← België

ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090415.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 15 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090415.1 Rolnummer: 2008RK306 Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2009-06-10 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-02 19:34 Fiche De rechter in kort geding kan - o.g.v. art. 584 Ger.W.- niet optreden in een zaak die aan de gewone rechterlijke macht werd onttrokken. De rechter in kort geding beschikt niet over de rechtsmacht om de Staat en/of de Vlaamse Gemeenschap te verplichten om binnen een concrete korte termijn een residentiële instelling te vinden die door de CBM voor de betrokken geïnterneerde geschikt bevonden en aangewezen zou moeten worden, daar zulk een beslissing per definitie een conflict zou impliceren met de exclusieve beoordelingsbevoegdheid van de CBM overeenkomstig artt. 14 en 15 van de wet van 9.4.1930 en van haar voorzitter in dringende gevallen overeenkomstig art. 17 van diezelfde wet. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID - Materiële bevoegdheid - Voorzitter rechtbank - Kort geding (bevoegdheid voorzitter) STRAFRECHT - GEESTESSTOORNIS - Commissie tot bescherming maatschappij STRAFRECHT - GEESTESSTOORNIS - Internering Vrije woorden: internering - kort geding - rechtsmacht inzake uitvoering beschikking CBM Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, ACHTSTE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewe-zen: Inzake : 2008/RK/259 A.V.H.; APPELLANT tegen de beschikking van de Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, zetelend in kort geding, d.d. 2 juni 2008 vertegenwoordigd door mr. Peter Verpoorten, advocaat te 3945 Oostham, Heldenplein 42; TEGEN :

  1. De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, met burelen te 1000 Brussel, Waterloolaan 115; GEÏNTIMEERDE vertegenwoordigd door mr. M. Van Houdt loco mr. C. Raymaekers, advocaat te 2600 Berchem, Deken de Win-terstraat 26;
  2. De VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van de VLAAMSE MINISTER VAN WELZIJN, VOLKSGEZONDHEID EN GEZIN, met kabinet te 1000 Brussel, Koolstraat 35; GEÏNTIMEERDE vertegenwoordigd door mr. P.J. Staelens loco mr. B. Staelens, advocaat te 8000 Brugge, Gerard Davidstraat 46 bus 1; ***** De door de wet vereiste processtukken zijn in behoorlijke vorm over-gelegd, waaronder de bestreden beschikking van 2.6.2008, volgens verklaring van partijen niet betekend, en het verzoekschrift neer-gelegd op 8.8.2008, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd ingesteld.
  3. Op 22.6.1990 werd de heer AVH geïnterneerd door de raadkamer te Gent voor verkrachting van de minderjarige dochters van zijn zus. In 1996 genoot hij een invrijheidstelling op proef, maar op 22.2.1996 werd hij van zijn vrijheid beroofd na nieuwe feiten. De CBM (Commissie voor de Bescherming van de Maatschappij) besliste op 13.12.2004 tot behoud van de internering in de inrichting tot bescherming van de maatschappij (IBM) in Merksplas tot een ge-paste reclassering in een instelling voor gehandicaptenzorg of home voorligt, met een principieel akkoord voor een invrijheidstelling op proef zodra een gepaste reclassering in een instelling voor gehandi-captenzorg of home zou worden gerealiseerd. Op 18.2.2008 besliste de CBM tot behoud van de internering in de IBM te Merksplas tot een opname in een "Vlaams-Fondssetting" kan gerealiseerd worden. Tegen die beslissing werd geen hoger beroep ingesteld.
  4. Op 27.12.2007 werd op verzoek van de heer AVH een dagvaarding in kort geding betekend aan de Belgische Staat, waarbij geëist werd dat de uitvoering zou bevolen worden van de beslissing van de CBM van 13.12.2004 binnen de 14 dagen op straffe van een dwangsom van 2500,- EUR per week vertraging. Op 14.2.2008 werd op verzoek van de heer AVH een nieuwe dag-vaarding in kort geding betekend, ditmaal aan de Vlaamse Ge-meenschap, waarbij geëist werd dat de uitvoering zou bevolen wor-den van de beslissing van de CBM van 13.12.2004 binnen de 14 dagen op straffe van een dwangsom van 2500,- EUR per week ver-traging. In conclusie voor de eerste rechter werd de vordering aldus aange-vuld en gewijzigd dat de uitvoering gevorderd werd van de beslissin-gen van de CBM van 13.12.2004 en van 18.2.2008, evenals de overbrenging van de heer Van Houtte binnen de 14 dagen naar een gepaste setting binnen de Vlaams-Fondssector op straffe van een dwangsom van 2.500 EUR per week vertraging.
  5. In de bestreden beschikking van 2.6.2008 werd geoordeeld dat de kort gedingrechter weliswaar kan tussenkomen in geval van een ogenschijnlijk foutieve aantasting van een subjectief recht van een geïnterneerde, maar geen rechtsmacht heeft om te oordelen over een vordering tot overbrenging naar een gepaste inrichting, daar het exclusief aan de CBM toekomt om te oordelen wat een gepaste setting is. Ten overvloede werd de vordering ook afgewezen bij ge-brek aan urgentie.
  6. Kort na deze beschikking werd een nieuwe beslissing getroffen door de CBM. Het beschikkend gedeelte van de beslissing van de CBM van 16.6.2008 luidt als volgt: "...ZEGT DE COMMISSIE dat de verdere internering voorlopig zal behouden blijven in de IBM te Merksplas, tot een residentiële setting wordt gevonden. VERZOEKT DE COMMISSIE Mevrouw Elisabeth DE MOOR, advo-caat plaatsvervangend lid van de Commissie, om zich - conform ar-tikel 18 van de wet van 01.07.1964 - te begeven naar de plaats waar de geïnterneerde verblijft in de IBM van Merksplas om zich van zijn toestand te vergewissen en hierover schriftelijk verslag uit te brengen aan de Commissie (desgevallend met foto's). ZEGT DE COMMISSIE dat de zaak terug zal behandeld worden ter zitting, na ontvangst van voormeld verslag".
  7. Het hoger beroep van de heer AVH strekt er toe dat de beschikking zou worden hervormd en dat opnieuw recht sprekend de uitvoering van de beslissingen van de CBM van 13.12.2004, 18.2.2008 en van 16.6.2008 zou worden bevolen en dat aan geïntimeerden bevolen zou worden ervoor te zorgen dat er plaats is binnen een instelling van de Vlaams Fonds - sector die de CBM kan aanwijzen voor de verdere uitvoering van de internering, op straffe van een dwangsom van 2.500,- per week vertraging. Verder vordert hij dat geïntimeerden veroordeeld zouden worden tot de gerechtskosten, waarbij hij de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep raamt op 1.200,- EUR.
  8. Zowel de Belgische Staat als de Vlaamse Gemeenschap conclude-ren tot ongegrondheid van het hoger beroep en tot veroordeling van de heer AVH tot de gerechtskosten, door elk van beide begroot op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep ten bedrage van 1.200,- EUR.
  9. Uit art. 488 bis, f) § 3 B.W. volgt dat bij voorlopig bewind de voorlopig bewindvoerder de beschermde persoon in rechte vertegenwoordigt als eiser of verweerder, met een volledige onbekwaamheid van de beschermde persoon om zelf nog op te treden voor gevolg. Dit geldt echter niet voor procedures die volledig buiten de door de wet ge-regelde vermogensbescherming vallen, zoals de huidige procedure. Zijn hoger beroep is bijgevolg toelaatbaar.
  10. De rechter in kort geding beschikt niet over de rechtsmacht om de vordering te beoordelen, zoals ze thans concreet werd/wordt ge-formuleerd door de heer AVH en zoals ze redelijkerwijze dient te worden begrepen, nl. in die zin dat ze enig concreet nut voor hem zou kunnen opleveren. Hij vordert immers dat aan geïntimeerden bevolen zou worden er-voor te zorgen dat er plaats is binnen een instelling van de Vlaams Fonds - sector die de CBM "kan" aanwijzen (waarmee redelijkerwijze "aanwijst", "zal aanwijzen" of "moet aanwijzen" wordt bedoeld omdat de beoogde maatregel anders geen enkel concreet nut voor de heer AVH kan opleveren) voor de verdere uitvoering van de internering en dit binnen de 14 dagen vanaf "de tussen te komen beschikking" (be-doeld wordt: het arrest) op straffe van een dwangsom van 2.500,- EUR per week vertraging. Het is precies in die zin dat hij de uitvoering van de genoemde be-slissingen van de CBM (minstens de laatste) bedoelt: geïntimeerden zouden binnen de twee weken een residentiële instelling moeten vinden die dan door de CBM wordt aangewezen voor de verdere internering. Aldus zou de rechter in kort geding geïntimeerden moeten veroordelen om zulk een residentiële instelling te vinden die bereid zou zijn de betrokken geïnterneerde op te nemen en die bovendien volgens de CBM, diens voorzitter of de H(oge)CBM ge-schikt zou zijn in functie van zijn problematiek. Krachtens art. 14 en 15 van de wet van 9.4.1930 komt het de CBM toe te bepalen in welke inrichting of instelling de internering plaats vindt. Elke plaatsing buiten de inrichtingen tot bescherming van de maatschappij veronderstelt een beslissing van de CBM. In dringende gevallen komt het de voorzitter van de CBM toe om de overbrenging naar een andere inrichting te gelasten (art. 17). Gelet op art. 584 Ger.W., op grond waarvan de rechter in kort geding niet kan optreden in een zaak die aan de gewone rechterlijke macht werd onttrokken en gelet op de op grond van de wet van 9.4.1930 aan de CBM, in dringende gevallen diens voorzitter, en aan de HCBM toegekende bevoegdheden, beschikt de rechter in kort ge-ding niet over de rechtsmacht om geïntimeerden te verplichten om binnen een concrete korte termijn zulk een residentiële instelling te vinden die door de CBM geschikt bevonden en aangewezen zou moeten worden, daar zulk een beslissing per definitie een conflict zou impliceren met de exclusieve beoordelingsbevoegdheid van de CBM overeenkomstig artt. 14 en 15 van de wet van 9.4.1930 en van haar voorzitter in dringende gevallen overeenkomstig art. 17 van die-zelfde wet. Alleen reeds om die reden dient het hoger beroep te worden afge-wezen. Indien de door de heer AVH bedoelde maatregel effectief ruimer be-doeld zou zijn dan zoals hoger begrepen, is het hem er kennelijk om te doen om de tekortkomingen in het beleid ten aanzien van geïnter-neerden aan de kaak te stellen zonder daarmee een reële, concrete verbetering van zijn eigen rechtspositie op korte termijn na te stre-ven. Zulks kan evenmin een tussenkomst van de rechter in kort ge-ding verantwoorden.
  11. Overeenkomstig art. 1017 Ger.W. komen de gerechtskosten ten laste van de in het ongelijk gestelde partij, met name appellant. Daar hij van tweedelijns juridische bijstand geniet wordt de rechts-plegingsvergoeding hoger beroep bepaald op het minimumbedrag vermeld in het KB van 26.10.2007, nl. 75,- EUR. O M D I E R E D E N E N : H E T H O F, Rechtsprekend op tegenspraak; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken; Gehoord Substituut-Procureur-generaal B. BACKX in zijn advies dat omwille van de omstandigheden van de zaak onmiddellijk mondeling ter terechtzitting werd gegeven en waarop partijen hebben kunnen repliceren; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond; Bevestigt het beschikkend gedeelte van de bestreden beschikking. Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van elk van beide geïntimeerden begroot op 75,- EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van VIJFTIEN APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN waar aanwezig waren : mevrouw A. VAN MUYLDER dd Voorzitter de heer B. BULLYNCK Raadsheer de heer J. MERTENS DE WILMARS Plv. Raadsheer mevrouw G. VERSYPT Griffier G. VERSYPT MERTENS DE WILMARS B. BULLYNCK A. VAN MUYLDER PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090415.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.