook geenszins sprake van een absoluut ondeugdelijke poging door de absolute onmogelijkheid om het misdrijf te plegen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) - Rechtsweigering STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Poging Vrije woorden:
  3. Strafrecht - Aanhangig gemaakte feiten - Precisering - Rechtsweigering
  4. Strafrecht - Poging - Absoluut geen ondeugdelijke poging Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 51 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Nota: tegen dit arrest werd geen cassatieberoep aangetekend Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende, 26 maart 2009 te Antwerpen, veertiende kamer (...)
  5. De door de eerste rechter doorgevoerde heromschrijving dient niet te worden aangehouden. Uit het strafdossier blijkt genoegzaam dat H. E. M. als slachtoffer wordt genoemd, zodat het vaststaat dat de strafrechter van de feiten, zoals omschreven in de dagvaarding, is gevat. Op vordering van het Openbaar Ministerie om de door de eerste rechter doorgevoerde heromschrijving, die in werkelijkheid een precisering is, te bevestigen kan dan ook niet worden ingegaan. De strafrechter dient immers te oordelen over deze feiten en kan zich niet onttrekken aan een beoordeling door een precisering door te voeren, die erin bestaat een deel van de feiten weg te laten.
  6. De schuld van beklaagde aan het hem ten laste gelegde feit, zoals omschreven in de dagvaarding, is door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting bewezen gebleven. Beklaagde beweert dat H. E. M., die de mede-uitbater is van het betrokken café, tijdens het incident aldaar ook aanwezig was. Overigens verklaart beklaagde dat hij in dat café in het verleden cocaïne kocht van H. E. M. . Het is tevens bewezen dat hij samen met zijn broer naar het betrokken café is gegaan om H. E. M. "aan te pakken" en "slagen te geven", naar aanleiding van eerdere beledigingen door laatstgenoemde (cfr. stuk 208 van het strafdossier, verklaring van beklaagde). De verklaring van beklaagde dat hij niet geschoten heeft is volstrekt ongeloofwaardig, gelet op onder meer de resultaten van het sporenonderzoek. Het staat vast dat hij heeft geschoten en beoogde H. E. M. te treffen. Of laatstgenoemde al dan niet effectief aanwezig was op het ogenblik van het schietincident is weinig relevant: beklaagde heeft geschoten op een persoon, waarvan hij meende dat het H. E. M. was. Naar overigens laatstgenoemde zelf verklaarde was hij kort voor het incident zeker wel aanwezig en zou hij kortelings voor de feiten zijn vertrokken om sigaretten te gaan kopen (cfr. stuk 77 van het strafdossier). Beklaagde ging er dan ook terecht van uit en wist dat H. E. M. aanwezig was, toen hij zich met zijn broer naar het betrokken café begaf om H. E. M. te "straffen". Beklaagde is niet geslaagd in zijn voornemen H. E. M. te doden. Het beoogde misdrijf is enkel ingevolge toevallige omstandigheden en bovendien onafhankelijk van de wil van beklaagde mislukt, en met name enerzijds, indien bewezen zou zijn dat H. E. M. niet aanwezig was op het ogenblik zelf van het schietincident, door de toevallige afwezigheid van laatstgenoemde en anderzijds doordat beklaagde, gelet op de concrete omstandigheden en zijn eigen bekwaamheden, er niet in geslaagd is doelmatig te schieten. Te dezen is er dan ook geenszins sprake van een absoluut ondeugdelijke poging door de absolute onmogelijkheid om het misdrijf te plegen. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090326.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.