id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Antwerpen Vonnis/arrest van 18 mei 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090518.8 Rolnummer: 1268 P 2008 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-03-16 Raadplegingen: 264 - laatst gezien 2026-07-02 19:46 Fiche
- De omstandigheid dat bewijselementen in het buitenland op een onrechtmatige manier werden bekomen, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat deze elementen niet meer kunnen worden gebruikt in het Belgische strafproces. Hiertoe dienen de criteria van art. 13 van de wet van 9 december 2004 betreffende de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken te worden gehanteerd. Daaruit volgt nochtans niet dat deze loutere onregelmatigheid het recht van de beklaagde op een eerlijk proces op onherstelbare wijze zou hebben geschaad, omdat een passend herstel erin zal bestaan de nietig verklaarde stukken en de daardoor verkregen bewijselementen uit de debatten te weren.
- Het verhoor onder eed van een verdachte, miskent het algemeen beginsel van eerbiediging van het recht van verdediging wanneer die eed, degene die wordt verhoord verplicht om tegen zichzelf te getuigen of zich schuldig te verklaren (Cass. 27 juni 2007, P.07.0333.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070627.4). Het leidt t.a.v. de betrokkene tot een onrechtmatig verkregen bewijsstuk. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BEWIJS (STRAFRECHT) - Algemeen (bewijs (strafrecht) Vrije woorden: Strafprocesrecht - bewijsgaring in het buitenland - onrechtmatig - Antigoon - recht op een eerlijk proces - onherstelbaar beschadigd - passend rechtsherstel - wering uit de debatten van het onrechtmatig bewijs Strafprocesrecht - bewijs - verhoor onder eed van een verdachte - miskenning van het recht van verdediging - onrechtmatig bewijs - niet ten aanzien van derden Wettelijke bepalingen: Wet - 09-12-2004 - 13 Nota: Er werd afstand gedaan van het cassatieberoep tegen dit tussenarrest, vastgesteld bij arrest van 3 november 2009 (P09.0976N). Tekst van de beslissing Het Hof van Beroep, zitting houdende op 18 mei 2009 te Antwerpen, Vijftiende kamer (...) Het hoger beroep is gericht tegen het op tegenspraak uitgesproken vonnis - notitienummer HA.27.98.647-04 - repertoriumnummer 2163 en griffienummer 1526 - van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt van 7 november 2008, 18de Kamer, 3 rechters - zitting houdende in correctionele zaken, waarbij als volgt werd beslist: Stelt vast dat de door tweede beklaagde G. D. en derde beklaagde G. J. in Monaco afgelegde verklaringen, alsmede alle hieruit voortvloeiende onderzoekshandelingen en onderzoeksresultaten ten aanzien van deze twee beklaagden dienen te worden beschouwd als onrechtmatig verkregen bewijs die wat hen betreft uit de debatten moeten worden geweerd en niet door het openbaar ministerie mogen worden aangewend als bewijselementen van de aan tweede en derde beklaagde ten laste gelegde feiten. (...)
- Verloop van het onderzoek Op 7 augustus 2003 stuurt de Cel voor Financiële Informatieverwerking (afgekort: CFI ) een bijkomend verslag van onderzoek met betrekking tot het dossier A. R., H. E., G. J., P. L. en diverse vennootschappen, naar de Procureur des Konings te Luik (stukken 70 t/m 62). In dit verslag meldt de CFI dat de cel is ingelicht geworden dat de broer van G. J., G. D., beheerder is van de Britste vennootschap F. E. LTD. Volgens de CFI ligt deze vennootschap aan de basis van talrijke transfers, uitgevoerd ten voordele van een rekening geopend in België door W. A. op naam van de vennootschap B. M. LTD. Het totale bedrag van de verrichtingen zou 474.407,31 EUR bedragen. De CFI verwijst in haar bijkomend verslag naar het aanvankelijk verslag van onderzoek, overgemaakt op 25 maart
- De CFI wijst er op dat G. J. en G. D. opduiken als begunstigden van internationale transfers (stuk 63 van het strafdossier). Op 9 december 2003 maakt de Procureur des Koning van Luik een aangifte van de CFI over aan zijn ambtgenoot te Tongeren (stuk 71), die het dossier overmaakt aan zijn ambtgenoot te Hasselt (stuk 76) Op 21 september 2004 doorzoekt de GDA Hasselt de auto van W. A. . In de koffer wordt een aktetas gevonden met een met een fax van G.I.S. bvba aan Delta Lloyd Bank. Deze fax is ondertekend door J.M. G. (stuk 135 en 132) en de GDA Hasselt identificeert G. J. M. als vennoot van de G.I.S. bvba (stuk 143). De Procureur des Konings te Hasselt vordert die zelfde dag een gerechtelijk onderzoek tegen W. A. voor witwas ( stuk 145 ). Tijdens de ondervraging van W. A. vraagt de onderzoeksrechter hem of hij een zekere persoon G. kent (stuk 148). Op 23 september 2004 ondervraagt de GDA Hasselt V. C. . Ook aan hem wordt gevraagd of hij J. G. kent (stuk 154). Op 23 september 2004 brengt de GDA Hasselt een bezoek aan de maatschappelijke zetel van G.I.S. bvba te Antwerpen en aan het bedrijfsrevisorenkantoor W. & Co ( stuk 163-162 ). Bedrijfsrevisor D. W. deelt mee dat J. G. de contactpersoon is van de G.I.S. bvba. . De speurders vragen bepaalde documenten op bij de bedrijfsrevisor m.b.t. de bvba G.I.S. en trachten tevergeefs telefonisch contact op te nemen met J. G. . De verbalisanten merken op dat M. F. INC gevestigd is in Monaco en dat G. aldaar woonachtig is, en stellen zich de vraag of er een relatie is tussen G. en M. F. INC. Op 21 oktober 2004 komen de documenten inzake G.I.S. Management BVBA via de bedrijfsrevisoren W. & Co toe bij de GDA Hasselt ( stuk 239 ). De verbalisanten besluiten dat op basis van de bijgebrachte stukken een verhoor van J. G. noodzakelijk is (stuk 240). In een PV nr. 1612/05 van 9 maart 2005 sommen de speurders een lijst op van onbeantwoorde vragen, o.m. welke rol speelt J. G. hierin - zie vroegere kennisgevingen van de CFI inzake van witwassen van geld afkomstig van prostitutie - (stuk 312). Op 19 augustus 2005 maakt de onderzoeksrechter een verzoek om rechtshulp aan het Prinsdom Monaco over aan de Procureur des Konings te Hasselt ( stuk 563 ). In dit rechtshulpverzoek stelt de onderzoeksrechter dat G. J. linken heeft met de in het onderzoek genoemde vennootschappen GIS en F. en verzoekt dan ook o.m. over te gaan tot het verhoor van deze persoon (stuk 560). Tijdens de rogatoire commissie brengen de speurders op 17 november 2005 aan het licht dat de personen achter de vennootschap uit de Britse Maagdeneilanden M. F. INC, G. J. en zijn zoon G. D. zijn (stuk 850). Van de rekening in Monaco zou door G. D. via twee overschrijvingen van 8 augustus en 27 november 2002 een bedrag van 300.000 euro afgehaald zijn ( stuk 849 ). De speurders uit Monaco bekwamen de toelating van de onderzoeksrechter om een getuigenverhoor af te nemen van G. D. (stuk 1134). Op 14 december 2005 wordt de heer G. J. ondervraagd door de speurders. Hij legt de eed af dat hij de hele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen (stuk 839). (Verhoor + vertaling: 833-845 van het strafdossier). Op 14 december 2005 wordt ook G. D. ondervraagd ( stukken 832 t/m 818 ) en legt de eed als getuige af (stuk 832/825 ). Later op de dag wordt hij nogmaals onder eed ondervraagd (stukken 817 t/m 812). Hij toont een factuur van M. F. INC aan de speurders die er - met toestemming van G. D. - een fotokopie van maken (stukken 811 t/m 809). Op 15 december 2005 wordt G. D. voor het laatst onder eed gehoord (stuk 808 t/m 804). Ook nu worden er documenten van M. F. INC aan de speurders getoond. Ook van deze documenten wordt er - met toestemming van G. D. - een fotokopie gemaakt (stukken 803 t/m 721).
- Ten gronde De ondervraging van G. D. en G. J. vond in Monaco plaats. Zij werden ondervraagd als getuigen terwijl uit het geheel van de procedure blijkt dat ze op dat moment van de procedure als verdachte in de zin van art. 6 EVRM of art. 14.3 BUPO dienen te worden beschouwd. De beoordeling van de regelmatigheid van bewijselementen vergaard in het buitenland gebeurt in drie stappen: - Vooreerst moet de vreemde wet het gebruikte bewijsmiddel toelaten. - Vervolgens mag het bewijsmiddel niet strijdig zijn met enerzijds de internationale en supranationale regels die van rechtstreekse toepassing zijn in de nationale rechtsorde, en anderzijds de Belgische openbare orde. - Ten slotte moet het bewijselement verkregen zijn conform het vreemde recht. (zie R. Verstraeten, Handboek strafvordering, 4de volledige herziene uitgave, p. 844, nr. 1780; Cass. 23 mei 2000, J.T. 2001,450). De Monegaskische strafprocedure wordt geregeld door de Code de procédure pénale van 2 april
- Het wetboek maakt een onderscheid tussen het verhoor van een getuige (art. 125 tot 147) en de ondervraging van de verdachte (art. 166 tot 179). Een getuige dient de eed af te leggen (art. 132). Een verdachte die wordt ondervraagd, wordt eerst op de hoogte gebracht van de tegen hem ingebrachte feiten en wordt verwittigd - op straffe van nietigheid - dat hij niet verplicht is te spreken (art. 166). Ook wordt de verdachte op de hoogte gebracht - op straffe van nietigheid - dat hij een advocaat kan kiezen of laten toewijzen. Een verdachte kan niet worden ondervraagd buiten de aanwezigheid van zijn advocaat (art. 168). Het is duidelijk dat G. D. en G. J. als verdachte moesten worden ondervraagd en niet als getuige. De ondervragingen in kwestie zijn dus niet verkregen overeenkomstig het recht van Monaco. De omstandigheid dat bewijselementen in het buitenland op een onrechtmatige manier werden bekomen, heeft niet noodzakelijk tot gevolg dat deze elementen niet meer kunnen worden gebruikt in het Belgische strafproces. Hiervoor dienen de criteria van art. 13 van de wet van 9 december 2004 betreffende de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken te worden gehanteerd: " In het kader van een in België gevoerde strafrechtspleging mag geen gebruik worden gemaakt van bewijsmateriaal: 1° dat in het buitenland op onregelmatige wijze is verzameld indien de onregelmatigheid: - volgens het recht van de Staat waarin het bewijsmateriaal is verzameld volgt uit de overtreding van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste; - de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal aantast; 2° waarvan de aanwending een schending inhoudt van het recht op een eerlijk proces. " Het verhoor onder eed van een verdachte, miskent het algemeen beginsel van eerbiediging van het recht van verdediging wanneer die eed, degene die wordt verhoord verplicht om tegen zichzelf te getuigen of zich schuldig te verklaren (Cass. 27 juni 2007 (P.07.0333.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070627.4). Het leidt t.a.v. de betrokken tot een onrechtmatig verkregen bewijsstuk. Daaruit volgt nochtans niet dat deze loutere onregelmatigheid het recht van de beklaagde op een eerlijk proces op onherstelbare wijze zou hebben geschaad, omdat een passend herstel erin zal bestaan de nietig verklaarde stukken en de daardoor verkregen bewijselementen uit de debatten te weren (Cass. 16 september 1998 -A 94.0001.F). De beklaagde die niet zelf onder eed werd gehoord kan uit het debat over de tegen hem ingestelde strafvordering geen verklaringen doen weren, die een verdachte over hem heeft afgelegd terwijl van die verdachte, om reden van zijn hoedanigheid, de eed onregelmatig werd afgenomen (Cass. 27 juni 2007 -P.07.0333.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070627.4). Het bestreden vonnis dient derhalve bevestigd te worden en de zaak dient voor verdere afhandeling naar de eerste rechter te worden verwezen. (...) PDF document ECLI:BE:HBANT:2009:ARR.20090518.8 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070627.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.