id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090326.6 Rolnummer: 53 AGA 2008 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-05-17 Raadplegingen: 173 - laatst gezien 2026-07-02 19:28 Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN - Algemeen (bijzondere strafwetten) Vrije woorden: Strafrecht - sociaal strafrecht - arbeidsongeval - tijdelijke en mobiele bouwplaatsen - coördinator-verwezenlijking - coördinator-uitvoering - wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 15 Wet - 04-08-1996 - 16 Wet - 04-08-1996 - 17 Wet - 04-08-1996 - 19 Wet - 04-08-1996 - 20 Wet - 04-08-1996 - 23 Wet - 04-08-1996 - 81 Wet - 04-08-1996 - 86 Wet - 04-08-1996 - 87 Nota: Het arrest werd deels vernietigd door het Hof van Cassatie bij arrest van 5 januari 2010, P.09.0716.N in de mate dat beklaagde C.V.H. werd veroordeeld (het onderscheid tussen een particuliere bouwheer en anderen (artikel 15 §2 KB 25-01-2001) is opgeheven sinds 27 januari 2005) Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 26 maart 2009 te Antwerpen, Veertiende kamer (...) Nietigheid van het bestreden vonnis
- Het Hof stelt vast: - dat C. V. H. niet schuldig werd bevonden aan de feiten sub A, B, C en D en bij samenhang aan de inbreuk op artikel 418-419 van het Strafwetboek, terwijl zij, volgens het bestreden vonnis, enkel voor de feiten sub A.1, A.2, D en E werd vervolgd. - dat B.V.B.A. Dr. C. V. H. niet schuldig werd bevonden aan de feiten sub A, B, C en D en bij samenhang aan de inbreuk op artikel 418-419 van het Strafwetboek, terwijl zij, volgens het bestreden vonnis, enkel als burgerrechtelijk aansprakelijke partij is gedagvaard, behoudens wat het feit sub E betreft. - dat H. H. niet schuldig werd bevonden aan de feiten sub E, F en G en bij samenhang aan de inbreuk op artikel 418-419 van het Strafwetboek, terwijl hij, volgens het bestreden vonnis, enkel voor de feiten sub B en E werd vervolgd. - dat A.-M. H. niet schuldig werd bevonden aan het feit sub I en bij samenhang aan de inbreuk op artikel 418-419 van het Strafwetboek, en werd schuldig bevonden aan de feiten sub H en J, terwijl zij, volgens het bestreden vonnis, enkel werd vervolgd voor de feiten sub B, D en E. - dat de B.V.B.A. Architektenburo H.-H. niet schuldig werd bevonden, in het overwegende gedeelte van het bestreden vonnis, aan de feiten sub E, F, G, H, I, J en bij samenhang aan de inbreuk op artikel 418-419 van het Strafwetboek, terwijl zij, volgens het bestreden vonnis, enkel als burgerrechtelijk aansprakelijke partij is gedagvaard, behoudens wat het feit sub E betreft. - dat beklaagde L. D. schuldig werd bevonden aan de feiten sub K en L, en bij samenhang aan de inbreuk op artikel 418-419 van het Strafwetboek, terwijl hij, volgens het bestreden vonnis, enkel werd vervolgd voor de feiten sub B, C en E. - dat de B.V.B.A. L. D. niet schuldig werd bevonden, in het overwegende gedeelte van het bestreden vonnis, aan de feiten sub K en L en bij samenhang aan de inbreuk op artikel 418-419 van het Strafwetboek, terwijl zij, volgens het bestreden vonnis, enkel als burgerrechtelijk aansprakelijke partij is gedagvaard, behoudens wat het feit sub E betreft. Het bestreden vonnis moet dan ook nietig worden verklaard. Beklaagden en/of gedaagden kunnen immers niet weten waarvan zij werden vrijgesproken of waarvoor zij werden veroordeeld. Het Hof trekt de zaak aan zich in de mate dat de eerste rechter niet heeft geoordeeld over bepaalde op regelmatige wijze aanhangig gemaakte feiten en binnen de perken van de hogere beroepen.
- Deze onduidelijkheid laat zich verklaren zoals hierna uiteengezet. 3.
- Er werden te dezen inderdaad opeenvolgende dagvaardingen uitgebracht door het Openbaar Ministerie, en met name: - op 7 april 2007 werden C. V. H. en de B.V.B.A. Dr. C. V. H. gedagvaard om te verschijnen op de terechtzitting van 16 mei 2007 van de correctionele rechtbank te Tongeren en dit voor tenlasteleggingen zoals vermeld in het bestreden vonnis. - op 16 april 2007 werden H. H., A.-M. H., de B.V.B.A. Architektenburo H.-H; gedagvaard om te verschijnen op de terechtzitting van 16 mei 2007 van de correctionele rechtbank te Tongeren en dit voor tenlasteleggingen zoals vermeld in het bestreden vonnis. - op 19 april 2007 werden L. D. en de B.V.B.A. L. D. gedagvaard om te verschijnen op de terechtzitting van 16 mei 2007 van de correctionele rechtbank te Tongeren en dit voor tenlasteleggingen zoals vermeld in het bestreden vonnis. Op deze terechtzitting verschenen alle gedaagden, behalve de B.V.B.A. Dr. C. V. H., en werd de aanstelling van een lasthebber ad hoc gevraagd voor deze B.V.B.A. en de B.V.B.A. Architektenburo H.-H.. Er werd op de terechtzitting van 20 juni 2007 een vonnis uitgesproken. Van dit vonnis is geen afschrift voorhanden in het strafdossier. Uit het bestreden vonnis kan evenwel worden opgemaakt dat een lasthebber ad hoc werd aangesteld voor de B.V.B.A. Architektenburo H.-H. en de B.V.B.A. L. D., doch niet voor de B.V.B.A. Dr. C. V. H. . Thans is voor het Hof de raadsman van deze partij verschenen als lasthebber ad hoc. Te dezen dient te worden vastgesteld dat deze raadsman niet als lasthebber ad hoc werd aangesteld en dat er ook geen noodzaak is om tot aanstelling van een lasthebber ad hoc over te gaan. De betrokken raadsman vertegenwoordigt dan ook enkel de betrokken vennootschap. 3.
- Er werd vervolgens opnieuw gedagvaard, en met name: - op 2 november 2007 werden C. V. H. en de B.V.B.A. Dr. C. V. H. gedagvaard om te verschijnen op de terechtzitting van 16 januari 2008 van de correctionele rechtbank te Tongeren, doch voor andere tenlasteleggingen dan deze vermeld in de aanvang van het bestreden vonnis. - op 10 november 2007 werden L. D. en de B.V.B.A. L. D. gedagvaard om te verschijnen op de terechtzitting van 16 januari 2008 van de correctionele rechtbank te Tongeren, doch voor andere tenlasteleggingen dan deze vermeld in de aanvang van het bestreden vonnis. - op 14 november 2007 werden H. H., A.-M. H., de B.V.B.A. Architektenburo H.-H. gedagvaard om te verschijnen op de terechtzitting van 16 januari 2008 van de correctionele rechtbank te Tongeren, doch voor andere tenlasteleggingen dan deze vermeld in de aanvang van het bestreden vonnis. 3.
- Volgens de voorhanden zijnde zittingsbladen, in de volgorde van hun voorkomen in het strafdossier: - werd de behandeling van de zaak op de terechtzitting van 16 januari 2008, waartegen alle partijen opnieuw werden gedagvaard, met een nieuwe dagvaarding, gedeeltelijk behandeld: er werd met name een getuige gehoord, de burgerlijke partijen hebben zich gesteld en het Openbaar Ministerie vorderde en legde een nota neer. De zaak werd in voortzetting gesteld naar de terechtzitting van 16 april
- - werd de zaak op de terechtzitting van 17 oktober 2007 opgeroepen en uitgesteld naar de terechtzitting van 16 januari 2008 om partijen toe te laten conclusies te redigeren. - werd de zaak op de terechtzitting van 16 april 2008 verder behandeld en in beraad genomen en voor vonnis gesteld op de terechtzitting van 14 mei
- 3.
- De zaak werd dus uitgesteld op de terechtzitting van 17 oktober 2007 om behandeld te worden op de terechtzitting van 16 januari
- Alle partijen werden opnieuw bij dagvaarding opgeroepen. Deze dagvaarding was niet enkel als dagstelling bedoeld. Saisine en misdrijfomschrijvingen.
- De strafrechter werd gevat middels twee dagvaardingen, hetzij deze betekend in april 2007 (de tenlasteleggingen supra) en deze betekend in november 2007 luidende als volgt: "Beticht van te Genk op 16 maart 2006: De eerste en de tweede A/ bij inbreuk op artikel 9 van titel III, hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen" van het Koninklijk besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke en mobiele werkplaatsen kaderen in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, als opdrachtgever, met de coördinator-ontwerp geen schriftelijke overeenkomst betreffende diens aanstelling te hebben afgesloten. strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 86 en 87 van de wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. B/ bij inbreuk op artikel 17 paragraaf 2 van titel III, hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen" van het Koninklijk Besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke en mobiele werkplaatsen kaderend in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, als opdrachtgever er niet te hebben op toegezien dat de coördinator zijn opdrachten bedoeld in artikel 22 volledig en adequaat vervult noch er te hebben op toegezien dat de coördinator betrokken werd bij alle etappes van de werkzaamheden betreffende de verwezenlijking van het bouwwerk. strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 87, 1° en 87, 2° van de wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. C/ bij inbreuk op artikel 17 paragraaf 3 van titel III hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen" van het Koninklijk Besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke en mobiele werkplaatsen kaderend in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, als opdrachtgever er niet te hebben op toegezien dat de verschillende tussenkomende partijen samenwerken en hun activiteiten coördineren teneinde aan de coördinator de bevoegdheid, de middelen en de informatie te verzekeren nodig voor de goede uitvoering van zijn opdrachten, één en ander zonder afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheden van de verschillende tussenkomende partijen. strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 87, 1° en 87, 2° van de wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. D/ bij inbreuk op artikel 20 van titel III hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen" van het Koninklijk Besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke en mobiele werkplaatsen kaderend in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, als opdrachtgever, met de coördinator-verwezenlijking geen schriftelijke overeenkomst betreffende diens aanstelling te hebben afgesloten. strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 87, 1° en 87, 2° van de wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. De tweede: Teneinde zich burgerlijk en solidairlijk verantwoordelijk te horen verklaren met de eerste voor de veroordeling tot de boeten en de kosten. De derde en de vijfde E/ bij inbreuk op artikel 6 van titel III hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen" van het Koninklijk Besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke en mobiele werkplaatsen kaderend in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, als bouwdirectie belast met het ontwerp, de uitwerking van het project te hebben aangevat zonder dat de coördinator-ontwerp formeel was aangesteld. strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 86, 1° en 86, 2° van de wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. F/ bij inbreuk op artikel 16 paragraaf 2 van titel III hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen" van het Koninklijk Besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke en mobiele werkplaatsen kaderend in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, als bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering, buiten het geval van overmacht, de werken op de tijdelijke of mobiele bouwplaats te hebben laten aanvatten zonder dat de coördinator-verwezenlijking formeel was aangesteld. strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 87, l° en 87, 2° van de wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. G/ bij inbreuk op artikel 17 paragraaf 2, 3° van titel III hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen" van het Koninklijk Besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke en mobiele werkplaatsen kaderend in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, als bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering, de coördinator-verwezenlijking niet te hebben uitgenodigd op alle vergaderingen door hem als bouwdirectie georganiseerd en alzo door eigen toedoen niet alle informatie nodig voor de uitvoering van zijn opdrachten te hebben verkregen. strafbaar gesteld bij de artikelen 8l, 87, 1° en 87, 2° van de wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. De vijfde: teneinde zich burgerlijk en solidairlijk verantwoordelijk te horen verklaren met de derde voor de veroordeling tot de boeten en de kosten. De vierde en de vijfde H/ bij inbreuk op artikel 11, 1° van titel III hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen" van het Koninklijk Besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke en mobiele werkplaatsen kaderend in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, als coördinator-ontwerp, in het veiligheids- en gezondheidsplan de keuze van de architect aangaande de methode te gebruiken bij een ondergraving niet te hebben opgenomen, evenmin als de kritieke fasen waarop de coördinator-verwezenlijking ten minste op de bouwplaats aanwezig moet zijn. strafbaar gesteld bij artikel 81, 86, 3° van de wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. I/ bij inbreuk op artikel 27 paragraaf l van titel III, hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen" van het Koninklijk Besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke en mobiele werkplaatsen kaderend in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, een veiligheids- en gezondheidsplan te hebben opgesteld dat inhoudelijk niet beantwoordt aan de bepalingen opgenomen in bijlage l, deel A, afdeling I, namelijk een veiligheids- en gezondheidsplan te hebben opgesteld waarbij specifieke maatregelen ontbreken met betrekking tot het langsgraven van een bestaande muur waarbij het risico op bedelving voor de uitvoerders bestaat. strafbaar gesteld bij artikel 81, 86, 3° van de wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. J/ bij inbreuk op artikel 22, 2°a van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, als coördinator-verwezenlijking nagelaten te hebben de tenuitvoerlegging te coördineren van de relevante bepalingen om ervoor te zorgen dat de aannemers de algemene preventiebeginselen en de na te leven beginselen tijdens de verwezenlijking van het bouwwerk bedoeld in de artikelen 4, 5 en 15 coherent toepassen, namelijk door nooit te hebben deelgenomen aan besprekingen op de werf teneinde de tenuitvoerlegging te coördineren van de relevante bepalingen opgenomen in het lastenboek onder paragraaf 6 "ondergravingswerken" op het ogenblik dat de uitvoering van de langsgraving van de gevel is besproken. strafbaar gesteld bij artikel 81, 87, 8° van de wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. De vijfde: Teneinde zich burgerlijk en solidairlijk verantwoordelijk te horen verklaren met de vierde voor de veroordeling tot de boeten en de kosten. De zesde en de zevende K/ bij inbreuk op artikel 52 par. l van titel III hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen" van het Koninklijk Besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke en mobiele werkplaatsen kaderend in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, als aannemer niet overeenkomstig de instructies die hij moet raadplegen, zorg te hebben gedragen voor de veiligheid of de gezondheid van de andere betrokken personen noch voor eigen veiligheid en gezondheid, namelijk door bij het graven van de sleuf langsheen de muur er een werkwijze op na te houden, in strijd met paragraaf 6 "ondergravingswerken" zoals opgenomen in de "beschrijving der werken en meetstaaf. strafbaar gesteld bij artikel 81, 87, 3° van de wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. L/ bij inbreuk op artikel 52 par. 2, l° van titel III hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen" van het Koninklijk Besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke en mobiele werkplaatsen kaderend in de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, niet overeenkomstig de instructies op de juiste wijze gebruik te hebben gemaakt van machines, toestellen, gereedschappen, gevaarlijke stoffen, vervoermiddelen en andere middelen, namelijk door de geplaatste stutten (schoren) niet te vergrendelen. Strafbaar gesteld bij artikel 81, 87, 3° van de wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. De zevende: Teneinde zich burgerlijk en solidairlijk verantwoordelijk te horen verklaren met de zesde voor de veroordeling tot de boeten en de kosten. De eerste, de tweede, de derde, de vierde, de vijfde, de zesde en de zevende: Bij samenhang: onopzettelijk de dood te hebben veroorzaakt van N. S., door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, maar zonder het oogmerk om de persoon van een ander aan te randen (art. 418 en 419 Strafwetboek): - de eerste en de tweede: wegens de in de tenlastelegging onder A, B, C en D omschreven feiten - de derde en de vijfde: wegens de in de tenlastelegging onder E, F en G omschreven feiten - de vierde en de vijfde: wegens de in de tenlastelegging onder H, I en J omschreven feiten - de zesde en de zevende: wegens de in de tenlastelegging onder K en L omschreven feiten." Deze dagvaardingen verschillen zichtbaar, doordat zij, onder meer, een andere nummering van de tenlasteleggingen en een andere omschrijving voorzien. Ze hebben nochtans betrekking op hetzelfde feitencomplex, en met name feiten die door het Openbaar Ministerie in deze beide dagvaardingen worden gerelateerd aan het instorten van een zijgevel op 16 maart 2006 en waarbij S N onder de brokstukken van deze muur werd bedolven. Hij is op dezelfde dag overleden. Het Hof dient vast te stellen van welke feiten ten laste van welke beklaagde het is gevat en hoe deze feiten als misdrijf dienen te worden omschreven. Daarbij dringt zich een vergelijking op tussen de twee dagvaardingen, middels dewelke de strafrechter werd gevat. Bij deze vergelijking is de tweede dagvaarding, overeenkomstig overigens de vordering van het Openbaar Ministerie, de referentie dagvaarding. 4.1 Ten laste van eerste beklaagde C. V. H. en tweede beklaagde Dr. C. V. H. B.V.B.A. worden de feiten, zoals omschreven in: - de tenlastelegging A van de dagvaarding van november 2007, doch met weglating van de woorden "van titel III, hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen"" (het Koninklijk Besluit is niet onderverdeeld in titels en hoofdstukken) en mits vervanging van "strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 86 en 87" door "ook een inbreuk zijnde op de artikelen 15, 16 en 19 van de Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en strafbaar gesteld door de artikelen 81 en 86, 1°", deze tenlastelegging vereenzelvigt zich, wat beklaagde C. V. H. betreft, deels met de tenlastelegging D van de dagvaarding van april 2007, - de tenlastelegging B van de dagvaarding van november 2007, doch met weglating van de woorden "van titel III, hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen"" (het Koninklijk Besluit is niet onderverdeeld in titels en hoofdstukken) en met precisering door toevoeging aan "artikel 17 paragraaf 2" "leden 1° en 2°" en mits vervanging van "strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 87, 1° en 87, 2°" door "ook een inbreuk zijnde op de artikelen 15, 20 en 23 van de Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en strafbaar gesteld door de artikelen 81 en 87, 1° en 87, 2°", deze tenlastelegging vereenzelvigt zich, wat beklaagde C. V. H. betreft, deels met de tenlastelegging A.2 van de dagvaarding van april 2007, - de tenlastelegging C van de dagvaarding van november 2007, doch met weglating van de woorden "van titel III, hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen"" (het Koninklijk Besluit is niet onderverdeeld in titels en hoofdstukken) en mits vervanging van "strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 87, 1° en 87, 2°" door "ook een inbreuk zijnde op de artikelen 15, 20 en 23 van de Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en strafbaar gesteld door de artikelen 81 en 87, 1° en 87, 2°", deze tenlastelegging vereenzelvigt zich, wat beklaagde C. V. H. betreft, deels met de tenlastelegging A.2 van de dagvaarding van april 2007, - de tenlastelegging D van de dagvaarding van november 2007, doch met weglating van de woorden "van titel III, hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen"" (het Koninklijk Besluit is niet onderverdeeld in titels en hoofdstukken) en mits vervanging van "strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 87, 1° en 87, 2°" door "ook een inbreuk zijnde op de artikelen 15, 20 en 23 van de Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en strafbaar gesteld door de artikelen 81 en 87, 1° en 87, 2°", deze tenlastelegging vereenzelvigt zich, wat beklaagde C. V. H. betreft, deels met de tenlastelegging D van de dagvaarding van april 2007, - en enkel ten laste van beklaagde C. V. H., de tenlastelegging A/1 van de dagvaarding van april 2007, doch met weglating van de nummers "3 §1, 7°, 5, 14, eerste lid" in de opsomming van de artikelen van de welzijnswet en met weglating van "§1" in de opsomming van de artikelen van het Koninklijk Besluit, en met weglating van de woorden "met een totale oppervlakte groter dan 500 m²" en - de in fine van de dagvaarding van november 2007 opgenomen tenlastelegging betreffende het onopzettelijk de dood te hebben veroorzaakt van N. S., deze tenlastelegging vereenzelvigt zich, wat beklaagden C. V. H. en Dr. C. V. H. B.V.B.A. betreffen, met de tenlastelegging E van de dagvaarding van april 2007, ten laste gelegd. Tenslotte wordt beklaagde Dr. C. V. H. B.V.B.A. ook gedagvaard om zich burgerrechtelijk aansprakelijk te horen verklaren voor de boeten en kosten waartoe beklaagde C. V. H. zou worden veroordeeld. 4.
- Ten laste van derde beklaagde H. H. en vijfde beklaagde Architektenburo H.-H. B.V.B.A. worden de feiten, zoals omschreven in: - de tenlastelegging E van de dagvaarding van november 2007 doch met weglating van de woorden "van titel III, hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen"" (het Koninklijk Besluit is niet onderverdeeld in titels en hoofdstukken) en mits vervanging van "strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 86, 1° en 86, 2°" door "ook een inbreuk zijnde op de artikelen 15, 16 en 19 van de Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en strafbaar gesteld door de artikelen 81 en 86, 1°", - tenlastelegging F van de dagvaarding van november 2007 doch met weglating van de woorden "van titel III, hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen"" (het Koninklijk Besluit is niet onderverdeeld in titels en hoofdstukken) en mits vervanging van "strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 86, 1° en 86, 2°" door "ook een inbreuk zijnde op de artikelen 15, 21, 1° en 23 van de Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en strafbaar gesteld door de artikelen 81 en 87, 1°", deze tenlastelegging vereenzelvigt zich, wat beklaagde H. H. betreft, met de tenlastelegging B van de dagvaarding van april 2007, - tenlastelegging G van de dagvaarding van november 2007 doch met weglating van de woorden "van titel III, hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen"" (het Koninklijk Besluit is niet onderverdeeld in titels en hoofdstukken) en mits vervanging van "strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 87, 1° en 87, 2°" door "ook een inbreuk zijnde op de artikelen 15, 20 en 23 van de Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en strafbaar gesteld door de artikelen 81 en 87, 1° en 87, 2°" en - de in fine van de dagvaarding van november 2007 opgenomen tenlastelegging betreffende het onopzettelijk de dood te hebben veroorzaakt van N. S., deze tenlastelegging vereenzelvigt zich, wat beklaagden H. H. en Architektenburo H.-H. B.V.B.A. betreffen, met de tenlastelegging E van de dagvaarding van april 2007, ten laste gelegd. Tenslotte wordt beklaagde Architektenburo H.-H. B.V.B.A. ook gedagvaard om zich burgerrechtelijk aansprakelijk te horen verklaren voor de boeten en kosten waartoe beklaagde H. H. worden veroordeeld. 4.
- Ten laste van vierde beklaagde A.-M. H. en vijfde beklaagde Architektenburo H.-H. B.V.B.A. worden de feiten, zoals omschreven in: - de tenlastelegging H van de dagvaarding van november 2007 doch met weglating van de woorden "van titel III, hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen"" (het Koninklijk Besluit is niet onderverdeeld in titels en hoofdstukken), - de tenlastelegging I van de dagvaarding van november 2007 doch met weglating van de woorden "van titel III, hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen"" (het Koninklijk Besluit is niet onderverdeeld in titels en hoofdstukken), - de tenlastelegging J van de dagvaarding van november 2007, en enkel ten laste van beklaagde A.-M. H., - de tenlastelegging B van de dagvaarding van april 2007 doch met weglating van de woorden "van titel III, hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen"" (het Koninklijk Besluit is niet onderverdeeld in titels en hoofdstukken) en mits vervanging van "strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 86, 1° en 86, 2°" door "ook een inbreuk zijnde op de artikelen 15, 21, 1° en 23 van de Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en strafbaar gesteld door de artikelen 81 en 86, 1°", - de tenlastelegging D van de dagvaarding van april 2007, mits vervanging van "strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 86 en 87" door "de inbreuk op genoemd artikel 9 ook een inbreuk zijnde op de artikelen 15, 16 en 19 van de Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en strafbaar gesteld door de artikelen 81 en 86, 1° van de Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de inbreuk op genoemd artikel 20 ook een inbreuk zijnde op de artikelen 15, 20 en 23 van de Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en strafbaar gesteld door de artikelen 81 en 87, 1° en 87, 2°" en - de in fine van de dagvaarding van november 2007 opgenomen tenlastelegging betreffende het onopzettelijk de dood te hebben veroorzaakt van N. S., deze tenlastelegging vereenzelvigt zich, wat beklaagden A.-M. H. en Architektenburo H.-H. B.V.B.A. betreffen, met de tenlastelegging E van de dagvaarding van april 2007, ten laste gelegd. Tenslotte wordt beklaagde Architektenburo H.-H. B.V.B.A. ook gedagvaard om zich burgerrechtelijk aansprakelijk te horen verklaren voor de boeten en kosten waartoe beklaagde A.-M. H. zou worden veroordeeld. 4.
- Ten laste van zesde beklaagde L. D. en zevende beklaagde D. L. B.V.B.A. worden de feiten, zoals omschreven in: - de tenlastelegging K van de dagvaarding van november 2007 doch met weglating van de woorden "van titel III, hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen"" (het Koninklijk Besluit is niet onderverdeeld in titels en hoofdstukken) en mits vervanging van "strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 87, 3°" door "ook een inbreuk zijnde op de artikelen 15, 20, tweede lid, 23 en 24 van de Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en strafbaar gesteld door de artikelen 81 en 87, 3°", deze tenlastelegging vereenzelvigt zich, wat beklaagde L. D. betreft, met de tenlastelegging C.1 van de dagvaarding van april 2007, - de tenlastelegging L van de dagvaarding van november 2007 doch met weglating van de woorden "van titel III, hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen"" (het Koninklijk Besluit is niet onderverdeeld in titels en hoofdstukken) en mits vervanging van "strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 87, 3°" door "ook een inbreuk zijnde op de artikelen 15, 20, 2°, 23 en 24 van de Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en strafbaar gesteld door de artikelen 81 en 87, 3°", deze tenlastelegging vereenzelvigt zich, wat beklaagde L. D. betreft, met de tenlastelegging C.2 van de dagvaarding van april 2007, en enkel ten laste van beklaagde LD, - de tenlastelegging B van de dagvaarding van april 2007 doch met weglating van de woorden "van titel III, hoofdstuk V "tijdelijke of mobiele bouwplaatsen"" (het Koninklijk Besluit is niet onderverdeeld in titels en hoofdstukken) en mits vervanging van "strafbaar gesteld bij de artikelen 81, 86, 1° en 86, 2°" door "ook een inbreuk zijnde op de artikelen 15, 21, 1° en 23 van de Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en strafbaar gesteld door de artikelen 81 en 86, 1°" en - de in fine van de dagvaarding van november 2007 opgenomen tenlastelegging betreffende het onopzettelijk de dood te hebben veroorzaakt van N. S., deze tenlastelegging vereenzelvigt zich, wat beklaagden L. D. en L. D. B.V.B.A. betreffen, met de tenlastelegging E van de dagvaarding van april 2007, ten laste gelegd. Tenslotte wordt beklaagde L. D. B.V.B.A. ook gedagvaard om zich burgerrechtelijk aansprakelijk te horen verklaren voor de boeten en kosten waartoe beklaagde L. D. zou worden veroordeeld.
- Onderhavig overzicht betreft enkel een overzicht van de door de twee onderscheiden dagvaardingen bij de strafrechter aanhangig gemaakte feiten, onder de verschillende misdrijfomschrijvingen. Geen andere feiten noch andere misdrijven dan deze die bij de bedoelde dagvaardingen werden aanhangig gemaakt zijn begrepen in dit overzicht. Overigens hebben beklaagden hun verdediging laten gelden ten aanzien van al deze onderscheiden tenlasteleggingen. Schuldvraag. I. De schuld van de rechtspersonen.
- De schuld van de rechtspersonen aan de hen ten laste gelegde feiten is niet bewezen. Uit de onderzoeksgegevens van het strafdossier en uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat de rechtspersonen betrokken zijn geweest bij de hun ten laste gelegde feiten. Het blijkt geenszins dat de betreffende misdrijven zijn gevolgd uit een opzettelijk binnen de betrokken rechtspersonen genomen beslissingen. Evenmin is enige nalatigheid op het niveau van de rechtspersonen in causaal verband met deze hun ten laste gelegde misdrijven bewezen. Deze rechtspersonen worden dan ook enkel vervolgd wegens het handelen of nalaten te handelen van de betrokken natuurlijke personen. Het staat afdoende vast dat te dezen de rechtspersonen enkel en alleen de afzondering van een deel van het vermogen van de betrokken natuurlijke personen zijn, met het oog op een bepaalde professionele activiteit. De rechtspersonen identificeren zich dan ook volledig met de betrokken natuurlijke personen. De ten laste van deze beklaagden gelegde misdrijven kunnen hen dan ook niet worden toegerekend. Zij worden dan ook van het hun ten laste gelegde vrijgesproken. Artikel 5, lid 2 van het Strafwetboek is in casu dan ook niet relevant en derhalve niet van toepassing. Overigens dient te worden vastgesteld dat in de eerste dagvaarding geen der rechtspersonen werden gedagvaard als beklaagden, behoudens voor het onvrijwillig veroorzaken van de dood van de heer S N. De tenlasteleggingen A/1, B en D van de dagvaarding van april 2007 en A, C, D, E en F van de dagvaarding van november
- Het blijkt uit de voorliggende onderzoeksgegevens dat mevrouw A.-M. H. als coördinator-ontwerp en als coördinator- verwezenlijking werd aangesteld voor de betrokken bouwplaats. Overigens dient te worden vastgesteld dat te dezen aan de coördinator- ontwerp en -verwezenlijking bepaalde misdrijven worden ten laste gelegd. De schuld van eerste beklaagde C. V. H. aan het haar sub A/1 van de dagvaarding van april 2007, zoals hoger gepreciseerd, ten laste gelegde is dan ook niet bewezen. Zij wordt vrijgesproken van dit haar ten laste gelegde feit. De schuld van derde beklaagde H. H. aan het hem sub E en F van de dagvaarding van november 2007, zoals hoger gepreciseerd, ten laste gelegde is dan ook niet bewezen. Hij wordt vrijgesproken van deze hem ten laste gelegde feiten. De schuld van vierde beklaagde A.-M. H. aan het haar sub B van de dagvaarding van april 2007, zoals hoger gepreciseerd, ten laste gelegde is dan ook niet bewezen. Zij wordt vrijgesproken van dit haar ten laste gelegde feit. De schuld van zesde beklaagde L. D. aan het hem sub B van de dagvaarding van april 2007, zoals hoger gepreciseerd, ten laste gelegde is dan ook niet bewezen. Hij wordt vrijgesproken van dit hem ten laste gelegde feit.
- Het is eveneens genoegzaam bewezen dat er slechts één opdrachtgever van de betrokken werken was. Geen bepaling, waarvan de overtreding met straffen wordt beteugeld, verplicht alsdan tot de opmaak van een schriftelijke overeenkomst betreffende de aanstelling van een coördinator-ontwerp en -verwezenlijking. De schuld van eerste beklaagde C. V. H. aan het haar sub A en D van de dagvaarding van november 2007, zoals hoger gepreciseerd, ten laste gelegde is dan ook niet bewezen. Zij wordt vrijgesproken van deze haar ten laste gelegde feiten. De schuld van vierde beklaagde A.-M. H. aan het haar sub D van de dagvaarding van april 2007, zoals hoger gepreciseerd, ten laste gelegde is dan ook niet bewezen. Zij wordt vrijgesproken van dit haar ten laste gelegde feit.
- Op het ogenblik van de feiten was er maar één aannemer actief en actief geweest. Er diende derhalve geen tussenkomsten van verschillende aannemers te worden gecoördineerd. De schuld van eerste beklaagde C. V. H. aan het haar sub C van de dagvaarding van november 2007, zoals hoger gepreciseerd, ten laste gelegde is dan ook niet bewezen. Zij wordt vrijgesproken van dit haar ten laste gelegde feit. De tenlastelegging B van de dagvaarding van november
- Het wordt verder aan eerste beklaagde C. V. H. verweten er niet te hebben op toegezien dat de coördinator zijn opdrachten bedoeld in het betrokken artikel 22 volledig en adequaat vervulde en dat zij werd betrokken bij alle etappes van de werkzaamheden betreffende de verwezenlijking van het bouwwerk (tenlastelegging B van de dagvaarding van november 2007). Deze feiten zijn thans strafbaar en waren op 16 maart 2006 ook strafbaar. Het Koninklijk Besluit van 25 januari 2001 was van toepassing op het ogenblik der feiten, ongeacht of er slechts één of meerdere aannemers aan het werk waren. Het staat vast dat er meerdere aannemers aan het werk zouden gaan, zodat de betrokken regelgeving ook van toepassing is op het ogenblik dat er nog maar één aannemer aan het werk is. Anders dan beklaagde in haar conclusie stelt heeft de veiligheidscoördinatie ook tot doel de veiligheid te verzekeren van de werknemers van de aannemer, wanneer er slechts één aannemer actief is. Er diende te worden voorzien in een coördinator en er werd er ook één aangesteld, omdat er meerdere aannemers actief zouden zijn. De coördinator diende dan ook in te staan voor de veiligheid op de werf, conform artikel 22 van het Koninklijk Besluit betreffende de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen dat ook uitdrukkelijk verwijst naar het artikel 22 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. De schuld van beklaagde aan de feiten sub B van de dagvaarding van november 2007 zijn dan ook bewezen. Beklaagde heeft als opdrachtgever toegelaten dat de niet voorziene werken, zijnde het uitgraven van een greppel langs een bestaande muur om tegen deze muur een nieuwe muur op te trekken, werden uitgevoerd, zonder zich er tevens van verzekerd te hebben dat de coördinator bij deze werkzaamheden werd betrokken. In een niet gepland voorafgaand overleg waren nochtans de echtgenoot van beklaagde samen met de aannemer en de architect aanwezig. Er werd tijdens dit overleg beslist de vermelde werkzaamheden, die niet gepland waren, uit te voeren. De coördinator was niet aanwezig en beklaagde heeft niet het initiatief genomen haar van deze nieuwe werken op de hoogte te brengen. Of de werken vroegtijdig werden gestart is niet relevant. Het staat vast dat beklaagde heeft toegelaten en akkoord was dat de gleuf werd gegraven. Zij had de werken kunnen stilleggen, nu het immers blijkbaar enkel de bedoeling was te vergaderen over het uitzicht van de muur, terwijl op de vergadering werd beslist een nieuwe muur tegen de oude zijgevel te plaatsen en iedereen akkoord was de werken prompt uit te voeren, in volstrekte afwezigheid van de coördinator. Anders dan deze beklaagde in conclusies stelt was het niet de B.V.B.A. Architektenburo H-.H die was aangesteld als coördinator. Overigens was naast de architect geen andere persoon aanwezig op het ogenblik van de feiten die mogelijkerwijze de coördinatie kon waarnemen: alleen de echtgenoot van de opdrachtgever, de aannemer en de architect waren aanwezig. Of mevrouw A.M. H al dan niet handelde in eigen naam en voor eigen rekening dan wel in naam en voor rekening van de betrokken vennootschap is niet relevant. Er was immers niet op toegezien dat, aangenomen dat de stelling van beklaagde dient te worden gevolgd, de vennootschap als coördinator bij de betrokken werkzaamheden op de fatale dag van de feiten betrokken werd. De enkele betrokkenheid van de heer H. Hansen of van de betrokken vennootschap is dan ook niet afdoende om ook als een betrokkenheid van de veiligheidscoördinator te kunnen gelden. Deze beklaagde is dan ook schuldig aan de in de dagvaarding van november 2007 omschreven tenlastelegging B, zoals hoger gepreciseerd, doordat zij nagelaten heeft de veiligheidscoördinator, zijnde derde beklaagde, te verwittigen van de in uitvoering te brengen werken en bijvoorbeeld te eisen dat de werken niet zouden worden aangevat, alvorens deze ter plaatse was geweest. Dat deze op de hoogte was of had kunnen zijn, doordat ook zij zaakvoerder is van de betrokken vennootschap en de medezaakvoerder wel aanwezig was en doordat het architectenbureau wel in kennis was gesteld van de voorgenomen werkzaamheden, doet hieraan geen afbreuk. Het staat immers vast dat zij er niet was en dat deze beklaagde geen actie heeft ondernomen om haar te verwittigen van de vrijwel onmiddellijk in uitvoering te brengen werken. Het Hof deelt te dezen dan ook geenszins de beoordeling van deze beklaagde dat de bespreking van 16 maart 2006 niet onmiddellijk relevant was in het kader van de veiligheid. Het betroffen immers werkzaamheden, en met name het graven van een gleuf langs een zichtbaar oude zijgevel, die voor eenieder, ook niet deskundige, een groot risico voor ongevallen met zich konden brengen. Dat de coördinator niet steeds aanwezig kan zijn en ook niet steeds aanwezig dient te zijn, verhindert te dezen niet dat de coördinator wel aanwezig had moeten zijn om de in voorgaande paragraaf aangegeven redenen op het ogenblik van de beslissing om de betrokken werken uit te voeren. Overigens is het daarom ook een verplichting voor de bouwheer erop toe te zien dat de coördinator zijn taken kan vervullen en dus in voorkomend geval hem te verwittigen. De door beklaagde in conclusies gemaakte overwegingen op de pagina's 18, 19, 20 en 21 doen geen afbreuk aan de hoger door het Hof gemaakte beoordeling. Dat ook de coördinator te dezen fout treft, zoals hierna verder uiteengezet, neemt de strafrechtelijk gesanctioneerde fout van deze beklaagde niet weg. Beklaagde is verder niet geloofwaardig in haar bewering niet op de hoogte te zijn geweest van de bijeenkomst van 16 maart 2006 en van de redenen van deze bijeenkomst, met name het plaatsen van een muur tegen de betrokken zijgevel. De overige overwegingen van beklaagde zijn niet relevant, doordat zij geen verband houden met de feiten van 16 maart
- Of met andere woorden de veiligheidscoördinator al dan niet op de hoogte was van en betrokken werd bij andere werkzaamheden is weinig relevant, nu zij niet betrokken was bij de werkzaamheden van 16 maart 2006, die tot het fatale ongeval hebben geleid. Om dezelfde redenen is het evenmin relevant wanneer de bouwwerkzaamheden werden aangevat en of ze al dan niet vroegtijdig werden aangevat. De tenlastelegging G.
- De schuld van derde beklaagde HH aan het hem sub G van de dagvaarding van november 2007 ten laste gelegde feit is niet bewezen geworden. Het is niet duidelijk of de verplichting voorzien in artikel 17, paragraaf 2, 3° van het Koninklijk Besluit van 25 januari 2001 betreffende de tijdelijke en mobiele werkplaatsen ook ten aanzien van deze beklaagde geldt. Gelet op deze onduidelijkheid dient deze beklaagde van dit hem ten laste gelegde te worden vrijgesproken. De tenlasteleggingen H, I en J van de dagvaarding van november
- De schuld van vierde beklaagde A-M H aan het haar sub J van de dagvaarding van november 2007, zoals hoger gepreciseerd, ten laste gelegde is niet bewezen. Zij wordt vrijgesproken van dit haar ten laste gelegde feit. Deze beklaagde was niet uitgenodigd op het overleg van 16 maart
- Het is verder wel bewezen dat geen veiligheidsmaatregelen met betrekking tot het ondergraven en langsgraven zijn opgenomen in het veiligheidsplan, zoals aan vierde beklaagde A-M H wordt ten laste gelegd onder de tenlasteleggingen H en I van de dagvaarding van november
- Dit wordt niet ontkend door beklaagde A-M H, die voor de te volgen werkwijze bij langsgraven verwijst naar een bijzonder lastenboek. Het betreffen uiteraard te nemen maatregelen om de veiligheid op een bouwwerf te waarborgen. Het is dan ook niet voldoende dat deze maatregelen worden opgenomen in een bijzonder lastenboek. De persoonlijke beoordeling en appreciatie van een lastenboek door beklaagde L D, en met name dat een lastenboek "door niemand wordt gelezen en gewoon van het internet wordt geplukt" heeft weinig relevantie. Het kan enkel de noodzaak onderlijnen van een veiligheidsplan. Dat daarom de heer L. D. ook geen rekening zou hebben gehouden met veiligheidsmaatregelen in het veiligheidsplan is een loutere veronderstelling. Dat de betrokken werken, die werden uitgevoerd op 16 maart 2006 niet waren voorzien, is niet relevant. Er dienden immers op de betrokken werf langs- en ondergravingen te worden uitgevoerd en de werkwijze, die daarbij diende in acht te worden genomen, was opgenomen in het bijzonder lastenboek. Het is daarbij eveneens irrelevant dat partijen waren overeengekomen deze werkwijze niet op te nemen in het veiligheidsplan. Het Hof verwijst verder naar het uiteengezette onder het randnummer. De overige overwegingen van deze beklaagde in haar conclusies doen geen afbreuk aan deze door het Hof gemaakte beoordeling. Dat deze beklaagde om de door haar aangegeven redenen nog geen volledig veiligheidsplan had kunnen opmaken is niet relevant met betrekking tot de voorliggende feiten. Zij had immers reeds de te volgen werkwijze bij het langsgraven voorzien in een bijzonder lastenboek. Evenmin doet het feit dat nog geen voorhanden stabiliteitsstudie voorhanden was enige afbreuk aan de door haar begane tekortkoming in het veiligheidsplan niet te hebben voorzien in veiligheidsmaatregelen bij het uitvoeren van werken als deze uitgevoerd op 16 maart
- De betrokken muur leverde immers zichtbaar gevaar op, wanneer er zou worden langsgegraven. De tenlasteleggingen K en L van de dagvaarding van november
- Aan beklaagde L. D. wordt verweten de betrokken gleuf langs de muur niet in moten te hebben uitgegraven (tenlastelegging K van de dagvaarding van november 2007 en de betrokken stutten niet te hebben vergrendeld (tenlastelegging L van de dagvaarding van november 2007). Hij heeft niet op veilige manier gewerkt en niet van de hulpmiddelen op een juiste manier gebruik gemaakt. De schuld van deze beklaagde aan deze feiten is bewezen. Deze beklaagde laat terecht gelden dat het geen ondergraving, maar een langsgraving betreft. In de dagvaarding van november 2007 is er dan ook sprake van een langsgraving. Deze beklaagde kan volstrekt niet gevolgd worden in zijn redenering dat er te dezen niet diende te worden stil gestaan bij het feit dat de muur zou kunnen omvallen, omdat er in het veiligheidsplan geen specifieke veiligheidsmaatregelen waren voorzien of omdat er op de betrokken werfvergadering die op de dag van de feiten werd gehouden, geen sprake is geweest van extra veiligheidsmaatregelen of stabiliteitstudies. Gelet op de concrete omstandigheden en onder meer de kwaliteit van de muur en zijn fundering, die kon worden vastgesteld na aanvang van de uitgravingwerken, en met name dat deze fundering alleen uit zand bestond, diende de in de tenlasteleggingen voorziene veiligheidsmaatregelen in acht te worden genomen. Beklaagde overweegt dan ook onjuist in zijn conclusies dat de elementen van onstabiliteit van de betrokken later omgevallen muur onvoorzienbaar zijn geweest. Waarom overigens deze beklaagde schoren laat plaatsen die volstrekt onnuttig zijn nu ze niet waren vergrendeld, blijft een onbeantwoorde vraag. Dat het niet verplicht zou zijn geweest deze schoren te plaatsen verschoont beklaagde niet van een onverantwoord gebrek aan voorzorg dat hij op de dag van de feiten ten toon heeft gespreid. Dat ze werden geplaatst om de muur te stutten terwijl de achtergevel werd afgebroken vormt geen nuttige verklaring, vermits niet vergrendelde stutten geen steunkracht kunnen geven. Dat tenslotte de betrokken arbeiders, waaronder het slachtoffer, ervaren waren, doet geen afbreuk aan de door deze beklaagde begane tekortkoming. De schuld van deze beklaagde aan de hem sub K en L van de dagvaarding van november 2007 ten laste gelegde feiten, zoals gepreciseerd, is door het strafonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting bewezen geworden. De tenlastelegging in fine van de dagvaarding van november 2007, en met name onopzettelijk de dood te hebben veroorzaak van S N.
- De in fine van de dagvaarding van november 2007 opgenomen tenlastelegging en met name onopzettelijk de dood te hebben veroorzaakt van S N is niet bewezen in hoofde van beklaagde H H. Hem kan immers geen tekortkoming, zoals voorzien in deze tenlastelegging, worden verweten en geen ander mogelijk gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg kan in acht worden genomen. dit is immers uitgesloten geworden door de omschrijving van deze tenlasteleggingen waarin immers de te weerhouden gebreken louter limitatief zijn opgenomen De schuld van beklaagden CVH, A-M H en LD aan de in fine van de dagvaarding van november 2007 opgenomen tenlastelegging en met name onopzettelijk de dood te hebben veroorzaakt van SN, doch enkel wat beklaagde CVH betreft door de hoger bewezen verklaarde feiten van de tenlastelegging B, wat beklaagde A-M H betreft door de hoger bewezen verklaarde feiten van de tenlasteleggingen H en I en wat beklaagde L D betreft door de hoger bewezen verklaarde feiten van de tenlasteleggingen K en L is dan ook bewezen. Beklaagde CVH overweegt terecht dat de onmiddellijke oorzaak van het overlijden van het slachtoffer het omvallen van de muur was en dat de muur is omgevallen doordat geen afdoende stutting van de muur was voorzien en de uitgraving van de gleuf naast de muur niet in afzonderlijke moten was gebeurd. De muur was niet ingestort en het slachtoffer niet bedolven onder de brokstukken ervan indien beklaagde LD had gehandeld, zoals hij diende te handelen. Dat eerder reeds muren machinaal waren afgebroken zonder noodlottige gevolgen is uiteraard ter zake niet dienend. Deze fouten hadden kunnen worden vermeden door tussenkomsten van de coördinator. Beklaagde C. V H heeft nagelaten het nodige te doen opdat de coördinator had kunnen tussenkomen. Zij hadden daartoe nochtans de verplichting, zoals blijkt uit de te haren laste aangehouden inbreuk. Dat de wijze waarop diende te worden gehandeld vermeld stond in het lastenboek doet geen afbreuk aan de noodzaak tot tussenkomst van de coördinator. Ter zake stelt deze beklaagde overigens in haar conclusies op pagina 27 dat de andere, en met name de architect en de aannemer hieraan niet hadden gedacht, zodat het ongeval zich zeker niet had voorgedaan indien de coördinator aanwezig ware geweest om de anderen te wijzen op de essentieel gevaarlijke toestand. Ook beklaagde A-M H is nalatig geweest door geen veiligheidsmaatregelen te hebben voorzien in het veiligheids- en gezondheidsplan. Indien immers door de betrokkenen kennis had kunnen worden genomen van te nemen veiligheidsmaatregelen bij langsgravingen van oude muren, had het ongeval zich niet voorgedaan zoals het zich thans heeft voorgedaan. De aandacht was gevestigd geweest op een potentiële gevaarlijke toestand en bijzondere waakzaamheid was in acht genomen geweest. Het is daartoe niet voldoende dat de in acht te nemen werkwijze en dus deze veiligheidsmaatregelen wel waren voorzien in het lastenboek. Het is derhalve bewezen dat, indien deze beklaagden hadden gehandeld, zoals zij dienden te handelen conform de regels waarvan de overtreding door elk van hen, werd vastgesteld, het ongeval zich niet had voorgedaan zoals het zich thans heeft voorgedaan. De finaliteit van de in de dagvaardingen vermelde te dezen door elk van hen overtreden regelgeving is er precies op gericht ongevallen, zoals onderhavig dodelijk ongeval, te voorkomen, door de betrokkenen door de thans overtreden voorschriften te behoeden voor foutieve nalatigheid en onvoorzichtigheid bij het uitvoeren van uit hun aard zeer gevaarlijke werken. Dit funest gebrek aan voorzorg spruit soms voort uit een gewenning, waardoor aandacht voor gevaarlijke situaties te veel afzwakt en waarvoor de betrokken regelgeving partijen heeft willen behoeden. De tekortkoming van de ene neemt de tekortkoming van de andere niet weg. Het ongeval en de dodelijke afloop ervan zijn het gevolg van de onderscheiden door de schuldig bevonden beklaagden begane onvoorzichtigheden. Het Hof verwijst verder naar het hoger gestelde betreffende de door het Hof ten laste van elk der schuldig bevonden beklaagden aangehouden inbreuken. De door beklaagden gemaakte beoordeling van de feiten om te besluiten tot een ontbreken van een oorzakelijk verband tussen de door beklaagden begane inbreuken en de dodelijke afloop van het ongeval kan het Hof niet overtuigen. Straf en strafmaat.
- De ten laste van eerste, vierde en zesde beklaagden bewezen verklaarde feiten zijn de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet. De hierna aan elk dezer beklaagden opgelegde bestraffing vormt een afdoende en juiste bestraffing voor al deze misdrijven samen, gelet op enerzijds de grote ernst van de feiten, veroorzaakt door een gebrek aan voorzorg in hoofde van elk van hen, en anderzijds het gunstig strafrechtelijk verleden van elk der beklaagden. De vervangende gevangenisstraf is aangepast aan de omvang van de opgelegde geldboete.
- Het staat op grond van de voorliggende onderzoeksgegevens vast dat deze beklaagden nog niet werden veroordeeld tot een criminele straf of een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden. Een uitstel van de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf voor de hierna bepaalde proeftermijn komt gepast voor. Deze gunstmaatregel mag immers een verdere verbetering van beklaagden doen verhopen.
- Er is geen rechtsgrond voor handen om de B.V.B.A Dr. CVH en de B.V.B.A. Architektenburo H-H burgerrechtelijk aansprakelijk te verklaren voor de geldboeten en de kosten waartoe respectievelijk eerste beklaagde CVH en vierde beklaagde A-M H worden veroordeeld. Alleen de B.V.B.A. LD wordt, overeenkomstig artikel 91 van de Wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, burgerrechtelijk aansprakelijk verklaard voor de geldboeten en de kosten waartoe beklaagde L D wordt veroordeeld. Burgerrechtelijk.
- De burgerlijke partijen stellen hun vorderingen ten aanzien van alle beklaagden uitgezonderd zesde beklaagde L D en zevende beklaagde de B.V.B.A. L D. Ten aanzien van laatst genoemde hebben de burgerlijke partijen geen vorderingen gesteld. Wat de burgerlijke partijstelling en vorderingen ten aanzien van beklaagde L D betreft, verzoeken de burgerlijke partijen dat hun akte wordt verleend van hun in eerste aanleg gedane afstand van geding. Er werd evenwel door hen geen hoofdberoep tegen deze partij aangetekend en beklaagde L D tekende zelf geen hoger beroep aan. Het Hof is dan ook niet gevat van de burgerlijke partijstelling ten aanzien van deze beklaagde en kan derhalve geen akte verlenen van een afstand van geding. Het Hof dient zich verder zonder bevoegdheid te verklaren wat de burgerlijke partijstelling ten aanzien van H H, de B.V.B.A. Dr. C V H en de B.V.B.A. Architektenburo H-H betreft. Zij worden immers vrijgesproken.
- De door beklaagden H H, A-M H en de B.V.B.A. Architectenburo H-H gesuggereerde prejudiciële vraagstelling stoelt op de hypothese dat beklaagden L D en de B.V.B.A. L D niet gehouden zouden kunnen zijn tot vergoeding van de door de burgerlijke partij geleden schade, waarvoor zij thans van de andere beklaagden wel vergoeding vorderen. Het Hof is niet gevat van deze vraagstelling, nu er immers geen vordering tot schadevergoeding hangend is ten aanzien van beklaagden L D en de B.V.B.A. L D. Op de rechtsvraag, die moet worden beantwoord opdat de noodzaak en het nut tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof kan worden beoordeeld, kan en mag het Hof thans niet antwoorden.
- De burgerlijke partijen vorderen thans niet langer een provisionele vergoeding van 1,00 euro, maar een definitief begrote vergoeding voor geleden morele schade. Deze vorderingen zijn ontvankelijk. De door elke burgerlijke partij gevorderde ex aequo et bono begrote schadevergoeding voor het door hem/haar geleden morele leed ingevolge het overlijden van respectievelijk hun zoon, echtgenoot en vader vormt een juiste en billijke vergoeding Cijfermatig worden overigens deze vorderingen door beklaagden niet betwist, behoudens wat de vergoeding voor de kinderen van het slachtoffer betreft. Dat deze kinderen nog jong waren op het ogenblik van het overlijden van hun vader, en met name respectievelijk 3,5 en 5 jaar, is te dezen niet relevant. Zij hadden reeds een voldoende band met hun vader en lijden blijvend onder de altijddurende afwezigheid van hun vader. Geen vergoeding wordt toegekend voor de schade die niet door de ten laste van de onderscheiden beklaagden aangehouden misdrijven werd veroorzaakt. Beklaagden H H en A-M H verwijzen te vergeefs naar de architectenovereenkomst, om een solidaire veroordeling te ontlopen. De burgerlijke partijen steunen hun vorderingen op een door elke der beklaagden begaan misdrijf en overeenkomstig artikel 50 van het Strafwetboek zijn alle wegens eenzelfde misdrijf veroordeelde personen hoofdelijk gehouden tot teruggave en schadevergoeding. Eerste beklaagde CVH en vierde beklaagde A-M H worden dan ook solidair veroordeeld om aan de burgerlijke partij: - PN een schadevergoeding van 3.750,00 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten, te berekenen aan een rentevoet van 5%, vanaf 16 maart 2006 en de gerechtelijke intresten, - G H een schadevergoeding van 3.750,00 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten, te berekenen aan een rentevoet van 5%, vanaf 16 maart 2006 en de gerechtelijke intresten, - K A een schadevergoeding van 10.000,00 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten, te berekenen aan een rentevoet van 5%, vanaf 16 maart 2006 en de gerechtelijke intresten, - KA, in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigster en beheerster van het vermogen van haar minderjarige dochter C N, een schadevergoeding van 10.000,00 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten, te berekenen aan een rentevoet van 5%, vanaf 16 maart 2006 en de gerechtelijke intresten, - KA, in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigster en beheerster van het vermogen van haar minderjarige zoon K N, een schadevergoeding van 10.000,00 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten, te berekenen aan een rentevoet van 5%, vanaf 16 maart 2006 en de gerechtelijke intresten, te betalen. Wat de laatste twee burgerlijke partijen betreft dient de hen toekomende vergoeding op een afzonderlijke bankrekening die op hun naam is geopend, te worden geplaatst.
- De burgerlijke partijen vorderen de solidaire veroordeling van de betrokken beklaagden tot betaling van één rechtsplegingsvergoeding, begroot op 2.000,00 euro. Eerste beklaagde CVH en vierde beklaagde A-M H worden dan ook solidair veroordeeld om aan de burgerlijke partijen een rechtsplegingsvergoeding van 150,00 euro voor de procedure in eerste aanleg en 2.000,00 euro voor de procedure in hoger beroep te betalen.
- De door beklaagden H H, A-M H, de B.V.B.A. Architektenburo H-H ingestelde tussenvordering ten aanzien van andere beklaagden is niet ontvankelijk, bij gebreke aan rechtsgrond. Er is te dezen noch in feite, noch in rechte een grond voorhanden opdat deze beklaagden in de huidige procedure een vordering zouden kunnen stellen ten aanzien van andere beklaagden. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090326.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div