← België

ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090429.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 29 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090429.10 Rolnummer: 2008AR2532 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-06-16 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-07-02 19:39 Fiche Tenzij de wet anders bepaalt, kan tegen ieder vonnis hoger beroep worden ingesteld. De artikelen 617 tot en met 621 Ger.W. voorzien niet in een uitzondering voor wat betreft de vereffening van de gerechtskosten bij een vonnis dat op zich volgens die bepalingen niet in laatste aanleg is gewezen. Een toelaatbaar beperkt hoger beroep kan ingesteld worden louter m.b.t. de bepaling van de omvang van rechtsplegingsvergoeding door de eerste rechter, wanneer diens vonnis niet op grond van andere door art. 617-621 Ger.W. genoemde redenen in laatste aanleg is gewezen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) - Voorwaarden hoger beroep - Algemeen Vrije woorden: hoger beroep - toelaatbaarheid - hoger beroep enkel m.b.t. omvang rechtsplegingsvergoeding Tekst van de beslissing Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, ACHTSTE BIS KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen: Nr. 2008/AR/2532 In zake: BN appellante, vertegenwoordigd door Mr. ESTERCAM Lutgard, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Leopoldplaats 10 bus 2 tegen het vonnis gewezen op 19 juni 2008 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen TEGEN : KF, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. BOGAERTS Sarah, advocaat te 2800 MECHELEN, Grote Nieuwedijkstraat 417 De door de wet vereiste processtukken zijn in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 19.06.2008, volgens verklaring van partijen niet betekend, en het verzoekschrift, ter griffie neergelegd op 30.09.2008, waarmee een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd ingesteld.

  1. Bij dagvaarding betekend op 29.3.2007 werd door mevrouw B de echtscheiding gevorderd op grond van de oude artikelen 229 en 231 B.W., de aanstelling van een notaris om over te gaan tot de bewerkingen van vereffening en verdeling evenals een uitkering na echtscheiding ten bedrage van 500,- EUR per maand. De vordering werd ongegrond verklaard bij vonnis van 19.6.
  2. Mevrouw B werd veroordeeld tot de gerechtskosten die in hoofde van de heer K vereffend werd op een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.200,- EUR.
  3. Op 30.09.2008 werd door mevrouw B beperkt hoger beroep ingesteld, louter voor wat haar veroordeling tot de basisrechtsplegingsvergoeding van 1.200,- EUR betreft. Zij vordert de herleiding van die rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg tot het bedrag van 75,- EUR. Ter terechtzitting van 14.04.2009 vroeg zij om de rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg zelfs op een lager bedrag dan het bij K.B. van 26.10.2007 bepaalde minimum te bepalen. Zij benadrukte dat zij de herleiding tot het minimumbedrag mondeling aan de eerste rechter had gevraagd. De rechtsplegingsvergoeding hoger beroep wordt door haar niet begroot en zij vraagt dat het hof die zou omslaan.
  4. De heer K concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de veroordeling van mevrouw B tot de kosten, waarbij de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep evenwel door hem niet wordt begroot. Ondergeschikt maakt ook hij aanspraak op het omslaan van de rechtsplegingsvergoedingen hoger beroep.
  5. Overeenkomstig art. 616 Ger.W. kan tegen ieder vonnis hoger beroep worden ingesteld, tenzij de wet anders bepaald. De artikelen 617 tot en met 621 Ger.W. voorzien niet in een uitzondering voor wat betreft de vereffening van de gerechtskosten bij een vonnis dat op zich volgens die bepalingen niet in laatste aanleg is gewezen. Mevrouw B beschikt over het rechtens vereiste belang om hoger beroep in te stellen tegen een vonnis waarbij zij veroordeeld werd tot betaling van een hogere rechtsplegingsvergoeding dan diegene die zij meende en meent verschuldigd te zijn. Bijgevolg is het beperkt hoger beroep dat louter betrekking heeft op de vereffening van de gerechtskosten door de eerste rechter toelaatbaar.
  6. Het staat niet ter discussie dat mevrouw B te beschouwen was als de in het ongelijk gestelde partij die overeenkomstig art. 1017 Ger.W. de gerechtskosten diende te dragen. De discussie beperkt zich tot de omvang van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg.
  7. Mevrouw B wijst er op dat haar het voordeel van de kosteloze rechtspleging was toegekend evenals het voordeel van de juridische tweedelijnsbijstand. In die omstandigheden kan haar verzoek tot herleiding van die vergoeding tot het minimumbedrag voor de procedure in eerste aanleg alsnog ingewilligd worden. Het hof gaat echter niet in op de vraag om deze op een lager bedrag te bepalen.
  8. Overeenkomstig art. 1017, lid 4 Ger.W. worden de kosten van de beroepsprocedure omgeslagen. OM DEZE REDENEN, HET HOF, na beraad, Recht sprekend op tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15.06.1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het beperkt hoger beroep toelaatbaar en in de navolgende mate gegrond; Bevestigt het bestreden vonnis binnen de perken van het hoger beroep, met die ene wijziging dat de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg welke ten laste valt van mevrouw Baillieux bepaald wordt op 75,- EUR; Slaat de kosten van de beroepsprocedure om; Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de ACHTSTE BIS KAMER van het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, op NEGENENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN NEGEN waar aanwezig waren : B. BULLYNCK Raadsheer, V. PEETERS Griffier V. PEETERS B. BULLYNCK PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090429.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.